31Overige gevaarlijke vloeistoffen: Opslag

Richtlijn voor de veilige opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties

PGS 31:2023 versie 0.1 (april 2023)

Let op: dit is een ongecontroleerde versie. De PGS-beheerorganisatie is niet verantwoordelijk voor volledigheid en juistheid van deze versie. De versie die beschikbaar is op de website publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl is de enige geautoriseerde versie.

31Overige gevaarlijke vloeistoffen: Opslag

Richtlijn voor de veilige opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties

Concept

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over de veilige opslag en de bijbehorende activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid van werknemers, de veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS-richtlijn genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Brand- en rampenbestrijding (Rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. In Bijlage N staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het PGS-projectbureau en de PGS-adviescommissie. De PGS-stuurgroep stuurt de PGS-beheerorganisatie aan. In de PGS-stuurgroep zijn vertegenwoordigd: IPO, VNG, Brandweer Nederland, NLA, VNO-NCW en MKB-Nederland.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad vergunningverlening, toezicht en handhaving (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS-beheerorganisatie.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Omdat de PGS-richtlijnen de stand der wetenschap en professionele dienstverlening beschrijven, vormen zij voor de Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) een goed uitgangspunt voor toezicht en handhaving. De NLA bindt zich in haar toezicht op de onderdelen van de PGS-richtlijn die ze in haar zienswijze aanvaardt.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de NLA en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de PGS-stuurgroep goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op:……… Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op:………

Handtekening voorzitter PGS-stuurgroep

Leeswijzer

Indeling

De PGS-richtlijn heeft hoofdstukken en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS-richtlijn wordt voldaan aan de in deze PGS-richtlijn opgenomen doelen.

Inleidende onderwerpen

De eerste vier hoofdstukken bevatten informatie over de veilige opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over de opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's. Bij elk scenario is aangegeven met welke doelen het scenario voorkomen of beperkt kan worden en welke maatregelen daarvoor nodig zijn.
Doelen en maatregelen

Hoofdstukken 5 t.m. 7 zijn normatief. Daarin staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel en voor welke scenario's ze bedoeld zijn.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft. In paragraaf 7.1 staat de leeswijzer voor de maatregelen.
Informatie bij implementatie

De overige hoofdstukken informatief. Deze hoofdstukken geven extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in de normatieve hoofdstukken thuishoren, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn.

Dit informatieve deel van deze richtlijn bevat informatie over:

  • Hoofdstuk 8 bevat informatie over gelijkwaardige maatregelen
Bijlagen

Deze PGS-richtlijn bevat bijlagen. De teksten in de hoofdstukken kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Als een hoofdstuk normatief is, staat dat aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS-richtlijn naar verwijzen. Daar staat ook de huidige editie van de norm bij;
  • Bijlage I: Keuringstermijnen voor tanks;
  • Bijlage L: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS-richtlijn worden wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of te verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van de opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van de scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens de maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

In deze richtlijn zijn de regels opgenomen voor het ontwerpen, bouwen, gebruiken (in werking hebben), onderhouden, inspecteren/herklassificeren (in stand houden) van installaties voor opslag van gevaarlijke vloeistoffen (anders dan verpakte gevaarlijke vloeistoffen en brandstoffen) waarmee een aanvaardbaar beschermingsniveau voor mens en milieu wordt gerealiseerd. Voor de bepaling van het vereiste beschermingsniveau is uitgegaan van de stand der techniek die geldt voor de bouwkundige uitvoering van opslagvoorzieningen, brandbestrijdingssystemen (dit betreft een samenstel van preventieve, preparatieve, en repressieve voorzieningen) en arbeidsmiddelen.

Hierbij zijn enerzijds de risico's van de gevaarlijke stoffen binnen het PGS 31-toepassingsgebied van belang en moeten anderzijds de installatiecomponenten en werkwijzen worden belicht. Hieronder vallen onder andere de ontwerpeisen die worden gesteld aan de installatie, de toegepaste componenten en de gebruiksomstandigheden. Daarbij wordt voor de constructie uitgegaan van bestaande technieken, zoals bijvoorbeeld vastgelegd in beoordelingsrichtlijn BRL-K903/BRL SIKB 7800. Daarnaast zijn interne en externe risico's en veiligheidsafstanden belangrijk. Ook het onderhoud van de tankinstallatie en de daarbij behorende procedures zijn beschreven.

In deze PGS wordt meerdere malen aangegeven dat een PRI&E moet worden uitgevoerd. De maatregelen die volgen uit een PRI&E moeten worden toegepast.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

1.2.1Algemeen Normatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op de drukloze opslag in tankinstallaties met een inhoud van 0,250 m3 t/m 150 m3 van de volgens het ADR gedefinieerde gevaarlijke vloeibare stoffen en mengsels en tevens die vloeibare stoffen en mengsels die vanuit CLP-verordening als CMR zijn gekenmerkt. Voor de definitie van drukloze opslag wordt verwezen naar Bijlage A.

Vloeistoffen of mengsels die vanuit de CLP-verordening onder de reikwijdte van deze richtlijn vallen (naast de gevaarlijke vloeistoffen en mengsels vanuit de ADR):

  1. stoffen die in bijlage VI, tabel 3.1 van verordening 1272/2008 zijn vermeld als kankerverwekkend, mutageen of ‘voor de voortplanting giftig’, categorie 1A of 1B; of
  2. stoffen die volgens bijlage I, sectie 3.5, sectie 3.6 en sectie 3.7 van verordening 1272/2008 zijn geclassificeerd als kankerverwekkend, mutageen of ‘voor de voortplanting giftig’, categorie 1A of 1B; of
  3. stoffen die in bijlage VI, tabel 3.2 van verordening 1272/2008 zijn vermeld als kankerverwekkend, mutageen of ‘voor de voortplanting giftig’, categorie 1A of 1B;
  4. mengsels die volgens Europese Richtlijn 1999/45/EG zijn geclassificeerd als kankerverwekkend, mutageen of ‘voor de voortplanting giftig’, categorie 1 of 2; of
  5. mengsels die volgens bijlage I, sectie 3.5, sectie 3.6, sectie 3.7 van verordening 1272/2008 zijn geclassificeerd als kankerverwekkend, mutageen of ‘voor de voortplanting giftig’, categorie 1A of 1B.

Toelichting: Bijlage VI van verordening 1272/2008 bevat de geharmoniseerde indeling van CMR-stoffen. Dat wil zeggen dat deze indeling op Europees niveau is vastgesteld en verplicht behoort te worden gebruikt. De H-zinnen die van toepassing zijn op categorie 1A en 1B, zijn de volgende:

  • voor C-stoffen (kankerverwekkend): H350 ‘Kan kanker veroorzaken’;
  • voor M-stoffen (mutageen): H340 ‘Kan genetische schade veroorzaken’;
  • voor R-stoffen (voor de voorplanting giftig): H360 ‘Kan de vruchtbaarheid of het ongeboren kind schaden’.

Voor deze PGS wordt voor ‘stof’ de volgende definitie gehanteerd: chemisch element en de verbindingen ervan zoals zij voorkomen in natuurlijke toestand of bij de vervaardiging ontstaan, met inbegrip van alle additieven die nodig zijn voor het behoud van de stabiliteit ervan en alle onzuiverheden ten gevolge van het toegepaste procedé, doch met uitzondering van elk oplosmiddel dat kan worden afgescheiden zonder aantasting van de stabiliteit van de stof of wijziging van de samenstelling. Een mengsel is een oplossing bestaande uit twee of meer stoffen.

Een aantal gevaarlijke vloeistoffen vraagt extra toelichting voor wat betreft hun classificatie. Het betreft de zogenoemde watergedragen mengsels. Onder chemische vloeistoffen die worden opgeslagen in opslagtanks, zijn ruim de helft watergedragen mengsels. Dit zijn mengsels waarbij het oplosmiddel voor meer dan 50 % uit water bestaat en waarbij eventuele andere gebruikte oplosmiddelen volledig in water oplosbaar zijn. Voorbeelden hiervan zijn reinigingsmiddelen, verdunde zuren, logen en watergedragen bindmiddelen.

Watergedragen mengsels die een vlampunt >35 ˚C hebben en voor meer dan 50 % uit water bestaan, onderhouden de verbranding niet. De begrippen brandbare vloeistoffen, brandonderhoudende vloeistoffen en niet-brandonderhoudende vloeistoffen zijn door het RIVM nader toegelicht in de notitie: Brandbare vaste stoffen, onbrandbare stoffen en niet-brandonderhoudende stoffen in het kader van de richtlijn PGS 15 van 21 maart 2015. Bij de opslag van niet-brandonderhoudende vloeistoffen zijn geen aanvullende brand-mitigerende maatregelen nodig.

Als een wisselvat (zoals een IBC-container of een transporttank) wordt vastgekoppeld aan een installatie waarbij wordt gebruikgemaakt van vaste verbindingen, met de bedoeling deze voor langere tijd aan de installatie te verbinden, dan valt dit wisselvat onder het toepassingsgebied van PGS 31.

Deze PGS-richtlijn is niet van toepassing op:

  • vloeibare brandstoffen voor zover die onder het toepassingsgebied vallen van PGS 28 en PGS 30 , brandbare vloeistoffen die vallen onder het toepassingsgebied van PGS 29 en vloeistoffen die vallen onder het toepassingsgebied van PGS 8 of PGS 32 ,
  • Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen voor zover die onder het toepassingsgebied vallen van PGS 15 ,
  • procestanks,
  • opslag van infectieuze stoffen.
Onderscheid opslagtanks, vallend onder PGS 31, en procestanks, niet vallend onder PGS 31

Indien een tank opgesteld staat in een opslagomgeving is het uitgangspunt dat deze beschouwd wordt als een opslagtank, tenzij er duidelijk procesmatige handelingen in de tank plaats vinden.

Wanneer een tank onderdeel is van een procesomgeving is het uitgangspunt dat deze beschouwd wordt als een procestank. Ook dient opgemerkt te worden dat op kleine(re) productielocaties de proces- en opslagtanks in veel gevallen in dezelfde omgeving staan. Dit vanwege ontwerptechnische overwegingen en het nemen van risicobeheersmaatregelen die voor beide soorten tanks nodig zijn. Denk bijvoorbeeld aan een opvangvoorziening en brandbeheersing. De veiligheid en risicobeheersmaatregelen voor procestanks dienen bepaald te worden door een systematiek voor identificatie van de gevaren en beoordeling van de risico’s. De opslagtanks blijven in deze gemengde situatie opslagtanks. Het toevoegen van inhibitor of additieven wordt gezien als een activiteit die bij opslagtanks kan worden uitgevoerd:

  • Het toevoegen en mengen van een inhibitor om een ongewenste reactie van de stof/het mengsel bij opslag (na het (meng)proces) te voorkomen, is geen proceshandeling.
  • Als er sprake is van duidelijk gescheiden opslag- en procesomgevingen: het toevoegen van additieven in de opslagomgeving is geen proceshandeling en tanks in opslagomgevingen met louter deze handeling blijven daarmee in het toepassingsgebied van PGS 31.

Kenmerken van een opslagomgeving:

  • Opstelling van tank(s) op een apart deel van het terrein buiten de procesinstallatie.
  • Over het algemeen in opvangvoorzieningen, alleen of met meerdere opslagtanks.
  • Indien verbonden met de procesinstallatie is dit middels toevoer- of afvoerleidingen die tussen de verschillende delen van het terrein lopen. Over het algemeen over langere afstand over meerder delen van het terrein.

Kenmerken van een procesomgeving:

  • Opstelling van tank(s) samen met andere procesinstallaties zoals reactorvaten, warmtewisselaars, heaters, buffertanks etc.
  • Zowel aan de toevoer- als aan de afvoerzijde direct verbonden met andere delen van de procesinstallatie. Over het algemeen over kortere afstanden binnen de betreffende procesinstallatie.
  • Losse mengtanks zonder aansluitingen waarbij de te mengen stoffen van boven worden toegevoegd.
  • Gedeelde voorzieningen met de procesinstallatie, zoals detectiesystemen, blus- en koelvoorzieningen, productopvang, etc.

Met procesmatige handelingen wordt bedoeld:

  • Veranderingen van (chemische) samenstelling.
  • Handelingen of bewerkingen waardoor een hoger risico ontstaat, zoals druk- of temperatuurverhoging, die andere maatregelen vereisen dan beschreven in deze PGS.

Handelingen die niet worden beschouwd als procesmatig zijn:

  • Roeren/rondpompen in dezelfde tank (homogeniseren) om een product gemengd te houden. Hier kan ook het op temperatuur houden van een vloeistof bij horen om een product gemengd/vloeibaar te houden.
Emissies naar bodem, water en lucht

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen. De richtlijn gaat ook niet in op de aanpak die nodig is om tot beheersing van de gevaren voor de gezondheid op de lange termijn te komen.

1.2.2Opslag verwarmde vloeistoffen Normatief

Deze PGS is ook van toepassing op verwarmde brandbare vloeistoffen. Brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 60 ºC kunnen worden beschouwd als onverwarmd, mits de temperatuur van de vloeistof ten minste 5 ºC onder het vlampunt blijft voor enkelvoudige stoffen en 15 ºC onder het vlampunt blijft voor mengsels. Van de marge van 15 ºC voor mengsels kan worden afgeweken wanneer middels een onderbouwing wordt aangetoond welk vlampunt van het specifieke mengsel van toepassing is.

Wanneer vloeistoffen/mengsels met een vlampunt hoger dan 60 °C verwarmd worden opgeslagen boven een temperatuur van 5 °C (voor enkelvoudige stoffen) of 15 °C (voor mengsels) onder het vlampunt en voor instabiele stoffen (cf NFPA704 klasse 2), gelden al de maatregelen voor ADR-Klasse 3 vloeistoffen. Indien is aangetoond dat de stoffen niet-brandonderhoudend (zie memo RIVM ) zijn, gelden deze eisen niet.

Verwarmde en / of warm opgeslagen stoffen van die zijn geherclassificeerd behoeven voor het scenario brand in de opvangvoorziening niet te worden beschouwd op basis van deze herclassificatie. Dit omdat het verwarmde of warm opgeslagen product bij uitstromen in de opvangvoorziening snel afkoelt en er geen sprake meer is van een besloten ruimte waarin dampen kunnen cumuleren tot een ontbrandbaar mengsel.

1.2.3Afbakening PGS 31 en PGS 15, PGS 28, PGS 29 en PGS 30 Normatief

Voor de opslag van vloeibare brandstoffen in een tankinstallatie zijn PGS 28 en/of PGS 30 van toepassing voor zover de opslag valt binnen de respectievelijke toepassingsgebieden van deze richtlijnen. Voor de opslag van brandbare vloeistoffen in een opslagtank met een inhoud groter dan 150 m3 is PGS 29 van toepassing. Voor de exacte definitie van de reikwijdte van PGS 29 wordt verwezen naar PGS 29 .

PGS 29 is van toepassing op verticale cilindrische bovengrondse stalen opslagtanks waarvan de bodem gedurende de gehele levensfase van de tank op een fundering rust. Het betreft opslag onder atmosferische druk van brandbare vloeistoffen. PGS 31 gaat over diverse types bovengrondse en ondergrondse opslagtanks, namelijk tanks met een vlakke bodem, met een bolle bodem, verticale en horizontale tanks, stalen, kunststof thermoplastische en kunststof thermohardende tanks, en enkel- en dubbelwandige tanks.

De opslag van al dan niet brandbare gevaarlijke chemische vloeistoffen in een tankinstallatie valt, voor zover niet binnen het toepassingsgebied van PGS 28 of PGS 30 , binnen dat van PGS 31. De benadering van PGS 31 kan worden gebruikt bij een vergunningsaanpak bij opslagtanks van meer dan 150 m3.

Het transport van gevaarlijke vloeistoffen valt niet onder PGS 31. Daarvoor gelden de eisen van de vervoerswetgeving (onder andere het ADR). Het laden en lossen van de gevaarlijke vloeistoffen vanuit of naar een transportunit valt wel onder de reikwijdte van deze richtlijn. Verpakte stoffen in tanks die geschikt zijn voor transport over de weg, zoals IBC-containers en tankcontainers, vallen niet onder deze richtlijn. Voor de opslag in deze types tanks zijn de eisen beschreven in PGS 15 . Als een verpakking zoals een IBC-container of transporttank wordt vastgekoppeld aan een installatie waarbij wordt gebruikgemaakt van vaste verbindingen met de bedoeling deze voor langere tijd aan de installatie te verbinden, dan valt deze onder het toepassingsgebied van PGS 31 (zie Paragraaf 7.7).

De eisen waar deze types tanks aan moeten voldoen, zijn vastgelegd in de vervoerswetgeving (onder andere het ADR).

Voor de scenario’s, doelen en maatregelen voor laden en lossen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht met PGS 29 aangezien deze situaties in de praktijk meer vergelijkbaar zijn dan PGS 28 en PGS 30 .

Voor de opslag van organische peroxiden en explosieven voor civiel gebruik zijn PGS8 respectievelijk PGS 32 van toepassing voor zover de opslag valt binnen de respectievelijke toepassingsgebieden van deze richtlijnen.

1.2.4Keuringen in eigen beheer, relatie Wbda 2016 Normatief

In beginsel is bij het opstellen van PGS 31 uitgegaan van BRL-K903/BRL SIKB 7800.

Bedrijven met een eigen keuringsdienst van gebruikers (NL-KvG) of een inspectiedienst van gebruikers (IvG) mogen keuringen in eigen beheer uitvoeren. IvG/NL-KvG kennen een eigen inspectieschema met onafhankelijk toezicht daarop door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI).

Om bedrijven met voldoende specifieke deskundigheid ruimte te bieden om bepaalde handelingen/werkzaamheden in eigen beheer uit te voeren, kan aansluiting worden gezocht bij de maatregelen in Paragraaf 7.8.3 van deze richtlijn. In de toelichting van M100 staat: “Kleine reparaties zijn bijvoorbeeld het vervangen van appendages, pompen, peilinrichtingen, vuldop, peilstok, slangen, vulpistool door gelijkwaardige onderdelen".

Reparaties aan beveiligingen zijn geen kleine reparaties. Hieronder kan het uitwisselen van een pomp worden begrepen.

Een gecertificeerde installateur blijft degene die volgens het BRL-K903/BRL SIKB 7800-schema de installatie keurt, reparaties/wijzigingen aan de installatie aanbrengt die ook moeten worden vermeld op het installatiecertificaat, en herbeoordelingen uitvoert. Gecertificeerde installateurs staan op hun beurt onder toezicht van de schemabeheerder.

Bij drukloze opslag van vloeistoffen in tanks kan voor wat betreft de technische integriteit, afhankelijk van het type tank en de condities, aangesloten worden bij de systematiek van het Warenwetbesluit drukapparatuur (Wbda 2016), echter alleen voor bedrijven met een NL-KvG of een IvG. Het gaat hier om de integriteit van het primaire toestel plus leidingen en het onderhoud. Voor de overige aspecten is PGS 31 van toepassing. Deze alternatieve route is gekozen omdat verwacht mag worden dat bedrijven met NL-KvG/IvG de competenties hebben om hier goed invulling aan te geven en niet specifiek vanwege Wbda 2016.

Het Wbda 2016 stelt essentiële veiligheidseisen aan drukapparatuur en samenstellen met een druk PS hoger dan 0,5 bar. De veiligheidseisen hebben het kenmerk van doelvoorschriften. Een keuringsregime borgt dat aan deze eisen wordt voldaan. Bij gering risico gaat het Wbda 2016 uit van goed vakmanschap van de gecertificeerde installateur en zorgplicht van de ondernemer en stelt geen keuringen verplicht. Bij groter risico zal ten minste een beoordeling door een onafhankelijke keuringsinstelling moeten plaatsvinden. De beoordelingsactiviteiten nemen toe naarmate het risico toeneemt.

Bedrijven die gebruikmaken van een NL-KvG of een IvG, hebben de benodigde competenties om op systematische wijze en met voldoende expertise de veiligheid van de installatie te borgen.

Volgens de systematiek van het Wbda 2016 (doorgetrokken naar apparatuur met een druk lager of gelijk aan 0,5 bar) is sprake van een groter risico indien het nieuwbouw en gebruik van tankinstallaties groter dan 400 liter betreft voor de opslag van vloeistoffen uit stofgroep 1. In dat geval is een keuringsregime verplicht. In de PGS 31 wordt voor een tankinstallatie een ondergrens van 250 liter aangehouden. Deze grens wordt ook hier toegepast om redenen van consistentie. Dat wil zeggen dat voor nieuwbouw van tankinstallaties groter dan 250 liter voor de opslag van vloeistoffen uit stofgroep 1 een keuringsregime verplicht is.

Bij herkeuring van tankinstallaties groter dan 400 l voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen uit stofgroep 1, die ontplofbaar of zeer vergiftig zijn, is volgens de systematiek van het Wbda 2016 eveneens sprake van een verhoogd risico en is ook een keuringsregime verplicht. Ook hier wordt om redenen van consistentie de grens van 250 liter uit de PGS 31 aangehouden. Dat wil zeggen dat voor de herkeuring van tankinstallaties groter dan 250 liter voor de opslag van gevaarlijke vloeistoffen uit stofgroep 1, die ontplofbaar of zeer vergiftig zijn, een keuringsregime verplicht is.

Bij opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen (stofgroep 2) in tankinstallaties is volgens de Wbda 2016 sprake van gering risico en is goed vakmanschap en het voldoen aan de zorgplicht verplicht.

Voor situaties waarin gebruik wordt gemaakt van de PGS 31 en de technische integriteit geborgd is door middel van de systematiek van het Wbda 2016 geldt maatregel M101. Uitgangspunten zijn hierbij:

  • Belangrijk is dat de risico’s ten gevolge van de opslag van gevaarlijke stoffen in tanks tot een aanvaardbaar niveau worden afgedekt. Dit stelt niet alleen eisen aan de tankinstallatie zelf, maar ook aan het gebruik en het onderhoud ervan. Het uitgangspunt is dat de veiligheid van de tankinstallatie te allen tijde moet zijn geborgd.
  • Voor opslagen bij bedrijven die werken met een NL-KvG of een IvG (of op een gelijkwaardige wijze geregeld in de vergunning), kan ten aanzien van de borging van de technische integriteit van het primaire toestel, inclusief leidingen en appendages, ook de systematiek van Wbda 2016 worden gevolgd.

De technische integriteit van het primaire toestel, leidingen en appendages heeft betrekking op:

  • de constructie van de tankinstallatie (M2, M9, M10, M11);
  • het installeren van de tankinstallatie (M100);
  • keuring, controle, onderhoud, registratie en documentatie (Paragraaf 7.8.3);
  • reparaties aan de tank (M100). De technische integriteit van het primaire toestel betreft bovengrondse en ondergrondse tanks, stalen en kunststof tanks.

Tevens moet worden voldaan aan de overige voorschriften van de PGS 31 die geen betrekking hebben op de technische integriteit.

PGS 31 stelt een installatiecertificaat verplicht dat is afgegeven door een gecertificeerde installateur. Een tankinstallatie mag pas in gebruik worden genomen nadat een kwaliteitsverklaring (installatiecertificaat) is afgegeven.

Indien de systematiek van het Wbda 2016 en de ondergrens van de PGS 31 (M101) wordt gevolgd, moet in elk geval aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • Voor installaties groter dan 250 l met vloeistoffen uit stofgroep 1 stelt de NL-KvG of IVG een verklaring op dat ingebruikname heeft plaatsgevonden conform de systematiek van het Wbda 2016. Deze verklaring wordt als gelijkwaardig aan het installatiecertificaat beschouwd.
  • Installaties groter dan 250 l met vloeistoffen uit stofgroep 1, voor zover deze ontplofbaar of zeer vergiftig zijn, stelt de NL-KvG of IvG een verklaring op dat herkeuring heeft plaatsgevonden conform de systematiek van het Wbda 2016. Deze verklaringen wordt als gelijkwaardig aan het installatiecertificaat beschouwd;
  • Andere installaties die volgens de systematiek van het Wbda 2016 onder goed vakmanschap en de zorgplicht vallen, worden geacht in gebruik te zijn genomen en te worden onderhouden alsof een installatiecertificaat is afgegeven.

De hierboven genoemde verklaringen zijn geen verklaringen in de zin van het Wbda 2016 en kunnen niet als zodanig gebruikt worden, bijvoorbeeld na herclassificatie van een tank.

Voor alle aspecten die niet door de systematiek van het Wbda 2016 worden geborgd, gelden de maatregelen uit PGS 31. Er is dan echter geen installatiecertificaat verplicht. Deze maatregelen betreffen, waar van toepassing voor de opgeslagen stof:

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in Hoofdstuk 5 een richtingwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage C bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteiten uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen (in oranje kaders) waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

Deze maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen.

1.4Bestaande activiteiten

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage K geeft een overzicht van maatregelen die nieuw of gewijzigd zijn in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage L staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Die normdocumenten staan in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste editie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de editie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze editie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar een norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor deze normen geldt dat de editie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

1.6Bestaande bovengrondse installaties

Bestaande tankinstallaties kunnen een herclassificatie (intredekeuring) ondergaan volgens BRL-K903/BRL SIKB 7800, deelgebied 15 (staal) en deelgebied 16 (kunststof). Na herklassificatie (en het eventueel herstellen van gebreken) wordt een installatiecertificaat afgegeven. Dit geldt voor bestaande tankinstallaties met en zonder installatiecertificaat.

2Beschrijving overige gevaarlijke vloeistoffen en tankinstallaties

2.1Overige gevaarlijke vloeistoffen

2.1.1Algemene informatie

De opslag van gevaarlijke stoffen brengt gevaren met zich mee, welke anders zijn dan de opslag van niet-gevaarlijke stoffen. De PGS 31 richt zich op de gevaarlijke stoffen zoals genoemd in paragraaf 1.2 van deze richtlijn. De doelen en maatregelen in deze richtlijn zijn er op gericht om de opslag van gevaarlijke stoffen in tanks zo veilig mogelijk te laten plaatsvinden.

2.1.2Gevaren van overige gevaarlijke vloeistoffen

De gevaren van verpakte gevaarlijke vloeistoffen kunnen, afhankelijk van de CLP-indeling of ADR-Klasse, zeer divers zijn. Ook zijn er gevaarlijke stoffen welke vallen onder meerdere klassen, zoals een brandbare en giftige stof. In Tabel 1 en Tabel 2 zijn voor de vloeistoffen relevant voor deze richtlijn de gevarenklasse en bijbehorend pictogram opgenomen op basis van respectievelijk het ADR en de CLP. Vloeistoffen met de betreffende CLP-indeling en/of ADR-klasse vallen onder het toepassingsgebied van de PGS 31.

In deze PGS wordt de ADR-klasse in principe gebruikt voor de opslag in de tank zelf. De ‘H-zinnen’ (CLP-indeling) zijn in principe van toepassing indien er sprake is van handelingen met de stoffen (bijvoorbeeld tijdens laden en lossen).

Tabel 1ADR-klassen van gevaarlijke stoffen relevant voor PGS31

ADR-klassePictogram

3 - Brandbare vloeistoffen

Afbeelding 1

5.1 - Anorganische peroxiden

Afbeelding 2

4.1 - Brandbare vaste stoffen

5.2 A - Organische peroxiden cat. A

Afbeelding 3

6.1 - Giftige stoffen

Afbeelding 4

8 - Bijtende stoffen

Afbeelding 5

9 - Overig gevaar

Afbeelding 6

Opmerking: bovengenoemde stoffen hebben naast een ADR-pictogram ook een CLP-pictogram. Omdat deze niet één op één met elkaar overeenkomen zijn alleen de ADR-pictogrammen voor deze stoffen opgenomen.

Tabel 2Tabel 2— CLP Gevarenklassen overige gevaarlijke vloeistoffen

CLP gevarenklasse

Pictogram*

H340 - Mutageen cat.1

Afbeelding 7

H350 - Kankerverwekkend cat. 1

Afbeelding 8

H360 - Reprotoxisch cat. 1

Afbeelding 9

* Het ‘radiant man’ pictogram kan ook vermeld worden voor gevaarsindelingen die niet onder PGS 31 vallen.

2.1.3Vloeistoffen in meerdere gevaarscategorieën ingedeeld

Indien een vloeistof in meerdere gevaarscategorieën kan worden ingedeeld, geldt dat voldaan moet worden aan alle eisen waarbij geldt dat de zwaarste maatregel van toepassing is. Er moet altijd uit worden gegaan van het hoogste risico.

2.2Over tankinstallaties

2.2.1Algemene beschrijving tankinstallatie

In deze paragraaf wordt een omschrijving gegeven van tankinstallaties. Onder een tankinstallatie wordt in deze PGS het volgende verstaan: een stationaire tankinstallatie of een niet-stationaire tankinstallatie (al dan niet voorzien van een aflevervoorziening) met een opslagtank met een inhoud van 0,250 m3 t/m 150 m3.

Globaal bestaat een tankinstallatie uit de volgende onderdelen, zie ook Bijlage J:

  • vulpuntmorsbak of opvangvoorziening onder het vulpunt;
  • vulpunt;
  • opvangvoorziening;
  • opslagtank (inclusief eventueel aanwezig roerwerk);
  • vulleiding, inclusief het aansluitpunt voor het verladen van het aan te voeren product;
  • losleiding vanaf de opslagtank tot aan de eerste afsluiter naar verbruikpunten;
  • toegepaste appendages;
  • leidingen van het vulpunt naar de opslagtank, de leidingen van de opslagtank naar de doseerinstallatie en de leiding tot aan het doseerpunt.

Ter bepaling en beoordeling van de relevante risico’s zijn voor de tankinstallaties ‘typicals’ gedefinieerd. Een ‘typical’ is een vereenvoudigde weergave van een activiteit, installatie of een onderdeel van een installatie.

Het doel van de typicals is om de meest voorkomende tankinstallaties te beschrijven en voor deze installaties de risico’s en daarbij behorende doelen en maatregelen te bepalen.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de verschillende tank-typicals, zoals beschreven in Paragraaf 2.2.2 en de typicals voor overige installatieonderdelen, zoals beschreven in Paragraaf 2.2.3.

Voor opslagtanks die niet vallen onder één van de tank-typicals maar die wel vallen binnen het toepassingsbereik van de richtlijn zoals beschreven in Paragraaf 1.2, is maatwerk vereist.

2.2.2Tank typicals

In het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn vier soorten tanks te onderscheiden.

  1. Bovengrondse tank;
  2. Ondergrondse tank;
  3. Intgeterpte tank.
  4. Wisselvaten

In het kader van de risicobenadering is de bovengrondse tank geselecteerd als basis-typical voor de scenario’s zoals beschreven in Hoofdstuk 3. De overige uitvoeringen zijn de zogenoemde delta-typicals. In Hoofdstuk 3 is per delta-typcial aangegeven wat de afwijkende scenario’s zijn ten opzichte van de basis-typical.

Definitie bovengrondse tank:

Opslagtank die op de grond staat opgesteld, al dan niet in een tankput of andere opvangvoorziening. De bovengrondse opslagtank kan zowel uitpandig als inpandig opgesteld zijn.

Definitie ondergrondse tank:

Opslagtank die onder het maaiveld ligt en geheel of gedeeltelijk bedekt is met grond, zand of aarde. Aansluitingen en appendages (bijvoorbeeld een ontluchting) kunnen wel boven het maaiveld liggen.

Definitie ingeterpte tank:

Opslagtank die boven het maaiveld ligt en geheel bedekt is met grond, zand of aarde. Aansluitingen en appendages (bijvoorbeeld een ontluchting) kunnen wel boven de terp uitsteken.

Definitie wisselvaten:

Een wisselvat is een vat dat bedoeld is voor tijdelijke opslag van gevaarlijke stoffen zoals bedoeld in deze PGS. Voorbeelden van wisselvaten zijn een tankcontainer of in een IBC vastgekoppeld aan een installatie.

2.2.3Typicals overige installatieonderdelen

Productleidingen

Productieleidingen betreffen alle leidingen voor het verplaatsen van het product van en naar de opslagtanks vanuit:

  • andere tanks;
  • procesinstallatie;
  • waterzijdige laad-/losinstallatie (binnenvaartschepen);
  • landzijdige laad-/losinstallatie (tankwagen, spoorketelwagon).

Onder deze typical vallen ook installatieonderdelen benodigd voor het verplaatsen van het product zoals bijvoorbeeld pompen.

Laden en lossen

Laden en lossen betreft de installatieonderdelen benodigd voor het laden en lossen aan de waterzijde (binnenvaartschepen) en aan de landzijde (tankwagen en spoorketelwagon), inclusief de laad- en losplaatsen waar de verlading plaatsvindt.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • 'good housekeeping', dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. 'Good housekeeping' is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Het uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen werkt.

In deel C staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen, kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario's met een laag risico. Deze staan in de regel niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms kunnen meerdere scenario's met hetzelfde doel worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan gelden voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van de opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard and Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden in de regel niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Een uitzondering is het laag risico-scenario S11 met betrekking tot onderdruk door leegpompen. Ook aan laag risico-scenario’s die niet in deze PGS staan beschreven, moet een bedrijf aandacht besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Naast de eerder genoemde RIE-plicht vanuit de Arbeidsomstandighedenwet zijn bedrijven bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wdba 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Toepassing PGS-scenario’s voor hogedrempelinrichtingen en ARIE-bedrijven

Voor de zogenoemde hogedrempelinrichtingen zoals gedefinieerd in het Bal en ARIE-bedrijven zoals gedefinieerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat de scenario’s die kunnen leiden tot het vrijkomen van een gevaarlijke stof, de installatiescenario’s, al zijn beschreven in een veiligheidsrapport volgens een vast stramien, zoals toegelicht in bijlage H van PGS 6 of in een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE). Deze bedrijven hebben de scenario’s en de beheersmaatregelen daarmee afdoende beschreven om aan de verplichtingen van het Bal en het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen. Indien gewenst kunnen zij deze beschrijvingen ten grondslag leggen aan de onderbouwing van gelijkwaardige oplossingen.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport wél ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 31

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt, staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 31-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare tankinstallaties. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

Voor deze PGS is de BowTie-methodiek gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s. De categorieën van directe oorzaken vanuit PGS 6 in combinatie met de gidswoorden vanuit de SWIFT-methode zijn toegepast voor een gestructureerde identificatie van potentiële oorzaakscenario’s.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor veilige opslag van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties.

De scenario's zijn per typical onderverdeeld in oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s, waarbij de oorzaakscenario’s op hun beurt zijn onderverdeeld in categorieën van directe oorzaken (zoals benoemd in de PGS 6 ): corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke fouten tijdens gebruik en wijziging of onderhoud.

Voor de directe oorzaken trillingen en lage temperatuur zijn geen scenario’s geïdentificeerd die, volgens de werkwijze zoals beschreven in de Handreiking generieke risicobenadering, beoordeeld zijn als relevant voor PGS 31.

Elk scenario staat in een groen kader en heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Deze doelen zijn weergegeven als D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven voor welke scenario's en doelen de maatregelen van toepassing zijn.

4.2Scenario’s bovengrondse tank (basis-typical)

4.2.1Oorzaakscenario’s

4.2.2Gevolgscenario’s

4.3Scenario’s ondergrondse tank (delta-typical)

4.3.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical, zie 4.2, zijn ook van toepassing voor de ondergrondse tank:

  • S1 Tank niet voldoende schoon/leeg bij openen / betreden tank voor bijv. inwendige inspectie, onderhoud en reparatie
  • S3 Morsen aan of bij een tankinstallatie tijdens vullen, legen of monstername
  • S4 Verkeerd oplijnen of aansluiten
  • S5 Overvullen tankinstallatie
  • S6 Overdruk- algemeen
  • S8 Externe brand – vlamintrekking
  • S9 Interne ontsteking – statische ontlading
  • S10 Overdruk – vullen
  • S11 Onderdruk door leegpompen
  • S12 Interne of externe corrosie tankinstallatie
  • S13 Eroderen van kunststoftanks
  • S14 Beschadiging/falen van installatiedelen door externe impact (aanrijding, vallende objecten, etc.)
  • S16 Aanleveren product met te hoge temperatuur
  • S17 Vrijkomen gevaarlijke vloeistof
  • S18 Vrijkomen gevaarlijke damp
  • S19 Vrijkomen ADR-Klasse 3 vloeistof – brand of explosie na ontsteking
  • S20 Escalatie brand /explosie ADR-Klasse 3 vloeistof - schade installatie, omgeving

In Paragraaf 4.3.2 zijn aanvullende oorzaakscenario’s beschreven die geïdentificeerd zijn voor de delta-typical van een ondergrondse tank.

4.3.2Oorzaakscenario’s

4.4Scenario’s ingeterpte tank (delta-typical)

4.4.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical, zie Paragraaf 4.2 en de ondergrondse tank, zie Paragraaf 4.3 zijn ook van toepassing voor de ingeterpte tank:

  • S1 Tank niet voldoende schoon/leeg bij openen / betreden tank voor bijv. inwendige inspectie, onderhoud en reparatie
  • S3 Morsen aan of bij een tankinstallatie tijdens vullen, legen of monstername
  • S4 Verkeerd oplijnen of aansluiten
  • S5 Overvullen tankinstallatie
  • S6 Overdruk- algemeen
  • S8 Externe brand – vlamintrekking
  • S9 Interne ontsteking – statische ontlading
  • S10 Overdruk – vullen
  • S11 Onderdruk door leegpompen
  • S12 Interne of externe corrosie tankinstallatie
  • S13 Eroderen van kunststoftanks
  • S14 Beschadiging/falen van installatiedelen door externe impact (aanrijding, vallende objecten, etc.)
  • S16 Aanleveren product met te hoge temperatuur
  • S17 Vrijkomen gevaarlijke vloeistof
  • S18 Vrijkomen gevaarlijke damp
  • S19 Vrijkomen ADR-Klasse 3 vloeistof – brand of explosie na ontsteking
  • S20 Escalatie brand /explosie ADR-Klasse 3 vloeistof - schade installatie, omgeving
  • S21 Wortelingroei
  • S22 Bovengrondse belasting
  • S23 Verzakking, bodemzetting of opdrijving

Er zijn geen specifieke aanvullende scenario’s geïdentificeerd voor de delta-typical van een ingeterpte tank.

4.5Scenario’s wisselvaten (delta-typical)

4.5.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical, zie Paragraaf 4.2 zijn ook van toepassing voor de wisselvaten:

  • S3 Morsen aan of bij een tankinstallatie tijdens vullen, legen of monstername
  • S4 Verkeerd oplijnen of aansluiten
  • S5 Overvullen tankinstallatie
  • S6 Overdruk- algemeen
  • S7 Hoge temperatuur / druk – externe brand
  • S14 Beschadiging/falen van installatiedelen door externe impact (aanrijding, vallende objecten, etc.)
  • S17 Vrijkomen gevaarlijke vloeistof
  • S18 Vrijkomen gevaarlijke damp
  • S19 Vrijkomen ADR-Klasse 3 vloeistof – brand of explosie na ontsteking
  • S20 Escalatie brand /explosie ADR-Klasse 3 vloeistof - schade installatie, omgeving

Er zijn geen specifieke aanvullende scenario’s geïdentificeerd voor de delta-typical van een wisselvat. In Paragraaf 4.5.2 zijn aanvullende oorzaakscenario’s beschreven die geïdentificeerd zijn voor de delta-typical van een ondergrondse tank.

4.5.2Oorzaakscenario’s

4.6Scenario's productleidingen

4.6.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical, zie Paragraaf 4.2, en de ondergrondse tank, zie Paragraaf 4.3, zijn ook van toepassing voor de productleidingen:

  • S4 Verkeerd oplijnen of aansluiten
  • S12 Interne of externe corrosie tankinstallatie
  • S16 Aanleveren product met te hoge temperatuur
  • S14 Beschadiging/falen van installatiedelen door externe impact (aanrijding, vallende objecten, etc.)
  • S17 Vrijkomen gevaarlijke vloeistof
  • S18 Vrijkomen gevaarlijke damp
  • S19 Vrijkomen ADR-Klasse 3 vloeistof – brand of explosie na ontsteking
  • S20 Escalatie brand /explosie ADR-Klasse 3 vloeistof - schade installatie, omgeving

In Paragraaf 4.6.2 zijn aanvullende oorzaakscenario’s beschreven die geïdentificeerd voor de delta-typical voor de productleidingen.

4.6.2Oorzaakscenario’s

4.7Scenario's bij laden en lossen (waterzijde en landzijde)

4.7.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical, zie Paragraaf 4.2, en de productleidingen, zie Paragraaf 4.6, zijn ook van toepassing voor het laden en lossen:

  • S3 Morsen aan of bij een tankinstallatie tijdens vullen, legen of monstername
  • S4 Verkeerd oplijnen of aansluiten
  • S5 Overvullen tankinstallatie
  • S9 Interne ontsteking statische oplading
  • S25 Onterecht openen afsluiter
  • S17 Vrijkomen gevaarlijke vloeistof
  • S18 Vrijkomen gevaarlijke damp
  • S19 Vrijkomen ADR-Klasse 3 vloeistof - brand / explosie na ontsteking
  • S20 Escalatie brand /explosie ADR-Klasse 3 vloeistof - schade installatie, omgeving

In Paragraaf 4.7.2 en zijn aanvullende oorzaak- en gevolgscenario’s beschreven die geïdentificeerd voor de delta-typical van het laden en lossen.

4.7.2Oorzaakscenario’s

5Richtingwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deze PGS-richtlijn beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, dan wel het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandpreventie en Rampenbestrijding: het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding en voor het borgen van de veiligheid van incidentbestrijders.

Er wordt zo zorgvuldig mogelijk gezorgd in een PGS dat bij navolging van de maatregelen niet in strijd wordt gehandeld met wet- en regelgeving. Het is echter niet zo dat een PGS uitputtend is in het opnemen van wettelijke verplichtingen. Het is altijd van belang de van toepassing zijnde wetgeving voor de desbetreffende activiteit te controleren.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel is deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) en met Brandpreventie (Brandpreventie en bestrijding Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- en rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (Brand- en Rampenbestrijding).

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en de activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Normatief

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het opslaan van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 3 in een bovengrondse of ondergrondse opslagtank met een inhoud gelijk aan of minder dan 150 m3, tenzij het betreft het opslaan van gasolie, diesel of huisbrandolie met een vlampunt van 55 °C of hoger (paragraven 4.93 en 4.96. In deze paragraven staat dat bij het opslaan van benzine of andere vloeibare gevaarlijke stoffen dan vloeibare brandstoffen moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.93 en 4.96 van het Bal te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen OmgevingsveiligheidO en BrandpreventieBO.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van de paragraven 4.93 en 4.96 van het Bal (de opslag van brandbare vloeistoffen van ADR klasse 3). De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van de paragrafen 4.93 en 4.96.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel. Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij een vergunningplichtige activiteit nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te krijgen voor het toepassen van een gelijkwaardige maatregel. Er mag niet met de activiteit worden gestart voordat er toestemming is met een besluit van het bevoegd gezag.

Bij niet-vergunningplichtige activiteiten geldt dat voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Concreter: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van de omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet ( Omgevingsveiligheid of Brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (Rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. Paragraaf 5.3 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

In artikel 3.24 van het Bal is het opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 l of een tankcontainer met een inhoud van meer dan 250 l of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en die een inhoud heeft van meer dan 250 l van de ADR klassen 3, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 8 en 9, die het aquatisch milieu verontreinigen, alsmede acuut toxische stoffen, categorie 1, 2 of 3, en oliën en vetten of pekel aangewezen als een milieubelastende activiteit.

Voor deze milieubelastende activiteit is op grond van artikel 3.25 van het BAL een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig, indien het betreft de opslag van vloeibare gevaarlijke stoffen van de ADR klassen 4.2, 4.3, 5.2, 6.1, 8 VP I en van de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3 zoals bedoeld in bijlage I, deel 3, van de CLP-verordening. Uitgezonderd van de vergunningplicht is de opslag van in een ondergrondse opslagtank. Ook is een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig, indien het betreft de opslag van vloeibare gevaarlijke stoffen van ADR klasse 3 in een opslagtank of wisselvat met een inhoud van meer dan 150 m3. Indien een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit vereist is worden de maatregelen uit deze PGS als voorschrift in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit opgenomen.

In artikel 3.26 van het BAL zijn gevallen benoemd waarbij de opslag aan algemene regels moet voldoen. Dit betreft de opslag in een opslagtank of wisselvat met een inhoud kleiner of gelijk aan 150 m3 van brandbare vloeistoffen van ADR klasse 3. De algemene regels zijn opgenomen in de paragrafen 4.93 en 4.96 van het BAL. In deze regels staat vermeld dat moet worden voldaan aan de PGS 31. Uitzondering is de opslag van brandbare vloeistoffen van ADR klasse 3, die als acuut toxische stoffen, categorie 1, 2 of 3 zijn geclassificeerd. Deze opslag is vergunningplichtig.

In artikel 3.26 van het BAL zijn ook gevallen benoemd waarbij de opslag aan algemene regels moet voldoen, maar waarin niet staat vermeld dat aan de PGS 31 moet worden voldaan. Dit betreft de opslag in een opslagtank of wisselvat met een inhoud kleiner of gelijk aan 150 m3 van vloeistoffen van de ADR klassen 5.1, 8, VP II en III en 9 die het aquatisch milieu verontreinigen, alsmede olien of vetten die niet van ADR klasse 3 zijn of pekel. Deze algemene regels staan vermeld in de paragrafen 4.94, 4.94 en 4.97 van het BAL.

Omgevingsveiligheid/Bal:

Om aan artikel [3.26] van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

Alle maatregelen waar bijstaat:Omgevingsveiligheid of Brandpreventie

5.2.3Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse en ondergrondse opslagtanks zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in de paragrafen 4.93 en 4.96 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

5.2.4Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van acute blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Nederlandse Arbeidsinspectie (NLA) betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De NLA gebruikt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

De NLA bindt zich in haar toezicht op de onderdelen van de PGS-richtlijn die de NLA in haar zienswijze aanvaardt. Waar de zienswijze van de NLA afwijkt van voorgenomen publicatie, wordt die zienswijze in zijn geheel en in een bijlage opgenomen in de PGS-richtlijn.

Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de NLA maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Deze bevoegdheid staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet .

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staan de criteria beschreven voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 van de Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brand- en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brand- en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brand- en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

Wet veiligheidsregio's

Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen moet in elk geval worden voldaan aan de volgende maatregelen:

Alle maatregelen waar bijstaat: Rampenbestrijding

6Doelen Normatief

6.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig opslaan van overige gevaarlijke vloeistoffen in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel is herkenbaar aan een paars kader en heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen Normatief

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen Normatief

Dit hoofdstuk bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Het nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de markeringen Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid of Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

Brandpreventie Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

Arbeidsveiligheid Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

Rampenbestrijding Maatregel gericht op brand- en rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

De maatregelen staan in een blauw kader, tenzij een maatregel vergelijkbaar is met direct geldende eisen uit andere wetgeving, deze zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Per maatregel is aangegeven voor welke situatie deze van type is. Dit kan zijn op basis van type tank (boven-, ondergrondse of ingeterpte tank), type installatiedeel en /of type stof.

Voor situaties waarin wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen geldt, los van de maatregelen zoals beschreven in deze PGS, een aantal verplichtingen uit de arbo-wetgeving (Bijlage E).

Interne veiligheidsafstanden

In de PGS-richtlijnen kunnen minimumafstanden opgenomen zijn, bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.1.1Specifieke incidentscenario's Normatief

Binnen de scope van de PGS 31 vallen een groot aantal verschillende stoffen (Paragraaf 1.2, Tabel 1, Tabel 2) in diverse type opslaginstallaties (Paragraaf 2.2) bovengronds, ondergronds, ingeterpt, inpandig, uitpanding, etc.). Voor het bepalen van de maatregelen is een gedifferentieerde benadering toegepast waarbij voor alle opslagsituaties een generieke set van maatregelen is opgesteld die van toepassing is op alle type tankinstallaties en alle vloeistoffen vallende onder deze PGS. Dit betreft met name maatregelen over de integriteit van de tank, en generieke eisen en voorzieningen zoals bijvoorbeeld bereikbaarheid en noodplan.

Voor specifieke incidentscenario's is bepaald waar aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn op basis van het type stof of type tankinstallatie. Door aan te sluiten bij de basis brandweer inzet die de overheidsbrandweer in specifieke incidentscenario's kan leveren, zie ook Bijlage F, zijn maatregelen bepaald die proportioneel zijn aan het risico en waar aanvullende voorzieningen nodig zijn voor de tankinstallatie.

De specifieke incidentscenario's in de volgende paragraaf kunnen de inzet van de (overheids-)brandweer vereisen.

7.1.1.1Vrijkomen gevaarlijke damp Normatief

Bij het vrijkomen van een product (S18) moet voorkomen worden dat personen en omgeving blootgesteld worden aan het vrijgekomen (acuut) toxische product. Hiervoor moeten de volgende aanvullende maatregelen genomen worden conform M132.

7.1.1.2Overdruk / Hoge temperatuur - Externe brand Normatief

Bij brand in de omgeving van de tank (S7), dient voorkomen te worden dat de opslagtank of ondersteuningsconstructie bezwijkt door een te hoge temperatuur.

Voor opslagtanks is het uitgangspunt dat de opslagtank zélf niet binnen 30 minuten zal bezwijken bij een warmtestralingsbelasing van meer dan 10 kW/m2 (of 3 kW/m2 bij een kunststof tank), aangezien de tank in staat is om een groot deel van de warmtestralingsbelasting af te geven aan het opgeslagen product. Tenzij is aangetoond dat de warmtestralingsbelasting niet langer dan 30 minuten aanhoudt (of 60 minuten bij een dubbelwandige tank), moeten aanvullende maatregelen genomen worden conform M18.

Het uitgangspunt is dat indien een stalen ondersteuningsconstructie wordt aangestraald met een warmtestralingsbelasting van meer dan 10 kW/m², deze binnen 30 minuten zal bezwijken. Voor kunststof ondersteuningsconstructies geldt dit voor een stralingsbelasting van meer dan 3 kW/m². Om te voorkomen dat de ondersteuningsconstructie bezwijkt moeten aanvullende maatregelen genomen worden conform M27.

7.1.1.3Tankbrand Normatief

Wanneer door een statische ontlading of door een brand in de omgeving van de tank een tankbrand scenario (S19) kan ontstaan moeten aanvullende maatregelen genomen worden conform M136.

7.1.1.4Brand in de opvangvoorziening Normatief

Bij een brand in de opvangvoorziening (S19) moet voorkomen worden dat de brand overslaat naar omliggende installatiedelen en objecten (S20) die kunnen leiden tot ontoelaatbare escalatie. Hiervoor moeten maatregelen genomen worden conform M140.

7.1.1.5Brand tijdens manipulatie - laad-/losplaats en pompplaats Normatief

Bij een brand op de laad-/losplaats en op locaties waar verpomping plaatsvindt moet voorkomen worden dat de brand overslaat naar omliggende installatiedelen en objecten die kunnen leiden tot ontoelaatbare escalatie.

Hiervoor moeten de volgende aanvullende maatregelen genomen worden:

  • Pompen buiten de opvangvoorziening (M51).
  • Dubbel seal-seal pompen (M17) of (semi-)stationaire blusvoorziening (M141).
  • Gas- en/of branddetectie (M46).
  • Mobiele blussing door (overheids-)brandweer (M142).

7.2Explosieve atmosferen Normatief

Wanneer de kans bestaat dat er een explosieve atmosfeer ontstaat, dan zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voortvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • Atex 2014/34/EU Guidelines, 3rd edition - May 2020;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. DHet doel van deze verplichtingen is:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk te voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen te vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie te beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, worden beschreven in hoofdstuk 3 'Inrichting arbeidsplaatsen', paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het inventariseren en beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1:2020+C1:2021 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2:2020+C1:2021 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via het arboportaal ..

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones overeenkomstig Tabel 3.

Tabel 3Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode
Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1 of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1- of categorie 2 of categorie 3-apparatuur.

De fabrikant van de apparatuur geeft aan in zijn EU-conformiteitsverklaring tot welke categorie de desbetreffende apparatuur hoort en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij installaties voor de opslag van ADR-Klasse 3 vloeistoffen in ondergrondse of bovengrondse tankinstallaties

Als er ADR-Klasse 3 vloeistoffen/mengsels vrijkomen, kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in haar eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang om informatie te hebben over de omvang en de klasse van de gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. De werkgever moet vervolgens conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie die de werkgever nodig heeft moet worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over de informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen de eindgebruiker/werkgever en de leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit:

  • het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage);
  • reparatie;
  • modificaties.

7.3Basisveiligheid Normatief

7.4Constructie en installatie van de tankinstallatie Normatief

In dit hoofdstuk worden de eisen beschreven die aan de constructie en installatie van opslagtanks en toebehoren worden gesteld.

De constructie-eisen die aan opslagtanks worden gesteld, zijn opgenomen in een aantal beoordelingsrichtlijnen (BRL's) die in overleg met de marktpartijen zijn opgesteld.

De belangrijkste, en eigenlijk allesomvattende BRL die voor dit soort installaties van toepassing is, is BRL-K903/BRL SIKB 7800 voor nieuwe installaties en AS SIKB 6800 voor inspectie.

Opmerking: In BRL-K903/BRL SIKB 7800 wordt aangegeven welke types tanks mogen worden toegepast en welke afzonderlijke BRL’s daarop van toepassing zijn.

7.4.1Inleiding Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.4.2Tankontwerp en -constructie Normatief

Overvulbeveiliging
Aanvullende maatregelen op basis van type tank
Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.4.3Fundering en ondersteuning Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type tank
Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.4.4Kathodische bescherming stalen tankinstallatie of delen daarvan Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type tank

Het aanleggen van de kathodische bescherming valt onder het installatiecertificaat op grond van BRL-K903/BRL SIKB 7800.

7.5Terreininrichting Normatief

7.5.1Algemene eisen Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type tank

7.5.2Veiligheidsafstanden, brandwerendheid Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type tank
Aanvullende maatregelen op basis van type stof

Tabel 4Warmtestralingscontouren tankbrand vlakke bodem tanks

Afstand tot tankrand (m)a, b

Oppervlakte (m²)

(m)

3 kW/m2

10kW/m2

15 kW/m2

32 kW/m2

0,79

1

2.5

-

-

-

1,77

1,5

4,3

3,3

-

-

3,14

2

6

4

4

-

4,91

2,5

6,8

4,8

4,8

-

7,07

3

8,5

5,5

5,5

-

9,62

3,5

9,3

6,3

6,3

4,3

12,56

4

10,7

7,5

6,6

4,8

15,90

4,5

11,9

8,2

7,2

5

19,63

5

13,5

8,5

7,5

5,5

Uitgangspunten:

  • Product n-Hexaan
  • Wind snelheid 5m/s
  • Tankrand 0,1 m boven vloeistof
  • Vloeistof temperatuur 9°C
  • Gemiddelde temperatuur 11°C
  • Ontvangende hoogte 1,5 m t.o.v. vloeistofniveau

a deze contour is aanwezig op de top van de tank, zie ook Afbeelding 10 voor een tank met een diameter van 5m.

Afbeelding 10Voorbeeld zijaanzicht tank ( Ø5m)

7.5.3Opvangvoorzieningen bovengrondse tanks Normatief

Afbeelding 11Voorbeeld van een opslagtank met alternatieve opvangvoorziening

Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.5.4Vul-, aftap- en monsterafnamepunten Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.6De tankinstallatie in bedrijf Normatief

In dit hoofdstuk zijn de maatregelen opgenomen die gericht zijn op het gebruik van bovengrondse en ondergrondse tankinstallaties. Hieronder wordt onder andere verstaan het vullen van de opslagtank, de opslag in de opslagtank en het afleveren uit de opslagtank van vloeibare gevaarlijke stoffen.

7.6.1Inleiding Normatief

Aanvullende maatregelen op basis van type tank

7.6.2Laden en lossen Normatief

Opmerking: deze paragraaf is opgesteld vanuit het gezichtspunt van de eigenaar van de opslagtank, hierdoor kan de terminologie afwijken van die in het ADR.

Afhankelijk van de opgeslagen gevaarlijke vloeistoffen en de constructiewijze van de opslagtank zijn er verschillende manieren om een opslagtank vanuit een transportmiddel te vullen.

Voor deze paragraaf zijn de deskundigheid van de vervoerder en de geadresseerde van belang.

Als de opstelling van de opslagtank lager is dan het niveau van het transportmiddel, kan het lossen onder vrije val plaatsvinden (bijvoorbeeld bij een ondergrondse opslagtank).

Als de opslagtank op hetzelfde niveau of hoger dan het transportmiddel is geplaatst, kan het transportmiddel worden gelost met een pomp. De constructie van de tankinstallatie en het type pomp zijn afhankelijk van de te verpompen gevaarlijke vloeistoffen. In voorkomende gevallen kan worden gebruikgemaakt van de pomp van het leverende transportmiddel.

Als er geen gebruik wordt gemaakt van een pomp, dan moet het product uit de tank van het transportmiddel worden gedrukt. Bij de constructie van de opslagtank moet hiermee rekening worden gehouden. In voorkomende gevallen kan worden gebruikgemaakt van de pomp of compressor van het leverende transportmiddel. De keuze voor lucht of stikstof of een ander gas is volledig afhankelijk van de gevaarlijke vloeistoffen die moeten worden gedrukt.

Bij het vullen van opslagtanks zal de lucht uit die tanks ontwijken, met (in principe) in die lucht de maximale dampspanning van de opgeslagen stof. Indien deze damp zeer zorgwekkende stoffen bevat, moet voldaan worden aan de regels uit paragraaf 5.4.3 van het Bal. Verder moet worden voldaan aan wat hierover in de omgevingsvergunning of in een maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is gesteld. Het bevoegd gezag maakt bij het vaststellen hiervan een beoordeling op basis van de best beschikbare technieken (BBT). Voorgeschreven maatregelen kunnen bestaan uit specifieke maatregelen voor diffuse emissies of het toepassen van nageschakelde technieken. Nageschakelde technieken komen niet vaak voor bij tankopslag in kleinere tanks, zeker niet bij niet-vluchtige en niet-giftige stoffen.

Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.7Wisselvaten Normatief

7.7.1Inleiding Normatief

In deze paragraaf zijn richtlijnen opgesteld voor het veilig gebruik van wisselvaten (zoals IBC’s en tankcontainers) die als tijdelijke opslag worden ingezet.

Een wisselvat is vaak primair bedoeld als transportverpakking en is dus als zodanig omschreven in de vervoerswetgeving (ADR/RID/ADN/IMDG). Constructie en keuringseisen plus geschiktheid voor het product zijn ook in deze wetgeving geregeld. Een IBC of andere verpakking die als verpakking bij een afnemer wordt afgeleverd, moet worden opgeslagen volgens de richtlijnen uit PGS 15 .

Een andere vorm van een wisselvat is het gebruik van een tankcontainer of een transporttank. Deze hebben een minimuminhoud van 0,45 m3. De standaard inhoud is 20 m3. Deze containers zijn ook bekend onder de naam ‘iso-containers’. Kleinere tankcontainers/transporttanks zijn ook bekend onder de naam ‘SBC’ (semi-bulkcontainer) en hebben een inhoud van 0,45 m3 tot 3 m3. Al deze containers en tanks zijn transportmiddelen en als zodanig vastgelegd in de vervoerswetgeving. Constructie en keuringseisen zijn daar geregeld.

Als een wisselvat dusdanig aan een installatie is gekoppeld dat er vaste verbindingen zijn gemaakt met het doel het wisselvat niet meer te verplaatsen, dan valt deze onder de werkingssfeer van deze richtlijn. Bij het tijdelijk plaatsen van een wisselvat wegens onderhoud of reparatie van de reguliere opslagtank moeten hiervoor in overleg met het bevoegd gezag tijdelijke maatregelen worden opgesteld.

Aanvullende maatregelen op basis van type stof

7.7.2Gebruik wisselvaten aangesloten op de installatie Normatief