12Ammoniak – Opslag en verlading

Richtlijn voor het veilig opslaan en verladen van ammoniak

PGS 12:2025 versie 1.1 (april 2026)

Let op: dit is een ongecontroleerde versie. De PGS-beheerorganisatie is niet verantwoordelijk voor volledigheid en juistheid van deze versie. De versie die beschikbaar is op de website publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl is de enige geautoriseerde versie.

12Ammoniak – Opslag en verlading

Richtlijn voor het veilig opslaan en verladen van ammoniak

DefinitiefBOb vastgesteld

Versie

Deze PGS 12:2025 versie 1.1 (april 2026) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 12:2025 versie 1.0 (december 2025). Het interactieve risicodiagram is toegevoegd. Daarvoor zijn een aantal koppelingen in de scenario’s, doelen en maatregelen hersteld.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over de veilige opslag en de bijbehorende activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid van werknemers, de veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS-richtlijn genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario's. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Brand- en rampenbestrijding (Rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. In Bijlage J staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS-beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het PGS-programmabureau en de PGS-adviesraad. De PGS-stuurgroep stuurt de PGS-beheerorganisatie aan. In de stuurgroep zijn vertegenwoordigd: IPO, VNG, Brandweer Nederland, Nederlandse Arbeidsinspectie, VNO-NCW en MKB-Nederland.

De Nederlandse Arbeidsinspectie maakt onderdeel uit van de Stuurgroep, maar heeft in verband met hun rol in de uitvoeringspraktijk, bij de totstandkoming in het PGS-team en bij vaststelling van de PGS-richtlijnen in de Stuurgroep een consulterende rol. Zij nemen op die punten geen deel aan de bijbehorende besluitvorming.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad vergunningverlening, toezicht en handhaving (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS-beheerorganisatie.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Omdat de PGS-richtlijnen de stand der wetenschap en professionele dienstverlening beschrijven, vormen zij voor de Nederlandse Arbeidsinspectie een goed uitgangspunt voor toezicht en handhaving. De Nederlandse Arbeidsinspectie bindt zich in haar toezicht op de onderdelen van de PGS-richtlijn die ze in haar zienswijze aanvaardt. Waar de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie afwijkt van voorgenomen publicatie, wordt de zienswijze in zijn geheel en in het informatieve deel opgenomen. De Nederlandse Arbeidsinspectie kan in de uitoefening van het toezicht een aanvullende voorziening eisen.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Stuurgroep goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 2 oktober 2025

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 8 december 2025

De voorzitter van de PGS-stuurgroep,

P. Heij

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft hoofdstukken en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud normatief is. Als er niets bij staat, betekent het dat de tekst informatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS-richtlijn wordt voldaan aan de in deze PGS-richtlijn opgenomen doelen.

Inleidende onderwerpen

De eerste vier hoofdstukken bevatten informatie over de het veilig opslaan en verladen van ammoniak, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

Deze richtlijn gaat over de atmosferische opslag van ammoniak en over de drukopslag van ammoniak. Sommige scenario’s, doelen of maatregelen zijn alleen relevant voor atmosferische opslag. Deze zijn dan aangeduid met (A) achter de titel. Sommige scenario’s, doelen of maatregelen zijn alleen relevant voor drukopslag. Deze zijn dan aangeduid met (D) achter de titel. Wanneer een scenario, doel of maatregel relevant is voor zowel atmosferische opslag als drukopslag is dit aangeduid met (A+D) achter de titel. Installatieonderdelen of activiteiten die zowel bij atmosferische opslag als bij drukopslag kunnen voorkomen (zoals laden, lossen, warmtewisselaar, flashvat, appendages en pakkingen) zijn ook aangeduid met (A+D).

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over de gevaren van ammoniak en de ammoniakopslaginstallatie.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's. Bij elk scenario is aangegeven met welke doelen het scenario voorkomen of beperkt kan worden en welke maatregelen daarvoor nodig zijn.
Doelen en maatregelen

Hoofdstukken 5 t/m 7 zijn normatief. Daarin staan het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog- en middelhoog-risicoscenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel en voor welke scenario's ze bedoeld zijn.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft. In paragraaf 7.1 staat de leeswijzer voor de maatregelen.
Informatie bij implementatie

De overige hoofdstukken zijn informatief. Deze hoofdstukken geven extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in de normatieve hoofdstukken thuishoren, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn.

Dit informatieve deel van deze richtlijn bevat aanvullende informatie over:

Bijlagen, begrippen en normen

Deze PGS-richtlijn bevat bijlagen, normen en begrippen. De teksten in de hoofdstukken kunnen hiernaar verwijzen. De normen en begrippen zijn normatief.

Een bijlage is informatief of normatief. Als een hoofdstuk normatief is, staat dat aangegeven. De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage H: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS-richtlijn worden wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage A. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of te verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van opslag en verlading van ammoniak te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van de scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens de maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op de veilige opslag en verlading van ammoniak.

Het totale toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn omvat (zie Afbeelding 1 voor een schematische weergave):

  1. ammoniakopslaginstallatie van koude, atmosferische ammoniak, inclusief productleidingen tot aan de aansluiting op externe transportleidingen of procesinstallatie (voor de chemische omzetting) en inclusief de installatie voor de omzetting van koude naar warme ammoniak;
  2. ammoniakopslaginstallatie van ‘warme’ ammoniak onder druk (0,5 barg dampspanning en hoger), inclusief productleidingen tot aan de aansluiting op externe transportleidingen of procesinstallatie. Onder deze groep vallen ook de zogenoemde 'semi-ref opslagtanks'. Dit zijn ammoniakopslagtanks onder (lagere) druk die beperkt gekoeld worden. Dit is het geval vanaf een temperatuur van circa -25 °C en hoger;
  3. laad- en losinstallatie voor de verlading van en naar transportmiddelen (zee- en binnenvaartschepen, tankwagens en spoorketelwagons).

Opmerking 1: Bij opslag vanaf 150 l betreft het volgens paragraaf 3.2.7 van het Bal een vergunningplichtige milieubelastende activiteit en bij opslag vanaf 50 ton valt de milieubelastende activiteit onder de Seveso-richtlijn. In het geval dat de Seveso-richtlijn van toepassing is, geldt dat de gehele inrichting vergunningplichtig is.

Opmerking 2: Een bovengrens, voor de maximale inhoud, van een atmosferische opslagtank is niet gedefinieerd in deze PGS-richtlijn. Door toepassing van NEN-EN 14620-1 (zie M9) en de daarin genoemde wanddiktes zal dit in de praktijk maximaal circa 60-70 kton bedragen.

NEN-EN 14620-2 biedt in paragraaf 4.3.1.2.3 de mogelijkheid om dikkere wanddiktes dan 40 mm toe te passen (bijvoorbeeld 2 inch volgens API 620). Echter, in dat geval moet hiervoor een onderbouwing worden aangeleverd waarbij er aanvullende materiaalonderzoeken en -testen worden uitgevoerd om aan te tonen dat hetzelfde niveau van weerstand tegen brosse breuk beschikbaar is als vereist zou zijn voor het aangegeven type II-materiaal en de maximale dikte. De overige materiaalvoorwaarden uit paragraaf 4.3.1.2.2 onder b) blijven wel van toepassing. De toepassing van deze wanddiktes kan resulteren in een opslagtank van circa 70 kton. Wanneer naar de toekomst toe ook nieuwe tankontwerpen worden ontwikkeld waarbij gekeken wordt naar de mogelijkheid voor tanks om zowel voor de opslag van ammoniak als LNG geschikt te zijn, moet de keuze om geen maximale inhoud te definiëren mogelijk worden heroverwogen vanuit het standpunt van omgevingsveiligheid.

Opmerking 3: Voor drukopslagtanks is een bovengrens van maximaal 1.000 ton per drukopslagtank in deze PGS-richtlijn opgenomen. Per milieubelastende activiteit of Seveso-inrichting zijn maximaal twee drukopslagtanks aanwezig (zieM39).

Deze PGS-richtlijn omvat fase 1 t/m fase 3 van de actualisering. InParagraaf 1.4 is de fasering van de actualisering van deze PGS-richtlijn nader toegelicht voor nieuwe en bestaande installaties voor de opslag van koude atmosferische ammoniak en drukopslag, inclusief de verlading vanuit deze opslagtanks. Er is sprake van een bestaande ammoniakinstallatie als deze is ontworpen, vergund, geplaatst en in gebruik genomen voor 1 januari 2025.

Deze PGS-richtlijn is niet van toepassing op:

  • ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen, hierop is PGS 13 van toepassing;
  • ammoniakwater tot 25 gew% ammoniak in water;
  • transport, dit valt onder Europese regelgeving;
  • opslag in een transportverpakking (opslag in kleine cilinders), hierop is PGS 15 van toepassing;
  • transport per externe transportleiding buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, het deel van de externe transportleiding binnen de locatie tot aan de aansluiting op de ammoniakopslaginstallatie valt ook niet onder deze PGS-richtlijn (maar het leidingwerk tussen de ammoniakopslagtank en de externe transportleiding wel, omdat dit leidingwerk deel uitmaakt van de ammoniakopslaginstallatie);
  • tijdelijke opslag voor de schoonmaak van de koelinstallaties;
  • boord-boordverlading (waaronder het bunkeren van schip naar schip). Ter verduidelijking: het laden van een bunkerschip vanuit een ammoniakopslaginstallatie valt onder laden en lossen en valt wel onder het toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels vermeld op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als deze consequenties hebben voor de veiligheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem, maar de gevaarlijke stof kan ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen. De richtlijn gaat ook niet in op de aanpak die nodig is om tot beheersing van de gevaren voor de gezondheid op de lange termijn te komen.

1.2.1Ombouw bestaande tanks Normatief

Wanneer een opslagtank (zowel atmosferische opslag als drukopslag) op dit moment in gebruik is voor een ander product dan ammoniak, dan geldt dat deze opslagtank bij ombouw voor opslag van ammoniak beschouwd moeten worden als een nieuwe ammoniakopslagtank, en dus moet deze opslagtank voldoen aan alle maatregelen voor nieuwbouw zoals opgenomen in deze PGS-richtlijn. Dit geldt voor zowel atmosferische opslag als drukopslag.

Een atmosferische opslagtank die oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd als atmosferische ammoniakopslagtank maar daarna gebruikt voor andere producten moet, bij het wijzigen van het gebruik van de atmosferische opslagtank naar ammoniak, beschouwd worden als een bestaande atmosferische ammoniakopslagtank, en dus moet deze atmosferische opslagtank voldoen aan alle maatregelen voor bestaande atmosferische opslagtanks zoals opgenomen in deze PGS-richtlijn. Hierbij geldt dat de implementatietermijnen uit Bijlage H niet van toepassing zijn. In Bijlage F staan aandachtspunten die van belang zijn bij de ombouw van een opslagtank die oorspronkelijk niet ontworpen is voor de opslag van ammoniak.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage B bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen (in oranje kaders) waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

Deze maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen.

1.4Fasering actualisering en bestaande activiteiten

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

De actualisering van deze PGS-richtlijn heeft gefaseerd plaatsgevonden, zie Tabel 1.

Tabel 1Fasering actualisering PGS 12

Fase

Type opslag

Bestaand/nieuw

Toepassingsgebied

1

Atmosferische opslag van koude ammoniak

Nieuwe installaties

Opslaginstallatie, inclusief productleidingen tot aan aansluiting op externe transportleidingen of procesinstallatie (voor de chemische omzetting) en inclusief de installatie voor de omzetting van koude naar warme ammoniak.

Laden en lossen van ammoniak (koud of warm) naar transportmiddelen (tankwagen, spoorwagons, zee- en binnenvaartschepen).

2

Bestaande installaties

Opslaginstallatie, inclusief productleidingen tot aan aansluiting op externe transportleidingen of procesinstallatie (voor de chemische omzetting) en inclusief de installatie voor de omzetting van koude naar warme ammoniak.

Laden en lossen van ammoniak (koud of warm) naar transportmiddelen (tankwagen, spoorwagons, zee- en binnenvaartschepen).

3

Drukopslag van warme ammoniak

Bestaande en nieuwe installaties

Opslaginstallatie van warme ammoniak onder druk, inclusief productleidingen tot aan aansluiting op externe transportleidingen of procesinstallatie.

Laden en lossen van ammoniak naar transportmiddelen (tankwagen, spoorwagons, zee- en binnenvaartschepen).

Deze PGS-richtlijn omvat fase 1, 2 en 3 van de actualisering voor nieuwe en bestaande installaties voor de opslag van koude atmosferische ammoniak en (warme) drukopslag, inclusief de verlading vanuit en naar deze opslagtanks.

De definitieve versie (0.3) van fase 1 van PGS 12 (nieuwbouw) is op 11 juli 2024 vastgesteld door het Bestuurlijk Omgevingsberaad (BOb), waarna deze versie op 17 juli 2024 is gepubliceerd. Hierna is fase 2 afgerond en is dit onderdeel toegevoegd aan fase 1 in een nieuwe interne conceptversie fase 2. Fase 2 is niet apart vastgesteld en gepubliceerd. Omwille van de efficiëntie en snelheid is direct een doorstart gemaakt naar fase 3. Tijdens het uitwerken van fase 3 is ook een aantal geconstateerde onvolkomenheden uit fase 1 en 2 hersteld. Fase 3 is afgerond en ook dit onderdeel is toegevoegd aan fase 1 en 2. Hiermee is PGS 12 in zijn geheel herzien zodat er weer één PGS 12 (2025-versie) is, die de huidige PGS 12:2021, versie 1.0 (augustus 2021) vervangt.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste editie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben.

In de verwijzing naar de normen staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze editie blijft gelden voor deze PGS-richtlijn, zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar een norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor deze normen geldt dat de editie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving opslag en verlading ammoniak

2.1Eigenschappen en gevaren van ammoniak

2.1.1Algemeen

Ammoniak is een kleurloos, giftig gas met een sterk prikkelende geur. Het gas is lichter dan lucht (dampdichtheid 0,6 t.o.v. lucht). Door het gas samen te persen of af te koelen, kan het tot vloeistof worden verdicht. Ammoniakgas is giftig bij inademing. Het is een bijtende stof die bij contact met huid en ogen brandwonden veroorzaakt. Ammoniak is oplosbaar in water, hierbij komt warmte vrij. De gevormde basische vloeistof wordt ammoniakwater of ammonia genoemd. Zie ook Bijlage E.

2.1.2Gezondheidsgevaren

Ammoniakdampen zijn schadelijk voor de gezondheid. In hoge concentratie werkt het sterk bijtend op de ogen en de slijmvliezen, sterk prikkelend op de huid en is giftig bij inademing, wat kan leiden tot longoedeem.

Ademhalingsorganen

De werking van ammoniakdampen op de ademhalingsorganen blijft meestal beperkt tot de bovenste luchtwegen, omdat het gas goed in water oplost en bovendien sterke reflexen opwekt, waardoor men onmiddellijk de adem inhoudt. Bij zeer hoge concentraties kan de ammoniak in diepere luchtwegen geraken. De gevolgen zijn dan zeer ernstig, zoals een aantasting van de longen (longoedeem).

Ter beoordeling van de schadelijkheid van een stof worden onder meer de volgende begrippen gehanteerd:

  • Reukdrempel. De reukdrempel van ammoniak ligt laag; 1 ppm – 5 ppm. Hierbij is echter geen rekening gehouden met individuele verschillen, gewenning en niet-ideale reukomstandigheden. Bij circa 25 ppm is de ammoniakgeur door vrijwel alle personen waarneembaar.
  • Grenswaarde. Volgens het Arbobesluit is de definitie van een grenswaarde: de limiet van de concentratie voor een gevaarlijke stof in de individuele ademhalingszone van een werknemer gedurende een gespecificeerde referentieperiode (vaak een tijdgewogen gemiddelde (tgg) over 8 uur of 15 min). Het uitgangspunt bij de vaststelling van de grenswaarde is dat de gezondheid van de werknemers én hun nageslacht niet wordt benadeeld; ook niet bij herhaalde blootstelling aan die concentratie, gedurende een langere periode tot zelfs een arbeidsleven. Voor bepaalde stoffen, zoals ammoniak, is een wettelijke grenswaarde vastgesteld. De grenswaarden voor ammoniak bedragen 14 mg/m³ (20 ppm) tgg 8 uur en 36 mg/m³ (51 ppm) tgg 15 min (zie bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling).
Huid

Ammoniak werkt sterk prikkelend en bijtend op de huid, slijmvliezen, zweetklieren, enz. Een concentratie van 20.000 ppm (14.000 mg/m³) ammoniak in de lucht veroorzaakt bij contact met de huid onmiddellijk blaren en chemische brandwonden (Patty, 1969, ‘Industrial Hygiene and Toxicology’). Vloeibare ammoniak op de huid veroorzaakt zware vrieswonden. Waterige oplossingen van ammoniak zijn sterk alkalisch en daarom voor de slijmvliezen en huid sterk irriterend of etsend. Een 20%-waterige oplossing is sterk irriterend voor de huid. Het is mogelijk dat door inwerking van ammoniak op het trommelvlies een gehoorbeschadiging optreedt.

Ogen

Gasvormige en vloeibare ammoniak werken sterk etsend op de oogslijmvliezen en het oog en zijn voor dit zintuig buitengewoon gevaarlijk.

2.1.3Brandbaarheid

Ammoniak is moeilijk te ontsteken. Een koudgekookte ammoniakpoel brandt niet op een zichzelf onderhoudende manier, zoals de meeste koolwaterstoffen. Dit komt omdat er onvoldoende warmtestraling vanuit de vlammen in de poel terechtkomt. De vlammen zijn erg doorzichtig. Wanneer er op een andere manier warmte wordt toegevoerd, bijvoorbeeld uit de grond of met water, kan er voldoende ammoniak verdampen om de brand in stand te houden.

Een eventuele ammoniakbrand geeft slechts een beperkt gevaar, omdat slechts weinig warmte-uitstraling van de brand naar de omgeving plaatsvindt. De kans op het ontstaan van brand en explosie is laag. De explosiegrenzen in de lucht zijn 15 % en 29 % en de minimumontstekingsenergie bedraagt 680 mJ (dit is circa 10.000 keer zo groot als voor waterstof).

2.1.4Vrijkomen van ammoniak op water

Ammoniak is een aquatoxische stof, die zeer goed oplost in water. Het is aangeduid als H-400 met de beschrijving “zeer giftig voor in het water levende organismen”.

Vermijd incidentele lozingen en lekkages daarom zoveel mogelijk. Het oppervlaktewater kan daarom ook niet dienen als calamiteitenbuffer voor vloeibare ammoniak. Ook wanneer koude vloeibare ammoniak van -33 °C op het water komt, zal ongeveer 50 % direct verdampen en een giftige damp vormen. De overige 50 % zal oplossen in het water. Voor een nadere toelichting kunnen de ‘red squirrel tests’ uit 2022 bekeken worden.

2.2Ammoniakopslaginstallatie

In deze paragraaf wordt een omschrijving gegeven van een ammoniakopslaginstallatie.

In een stationaire opslagtank voor gekoelde vloeibare ammoniak wordt op grote schaal ammoniak opgeslagen bij nagenoeg atmosferische druk bij een temperatuur van circa -33 °C. Opslag van ammoniak onder druk vindt in kleinere hoeveelheden plaats (volgens M39 tot maximaal 1.000 ton (1 kton) per tank) vanaf 0,5 barg (circa -25 °C en hoger).

Globaal bestaat een installatie voor opslag van ammoniak uit de volgende onderdelen:

  • een opslagtank, inclusief bijbehorende installaties zoals BOG-verwerkingssysteem en ammoniakverdamper;
  • productleidingen voor het verpompen van ammoniak van en naar de tank, inclusief warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak en een flashvat voor het afkoelen van ammoniak;
  • een laad- en losinstallatie voor de verlading van en naar transportmiddelen (zee- en binnenvaartschepen, tankwagens en spoorketelwagons).

Afbeelding 1 is een schematische weergave van een ammoniakopslaginstallatie en de bijbehorende installatieonderdelen. De transportmiddelen en procesinstallatie vallen niet onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn.

Afbeelding 1Schematische weergave ammoniakopslaginstallatie

Toelichting:

  • Legenda:
    • blauw = koude (gekoelde, atmosferische) ammoniak;
    • rood = warme ammoniak onder druk;
    • grijs = buiten toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn.
  • Aan de linkerkant van het schema is import naar de gekoelde atmosferische opslagtank vanuit (zee)schepen of vanuit pijpleiding uit fabriek (synthese plant) te zien.
  • Export vanuit de gekoelde atmosferische opslagtank naar (gekoelde) zee- en binnenvaartschepen is te zien aan de linkerkant van het schema. Aan de rechterkant is de export te zien via een warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak, waarbij de warme ammoniak vervolgens wordt geladen in tankwagens, spoorketelwagons, binnenvaartschepen of via een externe transportleiding verder wordt getransporteerd.
  • Ammoniakopslaginstallaties van warme ammoniak onder druk zijn in rood aangegeven, waarbij ook het flashvat voor het afkoelen van warme ammoniak is weergegeven.
  • Boord-boordverlading (waaronder het bunkeren van schip naar schip) valt niet onder het toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn en is dan ook niet in bovenstaande afbeelding opgenomen. Ter verduidelijking: het laden van een bunkerschip vanuit een ammoniakopslaginstallatie valt onder laden en lossen en valt wel onder het toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, inbedrijfname, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uitbedrijfname;
  • good housekeeping, dit begrip staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt van uitgegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen voor goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Het uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen werkt. Dit basisveiligheidsniveau is opgenomen als DWW-maatregel in MW1.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen en onder de Seveso-richtlijn en/of onder de ARIE-regeling (installaties vanaf 15 ton ammoniak) vallen, hebben een veiligheidsbeheerssysteem (VBS). Om die reden is een veiligheidsbeheerssysteem in deze PGS niet voorgeschreven. Voor bedrijven die minder dan 15 ton ammoniakopslag hebben, valt sterk te overwegen een veiligheidsbeheerssysteem voor te schrijven in de omgevingsvergunning. Eisen voor de opzet en inhoud van een veiligheidsbeheerssysteem staan in NEN-EN-ISO 14001, NEN-EN-ISO 45001, NTA 8620, de Arbeidsomstandighedenregeling (bijlage I) en/of het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

3.2Risicobenadering

3.2.1Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een uniforme en systematische manier scenario’s, doelen en maatregelen zijn geformuleerd. De methode is beschreven in de Handreiking generieke risicobenadering. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van de opgenomen maatregelen.

Een scenario bestaat uit een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis. Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

Voor elk scenario zijn één of meerdere doelen beschreven om te bereiken dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt;
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms kunnen meerdere scenario's met hetzelfde doel worden gedekt. Per doel zijn één of meer maatregelen uitgewerkt die er voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan gelden voor meerdere doelen.

3.2.2Methode

De risicobeoordeling is uitgevoerd met de BowTie-methode, aangevuld met de SWIFT-methode voor het bepalen van de oorzaken van de ongewenste gebeurtenis. Door de combinatie van beide methoden is gewaarborgd dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen oorzaak en gevolg. Ook is gewaarborgd dat de oorzaakscenario’s op een gestructureerde manier, met vraagcategorieën, worden bepaald.

Meer informatie over de gebruikte methode staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

3.2.3Scenario’s met een laag risico

Met de risicobeoordeling is voor elk geïdentificeerd scenario het risiconiveau bepaald. Bij de beoordeling van het risiconiveau wordt rekening gehouden met maatregelen die noodzakelijk zijn vanwege andere wettelijke verplichtingen. Scenario’s die zijn beoordeeld met een laag risico worden niet beschreven in deze PGS-richtlijn. Dit zijn scenario’s die niet kunnen leiden tot ernstige gevolgen en/of omdat de kans op optreden gering is, bijvoorbeeld door andere wettelijke maatregelen. Voor deze PGS-richtlijn zijn er geen scenario’s geïdentificeerd die zijn beoordeeld met een laag risico.

3.2.4Niet beoordeelde scenario’s

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van.

Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zoals aardbevingen en overstromingen, zijn niet meegenomen. De enige uitzondering is blikseminslag. Ook zijn scenario’s die veroorzaakt wordt door klimaatveranderingen, zoals droogte, extreme regenval, of hogere temperatuur, niet meegenomen. De kans voor natuurgeweld en klimaatverandering hangt af van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op natuurgeweld en klimaatveranderingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport wél ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

3.3Aanpak risicobenadering PGS 12

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 12-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare opslag en verlading van ammoniak. Het PGS-team heeft mogelijke scenario’s in kaart gebracht en deze vervolgens geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruik gemaakt van de kwalitatieve risicomatrix in paragraaf 4.3.2 van de Handreiking generieke risicobenadering. Dit heeft geleid tot de voor deze PGS-richtlijn relevante scenario’s met een middelhoog en hoog risico. Deze vormen de basis van deze PGS-richtlijn en zijn vastgelegd in Hoofdstuk 4. In Paragraaf 3.5 staan de ongewenste gebeurtenissen gedefinieerd voor deze PGS-richtlijn. Deze ongewenste gebeurtenissen zijn het middelpunt van de vlinderdas in de gebruikte BowTie-methode. Zie ook het risicodiagram.

De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

Voor de relevante scenario’s heeft het team doelen bepaald en vervolgens maatregelen geïdentificeerd op basis van de huidige stand der techniek. Als het om nieuwe activiteiten gaat, is in overleg met betrokken experts bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in deze PGS-richtlijn moeten worden opgenomen. Dit is gebeurd op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap, de professionele dienstverlening en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de risicomatrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

Afsluitend is geëvalueerd of met deze PGS-richtlijn een aanvaardbaar maatregelenniveau voor de beheersing van de geïdentificeerde risico’s wordt bereikt, en of met het pakket van maatregelen:

  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis voldoende is verkleind, en
  • de omvang of ernst van de gevolgen voldoende is verminderd.

3.4Relatie tot andere wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd op basis van typische situaties die generiek van toepassing zijn. Het is geen vervanging van een bedrijfsspecifieke risicoanalyse voor alle risico’s die binnen het bedrijf kunnen optreden. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Naast de RI&E-plicht vanuit de Arbeidsomstandighedenwet zijn bedrijven bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wbda 2016) verplicht om, voor installaties die hieronder vallen, een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse(s).

3.5Ongewenste gebeurtenissen

Deze paragraaf beschrijft de ongewenste gebeurtenissen die tijdens de risicobeoordeling zijn bepaald voor deze PGS-richtlijn. De ongewenste gebeurtenissen geven voor een gedefinieerde situatie (activiteit, type opslagvoorziening of deel van een installatie) de structuur weer van de scenario’s. Het risicodiagram is een visuele weergave van de ongewenste gebeurtenis en de gerelateerde scenario’s, doelen.

OG1

Atmosferische opslag - Vrijkomen ammoniak

Toelichting

In een stationaire opslagtank voor gekoelde vloeibare ammoniak wordt op grote schaal ammoniak opgeslagen bij nagenoeg atmosferische druk bij een temperatuur van circa -33 °C. Zie ook Paragraaf 2.2.

OG2

Druk opslagtank - Vrijkomen ammoniak

Toelichting

Opslag van ammoniak onder druk vindt in kleinere hoeveelheden plaats (volgens M39 tot maximaal 1.000 ton (1 kton) per tank) vanaf 0,5 barg (circa -25 °C en hoger). Zie ook Paragraaf 2.2.

OG3

Productleidingen - Vrijkomen ammoniak

Toelichting

Productleidingen voor het verpompen van ammoniak van en naar de tank. Zie ook Paragraaf 2.2.

OG4

Laden en lossen - Vrijkomen ammoniak

Toelichting

Laad- en losinstallatie voor de verlading van en naar transportmiddelen (zee- en binnenvaartschepen, tankwagens en spoorketelwagons). Zie ook Paragraaf 2.2.

OG5

Warmtewisselaar - Vrijkomen ammoniak

Toelichting

Warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak. Zie ook Paragraaf 2.2.

Scenario's
S42
OG6

Flashvat - Vrijkomen ammoniak

Toelichting

Flashvat voor het afkoelen van ammoniak. Zie ook Paragraaf 2.2.

Scenario's
S43

4Scenario's

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor de veilige opslag en het veilig verladen van ammoniak.

De scenario's zijn per installatiedeel onderverdeeld in oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s. De oorzaakscenario’s zijn op hun beurt onderverdeeld in categorieën van directe oorzaken (zoals benoemd in PGS 6): corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke fouten tijdens gebruik en wijziging of onderhoud.

Elk scenario staat in een groen kader en heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Deze doelen zijn weergegeven als D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen en aan welke doelen deze invulling geven.

De maatregelen die genoemd worden in een scenario, zijn gerelateerd aan dat scenario. Echter, een scenario kan van toepassing zijn op meerdere installatiedelen. De diverse installatiedelen en de bijbehorende maatregelen worden apart genoemd. De genoemde doelen zijn wel van toepassing op alle installatiedelen. Bij de doelen zelf is wel aangegeven voor welk installatiedeel de bijbehorende maatregelen van toepassing zijn.

Sommige scenario’s, doelen of maatregelen zijn alleen relevant voor atmosferische opslag. Deze zijn dan aangeduid met (A) achter de titel. Sommige scenario’s, doelen of maatregelen zijn alleen relevant voor drukopslag. Deze zijn dan aangeduid met (D) achter de titel. Wanneer een scenario, doel of maatregel relevant is voor zowel atmosferische opslag als drukopslag, dan is dit aangeduid met (A+D) achter de titel. Installatieonderdelen of activiteiten die zowel bij atmosferische opslag als bij drukopslag kunnen voorkomen (zoals laden, lossen, warmtewisselaar, flashvat, appendages en pakkingen) zijn ook aangeduid met (A+D).

4.1Atmosferische Opslagtank (A)

Voor zowel nieuwe atmosferische opslagtanks (fase 1) als voor bestaande atmosferische opslagtanks (fase 2) zijn aparte risicobenaderingen gedaan. De risicobenadering voor fase 1 is als eerste uitgevoerd en vormt de basis van de scenario’s in dit hoofdstuk. Tijdens de risicobenadering voor fase 2 zijn alle oorzaak- en gevolgscenario’s uit fase 1 weer opnieuw beoordeeld voor bestaande tanks. Tevens is beoordeeld of er extra scenario’s nodig zijn of dat er scenario’s kunnen afvallen. Uit de risicobenadering is gebleken dat de oorzaak- en gevolgscenario’s van fase 2 niet anders zijn dan van fase 1 en dat er daarom geen andere scenario’s zijn gedefinieerd (ondanks dat de tankconfiguratie van fase 1 en 2 wel enigszins verschilt, zie Paragraaf 7.6.1.1). Wel is gebleken dat er voor bestaande tanks andere of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Dit is nader uitgewerkt op maatregelniveau in Hoofdstuk 7.

4.1.1Oorzaakscenario's atmosferische opslag (A)

S1

Overvullen van de atmosferische opslagtank (A)

Categorie: menselijke fouten tijdens gebruik

Overvullen van de opslagtank door bijvoorbeeld een menselijke fout tijdens het lossen van een schip, waarbij het product via openingen boven in de opslagtank naar buiten komt.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D1D3
S2

Drukopbouw in de atmosferische opslagtank (A)

Categorie: overdruk

Overdruk in de dampruimte van de opslagtank, waardoor een scheur in de dampruimte kan ontstaan. Hierdoor komen een dampwolk en een beperkte hoeveelheid vloeistof vrij.

Potentiële gevolgen:

  • beperkte hoeveelheid product buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Toelichting

Dit is een generiek scenario. De overdruk kan door meerdere redenen ontstaan in een statische situatie (bijvoorbeeld door boil-offgas, het uitvallen van de compressor door bijvoorbeeld een stroomuitval, opwarming van een ingeblokt installatiedeel) of tijdens activiteiten (bijvoorbeeld verpompen).

Doelen
D1D5D6
S3

Versnelde drukopbouw in de atmosferische opslagtank door intrede te warme ammoniak in de opslagtank (A)

Categorie: overdruk

Door verschillen in temperatuur van de ammoniak, bijvoorbeeld door het lossen van te warme ammoniak in de opslagtank of door terugstroming, treedt een versnelde drukopbouw op. Hierdoor kan de tank falen en de inhoud volledig vrijkomen.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D1D4D5
S4

Warmtebelasting op de installatie door een brand in de omgeving (A)

Categorie: overdruk

Opwarming van de atmosferische opslagtank of leidingen door externe aanstraling, als gevolg van een brand in de omgeving. Dit leidt tot overdruk in de dampruimte, waardoor de installatie faalt en de inhoud vrijkomt.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de installatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D5D7D17
S5

Blikseminslag en elektrostatische oplading in de atmosferische opslagtank waardoor deze beschadigd raakt (A)

Categorie: impact

Impact van een blikseminslag in de opslagtank waardoor er beschadigingen optreden, waarschijnlijk in het dak.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D8
S6

Onderdruk (A)

Categorie: onderdruk

Door het ontstaan van onderdruk in de dampruimte, als gevolg van bijvoorbeeld het verpompen van een product uit de tank of door barometrische condities, trekt de atmosferische opslagtank vacuüm. Hierdoor ontstaat mogelijk een scheur in de dampruimte en komt een dampwolk en een beperkte hoeveelheid vloeistof vrij.

Door de onderdruk wordt daarnaast mogelijk zuurstof aangetrokken, leidend tot een verhoogd risico op interne corrosie, zie scenario S7.

Potentiële gevolgen:

  • beperkte hoeveelheid product buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D1D5
S7

Inwendige corrosie (A)

Categorie: corrosie

Inwendige corrosie van de atmosferische opslagtank (tankdak, tankwand, tankbodem) resulterend in:

  • een scheur van beperkte omvang en vrijkomen van damp en/of product;
  • een verzwakking van het dak en mogelijk falen bij betreding;
  • een verzwakking van de bodemlasnaad, waardoor de tank instantaan faalt en de inhoud van de opslagtank vrijkomt.

Specifiek scenario van inwendige corrosie voor koude atmosferische opslag van ammoniak:

  • spanningscorrosie (stress corrosion cracking – SCC).

Potentiële gevolgen:

  • beperkte hoeveelheid product buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Toelichting

Spanningscorrosie tast koolstofstaal aan in contact met vloeibare ammoniak. Scheuren worden voornamelijk gevormd in koolstofstaal, de lassen en door hitte beïnvloede zones in de aanwezigheid van zuurstof opgelost in de vloeistof. Kleine hoeveelheden zuurstof in de vloeistof, vanaf 0,5 ppm, kunnen resulteren in spanningscorrosie.

Doelen
D9D10
S8

Uitwendige corrosie (A)

Categorie: corrosie

Uitwendige corrosie van de ammoniakopslaginstallatie (tankdak, tankwand, tankbodem, productleidingen) resulterend in:

  • een gat van beperkte omvang en vrijkomen van damp en/of product;
  • een verzwakking van het dak en mogelijk falen bij betreding;
  • een verzwakking van de bodemlasnaad, waardoor de tank instantaan faalt en de inhoud van de opslagtank vrijkomt.

Specifiek scenario van uitwendige corrosie voor productleidingen is corrosie onder isolatie.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank of productleidingen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D9D10
S9

Koudebelasting op de installatie (A)

Categorie: lage temperatuur

Falen van de installatie door koudebelasting als gevolg van temperatuurveranderingen (temperatuur vloeibare ammoniak is circa -33 °C) waardoor de installatie degradeert.

Specifieke scenario's van koudebelasting:

  • afkoelen en opwarmen van de opslagtank bij het in of uit bedrijf nemen van de opslagtank (commissioning, startup en shutdown);
  • afkoelen en opwarmen van de productleidingen bij koude verlading.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank of productleidingen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Toelichting

Koudebelasting kan vermoeiing initiëren, onjuiste materialen vertonen bros breukgedrag bij lage temperaturen.

Doelen
D2D9
S10

Externe belasting op de atmosferische opslagtank door zetting (A)

Categorie: externe belasting

Ongelijkmatige zetting van de ondergrond (door bijvoorbeeld bevriezing van de grond, slappe bodem, wegspoelen van de grond, graafactiviteiten) waardoor de tankbodem en tankwand onder spanning komen te staan en falen.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D9D12
S11

Externe impact op de atmosferische opslagtank (A)

Categorie: impact

Door een explosie in de omgeving wordt de atmosferische opslagtank blootgesteld aan een drukgolf en/of geraakt door fragmenten. Hierdoor faalt de opslagtank en komen vloeibare ammoniak en een dampwolk vrij.

Bij het trekken van de interne pomp uit de tank valt de pomp naar beneden, waardoor de opslagtank faalt en vloeibare ammoniak en een dampwolk vrijkomen.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D7D13
S12

Menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud (A)

Categorie: wijziging of onderhoud

Door een menselijke handeling komt onbedoeld ammoniak vrij. Dit betreft onder andere: het bedienen van afsluiters, openen van de installatie voor onderhoud, oplijnen van een opslagtank.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de ammoniakopslaginstallatie;
  • contact met koude (vloeibare) ammoniak, mogelijk leidend tot bevriezing van ledematen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D1D9D20
S13

Handelingen door onbevoegden (A)

Categorie: n.v.t.

Handelingen door onbevoegden (zoals vandalisme en sabotage) resulterend in het uitstromen van het product tot het compleet falen van de atmosferische opslagtank.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de ammoniakopslaginstallatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D14
S14

Falen van verbindingen of appendages (A)

Categorie: n.v.t.

Falen van verbindingen door bijvoorbeeld verkeerde materiaalkeuze, constructiefouten of operationele handelingen.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank of productleidingen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D9D11

4.1.2Gevolgscenario's atmosferische opslag (A)

S15

Vrijkomen van ammoniak, vloeistof en damp – interne effecten (A)

Door een van de oorzaakscenario's komt ammoniak vrij uit de installatie als vloeistof en/of damp. Door uitdamping van de vrijgekomen vloeistof en de vrijgekomen damp ontstaat er een dampwolk waaraan mensen binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, kunnen worden blootgesteld.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de installatie die uitdampt (zie dampwolk);
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • contact met koude (vloeibare) ammoniak, mogelijk leidend tot bevriezing van ledematen.
Toelichting

Bij het vrijkomen van vloeibare ammoniak zal eerst een initiële flash plaatsvinden als gevolg van contact met de warmere buitenomgeving, wat leidt tot een dampwolk. Vervolgens zal er een koudkokende ammoniakplas ontstaan die verder uitdampt. Bij warme vloeibare ammoniak onder druk zullen bij de initiële flash ook aerosolen vrijkomen.

S16

Verspreiding van ammoniak, vloeistof en damp – externe effecten buiten de milieubelastende activiteit (A)

Door een van de oorzaakscenario's komt ammoniak vrij uit de installatie als vloeistof en/of damp. Door uitdamping van de vrijgekomen vloeistof en de vrijgekomen damp ontstaat er een dampwolk. De vrijgekomen vloeibare ammoniak en de dampwolk verspreiden zich buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk verspreidt zich naar de omgeving – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vloeistofemissie naar grond- en oppervlaktewater.
S17

Brand en/of explosie in een besloten ruimte (A)

Vorming van een explosieve atmosfeer wanneer ammoniak vrijkomt in een niet-geventileerde omgeving, zoals de annulaire ruimte tussen de binnentank (primaire tank) en de buitentank (secundaire omhulling). Mogelijk gevolgd door ontsteking leidend tot een brand/explosie en vrijkomen ammoniak uit de installatie als vloeistof en/of damp.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D15D17D18

4.2Drukopslagtank (D)

Voor zowel de atmosferische opslagtanks (fase 1 en 2) als voor drukopslagtanks (fase 3) zijn aparte risicobenaderingen gedaan. Tijdens de risicobenadering voor fase 3 zijn alle oorzaak- en gevolgscenario’s uit fase 1 en 2 weer opnieuw beoordeeld maar nu specifiek voor drukopslagtanks. Tevens is beoordeeld of er extra scenario’s nodig zijn of dat er scenario’s kunnen afvallen. Uit de risicobenadering voor fase 3 is gebleken dat de meeste oorzaak- en gevolgscenario’s uit fase 1 en 2 ook voor fase 3 gelden maar soms wel iets ander verlopen. Dit heeft in veel gevallen geleid tot andere omschrijvingen van het scenario. Daarnaast is het onderdrukscenario (S6) niet relevant gebleken voor drukopslagtanks. Ook is er voor drukopslag één extra gevolgscenario, namelijk het druk-/jet-spray scenario (S34). Tijdens de risicobenadering is ook gebleken dat de verschillende opslagconfiguraties/uitvoeringen van installaties met drukopslagtanks niet leiden tot afwijkende scenario’s. Dit komt voornamelijk omdat de degradatiemechanismen steeds gelijk blijven (zie Paragraaf 7.7.1.1). Er is soms wel onderscheid nodig in de maatregelen. Dit is nader uitgewerkt op maatregelniveau in Hoofdstuk 7.

4.2.1Oorzaakscenario’s drukopslag (D)

S18

Overvullen van de drukopslagtank (D)

Categorie: menselijke fouten tijdens gebruik

Overvullen van de drukopslagtank door bijvoorbeeld een menselijke fout bij het vullen van de drukopslagtank, waarbij het product via het veiligheidsventiel op de drukopslagtank naar buiten komt.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de drukopslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D1D3
S19

Drukopbouw in de drukopslagtank (D)

Categorie: overdruk

Overdruk in de drukopslagtank boven de ontwerpdruk, waardoor een scheur in de drukopslagtank ontstaat. Hierdoor komt een dampwolk en/of vloeistof vrij.

Potentiële gevolgen:

  • beperkte hoeveelheid product buiten de drukopslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Toelichting

Dit is een generiek scenario. De overdruk kan door meerdere redenen ontstaan in een statische situatie (bijvoorbeeld door boil-offgas, het uitvallen van de compressor door bijvoorbeeld een stroomuitval, opwarming van een (ingeblokt) installatiedeel) of tijdens activiteiten (bijvoorbeeld verpompen).

Doelen
D1D5D6
S20

Versnelde drukopbouw in de drukopslagtank door intrede te warme ammoniak in de drukopslagtank (D)

Categorie: overdruk

Door verschillen in temperatuur van de ammoniak, bijvoorbeeld door lossen van te warme ammoniak in de drukopslagtank of door terugstroming, treedt een versnelde drukopbouw op. Hierdoor kan de drukopslagtank falen en de inhoud volledig vrijkomen.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de drukopslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Toelichting

Bij drukopslag is dit risico voor semigekoelde (semi-ref) opslagtanks vergelijkbaar met atmosferische tanks. Daarnaast bestaat bij drukopslag een additioneel risico wanneer deze, via een heater, gevuld worden vanuit een atmosferische tank wanneer de uitlaattemperatuur van de heater te hoog is.

Doelen
D1D4D5
S21

Warmtebelasting op de installatie door een brand in de omgeving (D)

Categorie: overdruk

Opwarming van de drukopslagtank of leidingen door externe aanstraling, als gevolg van een brand in de omgeving. Dit leidt tot overdruk in de dampruimte, waardoor de installatie faalt en de inhoud vrijkomt.

Voor drukopslagtanks is de warmtebelasting een groter risico dan voor atmosferische tanks omdat het enkelwandige tanks zijn die vaker dichter bij andere installaties staan. Warmtebelasting kan ook leiden tot het falen van de ondersteuningsconstructie, waardoor de drukopslagtank kan bezwijken (zieS30).

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de installatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D5D7D17
S22

Blikseminslag en elektrostatische oplading in de drukopslagtank waardoor deze beschadigd raakt (D)

Categorie: impact

Impact van een blikseminslag in de drukopslagtank waardoor er beschadigingen optreden.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D8
S23

Inwendige corrosie (D)

Categorie: corrosie

Inwendige corrosie van de drukopslagtank resulterend in:

  • een scheur, falen drukopslagtank en vrijkomen van damp en/of product.

Specifiek scenario van inwendige corrosie voor de drukopslagtank:

  • spanningscorrosie (stress corrosion cracking).

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray
Toelichting

Spanningscorrosie tast koolstofstaal aan in contact met vloeibare ammoniak. Scheuren worden voornamelijk gevormd in koolstofstaal, de lassen en door hitte beïnvloede zones in de aanwezigheid van zuurstof opgelost in de vloeistof. Kleine hoeveelheden zuurstof in de vloeistof, vanaf 0,5 ppm, kunnen resulteren in spanningscorrosie.

Doelen
D9D10D19
S24

Uitwendige corrosie (D)

Categorie: corrosie

Uitwendige corrosie van de ammoniakopslaginstallatie resulterend in:

  • een gat en vrijkomen van damp en/of product;
  • een verzwakking van een lasnaad, waardoor de drukopslagtank instantaan faalt en de inhoud van de drukopslagtank vrijkomt.

Een specifiek scenario van uitwendige corrosie is corrosie onder de isolatie.

Een aanvullend verhoogd risico bestaat bij de aansluiting van de ondersteuningsconstructie op de drukopslagtank.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D9D10
S25

Koudebelasting op de installatie (D)

Categorie: lage temperatuur

Falen van de installatie door koudebelasting als gevolg van temperatuurveranderingen (temperatuur vloeibare ammoniak is circa -33 °C) waardoor de installatie degradeert.

Specifieke scenario's van koudebelasting:

  • verkeerde oplijning met koude ammoniak die naar de drukopslagtank gaat;
  • een te lage temperatuur door het van druk aflaten;
  • de aanwezigheid van inerten in de gasfase kan leiden tot een lagere temperatuur dan -33 °C bij het van druk aflaten.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank of productleidingen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Toelichting

Koudebelasting kan vermoeiing initiëren, onjuiste materialen vertonen bros breukgedrag bij lage temperaturen.

Doelen
D2D9D19
S26

Falen van verbindingen of appendages (D)

Categorie: n.v.t.

Falen van verbindingen door bijvoorbeeld verkeerde materiaalkeuze, constructiefouten of operationele handelingen.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de drukopslagtank of productleidingen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D9D11D19
S27

Externe impact op de drukopslagtank (D)

Categorie: impact

Door een explosie in de omgeving wordt de drukopslagtank blootgesteld aan een drukgolf en/of geraakt door fragmenten. Hierdoor faalt de drukopslagtank en komen vloeibare ammoniak en een dampwolk vrij.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de drukopslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D7D13
S28

Menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud (D)

Categorie: wijziging of onderhoud

Door een menselijke handeling komt onbedoeld ammoniak vrij. Dit betreft onder andere de volgende handelingen: het bedienen van afsluiters, openen van de installatie voor onderhoud, oplijnen van een drukopslagtank.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de ammoniakopslaginstallatie;
  • contact met koude (vloeibare) ammoniak, mogelijk leidend tot bevriezing van ledematen;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
S29

Handelingen door onbevoegden (D)

Categorie: n.v.t.

Handelingen door onbevoegden (zoals vandalisme en sabotage) resulterend in het uitstromen van het product tot het compleet falen van de drukopslagtank.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de ammoniakopslaginstallatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D14
S30

Falen van de ondersteuningsconstructie van een drukopslagtank (D)

Categorie: externe belasting

Falen van de ondersteuningsconstructie van de druktank door een externe belasting zoals:

  • externe impact, zie ook S27;
  • warmtebelasting, zie ook S21;
  • externe corrosie;
  • zettingen.

Hierdoor kan de drukopslagtank scheef zakken, leidend tot een scheur als gevolg van een te hoge belasting of omvallen, hetgeen vervolgens leidt tot het falen van de drukopslagtank.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de ammoniakopslaginstallatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D7D9D13

4.2.2Gevolgscenario’s drukopslag (D)

S31

Vrijkomen van ammoniak, vloeistof en damp – interne effecten (D)

Door een van de oorzaakscenario's komt ammoniak vrij uit de installatie als vloeistof en/of damp. Door uitdamping van de vrijgekomen vloeistof en de vrijgekomen damp ontstaat er een dampwolk waaraan mensen binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, kunnen worden blootgesteld.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de installatie die uitdampt (zie dampwolk);
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • contact met koude (vloeibare) ammoniak, mogelijk leidend tot bevriezing van ledematen.
Toelichting

Bij het vrijkomen van vloeibare ammoniak zal eerst een initiële flash plaatsvinden als gevolg van contact met de warmere buitenomgeving, wat leidt tot een dampwolk. Vervolgens zal er een koudkokende ammoniakplas ontstaan die verder uitdampt. Bij warme vloeibare ammoniak onder druk zullen bij de initiële flash ook aerosolen vrijkomen.

S32

Verspreiding van ammoniak, vloeistof en damp – externe effecten buiten de milieubelastende activiteit (D)

Door een van de oorzaakscenario's komt ammoniak vrij uit de installatie als vloeistof en/of damp. Door uitdamping van de vrijgekomen vloeistof en de vrijgekomen damp ontstaat er een dampwolk. De vrijgekomen vloeibare ammoniak en de dampwolk verspreiden zich buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk verspreidt zich naar de omgeving – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vloeistofemissie naar grond- en oppervlaktewater.
S33

Brand en/of explosie in een besloten ruimte (D)

Vorming van een explosieve atmosfeer wanneer ammoniak vrijkomt in een niet-geventileerde omgeving, zoals de ruimte tussen de drukopslagtank en de veiligheidswand. Mogelijk gevolgd door ontsteking leidend tot een brand/explosie en vrijkomen ammoniak uit de installatie als vloeistof en/of damp.

Potentiële gevolgen:

  • beperkte productplas buiten de installatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D15D17D18
S34

Vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray (D)

Door een van de oorzaakscenario's komt ammoniak onder druk vrij uit de installatie. Bij een lek in de gasfase zal dit een 1-fase-uitstroom zijn en bij een lek onder vloeistofniveau zal dit een 2-fase-uitstroom zijn. Door uitstroom onder druk ontstaat een pluim (conform referentie 'Red squirrel testen' ontstaat een pluim van circa 80 m), waardoor er interne en externe effecten buiten de locatie zullen optreden.

Potentiële gevolgen:

  • dampwolk verspreidt zich binnen de locatie en naar de omgeving – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vorming van aerosolen als gevolg van de 2-fase-uitstroom;
  • vloeistofemissie naar grond- en oppervlaktewater.
Toelichting

Door de eigenschappen van ammoniak zal de jet/spray niet ontsteken. Escalatie naar een andere installatie door de jet/spray (niet ontstoken) als gevolg van een koudebelasting op de naburige installaties wordt niet waarschijnlijk geacht.

Doelen
D15D17

4.3Productleidingen (A + D)

4.3.1Algemeen

De volgende scenario's, zoals gedefinieerd voor de opslagtank, zijn ook van toepassing op de productleidingen:

  • S4 / S21 – Warmtebelasting op de installatie door een brand in de omgeving;
  • S8 / S24 – Uitwendige corrosie;
  • S9 / S25 – Koudebelasting op de installatie;
  • S14 / S26 – Falen van verbindingen of appendages;
  • S12 / S28 – Menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud;
  • S13 / S29 – Handelingen door onbevoegden;
  • S15 / S31 – Vrijkomen van ammoniak, vloeistof en damp - interne effecten;
  • S16 / S32 – Verspreiding van een lekkage van vrijgekomen ammoniak – externe effecten buiten de milieubelastende activiteit.

4.3.2Oorzaakscenario's (A+D)

In deze paragraaf staan aanvullende oorzaakscenario's die voor de productleidingen zijn geïdentificeerd.

S35

Overdruk in de productleidingen (A+D)

Categorie: overdruk

Overdruk in de productleidingen door bijvoorbeeld:

  • thermische expansie van een ingeblokte leiding;
  • pompdruk van het zeeschip;
  • vloeistofslag (liquid hammer).

Hierdoor faalt de productleiding en komen een dampwolk en de inhoud van de leiding vrij.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten leiding;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Toelichting

Maatregelen met betrekking tot vloeistofslag volgen uit de PED.

Doelen
D1D5
S36

Externe impact overige installatiedelen (A+D)

Beschadiging of falen van de leiding of een transportmiddel als gevolg van een externe impact door een aanrijding of vallende objecten.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de installatie;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D13

4.3.3Gevolgscenario's (A+D)

Er zijn geen aanvullende gevolgscenario's geïdentificeerd voor de productleidingen.

4.4Laden en lossen (A+D)

4.4.1Algemeen

De volgende scenario's zoals gedefinieerd voor de opslagtank zijn ook van toepassing op de laad-/losinstallatie:

  • S9 / S25 – Koudebelasting op de installatie;
  • S12 / S28 – Menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud;
  • S13 / S29 – Handelingen door onbevoegden;
  • S15 / S31 – Vrijkomen van ammoniak, vloeistof en damp – interne effecten;
  • S16 / S32 – Verspreiding van ammoniak, vloeistof en damp – externe effecten buiten de milieubelastende activiteit.

De volgende scenario's zoals gedefinieerd voor de productleidingen zijn ook van toepassing op de laad-/losinstallatie:

  • S36 – Externe impact overige installatiedelen.

4.4.2Oorzaakscenario's (A+D)

In deze paragraaf staan aanvullende oorzaakscenario's die voor de laad-/losinstallatie zijn geïdentificeerd.

S37

Overvullen transportmiddel (A+D)

Categorie: menselijke fouten tijdens gebruik

Overvullen van het transportmiddel boven de maximale vullingsgraad, waardoor overdruk ontstaat bij het stijgen van de temperatuur van de ammoniak en het falen van de tank van het transportmiddel.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten het transportmiddel;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D1D3
S38

Warmtebelasting op de laad-/losinstallatie of transportmiddelen door een brand in de omgeving (A+D)

Categorie: overdruk

Opwarming van laad-/losinstallatie of een transportmiddel door externe aanstraling, als gevolg van een brand in de omgeving, leidend tot overdruk in de dampruimte waardoor deze faalt en de inhoud vrijkomt.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de laad-/losinstallatie of het transportmiddel;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D7D25
S39

Bewegen van transportmiddel tijdens laden/lossen (A+D)

Categorie: externe belasting

Falen van slang/laadarm door wegrijden/bewegen van het transportmiddel (spoorketelwagon, tankwagen, tankschip) waardoor het product uitstroomt.

Potentiële gevolgen:

  • productplas op het terrein;
  • product in het oppervlaktewater;
  • bodem-/grondwatervervuiling;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D1D21
S40

Falen van laad-/losinstallatie (A+D)

Categorie: n.v.t.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de leiding;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.
Doelen
D9D11

4.4.3Gevolgscenario's (A+D)

S41

Contact met koude installatie – bevriezingsverschijnselen (A+D)

Door de temperatuur van vloeibare ammoniak van -33 °C tot < 0 °C ontstaan er bevriezingsverschijnselen bij personen als gevolg van contact met ongeïsoleerde installatiedelen.

Doelen
D17D22D23

4.5Warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak (A+D)

De warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak wordt gebruikt om ammoniak van -33 °C vanuit de gekoelde atmosferische opslag op te warmen voor drukopslag, voor trein- en tankwagenverlading, voor het beladen van ‘warme’ ammoniakschepen of voor transport per externe transportleiding. De temperatuur en druk variëren per modaliteit. Bij spoor- en wegvervoer is dit boven 0 °C met bijbehorende dampspanning en bij binnenvaart is dit boven -10 °C en bijbehorende dampspanning. Bij een externe transportleiding is deze druk hoger dan de dampspanning die hoort bij de transporttemperatuur. Dit komt doordat er een transportpomp aanwezig is.

S42

Lekkage van de warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak (A+D)

Categorie: corrosie

Door lekkage van de warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak komt er ammoniak vrij uit de installatie, komt er ammoniak in het verwarmende medium of komt het verwarmende medium in de ammoniak.

Potentiële gevolgen bij het vrijkomen van ammoniak:

  • productplas buiten de warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers.

Potentiële gevolgen bij contact tussen ammoniak en het verwarmende medium:

  • bevriezing van het verwarmende medium;
  • drukverhoging in ontvangende (opslag)tank, wat resulteert in een versnelde drukopbouw en het falen van het insluitsysteem, waardoor ammoniak vrijkomt;
  • vrijkomen van ammoniak via het verwarmende medium (bijvoorbeeld naar het havenwater).
Doelen
D26

4.6Flashvat voor het afkoelen van ammoniak (A+D)

Het flashvat voor het afkoelen van vloeibare ammoniak wordt gebruikt om ammoniak onder druk af te koelen naar -33 °C zodat deze opgeslagen kan worden in de atmosferische gekoelde ammoniakopslagtank. In het flashvat wordt de ammoniak van druk afgelaten, waarbij de expanderende ammoniak warmte onttrekt aan de vloeibare ammoniak, waardoor deze afkoelt. De vrijkomende gasvormige ammoniak uit het flashvat kan worden ingezet in een ammoniakgasnet of worden gecomprimeerd om vervolgens weer te laten expanderen. Vaak zijn meerdere expansiestappen nodig om de benodigde temperatuur van -33 °C te bereiken.

S43

Overvullen van het flashvat (A+D)

Categorie: menselijke fouten tijdens gebruik

Overvullen van het flashvat door bijvoorbeeld een menselijke fout tijdens het afkoelen van warme ammoniak, waarbij vloeibaar ammoniak in installatiedelen komt waar normaal alleen ammoniakdamp komt. Dit leidt tot schade en lekkage van ammoniak naar de omgeving.

Potentiële gevolgen:

  • productplas buiten de opslagtank;
  • dampwolk – toxisch/stank, mogelijk leidend tot (dodelijke) slachtoffers;
  • vrijkomen van ammoniak onder druk – jet/spray.
Doelen
D1D27

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deze PGS-richtlijn beschrijft doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, dan wel het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brand- en rampenbestrijding: het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding en voor het borgen van de veiligheid van de incidentbestrijders.

Er wordt zo zorgvuldig mogelijk gezorgd in een PGS dat bij navolging van de maatregelen niet in strijd wordt gehandeld met wet- en regelgeving. Het is echter niet zo dat een PGS uitputtend is in het opnemen van wettelijke verplichtingen. Het is altijd van belang de van toepassing zijnde wetgeving voor de desbetreffende activiteit te controleren.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel is deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid en met Brandpreventie (brandpreventie en -bestrijding, omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de Warenwet. InHoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- en rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (brand- en rampenbestrijding).

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en de activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Bal kan omschreven zijn dat een vergunningplicht of algemene regels gelden voor de activiteit. Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van de milieubelastende activiteit van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen voor zover passend binnen het toepassingsbereik van het Bal. In de Omgevingsregeling is terug te vinden welke versie van de PGS-richtlijn is aangestuurd. Voor vergunningplichtige activiteiten bepaalt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) welke informatiedocumenten betrokken moeten worden als informatiedocument. Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening houden met het informatiedocument. Tussen het moment van vaststellen van de PGS-richtlijn door het BOb en opname in de rijksregels kan een periode zijn gelegen. Hoe hiermee om te gaan in deze periode is te vinden op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): Vooruitlopen op toekomstige PGS-richtlijnen. Deze systematiek geldt voor bestaande richtlijnen die gewijzigd zijn én voor nieuwe richtlijnen waarvoor mogelijk een herziening van het Bal nodig is. Voor het overzicht van de juridische status van de PGS-richtlijn zie de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): Overzicht PGS-richtlijnen. Het stelsel van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift of gelijkwaardige maatregel af te wijken.

In Bijlage D staan verwijzingen naar relevante artikelen en bepalingen voor ammoniakopslag.

5.2.2Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

In het Bal of in het Bkl kunnen deze veiligheidsafstanden zijn opgenomen. Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

In deze PGS-richtlijn zijn enkele maatregelen opgenomen om de escalatie van scenario's met effecten buiten de milieubelastende activiteit te voorkomen.

5.2.3Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen voor bluswatervoorzieningen, de bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markering Brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van acute blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit, maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Nederlandse Arbeidsinspectie betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Nederlandse Arbeidsinspectie gebruikt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving.

De Nederlandse Arbeidsinspectie bindt zich in haar toezicht op de onderdelen van de PGS-richtlijn die de Nederlandse Arbeidsinspectie in haar zienswijze aanvaardt. Waar de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie afwijkt van voorgenomen publicatie, wordt die zienswijze in zijn geheel opgenomen in de PGS-richtlijn. Voor deze PGS-richtlijn is er geen afwijkende zienswijze van de NLA van toepassing.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Paragraaf 8.1. Eventueel kan de Nederlandse Arbeidsinspectie maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Deze bevoegdheid staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 van de Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brand- en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brand- en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brand- en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

In het rampbestrijdingsplan (o.a. het scenario toxische wolk) zijn de taken en bevoegdheden voor de veiligheidsregio beschreven. Afhankelijk van de impact en omvang van het incident zal invulling gegeven worden aan de taken die horen bij rampbestrijding. Het doel hierbij is het beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

6Doelen Normatief

6.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk staan de doelen die relevant zijn voor de veilige opslag en verlading van ammoniak. Met deze doelen is beoogd het risico zoveel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel staat in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer en is herkenbaar aan een paars kader. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

Sommige doelen, scenario’s en maatregelen zijn alleen relevant voor atmosferische opslag. Deze zijn dan aangeduid met (A) achter de titel. Sommige doelen, scenario’s en maatregelen zijn alleen relevant voor drukopslag. Deze zijn dan aangeduid met (D) achter de titel. Wanneer een doel, scenario of maatregel relevant is voor zowel atmosferische opslag als drukopslag is dit aangeduid met (A+D) achter de titel. Doelen, scenario’s en maatregelen die horen bij installatieonderdelen of activiteiten die zowel bij atmosferische opslag als bij drukopslag kunnen voorkomen (zoals laden, lossen, warmtewisselaar, flashvat, appendages en pakkingen), zijn ook aangeduid met (A+D).

6.2Doelen Normatief

6.2.1Algemene doelen voor de ammoniakopslaginstallatie (A+D) Normatief

D1

Operationele beheersing (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat activiteiten zodanig worden uitgevoerd dat geen product vrijkomt.

Dit betreft activiteiten zoals:

  • verpompingen;
  • laden/lossen;
  • in- en uitgebruikname;
  • onderhoud.
D2

Operationele beheersing: in- en uitgebruikname (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat in- en uitgebruikname van de ammoniakopslaginstallatie zodanig wordt uitgevoerd dat de integriteit van de installatie niet wordt aangetast en/of ammoniak kan vrijkomen.

D3

Voorkomen van overvullen (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat er afdoende beveiliging is om het overvullen van een opslagtank of transportmiddel te voorkomen.

D4

Voorkomen van snelle drukopbouw door te warme ammoniak (A+D)

Toelichting

Onafhankelijke beveiliging die een zeer snelle drukopbouw in de opslagtank doordat te warme ammoniak (temperatuur ammoniak buiten de terminalspecificatie) in de opslagtank terechtkomt, voorkomt.

D5

Voorkomen falen van opslagtank als gevolg van overdruk of onderdruk (A+D)

Toelichting

Voorkomen dat een opslagtank faalt en het product (ongecontroleerd) vrijkomt door overdruk of onderdruk in de opslagtank.

D6

Voorkomen van ongewenste drukopbouw door boil-offgas (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat ongewenste drukopbouw door boil-offgas wordt voorkomen.

Maatregelen
MW1M27M28M29M40
D7

Voorkomen escalatie – passief (A+D)

Toelichting

Voorkomen van escalatie:

  • van de omgeving naar de ammoniakopslaginstallatie;
  • vanaf de ammoniakopslaginstallatie naar de omgeving;
  • tussen de installatieonderdelen.

Voorkomen van escalatie kan op diverse manieren ingevuld worden, afhankelijk van het scenario en de specifieke situatie. Dit doel omvat de passieve voorzieningen, zoals bijvoorbeeld veiligheidsafstanden of een fysieke (brandwerende) afscheiding.

D8

Voorkomen van elektrostatische oplading of blikseminslag (A+D)

Toelichting

Beveiligen tegen elektrostatische oplading en blikseminslag.

Maatregelen
MW1M25M52
D9

Integriteit ammoniakopslaginstallatie in stand houden (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat de integriteit van de ammoniakopslaginstallatie gewaarborgd blijft door onder andere inspectie en onderhoud.

D10

Voorkomen van corrosie (A+D)

Toelichting

Voorkomen dat de ammoniakopslaginstallatie degradeert door inwendige of uitwendige oorzaken of het beperken van de degradatie.

D11

Constructie – aansluitingen (A+D)

Toelichting

Voorkomen of beperken van lekkages door falen van verbindingen of appendages.

D12

Constructie – fundering (A)

Toelichting

Voorkomen van ontoelaatbare spanningen in de tankbodem en tankwand als gevolg van zettingen.

Maatregelen
MW1M13M149
D13

Voorkomen van impact (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat de ammoniakopslaginstallatie (opslagtank, leidingen, laad-/losinstallatie of transportmiddelen) niet beschadigt door een externe impact.

D14

Terreinafgrenzing (A+D)

Toelichting

Voorkomen dat het terrein van de ammoniakopslaginstallatie door onbevoegden kan worden betreden zonder dat zij daarvoor onrechtmatige handelingen hoeven te verrichten.

Maatregelen
MW1M3
D15

Voorkomen/beperken van uitstroom (A+D)

Toelichting

Voorkomen of beperken van de uitstroom van ammoniak uit de ammoniakopslaginstallatie na het falen van de primaire containment, zodat (verdere) escalatie wordt voorkomen.

D16

Voorkomen/beperken van uitdampen ammoniak of verspreiding dampwolk (A+D)

Toelichting

Voorkomen en/of beperken van het uitdampen van de uitgestroomde ammoniak of de verspreiding van een dampwolk.

D17

Voorbereid zijn op in- en externe noodsituaties (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat adequaat gereageerd wordt op noodsituaties.

D18

Beheersing van ontstekingsbronnen (A+D)

Toelichting

Voorkomen van ontsteking van vrijgekomen brandbare damp door stationaire of tijdelijke ontstekingsbronnen.

Maatregelen
MW1M25M52
D19

Veilig ontwerp drukopslagtank (D)

Toelichting

Zekerstellen dat de installatie van de drukopslagtank zodanig is ontworpen dat deze bestand is tegen alle mogelijke procescondities die kunnen voorkomen in de installatie.

Met procescondities wordt bedoeld: de maximaal of minimaal voorkomende drukken, temperaturen, mediumsamenstellingen, enz.

Maatregelen
MW1M40M41M43

6.2.2Specifieke doelen productleidingen of laad-/losinstallatie (A+D) Normatief

D20

Veilig ontwerp laad-/losinstallatie (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat de laad-/losinstallatie zodanig is ontworpen dat de kans op (menselijke) fouten wordt geminimaliseerd. Dit betreft verschillende aansluitingen voor damp- en vloeistofleidingen, 'dedicated' installaties, enz.

Maatregelen
MW1M59
D21

Voorkomen/beperken van vrijkomen ammoniak bij falen laad-/losaansluiting (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat de hoeveelheid ammoniak die vrijkomt bij falen van de slang of laadarm tijdens laden/lossen wordt geminimaliseerd.

Maatregelen
MW1M65M66M68
D22

Voorkomen dat medewerkers koude installatiedelen aanraken tijdens laden/lossen (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat medewerkers niet in aanraking kunnen komen met koude installatiedelen tijdens het laden/lossen.

Maatregelen
MW1M59M133
D23

Persoonlijke beschermingsmiddelen (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat medewerkers de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen dragen bij potentieel contact met koude installatiedelen.

Maatregelen
MW1M97M111
D24

Opvangvoorzieningen (A+D)

Toelichting

Opvangen van ammoniak dat vrijkomt uit de laad-/losinstallatie zodat verdere escalatie na het ongepland uitstromen wordt voorkomen.

Maatregelen
MW1M61M63M73
D25

Beheersen/blussen van een brand in de directe omgeving van een laad-/losinstallatie (A+D)

Toelichting

Snel detecteren van een incident en het zekerstellen dat dit incident beheerst wordt of een brand geblust kan worden. Dit omvat de volgende subdoelen:

  • detectie;
  • bereikbaarheid;
  • middelen;
  • voorzieningen.

6.2.3Specifiek doel warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak (A+D) Normatief

D26

Voorkomen van lekkage van de warmtewisselaar (A+D)

Toelichting

Voorkomen van lekkage van de warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak naar de buitenlucht of naar het verwarmende medium.

Maatregelen
MW1M75M76M77

6.2.4Specifiek doel voor flashvat (A+D) Normatief

D27

Voorkomen van overvullen flashvat (A+D)

Toelichting

Zekerstellen dat er afdoende beveiliging is om het overvullen van het flashvat en dat er vervolgens vloeistof in de gasleiding komt, te voorkomen

Maatregelen
MW1M51M74M123

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding Normatief

Dit hoofdstuk bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen uit Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Het nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de markeringen Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid of Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is:

  • Omgevingsveiligheid: maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet;
  • Brandpreventie: maatregel gericht op brandpreventie en -bestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer);
  • Arbeidsveiligheid: maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenowet;
  • Rampenbestrijding: maatregel gericht op brand- en rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's.

De maatregelen staan in een blauw kader. Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving zijn herkenbaar aaneen oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Interne veiligheidsafstanden

In de PGS-richtlijnen kunnen minimumafstanden opgenomen zijn. Deze minimumafstanden zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS-voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en naar mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). De afstanden in het kader van ATEX zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.1.1Gebruik van categorieën Normatief

De maatregelen in deze PGS-richtlijn kunnen generiek van toepassing zijn op de gehele ammoniakopslaginstallatie of alleen op een specifiek installatiedeel. Per maatregel is aangegeven met een categorie voor welke situatie(s) de betreffende maatregel van toepassing is. Binnen deze PGS-richtlijn worden de volgende categorieën onderscheiden:

  • gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties;
  • gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties;
  • drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties;
  • laden en lossen – weg;
  • laden en lossen – spoor;
  • laden en lossen – water;
  • ammoniakopslaginstallaties - overige onderdelen.

Er is sprake van een bestaande ammoniakinstallatie als deze is ontworpen, vergund, geplaatst en in gebruik genomen voor 1 januari 2025. Om deze reden is er ook onderscheid in maatregelen uit deze richtlijn voor nieuwbouw of bestaande situatie. Om deze reden zijn er ook categorieën aangemaakt voor de levensfase (bestaand of nieuwbouw).

Zoals hierboven aangegeven zijn sommige maatregelen, scenario’s en doelen alleen relevant voor atmosferische opslag. Deze zijn dan aanvullend op de categorieën aangeduid met (A) achter de titel. Sommige maatregelen, scenario’s en doelen zijn alleen relevant voor drukopslag. Deze zijn dan aangeduid met (D) achter de titel. Wanneer een maatregel, scenario of doel relevant is voor zowel atmosferische opslag als drukopslag is dit aangeduid met (A+D) achter de titel. Maatregelen, scenario’s en doelen die horen bij installatieonderdelen of activiteiten die zowel bij atmosferische opslag als bij drukopslag kunnen voorkomen (zoals laden, lossen, warmtewisselaar, flashvat, appendages en pakkingen, enz.), zijn ook aangeduid met (A+D).

7.2Drukapparatuur Normatief

7.2.1Europese richtlijn drukapparatuur (PED) Normatief

Binnen het toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn zijn er diverse installatiedelen die drukapparatuur zijn. Dit betreft onder andere de drukopslagtank, het BOG-verwerkingssysteem, het flashvat, de warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak, productleidingen, pompleidingen in de tank en pompen.

Een opslagtank voor koude, atmosferische ammoniak is geen drukapparatuur, door de ontwerpparameters van een gekoelde opslagtank voor ammoniak wordt deze uitgesloten door de PED (Wbda-wetgeving).

Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een ontwerpdruk die hoger is dan 0,5 barg. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit artikel 2 van de Europese Richtlijn drukapparatuur (PED) en luidt als volgt:

"‘drukapparatuur’ of ‘drukapparaten’: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, inclusief, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, steunconstructies, hijsogen.’"

Drukapparatuur wordt onderverdeeld in:

  • drukvaten;
  • installatieleidingen;
  • veiligheidsappendages;
  • onder druk staande appendages.

Een enkelvoudig drukapparaat staat nooit op zichzelf; het wordt altijd geïntegreerd in een functioneel geheel. Dit wordt een samenstel genoemd. Een ammoniakopslaginstallatie bevat verschillende componenten/installatieonderdelen die drukapparatuur zijn. De opslagtank (geen drukapparatuur) en de overige componenten vormen samen een functioneel geheel. Dit geheel is een samenstel onder de PED. Dit betekent dat de risico's die de tank heeft op de drukapparatuur worden beoordeeld. Daarnaast wordt meegenomen of de tank als onderdeel van het samenstel niet leidt tot een onaanvaardbaar risico. De tank mag echter niet als drukapparatuur beoordeeld worden.

7.2.2Ontwerp Normatief

Drukapparatuur is een arbeidsmiddel met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken, maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden, in bedrijf stellen, gebruiken en nadien wijzigen en repareren van drukapparatuur. Dit is in Nederland vastgelegd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen.

Bij de bouw van een ammoniakopslaginstallatie is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:

  • Wordt een ammoniakopslaginstallatie gebouwd of gewijzigd onder de verantwoordelijkheid van een derde partij (een leverancier, een installateur, enz.) die de ammoniakopslaginstallatie in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
  • Wordt een ammoniakopslaginstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker, dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten, maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.

De ontwerpeisen voor een ammoniakopslaginstallatie liggen vast in de Europese Richtlijn drukapparatuur (PED). Deze richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of samenstellen moet de fabrikant vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse. De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:

  • gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is geëlimineerd of verkleind in het ontwerp;
  • er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd;
  • de gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en of het nodig is dat er passende gevaarverminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik ervan. Deze maatregelen worden opgenomen in de gebruikershandleiding.

De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeenkomen met de scenario’s uit Hoofdstuk 4 van deze PGS.

De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat, zijn vastgelegd in bijlage I van de Richtlijn drukapparatuur. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen, wat onder andere betekent dat:

  • de ammoniakopslaginstallatie voldoende sterk is om de belastingen die kunnen worden verwacht (kracht, brand, hogedruk, enz.) te weerstaan;
  • er maatregelen zijn genomen om de ammoniakopslaginstallatie veilig te bedienen;
  • de ammoniakopslaginstallatie zo is ontworpen dat deze veilig kan worden geïnspecteerd;
  • de ammoniakopslaginstallatie veilig kan worden gevuld en geleegd;
  • er passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) zijn aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, moet deze afblazen waar dit geen gevaar voor personen kan opleveren.

De ammoniakopslaginstallatie is een samenstel, maar in geval van koude, atmosferische opslag is de opslagtank zelf geen drukapparatuur en hoeft daarom niet te voldoen aan de essentiële veiligheidseisen volgens de PED. Wel moet de tank beoordeeld worden op basis van goed vakmanschap volgens de PED om de risico’s zoveel mogelijk te beperken. Voor de invulling van goed vakmanschap zijn diverse aanvullende maatregelen opgenomen in deze PGS-richtlijn.

Een drukopslagtank en de overige componenten in het samenstel (het BOG-verwerkingssysteem, het flashvat, de warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak, productleidingen, pompleidingen in de tank en pompen) zijn drukapparatuur en deze moeten voldoen aan de essentiële eisen van de PED. Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Dit is echter niet verplicht. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, zal hij moeten aantonen dat de ammoniakopslaginstallatie (voor zover vallend onder de PED) wel voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de praktijk blijkt het overgrote deel van ammoniakopslaginstallaties (voor zover vallend onder de PED) volgens geharmoniseerde normen te worden gebouwd.

Door middel van het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat de ammoniakopslaginstallatie voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De mate van toezicht is afhankelijk van het risico.

Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), moet déze de CE-markering aanbrengen op de ammoniakopslaginstallatie. Op de componenten/installatiedelen van een ammoniakopslaginstallatie die onder de PED vallen (het samenstel), hoeft slechts één CE-markering te worden aangebracht, dus niet op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE-markering in het samenstel zijn opgenomen, wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) en specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen, enz.), op de kenplaat worden aangebracht.

Als de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen, stelt de fabrikant een verklaring van overeenstemming op. Dit is een verklaring dat de ammoniakopslaginstallatie voldoet aan de essentiële eisen van de van toepassing zijnde productrichtlijnen. Verder stelt hij een technisch dossier samen. Dit dossier omvat ten minste:

  • een algemene beschrijving van ammoniakopslaginstallatie;
  • ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
  • beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen;
  • een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
  • berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles;
  • testverslagen.

De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het wordt aanbevolen om met de aanschaf van de ammoniakopslaginstallatie te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.

Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met de ammoniakopslaginstallatie. Hierin worden de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven voor hoe de installatie veilig kan worden gebruikt.

7.2.3Gebruik Normatief

Het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wbda 2016) stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur, maar ook aan de ingebruikname en het gebruik van drukapparatuur. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker van de ammoniakopslaginstallatie om hieraan te voldoen. De gebruiker moet de ammoniakopslaginstallatie laten keuren voordat deze in gebruik wordt genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.

De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden. Dit is geregeld in de Warenwetregeling drukapparatuur 2016. Verplichtingen die zijn opgenomen in een besluit, worden vaak uitgewerkt in een regeling. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur aangewezen die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een Nederlandse conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Ook een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.

Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een deskundige.

Bij ammoniakopslaginstallaties zijn de vaten aangewezen drukapparatuur als de druk P · volume V boven een bepaalde waarde is. Een leiding is aangewezen boven een bepaalde druk en/of diameter. Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in de ammoniakopslaginstallatie aangewezen drukapparatuur is:

  • aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
  • door de fabrikant te benaderen (misschien staat het in de handleiding van de installatie);
  • door een NL-CBI te benaderen.

De aangewezen drukapparatuur in de ammoniakopslaginstallatie moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de keuring voor ingebruikname is om vast te stellen of de ammoniakopslaginstallatie voldoet aan de Europese richtlijnen en veilig kan worden gebruikt. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI. Deze geeft een verklaring van ingebruikneming af.

Het doel van de periodieke herkeuring is om vast te stellen of de installatie nog veilig kan worden gebruikt. Aangewezen drukapparatuur wordt elke vier jaar gekeurd door een NL-CBI, ammoniakkoelinstallaties vaak elke zes jaar. Hiervoor wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. De keuring van niet-aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een deskundige. Deze stelt ook hiervan een rapportage op. Dit is verplicht op basis van het Arbeidsomstandighedenbesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaatsvindt tussen de NL-CBI en de deskundige over hoe de ammoniakopslaginstallatie in zijn geheel weer veilig kan worden gebruikt.

Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan de ammoniakopslaginstallatie is de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Daarbij is veelal toezicht vereist door een NL-CBI. Voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, wordt aangeraden om contact te zoeken met een NL-CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de gegevens op de kenplaat niet meer kloppen. In dat geval moet een EU-CBI hierbij worden betrokken. Regulier onderhoud aan de ammoniakopslaginstallatie moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de handleiding van de fabrikant.

Zolang de ammoniakopslaginstallatie in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker de volgende documenten:

  • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens de ‘oude’ PED 97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens de ‘nieuwe’ PED 2014/68/EU);
  • de gebruiksaanwijzing;
  • de verklaring van ingebruikneming;
  • de verklaring van herkeuring;
  • het aantekenblad;
  • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.

Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder op de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet (en het Arbeidsomstandighedenbesluit) en de Warenwet (en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016). De verplichtingen uit deze wetten worden niet als maatregel opgenomen in deze PGS. In deze PGS worden de verplichtingen van de gebruiker samengevat. De verplichtingen in de Arbowet en de Warenwet en de onderliggende besluiten kunnen evenmin worden opgenomen in een omgevingsvergunning.

7.3Explosieve atmosferen Normatief

7.3.1Wetgeving Normatief

Wanneer de kans bestaat dat er een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van directwerkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voortvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Nederlandse Arbeidsinspectie is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU Guidelines, 3nd edition – May 2020;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2022.

7.3.2Verplichtingen werkgever Normatief

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Het doel van deze verplichtingen is:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zoveel mogelijk te voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen te vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie te beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, worden beschreven in hoofdstuk 3 'Inrichting arbeidsplaatsen', paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones (zie Paragraaf 7.3.3);
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan in NPR 7910-1:2020+C1:2021 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2:2020+C1:2021 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via het arboportaal.

7.3.3Explosieveilige apparatuur Normatief

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones volgens onderstaande tabel.

Tabel 2Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend en gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn volgens het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/21 – categorie 1- of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/22 – categorie 1-, categorie 2- of categorie 3-apparatuur.

De fabrikant van de apparatuur geeft aan in zijn EU-conformiteitsverklaring tot welke categorie de desbetreffende apparatuur behoort en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is verplicht voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

7.3.4Aandachtspunten bij de opslag (atmosferische en drukopslag) van ammoniak Normatief

Als er ammoniak vrijkomt, kan er zich in een besloten ruimte een explosieve atmosfeer vormen. Voor situaties in gesloten gebouwen is altijd een gevarenzone-indeling opgesteld in overeenstemming met NPR 7910-1. Voor situaties in de buitenlucht kan het niet zinvol lijken om een gevarenzone-indeling uit te voeren. Dit zal dan echter uit de RI&E blijken. Als er sprake is van explosieve atmosferen, dan is een explosieveiligheidsdocument verplicht.

Het is voor de werkgever van belang om informatie te hebben over de omvang en de klasse van de gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt gecreëerd. De werkgever moet vervolgens conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. De informatie die de werkgever nodig heeft, moet worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over de informatie over temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen de eindgebruiker/werkgever en de leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt opgebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaarproduct, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor onder andere het installeren, het gebruik, het onderhoud van het samenstel.

7.3.5Wijzigingen aan bestaande installatie Normatief

Als aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Als dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en ter bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve-atmosfeergecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit:

  • het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage);
  • reparatie;
  • modificaties.

7.4Basisveiligheid (A+D) Normatief

MW1

Zorgplicht basisveiligheid (A+D)

Er is een basisveiligheidsniveau aanwezig dat bestaat uit:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.
Toelichting

De scenario’s in deze PGS zijn gebaseerd op deze basisveiligheid. Deze maatregelen zijn een eerste ‘line of defense’ om te voorkomen dat relatief kleine incidenten zich ontwikkelen tot grote incidenten.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: alle
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding

7.5Terreininrichting ammoniakopslaginstallatie (A+D) Normatief

M2

Locatiekeuze en aanrijdbeveiliging (A+D)

De ammoniakopslaginstallatie (opslagtank, leidingen en laad-/losinstallatie) is, in relatie tot de toegelaten snelheden van voertuigen en de verkeersintensiteit nabij de ammoniakopslaginstallatie, zo geplaatst dat er geen gevaar bestaat voor aanrijding. Als een dergelijke plaatsing niet mogelijk is, is een voldoende afschermende constructie aangebracht.

Productleidingen en leidingondersteuningen (die aan een weg zijn gelegen en) waarbij een risico bestaat op een aanrijding, worden beschermd door vangrails of een gelijkwaardige constructie.

Productleidingen worden bij voorkeur onder een (hoofd)weg doorgeleid met een duiker/culvert, zodat inspectie mogelijk blijft (zie M38 en M58). Productleidingen en leidingbruggen boven een weg zijn voorzien van een waarschuwingssignalering en beschermd tegen aanrijdingen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M3

Terreinafgrenzing (A+D)

Het terrein waarop de ammoniakopslaginstallatie staat, is beveiligd tegen betreding door onbevoegden. Hieraan is voldaan als het terrein als geheel is afgeschermd door muren (gebouwen), hekken of sloten van voldoende breedte. Als dit niet het geval is, is het (voor opslag bestemde) (deel van het) terrein afgeschermd door een hek- of gaaswerk van deugdelijk materiaal van ten minste 1,8 m hoogte.

Toegangsdeuren van de opslagvoorzieningen en een eventueel toegangshek zijn na bedrijfstijd afgesloten. De toegankelijkheid voor de hulpdiensten via twee afzonderlijke aanrijroutes is door het bedrijf altijd (24/7) geborgd.

Hiervan kan worden afgeweken als de toegankelijkheid door het bedrijf praktisch gezien niet gerealiseerd kan worden. In dat geval wordt, in overleg met het bevoegd gezag Omgevingswet, gekeken of de toegankelijkheid op andere wijze gerealiseerd kan worden.

[vs 7.2.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Bedrijven die voldoen aan de ISPS-eisen, zijn daarmee aan waterzijde doelmatig afgeschermd.

Als er geen afzonderlijke aanrijroutes aanwezig zijn, kan het bedrijf hier mogelijk niet aan voldoen zonder wijziging van de planologische situatie waarvoor de medewerking van de gemeente nodig is. In dat geval moet gekeken worden of er op een andere wijze toegankelijkheid kan worden gerealiseerd (via het water bijvoorbeeld) of een alternatief als voldoende kan worden beoordeeld.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M4

Toegankelijkheid (A+D)

In verband met de bereikbaarheid van voorzieningen, installaties, opslagtanks en gebouwen voor hulpdiensten is de ammoniakopslaginstallatie via ten minste twee op voldoende uit elkaar gelegen ingangen toegankelijk. De externe toegangen in de omheining staan in open toestand onder toezicht.

Toelichting

Afhankelijk van de aanwezige stoffen en opslaghoeveelheid, plaatselijke situatie en de mogelijkheden kan hiervan worden afgeweken na overeenstemming met het bevoegd gezag Omgevingswet.

Toezicht op externe toegangen in open toestand kan ook cameratoezicht zijn.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieRampenbestrijdingArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid
M5

Verharde infrastructuur (A+D)

De verharde infrastructuur is zo ontworpen en onderhouden dat te allen tijde de bij de beheersing of bestrijding van een incident vereiste voorzieningen en installaties door de hulpdiensten kunnen worden bereikt met de daartoe vereiste middelen.

Opslagtanks, laad- en losplaatsen, installaties en gebouwen kunnen ongehinderd bereikt worden door de hulpdiensten via ten minste twee onafhankelijke wegen. Opslagtanks grenzen met ten minste twee zijden aan goed berijdbare wegen.

[vs 4.1.6, vs 4.3.4 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De wijze waarop een goede bereikbaarheid kan worden gerealiseerd staat in de Handreiking Bluswatervoorziening en bereikbaarheid. Afhankelijk van de opslaghoeveelheid, plaatselijke situatie en de mogelijkheden kan hiervan worden afgeweken na overeenstemming met het bevoegd gezag.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieRampenbestrijdingOmgevingsveiligheid

7.5.1Veiligheidsafstanden (A+D) Normatief

Bij het bepalen van de interne veiligheidsafstanden zijn de volgende onderdelen van de ammoniakopslag van belang:

  • de opslagtank (atmosferisch of drukopslag);
  • de productleidingen;
  • de laad- en losinstallatie.

Het belangrijkste uitgangspunt bij het vaststellen van interne afstanden is het voorkomen van interne domino-effecten. Hierbij geldt dat de installatie wordt beschermd tegen invloeden van interne objecten. Vanwege het ontbreken van een brandscenario (zie Paragraaf 2.1.3) zijn tussen ammoniakvoerende delen van de ammoniakopslaginstallaties geen interne afstanden van toepassing voor het brandscenario.

M6

Voorkomen warmtestralingsbelasting op ammoniakopslaginstallatie (A+D)

Om falen, dan wel lekkage, van de ammoniakopslaginstallatie (opslagtank, leidingen, laad- en losinstallatie) door een warmtestralingsbelasting te voorkomen, is een afstand aangehouden van de ammoniakopslaginstallatie ten opzichte van gebouwen en andere installaties waar brand kan ontstaan, zodanig dat de ammoniakopslaginstallatie niet blootgesteld kan worden aan een warmtestralingsbelasting hoger dan 10 kW/m² (gebaseerd op EI 19).

Wanneer kan worden aangetoond dat de ammoniakopslaginstallatie een hogere warmtestralingsbelasting dan 10 kW/m² aankan, dan is voorgaande alinea pas van toepassing bij een warmtestralingsbelasting hoger dan de belasting die het betreffende installatiedeel aankan.

Wanneer een ammoniakopslaginstallatie binnen een bestaande infrastructuur, hier niet aan kan voldoen, zijn aanvullende maatregelen, zoals koelvoorzieningen (zieM137), getroffen om de installatie intact te houden.

[vs 3.4.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Met name voor de productleidingen en de laad- en losplaatsen zal het vaak voorkomen dat de ammoniakopslaginstallatie ingepast wordt in de bestaande infrastructuur en dat voldoende afstand houden niet mogelijk is en daardoor aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

Toelichting 2: Voorbeelden van aanvullende maatregelen om de warmtestralingsbelasting op de ammoniakopslaginstallatie te beperken zijn het toepassen van passieve brandbescherming (zoals brandmuren of een brandbeschermende bekleding) of een actieve brandbescherming (deluge/sprinkler). De uitvoering van de maatregel hangt af van het betreffende scenario.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M7

Afstand tot bovengrondse stationaire drukopslag (A+D)

Tussen de ammoniakopslagtank (atmosferisch of onder druk) en een (andere) bovengrondse stationaire drukopslag van meer dan 150 m³, waarbij een BLEVE een mogelijk scenario is, wordt een afstand van minimaal 150 m aangehouden.

Deze maatregel geldt niet voor bestaande drukopslagtanks.

Toelichting

In het verleden hebben (o.a. LPG bij Feyzin, Frankrijk) drukopslagen en reactoren gefaald met dusdanig grote fragmenten dat een opslagtank zou kunnen falen bij impact van een dergelijk fragment. Genoeg afstand verkleint de kans hierop aanzienlijk. Bij 150 m is de kans op impact 2 % bij een explosie van een drukvat.

Omdat het kraken van ammoniak een endotherme reactie is, is er geen risico op een thermal runaway-reactie en dus ook geen kans op catastrofaal falen van een dergelijk reactievat en dus niet relevant voor deze maatregel.

Ten aanzien van de afstand van een ammoniakopslagtank tot een stationaire drukopslag met een BLEVE-scenario buiten de Seveso-inrichting van de ammoniakopslag kunnen voorwaarden worden opgenomen in het omgevingsplan. Van de exploitant van de ammoniakopslag wordt verwacht dat wanneer de afstand van de ammoniakopslagtank tot de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, kleiner is dan de genoemde 150 m uit deze maatregel, de initiatiefnemer actief het bevoegd gezag Omgevingswet benadert om de benodigde afstand, indien mogelijk, vast te laten leggen in het omgevingsplan.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M8

Interne veiligheidsafstanden (A+D)

De verblijfsgebouwen zijn zo gesitueerd ten opzichte van de ammoniakopslaginstallatie, dat voor het scenario van vrijkomen en verspreiding van een toxische ammoniakwolk, minimaal wordt voldaan aan de CCPS 'Guidelines for evaluating process plant buildings for external explosions, fires and toxic releases'.

Om te voorkomen dat ammoniak terechtkomt in de hemelwaterafvoer, anders dan het procesriool, geldt een afstand van minimaal 10 m, rekening houdend met afschot, tussen openingen in het hemelwaterriool (zoals afvoerputten) en de laad- en losplaats.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie

7.6Constructie en uitvoering ammoniakopslaginstallatie bij atmosferische opslag (A) Normatief

7.6.1Inleiding Normatief

In deze paragraaf staan de eisen die gedurende de gehele levensfase aan de (re)constructie en installatie van de ammoniakopslaginstallatie voor atmosferische opslag en toebehoren worden gesteld. De eisen met betrekking tot de periodieke keuring en controle, onderhoud en de benodigde registratiedocumentatie staan in Paragraaf 7.15.

7.6.1.1Algemene uitgangspunten voor veilig ontwerp van de ammoniakopslaginstallatie bij atmosferische opslag (A) Normatief

Het uitgangspunt voor het ontwerp van een ammoniakopslagtank, maar ook het geheel van de ammoniakopslaginstallatie inclusief bijbehorende installaties, is het minimaliseren van de kans dat ammoniak kan vrijkomen. Dit uitgangspunt wordt ingegeven door de grote effectcontouren van een incident met ammoniakopslag, de arbeidsveiligheidsrisico's van het werken met ammoniak en de risico's voor het aquatisch milieu. Een veilig ontwerp van de opslagtank met een lage faalfrequentie is daarbij wenselijk. Deze uitgangspunten leiden tot de volgende uitgangspunten voor maatregelen voor het ontwerp van de ammoniakopslagtank (Afbeelding 2):

  • levensduur opslagtank minimaal 50 jaar;
  • full-containmentopslagtank;
  • opslagtank voorzien van een betonnen buitenwand;
  • geen doorvoeringen door wand en bodem;
  • interne pompen (incl. interne motor);
  • fundering op palen;
  • isolatie bij voorkeur niet in de annulaire ruimte tussen binnen- en buitentank.

Deze uitgangspunten zijn nader uitgewerkt in de maatregelen in Paragraaf 7.6.2.

Afbeelding 2Schematische weergave full-containmentopslagtank

Toelichting bij de ontwerpuitgangspunten

Levensduur opslagtank minimaal 50 jaar

Het streven is om tijdens de levensduur de opslagtank niet uit bedrijf te hoeven nemen. Dit uitgangspunt is mede gebaseerd op het gegeven dat de opslagtank zo min mogelijk uit bedrijf hoeft te worden genomen door middel van een niet-intrusieve inspectiemethodiek (in-service-inspectie). Het voordeel van een in-service-inspectie zit hem in verschillende aspecten. Het belangrijkste is dat de opslagtank niet blootgesteld hoeft te worden aan een zuurstofatmosfeer, aangezien zuurstof een initiator is voor spanningscorrosie (SCC). Daarnaast hoeft de opslagtank niet naar omgevingstemperatuur te worden gebracht, waardoor spanningen in het materiaal worden vermeden. Door het uitvoeren van een in-service-inspectie in plaats van een out-of-service-inspectie wordt operationele downtime van de opslagtank beperkt. Er zijn ook incidenten bekend die juist zijn opgetreden tijdens het commisioning- en decommissioningproces van een opslagtank (o.a Rostock 2005). De risico's als gevolg van het te snel opwarmen en te snel afkoelen van de opslagtank liggen in de spanningsopbouw in het materiaal en initieert daarmee spanningscorrosie (SCC). Deze risico's kunnen worden vermeden met een in-service-inspectie. Voor een nadere uitleg over spanningscorrosie(SCC) en de verschillende factoren die van invloed zijn op het corrosiemechanisme van spanningscorrosie (SCC), zie Paragraaf 7.7.1.1. Naast spanningscorrosie (SCC) is het degradatiemechanisme van vermoeiing (low cycle fatigue) van belang bij het veelvuldig vullen en legen van een gekoelde ammoniak opslagtank als onderdeel van een importterminal van ammoniak.

Voor zowel nieuwe als bestaande opslagtanks geldt dat de levensduur van een gekoelde ammoniak opslagtank wordt bepaald door de monitoring van spanningscorrosie (SCC) door in-service-inspecties. Deze in-service-inspecties vinden plaats na 6 jaar, na 12 jaar en vervolgens periodiek middels de RBI methodiek met een interval van maximaal 12 jaar. Deze inspecties stellen de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks in staat om te constateren of spanningscorrosie (SCC) aanwezig is, wat de eventuele omvang van deze spanningscorrosie (SCC) is en wat de effecten op termijn daarvan zijn. De consequenties kunnen een verhoogde inspectiefrequentie zijn of tot afkeur leiden. Het juiste operationele gebruik van een gekoelde ammoniak opslagtank maakt dat het degradatiemechanisme van spanningscorrosie (SCC) niet of nauwelijks kans heeft zich te manifesteren en daardoor theoretisch geen belemmering vormt voor de levensduur van de opslagtank. Het aanvullende degradatiemechanisme van vermoeiing wordt meegewogen in de RBI methodiek voor de inspectietermijnen van zowel bestaande als nieuwe ammoniak opslagtanks. De inspectieresultaten en de beoordeling daarvan door de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks zijn bepalend voor het oordeel van de resterende levensduur van een ammoniak opslagtank.

Voorgaande zorgt er voor dat in deze PGS-richtlijn, net als voor nieuwe opslagtanks, ook voor bestaande opslagtanks geen einddatum is gesteld waarbij deze moet zijn vervangen door een nieuwe tank. Ook bestaande tanks worden immers in het kader van deze PGS-richtlijn gezien als BBT zolang deze voldoet aan de gestelde aanvullende maatregelen voor bestaande opslagtanks in deze PGS-richtlijn (zie verderop in deze paragraaf). Voor de maatregelen zijn implementatietermijnen opgenomen.

Full-containmentopslagtank

Er bestaan meerdere constructievormen voor de opslag van gekoelde ammoniak: de dubbelwandige opslagtank (double containment) en de volledig omsloten opslagtank (full containment). Het nadeel van een double-containmentopslagtank is dat bij lekkage uit de binnentank (primaire tank) de vloeistof wordt opgevangen door de secundaire tank, maar er wel ammoniakdamp op hoogte wordt geëmitteerd naar de atmosfeer. De full-containmentopslagtank heeft dit nadeel niet. Bij een lekkage van de binnentank (primaire tank) zal er geen ammoniakdamp geëmitteerd worden naar de atmosfeer. Dit maakt de full-containmentopslagtank een beter concept dan een double-containmentopslagtank. Full-containment wordt om die reden beschouwd als de best beschikbare techniek (BBT) voor nieuwbouw. Voor bestaande ammoniakopslagtanks die zijn ontworpen en gebouwd voor de opslag van ammoniak geldt dat de constructievorm van een double-containmentopslagtank ook als BBT wordt beschouwd. Voornoemde wijzen van constructie zorgen er ook voor dat ammoniakopslagtanks onderling geen risico vormen voor elkaar en er geen sprake is van onderlinge domino-effecten.

Betonnen buitenwand

Een betonnen buitenwand biedt bescherming tegen een drukgolf en de impact van fragmenten, brokstukken en projectielen en biedt bescherming tegen warmteaanstraling van buitenaf. Fragmenten kunnen ontstaan bij een explosie van bijvoorbeeld een drukvat of leiding onder druk. Wanneer fragmenten de stalen buitenwand van een full-containmentopslagtank perforeren, zal een ammoniakdampwolk op leefniveau ontstaan; wanneer ook de wand van de primaire opslagtank geperforeerd wordt, zal de opslagtank leeglopen. Om dit risico te ondervangen is een betonnen buitenwand de BBT. Een aanvullend voordeel is dat de betonnen buitenwand, inclusief regendak, bescherming biedt tegen weersinvloeden in de ruimte tussen de betonnen buitenwand en de stalen secundaire tank. De levensduur van de isolatie, die aan de buitenzijde van de stalen secundaire tank kan worden aangebracht, wordt hiermee verlengd en het risico op corrosie onder de isolatie van de stalen secundaire tank wordt hiermee verlaagd, omdat er geen water in de isolatie kan indringen. Ter bescherming van de isolatie is deze behandeld met een dampwerkende laag (vapour barrier). Voor conditionering van de isolatie kan gespoeld worden met droge lucht in de ruimte tussen de betonnen buitenwand en de stalen secundaire tank.

Geen doorvoeringen door wand en bodem en interne pompen

Er mogen geen doorvoeringen door de primaire tank aanwezig zijn. Deze doorvoeringen door de wand geven een grotere kans op vloeistoflekkage en het leeglopen van de opslagtank. Ook wordt hierdoor een koppeling tussen binnen- en buitentank voorkomen, wat de kans op falen van de opslagtank verder verlaagt.

Door pompen in de opslagtank te plaatsen, worden kwetsbare doorvoeringen door de wand of bodem vermeden, omdat bij externe pompen een doorvoer tussen wand of bodem nodig is. Ook geldt dat de tankdoorvoering bij een in-service-inspectie met een robot een obstakel wordt, terwijl de lassen rond de doorvoering juist goed onderzocht moeten worden. Uiteraard moeten de interne pompen ook onderhouden worden, wat betekent dat iedere pomp periodiek uit de vloeistof ‘getrokken’ zal worden voor onderhoud. De arbeidsveiligheidsrisico's voor zowel de configuratie van interne als externe pompen worden als niet significant verschillend beschouwd, gezien de 'first break'-procedures die gevolgd moeten worden.

Voor bestaande double-containmentopslagtanks wordt de configuratie van externe pompen met een doorvoering door de primaire stalenwand en de secundaire betonnen wand beschouwd als BBT in combinatie met aanvullende maatregelen, zoals bescherming tegen vallende objecten en een verbeterde betrouwbaarheid van de beveiligingsloop, voor het voorkomen van uitstroom uit de opslagtank, zie M148 en M150.

Naast het voorkomen van doorvoeringen door de primaire tankwand zijn drie typen doorvoering door de secundaire stalenwand van een full-containmentopslagtank wel toegestaan, zie M30 en M32. Dit betreffen doorvoeringen voor twee mangaten die zijn bedoeld om tijdens de bouw van de full-containmentopslagtank de annulaire ruimte te kunnen betreden en materialen en mensen af en aan te voeren. Ook werkzaamheden die aan een full-containmentopslagtank zouden moeten worden uitgevoerd in de annulaire ruimte bij het uit bedrijf zijn van de opslagtank, kunnen via deze mangaten worden uitgevoerd. Het aanwezig zijn van kooiladders of andere constructies om betreding mogelijk te maken van de annulaire ruimte tijdens het uit bedrijf zijn van de opslagtank vormen een belemmering om in-service-robotinspectie uit te voeren. Daarom zijn deze gelaste mangaten benodigd. Belangrijk is dat na gebruik deze mangaten weer worden dichtgelast en gegloeid om het materiaal weer spanningsvrij te krijgen.

Het tweede type doorvoering is bedoeld voor het mogelijk maken van een in-service-robotinspectie. Voor een dergelijke inspectie zijn verschillende mogelijkheden om een robot in de annulaire ruimte te brengen. Dat kan met sluisdoorvoeringen door het dak en het hangende binnendak. Maar ook een doorvoering die is aangebracht boven het vloeistofniveau door alleen de secundaire stalen tankwand is toegestaan. In verband met de begeleidingskabel aan een inspectierobot zijn vier sluisdoorvoeringen, dan wel door het dak, dan wel de de secundaire stalenwand rondom de tankwand, te verwachten.

De laatste doorvoering door de secundaire stalenwand is een verplichte noodvoorziening die in het geval van een calamiteit, waarbij de primaire tank heeft gefaald en de secundaire stalen wand is gevuld, gebruikt kan worden om de ammoniak vloeistof uit de annulaire ruimte te pompen, zie M32.

Fundering op palen

Een risico is dat de grond onder de opslagtank bevriest door de koude ammoniak in de opslagtank en dat deze daardoor instabiel wordt. Door toepassing van een fundering op palen met een zogenoemde 'air gap' wordt dit voorkomen. Een alternatief is elektrische vloerverwarming. Het nadeel van deze oplossing is dat de stroom kan uitvallen en daarmee alsnog de grond bevriest. Een tweede nadeel is het stroomverbruik. De vloerverwarming zal een flinke hoeveelheid stroom op jaarbasis gebruiken. Een fundering op palen kent deze problemen niet. Echter bij bestaande double-containmentopslagtanks wordt een bestaand elektrisch verwarmingssyteem onder voorwaarden toegestaan, zie M149.

Isolatie bij voorkeur niet in de annulaire ruimte tussen binnen- en buitentank

Isolatiematerialen in een ammoniakomgeving zijn vaak aan degradatie van het isolatiemateriaal onderhevig. Isolatiematerialen (zoals PIR, PUR en PUF) zijn niet bestand tegen ammoniak en kunnen niet worden toegepast in de full-containmentopslagtank. Dit maakt dat een full-contaimentopslagtank met een metalen liner en een betonnen buitenwand niet geschikt is voor het toepassen van deze isolatiematerialen, omdat bij die configuratie er isolatie aan de binnenkant van de opslagtank noodzakelijk is. Vandaar dat er in de industrie bij een full-containmentopslagtank (staal-staal-opslagtank) isolatie wordt aangebracht aan de buitenkant van de buitenste stalen wand.

Deze stalen wand met uitwendige isolatie wordt beschermd met een betonnen buitenwand op ongeveer 1 à 2 m afstand ten opzichte van de binnentank tegen externe impact en met een regendak aan de bovenkant tegen weersinvloeden. Deze bescherming tegen weersinvloeden heeft als voordeel dat de levensduur van het isolatiemateriaal wordt verlengd. Ter voorkoming van vochtindringing in de isolatie is deze voorzien van een dampremmende laag (vapour barrier). Voor conditionering van de isolatie kan gespoeld worden met droge lucht in de ruimte tussen de betonnenwand en de stalen secundaire tank.

Perliet wordt als isolatiemateriaal in een full-containmentopslagtank gebruikt om o.a. cryogene vloeistoffen zoals LNG met een opslagtemperatuur van -162 °C koud te houden. Wereldwijd zijn er ook voorbeelden bekend voor de toepassing van perliet bij ammoniakopslagen. Het nadeel van perliet is echter dat hiermee de annulaire ruimte wordt opgevuld en het gas, in dit geval ammoniak, zich tussen het perliet gaat bevinden. Dit laatste geeft problemen bij het ammoniakvrij maken van de opslagtank bij een out-of-service-inspectie en het opslaan/verwerken van de perliet buiten de tank gedurende de inspectie. Het feit dat de annulaire ruimte gevuld is met perliet maakt het onmogelijk om een in-service-inspectie uit te voeren, waarbij de buitenkant van de binnentank met een robot wordt geïnspecteerd. Een keuze voor perliet zou dus leiden tot meer out-of-service-inspecties met de daarbij behorende problemen met het vrijkomende perliet. Deze eigenschappen dragen niet bij aan het streven om zoveel mogelijk in-service-inspecties te doen en de tank zo min mogelijk uit bedrijf te hoeven nemen. Daarom is het gebruik van perliet als isolatiemateriaal voor de opslag van ammoniak niet toegestaan.

Voor isolatie worden er behalve perliet geen materialen uitgesloten of alleen een bepaalde toepassing voorgeschreven om toekomstige innovaties mogelijk te maken. Wel zijn er voorwaarden vanuit de maatregelen voor onderhoud en inspectie, zie Paragraaf 7.15.2, bijvoorbeeld het mogelijk zijn van 'acoustic emission testing' (AET).

Condensatie in de annulaire ruimte

Condensatie in de annulaire ruimte van ammoniak is een natuurlijk proces dat kan worden beperkt door het juist opereren van de atmosferische opslagtank. Belangrijke voorwaarden hiervoor zijn het constant houden van de dampdruk tijdens het vulproces van de opslagtank en het koud vullen van de opslagtank met een inkomende ammoniaktemperatuur tussen de -32,0 °C en de -33,0 °C.

Door het vullen van de opslagtank met een inkomende ammoniaktemperatuur tussen de -32,0°C en de -33,0°C kan de operationele druk in de opslagtank toenemen. De heersende operationele dampdruk is tot aan de start van het vulproces in evenwicht met de vloeibare ammoniak in de opslagtank. Doordat er een hogere dampdruk door het vullen kan ontstaan, is er in de annulaire ruimte ammoniakdamp aanwezig met een temperatuur die correspondeert met die hogere dampdruk. Deze temperatuur van de ammoniakdamp in de annulaire ruimte kan hoger zijn dan de vloeibare ammoniak in de binnentank. Deze fysische situatie heeft tot gevolg dat relatief warmere ammoniakdamp (watervrij) in de annulaire ruimte kan condenseren tegen de buitenkant van de koude binnentank ter plaatse van het vloeistvloeistofniveau in de binnentank. Condensatie van watervrije ammoniak tegen de buitenkant van de binnentank is ongewenst omdat de inhibitor (water) tegen SCC ontbreekt. Uit navraag bij verschillende operators van atmosferische ammoniakopslagtanks komt naar voren dat in de praktijk condensatie van ammoniak in de annulaire ruimte slechts beperkt voorkomt. Ondanks dit gegeven is in M23 wel voorgeschreven dat detectie van vloeibare ammoniak in de annulaire ruimte aanwezig moet zijn en dat gedetecteerde vloeibare ammoniak onmiddellijk moet worden verwijderd.

Er zijn een aantal technieken of combinaties van technieken om de gecondenseerde ammoniak te verwijderen. Voor de verwijdering zou een drain conform M31 gebruikt kunnen worden. Echter de voorkeur gaat uit naar systemen of technieken die geen doorvoering door de bodem nodig hebben.

Een optie is dan ook om de vloeibare ammoniak via een leiding die naar de bovenkant van de opslagtank gaat, met een vacuümpomp af te zuigen als ammoniakgas/vloeistofmengsel. In het ontwerp van de opslagtank kan ook op voorhand rekening worden gehouden met het weer verdampen van ammoniak vanaf de bodem in de annulaire ruimte. Wanneer de isolatiewaarde van het gelamineerde hout/perlietbeton/pokhout onder de bodem van de annulaire ruimte namelijk lager is dan die van de foamblokken onder de binnentank en de isolatie aan de buitenkant van de buitentank, kan gecontroleerd een warmtelek worden gepositioneerd op de bodem in de annulaire ruimte waardoor de gecondenseerde ammoniak weer verdampt.

Een andere techniek maakt gebruik van een ringleiding op de bodem van de annulaire ruimte die ook gebruikt kan worden voor het ingassen van de opslagtank. Deze ringleiding kan in de operationele fase ook gebruikt worden om verdampt ammoniak in gasvorm te injecteren op de bodem van de annulaire ruimte, waarmee de gecondenseerde ammoniak heel gericht kan worden verdampt.

Het doel zoals opgenomen in M23 om te beschikken over een techniek om de gecondenseerde ammoniak te verwijderen geeft de vrijheid om bij het ontwerp van de opslagtank te kiezen uit de verschillende beschikbare technieken.

Temperatuur inkomende ammoniak

Het atmosferisch kookpunt van ammoniak ligt bij -33,4 °C en bij temperaturen hoger dan -33,4 °C streeft de ammoniak er bij atmosferische omstandigheden naar om van een vloeistof over te gaan naar een gas. Door de vrijkomende damp in een BOG-verwerkingssysteem weer te comprimeren en terug te koelen, wordt de dampdruk in de atmosferische opslagtank geregeld. De inkomende temperatuur van de ammoniak heeft een effect op de hoeveelheid ammoniakdamp die ontstaat en verwerkt moet worden tijdens het vulproces. De hoeveelheid vrijkomende ammoniakdamp tijdens het vulproces wordt bepaald door het verdrongen volume (constante factor) en de temperatuur van de inkomende ammoniak, waarvan een gedeelte flasht (variabele factor). De hoeveelheid flash (ammoniakdamp) die vrijkomt tijdens het vulproces, is afhankelijk van de operationele druk in de opslagtank. De dampdruk in de opslagtank heeft ook een relatie met de druk in de atmosfeer. Voor een stabiele operatie van de opslagtank binnen de designspecificaties van de opslagtank is een range van 20 mbar tot 55 mbar drukverschil tussen de tank en de atmosfeer voorgeschreven in M86.

Voor het regelen van de opslagcondities in de opslagtank is er niet voor gekozen om op temperatuur te sturen omdat het verschil in dampdruk in de opslagtank en de luchtdruk in de atmosfeer bepalend is voor het openen van (lage)drukbeveiligingen. Alleen tijdens het vulproces van de opslagtank mag het drukverschil oplopen tot maximaal 70 mbar. Een drukverschil van 70 mbar komt bij atmosferische omstandigheden in de buitenlucht overeen met een inkomende ammoniaktemperatuur van -32,0 °C. Het drukverschil van 70 mbar tijdens het vulproces geeft nog genoeg marge in relatie tot de maximale ontwerpdruk van 100 mbar tot 500 mbar en garandeert een robuust ontwerp en ruim werkgebied, zie M9. Dit is ook passend voor luchtdrukken in de atmosfeer die variëren ten opzichte van de ideale atmosferische omstandigheid van 1013 mbar, waar de -32,0 °C mee correspondeert.

De maximale inkomende temperatuur van ammoniak van -32,0 °C uit de terminalspecificaties (zie M96) komt dus overeen met een dampdruk van 70 mbar bij atmosferische omstandigheden in de buitenlucht. Bij het met nog warmere temperaturen vullen van de tank wordt het variabele aandeel van de vrijkomende ammoniakdampen (flash) groter en wordt de opslagtank een veredeld flashvat. Een flashvat is ontworpen als een drukvat met een ontwerpdruk groter dan 0,5 bar. Een atmosferische opslagtank heeft een maximale ontwerpdruk tussen de 100 mbar en 500 mbar, echter in de praktijk is 250 mbar constructief het maximum qua designspecificaties. Een atmosferische opslagtank is niet ontworpen om grote temperatuurverschillen te compenseren. Het opereren van een opslagtank als het ware een flashvat heeft als gevolg dat het proces van condensatie van watervrije ammoniak in de annulaire ruimte niet wordt geminimaliseerd (zie voorgaande paragraaf) en is daarmee ongewenst.

De temperatuur van de binnenkomende ammoniak in een atmosferische opslagtank mag ook niet kouder zijn dan -33,0 °C omdat bij atmosferische omstandigheden buiten de tank deze temperatuur correspondeert met een bedrijfsdruk van 20 mbar in de tank. Uitgaande van een setpoint van -5 mbar van de lagedrukbeveiligingen uit M21 ontstaat bij een inkomende temperatuur lager dan - 33,0 °C te weinig marge om het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer tussen de 20 mbar en 55 mbar goed te kunnen regelen bij een sterke stijging van de luchtdruk in de atmosfeer. Het opengaan van de lagedrukbeveiligingen, het vervolgens aanzuigen van buitenlucht en het daarmee introduceren van zuurstof in de opslagtank, moet worden voorkomen omdat zuurstof een initiator is voor SCC.

Daar het BOG-verwerkingssysteem is bedoeld om de operationele druk in de atmosferische opslagtank te verlagen, zijn voor het verhogen van de druk in de opslagtank geen maatregelen beschikbaar anders dan het uitschakelen van het BOG-verwerkingssysteem. Hierbij zal door warmte-intreding van buitenaf de inhoud van de atmosferische opslagtank langzaam opwarmen en zal de druk in de opslagtank oplopen om het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer terug te brengen naar de range van 20 mbar tot 55 mbar. Afhankelijk van de atmosferische omstandigheden is het dus belangrijk om te kiezen voor een temperatuur van de inkomende ammoniak in de range van -33,0 °C tot -32,0 °C om het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer te regelen tussen de 20 mbar en 55 mbar en de dampdruk in de opslagtank constant te houden tijdens het vulproces. Dit laatste is weer belangrijk om condensatie in de annulaire ruimte te vermijden.

Een hogere inkomende ammoniaktemperatuur (> -32,0 °C) heeft tot gevolg dat er voor het BOG-verwerkingssysteem onnodig moet worden ingezet op een verhoogde capaciteit om het terugbrengen van het drukverschil tussen de tank en de atmosfeer naar de range van 20 mbar tot 55 mbar te realiseren. Dit reductietraject van de dampdruk zal meer tijd in beslag nemen dan bij het maximale drukverschil van 70 mbar tussen de tank en de atmosfeer tijdens het vullen, zoals beschreven in M86.

Dit laatste zal betekenen dat de temperatuur in de opslagtank langer op een hogere operationele druk en daarmee temperatuur dan -32,0 °C zal opereren. Dit heeft gevolgen voor de effectduur en de grootte van verschillende scenario’s. Zo leidt een temperatuurverhoging van de inkomende ammoniak van -33,4 °C naar (bijvoorbeeld) -29,0 °C tot een toename van 20 % voor het gifwolkaandachtsgebied voor het scenario van het instantaan falen van de opslagtank. Voor scenario’s waarbij een gat in het dak van de ammoniak opslagtank zou ontstaan door externe impact, duurt het incident twee keer zo lang bij een temperatuurverhoging van -33,4 °C naar -29,0 °C van de inkomende ammoniak.

Beide beschouwingen laten zien dat het beheersen van de temperatuur van de inkomende ammoniak (tussen -33,0 °C en -32,0 °C) en de operationele opslagcondities (lees: het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer regelen tussen 20 mbar en 55 mbar) operationele maatregelen zijn die:

  • de kans op het openen van de (lage)drukbeveiligingen (zie M19 en M21) verminderen;
  • de effecten van een incident minimaliseren;
  • de duur van een incident minimaliseren;
  • de condensatie van watervrije ammoniak in de annulaire ruimte minimaliseren.

De “Best Practice” die nu door bestaande terminals wordt toegepast, is om een inkomend schip dat koude ammoniak komt brengen in een vroeg stadium te contacteren en navraag te doen naar de temperatuur van de ammoniaklading. Daarbij wordt dan ook aangegeven om, indien noodzakelijk, de lading terug te koelen naar een temperatuurwaarde tussen -33,0 °C en -32,0 °C, zoals genoemd in de terminal specificaties van M96. Deze handelswijze wordt geacht ook te worden gebruikt bij nieuwe terminals. Deze manier van werken heeft als voordeel dat wordt voorkomen dat een inkomend schip met een te warme lading onnodig in een zeehaven aanwezig is voordat met het lossen van de lading kan worden begonnen. De aanwezigheid van een te warme lading van het inkomende schip in een haven is net zo ongewenst als een hogere temperatuur van de ammoniak in een opslagtank aan de landzijde.

7.6.2Constructie van stationaire atmosferische opslagtanks voor gekoelde vloeibare ammoniak (A) Normatief

M9

Ontwerpnorm bij atmosferische opslag (A)

Voor het ontwerp van een nieuwe opslagtank voor de stationaire opslag van gekoelde vloeibare ammoniak is de NEN-EN 14620-reeks toegepast, waarbij in deze PGS-richtlijn aanvullende eisen gesteld kunnen worden aan de uitvoering (configuratie) van de opslagtank (zie onder andere M10, M11, M12 en M13). In afwijking van NEN-EN 14620-5 (4.1.2, tabel 1) wordt conform M114 de lekdichtheidstest van de buitentank uitgevoerd door een lektest met lucht.

De opslagtank heeft een maximale ontwerpdruk tussen de 100 mbar en 500 mbar. Dit resulteert in een robuust ontwerp en een ruimer werkgebied.

Toelichting

Toelichting 1: Alleen een luchttest van de buitentank is vereist. Het watertesten van de annulaire ruimte wordt nadrukkelijk afgeraden, ter voorkoming van waterintrede tussen de (primaire) binnentank en de (secundaire) buitentank.

Toelichting 2: Het doel van de vereiste maximale ontwerpdruk is om een robuust ontwerp te bewerkstelligen en dat de tank minder gevoelig is voor interne overdrukverschillen die zouden kunnen leiden tot het openen van de drukontlastkleppen.

Toelichting 3: Voor de binnentank zijn ten minste de twee degradatiemechanismen van vermoeiing en spanningscorrosie meegenomen, zie hiervoor NEN-EN 13445-3.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M10

Constructievorm bij atmosferische opslag (A)

De vereiste constructievorm is een volledig omsloten atmosferische opslagtank ('full containment'). Deze constructievorm bestaat uit een binnen- en buitentank waarbij:

  1. de wand van zowel de binnen- als de buitentank berekend is op het bevatten van de opgeslagen vloeistof;
  2. bij een lekkage of falen van de binnentank (primaire tank) zowel de damp als de vloeistof binnen de constructie blijft ('full containment');
  3. doorvoeringen door de wand of bodem van de primaire en secundaire tanks niet zijn toegestaan (zie ook M30). Dit houdt in dat alle ingaande en uitgaande leidingen vanuit de primaire tank over de bovenkant gaan en er gebruik wordt gemaakt van in-tankpompen, waarbij de pompschacht voorzien is van een afsluiter (onder in de pompschacht) om de pompschacht af te kunnen sluiten van de opslagtank (voetklep);
  4. een uitzondering op punt 3. wordt gemaakt voor het aanbrengen van aansluitingen op de annulaire ruimte tussen de primaire en secundaire tank voor het afvoeren van condens of als mogelijk aansluitpunt voor het leegpompen van de annulaire ruimte in het geval van lekkage van de binnentank (primaire tank), zie M31. Ook voor het inbrengen van de inspectierobot kan van punt 3. worden afgeweken. Zie hiervoor M30.
  5. het dak een zelfdragende constructie is die gelast is aan de tankwand van de buitentank;
  6. de toepassing van perliet als isolatiemateriaal niet is toegestaan.
Toelichting

Toelichting 1: Over het algemeen zal deze constructievorm een staal-staal-betonconstructie (zie ook M12) zijn waarbij de binnentank (primaire tank) en buitentank (secundaire tank) van staal zijn en deze worden beschermd tegen externe impact door een betonnen buitenwand. Een constructievorm met staal-liner-beton, waarbij de secundaire tank wordt gevormd door de betonconstructie uit M12, voorzien van een liner, zodat de vloeistof kan worden opgevangen, is ook een mogelijkheid. In dit concept wordt het isolatiemateriaal in de tank aangebracht. Dit heeft als voorwaarde dat het isolatiemateriaal geschikt is voor een ammoniakatmosfeer en dat in-service-inspectietechnieken beschikbaar zijn om in-service-inspectie te kunnen uitvoeren.

Toelichting 2: Een full-containmenttank beschikt over een hangend binnendak (suspended deck) dat boven de binnentank (primaire tank) hangt en waarop isolatiemateriaal is aangebracht. Het toegepaste isolatiemateriaal (glaswol of minerale wol) is geschikt voor een ammoniakatmosfeer. Het is van belang dat het hangende binnendak niet de binnentank (primaire tank) afsluit, maar erboven hangt en een thermische afsluiting vormt met het secundaire containment.

Toelichting 3: In de constructievorm van een staal-staal-beton full-containmenttank zal de wandisolatie zijn aangebracht tegen de buitenste stalen wand en worden beschermd door de betonnen wandconstructie. Door aan de bovenkant een regendak aan te brengen, wordt het isolatiemateriaal beschermd tegen weersinvloeden, wat de levensduur verlengt.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M11

Constructiemateriaal bij atmosferische opslag (A)

De constructiematerialen voor atmosferische ammoniakopslagtanks zijn gekozen op basis van de geldende ontwerpeisen, zie M9 en M10. Hierbij worden aanvullend de volgende eisen gesteld in verband met spanningscorrosie:

  • het materiaal heeft een minimale vloeigrens volgens NEN-EN 10028-3, tabel 4. Afhankelijk van de nominale dikte en de staalsoort ligt deze vloeigrens tussen de 215 MPa en 355 MPa. De bijbehorende toegestane staalsoorten zijn P275NL2 en P355NL2;
  • een lastoevoegmateriaal is gebruikt, met een sterkte (vloeigrens) gelijk aan of net boven die van het plaatmateriaal;
  • de lashardheid wordt gecontroleerd en mag niet hoger zijn dan 225 HV;
  • koudebestendig koolstofstaal met een lage vloeigrens, P275NL2, wordt zoveel mogelijk gebruikt. Voor die specifieke delen waarbij een hogere vloeigrens benodigd is wordt P355NL2 gebruikt;
  • voor die delen van de tank die niet in contact kunnen komen met de koude ammoniak, bijvoorbeeld de dakconstructie, zijn andere staalsoorten toegestaan dan P275NL2 en P355NL2, bijvoorbeeld S275 en S355.

De lasmethode is in overeenstemming met de desbetreffende tankbouwnorm of NEN-EN-ISO 15614-1. De goedkeuring van de lasmethode is onderdeel van het inspectie- en keuringsprogamma, zie M114, M115 en M116. De lasuitvoering is in overeenstemming met de goedgekeurde lasmethode en gebeurt door lassers gekwalificeerd conform de NEN-EN-ISO 9606-reeks.

Voor bestaande atmosferische opslagtanks die reeds geconstrueerd zijn op basis van de voorlopers van P275NL2 en P355NL2, geldt dat afwijkingen van de minimale vloeigrenzen zijn meegewogen in de RBI-inspectiemethodiek uit M151. Dit geldt ook voor het gebruikte lastoevoegmateriaal. Voor bestaande atmosferische opslagtank(s) gelden de genoemde voorwaarden als richtwaarden in combinatie met de afwijkingsruimte bepaald in de RBI-inspectiemethodiek van M151.

[vs 3.7.21 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Tijdens de constructie worden verschillende lasmaterialen gebruikt. Deze kunnen een aanzienlijk hogere vloeigrens hebben dan het basismateriaal. De compatibiliteit van de vloeigrens van het basismateriaal met die van het lasmateriaal is een belangrijke factor bij spanningscorrosie onder ammoniakcondities. Het heeft de voorkeur lasmaterialen te kiezen die een gelijke vloeigrens hebben als het basismateriaal om spanningsverschillen te voorkomen. Warmtebehandeling na het lassen van alle tubelures en mangaten kan verdere spanningsconcentraties voorkomen.

Het gebruik van materiaal met een te hoge vloeigrens leidt tot te veel spanningen in het materiaal, waardoor er een verhoogde kans is op spanningscorrosie(SCC). Voor de toegestane koudebestendige staalsoorten P275NL2 en P355NL2 gelden minimale vloeigrenzen volgens NEN-EN 10028-3, tabel 4. Een maximale vloeigrens is in deze norm niet bepaald, echter wordt een vloeigrens van meer dan 390 MPa zoveel mogelijk vermeden bij de constructie van nieuwe atmosferische opslagtank(s).

Het materiaal dat toegepast is bij bestaande atmosferische opslagtank(s) betreft voorlopers van de huidig voorgeschreven materialen P275NL2 en P355NL2. De bijbehorende vloeigrenzen van de in het verleden toegepaste materialen kunnen de waarde van 390 MPa overschrijden. Ook voor het lastoevoegmateriaal geldt dat de lashardheid iets hoger kan zijn dan de genoemde 225 HV voor nieuwbouw. Voor bestaande atmosfersiche opslagtanks geldt dat de hardheden niet kunnen worden gemeten zolang de tank in gebruik is. Voor zowel de vloeigrens als het gebruikte lastoevoegmateriaal geldt dat in de RBI-inspectiemethodiek, zoals bedoeld in M151 voor bestaande atmosferische opslagtank(s), hiervoor een extra score wordt toegekend.

Onderdeel 1.2 van de RBI gaat over 'Materialen, lastoevoegmateriaal en de voorbereidingen voor ingebruikname'. Hierin worden vloeigrenzen van het materiaal en het gebruikte lastoevoegmateriaal beoordeeld en wordt een score bepaald. Deze score heeft een effect op de kans op falen (probability of failure) en kan leiden tot een hogere inspectiefrequentie.

De RBI-inspectiemethodiek staat in Appendix 2 uit Guidance for Inspection of Atmospheric, Refrigerated Ammonia Storage Tanks, 2008 Edition, Issue 2014 en verwijst voor het gebruikte lastoevoegmateriaal naar Appendix 1.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M12

Betonnen beschermingswand bij atmosferische opslag (A)

De opslagtank is voorzien van een betonnen beschermingswand die aansluit op de afloop van de dakconstructie (en is dus nagenoeg even hoog als de opslagtank) en die beschermt tegen externe invloeden, zoals een drukgolf, impact van fragmenten of warmtestralingsbelasting.

Deze betonnen beschermingswand is minimaal bestand tegen:

  1. een statische drukbelasting van 0,3 bar gedurende 300 ms;
  2. een impact van projectielen/fragmenten, zoals een afsluiter van 150 kg met een snelheid van 50 m/s en een impactoppervlakte met een diameter van 0,25 m, loodrecht op de wand;
  3. een impact van een object van 200 kg (zoals een motorblok van een klein vliegtuig), met een snelheid van 100 m/s en een impactoppervlakte van 0,5 m² (diameter 0,8 m), loodrecht op de wand;
  4. een warmtestralingsbelasting van 10 kW/m² veroorzaakt door brand van omringende installatieonderdelen (o.a. brand/fakkel van de uitlaat van de ontlastklep, tankbrand van de dichtstbijzijnde tank, affakkelscenario op de terminal).

Voor bijvoorbeeld de inspectie van de opslagtank zijn mangaten in de betonnen beschermingswand toegestaan, mits deze bestand zijn tegen bovengenoemde externe invloeden.

Voor bestaande tanks geldt dat de betonnen wand primair ontworpen is als secundair containment en bestand is tegen een koudeschok bij lekkage en het kunnen opvangen van de hydrostatische belasting van de vloeistof, zie ook punt 1. en 2. in M148. Voor deze tanks hoeft niet aangetoond te worden dat ze voldoen aan de genoemde criteria onder 1. t/m 4., echter wel dat er wordt voldaan aan het gestelde in M6. Ook wordt aantoonbaar gemaakt dat de betonnen wand voldoet waarvoor deze primair is ontworpen. De documentatie hiervan is beschikbaar voor het bevoegd gezag.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M13

Ontwerp fundering bij atmosferische opslag (A)

De atmosferische opslagtank en de betonnen beschermingswand zijn geplaatst op een verhoogde paalfundering die is ontworpen om alle belastingen over te brengen naar geschikte dragende grondlagen. Het ontwerp van de verhoogde paalfundering voldoet aan 7.1.10 van NEN-EN 14620-1.

De vrije ruimte onder de opslagtank is voor inspectie vrij toegankelijk waarbij de hoogte minimaal 1,60 m volgens 7.1.10 van NEN-EN 14620-1 is voor vrije ventilatie. Als de vrije ruimte wordt gereduceerd, zal met berekeningen worden aangetoond dat dit op de lange termijn geen effect heeft op condensatie en ijsvorming aan de onderzijde van de fundering.

Voor bestaande atmosferische opslagtanks is de minimale hoogte van de vrije ruimte 1,00 m of 0 m indien er een verwarmingssyteem in de fundering is aangebracht zoals bedoeld in M149.

[vs 3.7.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De hoogte van 1,60 m zorgt, naast de vrije ventilatie, voor een goede bereikbaarheid voor (visuele) inspectie en eventuele onderhoudswerkzaamheden.

De vrije ventilatie onder de opslagtank zal zorgen dat de grond onder de opslagtank niet bevriest door de ammoniakopslagtank.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid
M14

Sluis pompschacht bij atmosferische opslag (A)

De pompschacht is, wanneer technisch mogelijk voor het type pomp, voorzien van een sluis voor het voorkomen van vrijkomen van ammoniak bij onderhoud. Bij het ontwerp van een sluis is rekening gehouden met de mogelijkheid tot het spoelen met stikstof en het installeren van een aanwezigheidssensor voor het detecteren van de pomp (zodat zeker gesteld wordt dat de pomp in de sluis zit).

Toelichting

Door het ontwikkelen van een sluis boven op de pompschacht kan de arbeidsveiligheid tijdens het proces van het trekken van een interne pomp worden verbeterd. Door de pomp in een sluis te kunnen trekken, kan met het spoelen van de sluisruimte een hogere betrouwbaarheid worden verkregen op de afwezigheid van ammoniak bij het verwijderen van de interne pomp uit de pompschacht.

Een dergelijke sluis wordt al toegepast bij de opslag van LPG-producten en is zeer waarschijnlijk ook technisch haalbaar voor ammoniakservice, maar moet nog ontworpen en ontwikkeld worden voor interne ammoniakpompen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M15

Hijsinstallatie bij atmosferische opslag (A)

Een ammoniakopslagtank is voorzien van een vaste hijsinstallatie op het dak van de tank om de interne pompen loodrecht uit de pompschacht te kunnen trekken.

De hijsinstallatie verplaatst vervolgens de pomp over de rand van de ammoniakopslagtank om deze daar te kunnen laten zakken naar het maaiveldniveau.

Het hijsplatform is zo geconstrueerd dat de opslagtank niet wordt beschadigd bij het onbedoeld loskomen van de last.

Toelichting

De hijsinstallatie kan onder andere ook voor appendages worden gebruikt.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie
7.6.2.1Instrumentatie en beveiligingssystemen bij atmosferische opslag (A) Normatief
M16

Instrumentatie en beveiliging bij atmosferische opslag (A)

Aan de volgende minimumvoorwaarden is voldaan:

  • De geïnstalleerde instrumentatie en beveiligingen garanderen een veilige en betrouwbare inbedrijfstelling, werking en buitenbedrijfstelling van de opslagtank, en ook een veilig en betrouwbaar onderhoud. Er is voldoende redundantie ingebouwd, zie bijvoorbeeld M17, M18 en M22.
  • De instrumentatie en beveiliging worden onderhouden tijdens het in bedrijf zijn van de opslagtank.
  • De opslagtank is voorzien van instrumentatie voor het meten van relevante parameters in de opslagtank: minimaal druk, temperatuur en niveau. Voor de niveaumeting geldt dat deze dubbel uitgevoerd is met twee onafhankelijke methoden van niveaumeting. Deze metingen worden weergegeven in de bedieningsruimte of anderszins zichtbaar gemaakt voor de operator voor het gestelde in M86.
  • De voedingsleiding naar de opslagtank is voorzien van een temperatuurmeting en een vooralarm. Deze meting wordt weergegeven in de bedieningsruimte of anderszins zichtbaar gemaakt voor de operator.

[vs 3.7.7 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M17

Hoogniveaubeveiliging bij atmosferische opslag (A)

Naast de onafhankelijke overvulbeveiliging uit M18 en de beheersing van de opslagcondities M86 is een hoogniveaubeveiliging aanwezig met een vooralarm dat in werking treedt op een niveau waarbij er nog voldoende tijd (minimaal 15 min) is om in te grijpen en overvulling van de opslagtank te voorkomen.

[vs 3.7.8 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M18

Instrumentele beveiligingen bij atmosferische opslag (A)

Een atmosferische opslagtank is minimaal voorzien van de volgende, onafhankelijke, instrumentele beveiligingen:

  1. een onafhankelijke overdrukbeveiliging die beschermt tegen een te warme voedingsflow in de opslagtank met een SIL 3-classificatie, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, die de toevoer naar de opslagtank zo dicht mogelijk bij de inlaat van de opslagtank stopt. Dit gebeurt in combinatie met het automatisch stoppen (trippen) van de verlading. Signalering vindt plaats op basis van drukmetingen in de opslagtank. De afstelling is zodanig dat voorkomen wordt dat de drukontlast- en drukregelkleppen, zie M19, aangesproken worden. De toevoer van vloeibaar ammoniak uit een ammoniakfabriek naar een opslagtank hoeft niet te beschikken over een onafhankelijke overdrukbeveiliging wanneer het maximumscenario aan damp dat kan ontstaan door de drukontlastkleppen kan worden afgevoerd. Deze overdrukbeveiliging heeft geen betrekking op het terugstroomscenario van warme ammoniak vanuit een drukopslagtank naar de gekoelde opslagtank, zie hiervoor punt 4. in deze opsomming;
  2. een onafhankelijke overvulbeveiliging met ten minste een SIL 2-classificatie, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, die de toevoer naar de opslagtank zo dicht mogelijk bij de inlaat van de opslagtank stopt. Signalering vindt plaats op basis van niveaumeting;
  3. een onafhankelijke onderdrukbeveiliging met ten minste een SIL 2-classificatie, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, die de afvoer vanaf de opslagtank zo dicht mogelijk bij de inlaat van de opslagtank stopt. Dit gebeurt bij voorkeur in combinatie met het automatisch stoppen (trippen) van de verlading. De afstelling is zodanig dat voorkomen wordt dat de lagedrukontlastkleppen, zie M21, aangesproken worden;
  4. een terugstroombeveiliging om te voorkomen dat warme ammoniak terugstroomt naar de opslagtank, bestaande uit:
    • twee terugslagkleppen in serie, aangemerkt als veiligheidskritisch met een periodieke, minimaal jaarlijkse, controle op werking;
    • een onafhankelijke instrumentele terugstroombeveiliging met ten minste een SIL 2-classificatie, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, die de terugstroom naar de opslagtank stopt wanneer de pompen zijn uitgevallen.

Voor de hierboven voorgeschreven onafhankelijke beveiligingen gelden de volgende voorwaarden:

  • De genoemde SIL-classificatie geldt voor de gehele beveiligingsloop van de genoemde beveiliging.
  • De genoemde SIL-classificatie, corresponderend met een RRF (risco reductie factor) van 1000 voor SIL 3 of 100 voor SIL 2, kan ook gerealiseerd zijn door een combinatie van verschillende beveiligingsloops conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks.
  • Bij de SIL-verificatie wordt rekening gehouden met de sluitingstijden van afsluiters.
Toelichting

Toelichting 1: Bij terugstroming vanuit bijvoorbeeld een drukopslag, schip, trein of vrachtwagen kan de ammoniaktemperatuur 5 °C zijn of meer. Wanneer deze temperatuur de tank bereikt bij een te hoge terugstroom, kan de capaciteit van de drukontlastkleppen ontoereikend zijn om alle druktoename weg te nemen.

Toelichting 2: Omdat het realiseren van een SIL 2- of SIL 3-classificatie een uitdaging kan zijn in de uitvoering is het toegestaan om de bijbehorende RRF te realiseren als een combinatie van een SIL 1- en SIL 2-beveiligingsloop voor een SIL 3-classificatie of twee SIL 1-beveiligingsloops voor een SIL 2-classificatie.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M19

Drukontlast- en drukregelkleppen bij atmosferische opslag (A)

De atmosferische opslagtank is voorzien van de volgende beveiligingen tegen een druk hoger dan de maximaal toegelaten ontwerpdruk:

  1. een drukregelklep die afvoert naar een affakkelinstallatie die voldoet aan NEN-EN-ISO 25457, waarbij de instelling zo is dat voorkomen wordt dat de drukontlasting naar de buitenlucht (als bedoeld onder 2.) aangesproken wordt. De affakkelinstallatie is uitgerust met steungas om schone verbranding van ammoniak te realiseren (zo min mogelijk NOx) en is zo ontworpen dat er geen zuurstof via de installatie naar de opslagtank kan stromen. De steungasvoorziening bestaat uit een continue aardgasaansluiting of een onafhankelijke steungasopslag met een minimale voorraad om voor een periode van 72 uur de fakkel te kunnen operereren. Voor een bestaande ammoniakopslaginstallatie mag in plaats van een affakkelinstallatie ook een waterscrubber zijn toegepast om de overdruk uit de ammoniak opslaginstallatie af te voeren;
  2. drukontlastkleppen die afvoeren naar de buitenlucht waarbij de afvoer van de veiligheden zo gesitueerd is dat deze op een veilige locatie (safe location) afblazen.

Het aantal benodigde drukontlastkleppen wordt berekend op basis van de maximaal te verwachten drukopbouw.

De drukontlastkleppen, als bedoeld onder 2., zijn van het type ‘pilot-operated’ volgens NEN-EN-ISO 4126-4 of API 2000.

[vs 3.7.14, vs 3.7.15, vs 3.7.19 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De minimale voorraad steungas van 72 uur houdt verband met de praktijk waarin het relatief eenvoudig is om een gasvoorraad snel aan te vullen. Met de 72 uur wordt ten minste een weekend overbrugd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M20

Uitvoering drukontlast- en drukregelkleppen bij atmosferische opslag (A)

De inlaten worden door het hangende binnendak gevoerd, zodanig dat wordt voorkomen dat tijdens drukontlasting koude dampen de warme ruimte tussen het buitendak en het hangende binnendak binnendringen.

Voor bestaande atmosferische opslagtanks geldt deze maatregel alleen als er een hangend binnendak aanwezig is.

[vs 3.7.16 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Hiermee wordt een snellere drukontlasting gerealiseerd en schade aan het hangende binnendak voorkomen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M21

Lagedrukbeveiliging bij atmosferische opslag (A)

Een atmosferische opslagtank is beveiligd tegen een druk lager dan de minimaal toegelaten bedrijfsdruk met lagedrukontlastkleppen.

De lagedrukontlastkleppen zijn van het type gewichtsbelast. Het aantal benodigde lagedrukontlastkleppen wordt berekend op basis van de totale luchtinstroom en de opgegeven instelwaarden conform NEN-EN-ISO 28300 of API 2000

[vs 3.7.17 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M22

Redundantie i.v.m. onderhoud bij atmosferische opslag (A)

In aanvulling op M19 en M21 wordt er ten minste één extra overdruk-/lagedrukontlastklep van elk geïnstalleerd voor onderhouds- en inspectiedoeleinden. Deze extra overdruk-/lagedrukontlastklep wordt geplaatst zodat als er één overdruk-/lagedrukontlastklep wordt verwijderd voor onderhoud, de beveiliging van de opslagtank gewaarborgd blijft.

De afsluiters in de leiding naar de drukontlastkleppen zijn op elkaar vergrendeld, zodat maximaal een van de overdruk-/lagedrukontlastkleppen kan worden verwijderd voor onderhoud. Ook kan een wisselafsluiter (change-over valve) hiervoor worden gebruikt. Tijdens onderhoudswerkzaamheden aan de ontlastklep is deze in de juiste stand vergrendeld. De wisselafsluiter mag geen stand hebben waarbij meer dan een aansluiting tegelijkertijd gesloten kan zijn.

[vs 3.7.18 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie
M23

Overloop en lekdetectie bij atmosferische opslag (A)

Op de atmosferische opslagtank mag geen overloop worden aangebracht.

De ruimte tussen binnen- en buitentank (de annulaire ruimte) is voorzien van detectieapparatuur met alarmering om:

  • de aanwezigheid en het niveau van vloeistof (condensaat) te kunnen detecteren;
  • de aanwezigheid en het niveau van vloeibare ammoniak te kunnen detecteren.

Wanneer vloeistof in de annulaire ruimte tussen de primaire en secundaire tank wordt gedetecteerd (condensaat), dan wordt dit onmiddellijk verwijderd. Voor de verwijdering van het condensaat worden bij voorkeur systemen en technieken toegepast die geen doorvoering door de bodem nodig hebben. Een drainvoorziening, zoals beschreven in M31, is ook toegestaan.

[vs 3.7.9 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Voor een beschrijving van de verschillende technieken om condensatie in de annulaire ruimte te voorkomen dan wel condensaat te verwijderen zie Paragraaf 7.6.1.1 onder het kopje 'Condensatie in de annulaire ruimte’.

Toelichting 2: Voor een double-containment tank geldt dat in de annulaire ruimte ook vloeistof gedetecteerd kan worden. In het geval van een lekkage betreft deze vloeistof ammoniak en onder normale operationele condities betreft deze vloeistof gecondenseerd water uit de lucht.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M24

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerp- of procescondities bij atmosferische opslag (A)

Wanneer beveiligingen zoals bedoeld in M17, M18, M19, M21 en indien van toepassing M150 worden aangesproken, dan wordt dit beschouwd als een ongewenste gebeurtenis en als zodanig door het bedrijf geregistreerd en geanalyseerd (incidentonderzoek naar oorzaak en gevolg, inclusief maatregelen ter voorkoming).

Wanneer buiten de ontwerpcondities (temperatuur en druk) of procescondities (watergehalte < 0,2 gew% zoals bedoeld in M88 en M95 of wanneer zuurstof in de tank is gekomen doordat bijvoorbeeld een lagedrukontlastklep is aangesproken) van een tank is geopereerd, dan wordt dit beschouwd als een ongewenste gebeurtenis en als zodanig door het bedrijf geregistreerd en geanalyseerd (incidentonderzoek naar oorzaak en gevolg, inclusief maatregelen ter voorkoming van het incident en/of mitigatie van de gevolgen), en wordt deze analyse goedgekeurd door een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks.

Toelichting

Het betreft hier zogenoemde kritische en/of veiligheidskritische beveiligingen, zoals bijvoorbeeld een onafhankelijke overvulbeveiliging.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie
7.6.2.2Aarding en bliksembeveiliging bij atmosferische opslag (A) Normatief
M25

Aarding en bliksembeveiliging bij atmosferische opslag (A)

Bij de opslagtank is een doelmatige bliksembeveiliging aanwezig.

De binnentank en de buitentank zijn geaard door middel van aardelektroden waarvan de aardverspreidingsweerstand niet meer dan 2,5 Ohm mag bedragen. De aardingspunten zijn regelmatig verdeeld langs de omtrek van de opslagtank op een onderlinge afstand van ten hoogste 20 m. De aardingsnokken zijn van hetzelfde materiaal gemaakt als de wand van de stalen opslagtank. De onderdelen voor de aansluiting van de aardelektroden zijn van roestvast staal, delen van koper zijn tegen aantasting door ammoniak beschermd.

De aarding voldoet aan NPR 1014 en NEN-EN-IEC 62305-3.

[vs 3.7.20, vs 3.7.22, vs 3.7.23, vs 3.7.24, vs 3.7.25 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De noodzaak voor bliksembeveiliging en de bijbehorende minimaal vereiste beveiligingsklasse kunnen worden bepaald met een risicoanalyse volgens de NEN-EN-IEC 62305-reeks.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
7.6.2.3Systeem voor afkoelen bij atmosferische opslag (A) Normatief
M26

Afkoelen bij ingebruikname bij atmosferische opslag (A)

Er is een leidingsysteem met sproeikoppen voor het afkoelen van de opslagtank aangebracht om volledige verdamping en/of verdeling van de vloeistof te garanderen. Dit systeem is zo ontworpen dat de gespecificeerde afkoelingssnelheden (zie M87) kunnen worden bereikt.

[vs 3.7.26 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De afkoelleiding is een met verstuivers uitgeruste ringleiding die boven in de dampruimte van de binnentank is bevestigd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
7.6.2.4Boil-offgas (BOG)-compressie bij atmosferische opslag (A) Normatief

Het BOG-verwerkingssyteem is drukapparatuur en voldoet aan de PED (bij nieuwbouw) en het Wbda 2016 (in de gebruiksfase). De maatregelen uit deze paragraaf zijn aanvullend op het PED en Wbda 2016.

M27

Capaciteit en redundantie BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag (A)

Het BOG-verwerkingssysteem is redundant uitgevoerd, waarbij voor de compressor aanvullend geldt dat:

  • ook tijdens onderhoud een extra compressor beschikbaar is (in de praktijk betekent dit minimaal drie compressoren);
  • de minimaal vereiste capaciteit per compressor overeenkomt met de capaciteit die benodigd is voor de verwerking van het boil-offgas in een statische opslagsituatie (geen verpomping in of uit de tank), aangevuld met de capaciteit die benodigd is voor de verwerking van het boil-offgas vanuit de voedingsleiding wanneer de verlading is gestopt.

Bij te weinig BOG-verwerkingscapaciteit wordt het vullen van de opslagtank automatisch gestopt.

Het BOG-verwerkingssyteem bestaat uit een compressorsectie en een koelinstallatie waarin de ammoniak wordt gecondenseerd voor terugvoering naar de opslagtank.

Toelichting

Toelichting 1: Omdat het vullen van een opslagtank een voorzienbare activiteit is, is voldoende BOG-capaciteit beschikbaar en mag bij het uitvallen van de benodigde BOG-capaciteit geen gebruikgemaakt worden van een affakkel- of dampverwerkingsinstallatie. Het vuldebiet wordt ten minste verlaagd tot aan de beschikbare BOG-capaciteit conform deze maatregel.

Toelichting 2: Het vereiste van minimaal drie compressoren betekent niet dat de compressoren elk dezelfde capaciteit zullen hebben. Er kan bijvoorbeeld ook gekozen worden voor twee grote compressoren en twee kleine compressoren aangesloten op de noodstroomvoorziening. Of voor drie compressoren van gelijke capaciteit en alle drie aangesloten op de noodstroomvoorziening.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M28

Noodstroomvoorziening BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag (A)

Het BOG-verwerkingssysteem is voorzien van een secundaire stroomvoorziening.

Een secundaire stroomvoorziening kan bestaan uit:

  • een eigen interne opwekking die blijft functioneren in eilandbedrijf bij externe stroomuitval;
  • een noodstroomvoorziening.

De capaciteit van de secundaire stroomvoorziening is zodanig dat het BOG-verwerkingssysteem kan opereren conform de minimale capaciteit benoemd in M27.

In beide bovenvermelde situaties is een ‘uninterruptible power supply‘ (UPS) aanwezig die het besturingssysteem van het BOG-verwerkingssysteem voedt vanuit een batterij/accu. In het geval van een noodstroomvoorziening, is de capaciteit van de batterij/accu voldoende om het besturingssysteem van energie te voorzien totdat de noodstroomvoorziening in bedrijf is. In het geval van eigen interne opwekking, is de capaciteit van de batterij/accu voldoende voor 1 uur.

De noodenergievoorziening en UPS worden maandelijks getest op de werking en jaarlijks wordt de functionaliteit van de gehele noodstroomvoorziening getest (belaste test).

Toelichting

Toelichting 1: Bij onderhoud en storing aan een compressor is er voldoende BOG-verwerkingscapaciteit op de secundaire stroomvoorziening beschikbaar. De capaciteit van de secundaire stroomvoorziening hoeft alleen te zijn uitgelegd om minimaal één compressor en bijbehorende onderdelen van het BOG-verwerkingssysteem te kunnen laten draaien.

Let op: het aansluiten op de secundaire stroomvoorziening van een kleine compressor voor alleen de statische opslaginstallatie en het leeg kunnen maken van de voedingsleiding volstaat niet. Deze compressor heeft immers ook onderhoud nodig.

Toelichting 2: Bij het testen op de werking en functionaliteit wordt niet enkel op het BOG-verwerkingssysteem gelet, maar ook op alle hulpsystemen, zoals koeling, koelwatervoorziening voor ammoniak, condensers, enz.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M29

Afvoer van inerten uit BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag (A)

De voorzienbare emissies uit het BOG-verwerkingssysteem (inerten en ammoniak) worden door een dampverwerkingsinstallatie verwerkt en geëmitteerd.

Toelichting

Uit het BOG-verwerkingssysteem komt ook een purge-stroom van inerten uit de opslagtank. Deze inerten bevatten voornamelijk stikstof in combinatie met gasvormig ammoniak.

Een affakkelinstallatie is een noodvoorziening en geen reductietechniek en mag dus niet toegepast worden voor deze voorzienbare emissies.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
Omgevingsveiligheid

7.6.3Leidingen, aansluitingen en toebehoren bij atmosferische opslag (A) Normatief

De eisen voor de leidingen, aansluitingen en toebehoren betreffen de opslagtanks voor gekoelde vloeibare ammoniak (atmosferische opslag). Op leidingen, aansluitingen en toebehoren met een druk > 0,5 bar ten opzichte van de atmosferische druk is het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 van toepassing. De maatregelen in deze paragraaf zijn aanvullend op het Wbda 2016.

7.6.3.1Aansluitingen op de atmosferische opslagtank (A) Normatief
M30

Locatie van aansluitingen bij atmosferische opslag (A)

Voor atmosferische opslagtanks zijn alle aansluitingen (in- en uitlaten, voor het afvoeren van de damp, de veiligheidstoestellen en andere toestellen en instrumenten) via de bovenkant van de opslagtank gemaakt.

Voor de toegang van een inspectierobot in de annulaire ruimte van een full-containmentopslagtank is het, naast de voorkeur om deze via de bovenkant van de opslagtank te realiseren, ook toegestaan doorvoeringen door alleen de secundaire stalen tankwand te maken. Deze doorvoering bevindt zich boven het maximale vloeistofniveau van de primaire opslagtank.

Voor de bouw en voor eventuele onderhoudswerkzaamheden aan de full-containmentopslagtank zijn twee mangaten in de secundaire stalen tankwand toegestaan. Deze mangaten worden na gebruik dichtgelast en gegloeid (PWHT - post weld heat treatment).

Voor bestaande ammoniakopslagtanks van het type double-containment geldt dat uitlaten door de wand (primaire stalen wand en secundaire betonnen wand) van de opslagtank zijn toegestaan. Dit geldt ook voor mangaten voor het betreden van de double-containmentopslagtank bij onderhoud.

[vs 3.8.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Door de aansluiting aan de bovenzijde te maken, wordt de kans op vloeistoflekkage verkleind.

Toelichting 2: Voor het mogelijk maken van een in-service-inspectie met een inspectierobot zijn verschillende mogelijkheden om een robot in de annulaire ruimte te positioneren. Dat kan met sluisdoorvoeringen door het dak en het hangende binnendak. Maar ook een doorvoering hoog door alleen de secundaire stalen tankwand is toegestaan. In verband met de begeleidingskabel aan een inspectierobot zijn vier sluisdoorvoeringen, dan wel door het dak dan wel door de secundaire stalen wand rondom de tankwand, te verwachten.

Toelichting 3: De twee gelaste mangaten zijn bedoeld om tijdens de bouw van de full-containment opslagtank de annulaire ruimte te kunnen betreden en materialen en mensen af- en aan te voeren. Ook werkzaamheden die aan een full-containmentopslagtank worden uitgevoerd in de annulaire ruimte, bij het uit bedrijf zijn van de opslagtank, kunnen via deze mangaten worden uitgevoerd. De aanwezigheid van kooiladders of andere constructies om betreding van de annulaire ruimte tijdens het uit bedrijf zijn van de opslagtank mogelijk te maken, vormen een belemmering om in-service-robotinspectie uit te voeren. Daarom zijn deze gelaste mangaten nodig. Belangrijk is dat na gebruik deze mangaten weer worden dichtgelast en gegloeid om het materiaal weer spanningsvrij te krijgen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M31

Drainaansluitingen bij atmosferische opslag (A)

In afwijking van M30 zijn, voor het afvoeren van condensaat uit de annulaire ruimte (zie M23), maximaal vier drains door de bodem en/of wand in de annulaire ruimte tussen het primaire en secundaire containment toegestaan.

De drains door de bodem en/of wand zijn beschermd tegen een externe impact. Deze drainaansluitingen mogen niet groter zijn dan DN 100 (4 inch) en, uit oogpunt van robuustheid, niet kleiner dan DN 50 (2 inch). Aanwezige instrumentatie in deze drainleiding kan, voor onderhoud en testen, worden ingeblokt met twee afsluiters, waarvan de buitenste afsluiter 'locked closed' is.

Voor bestaande ammoniakopslagtanks van het type double-containment zijn drainaansluitingen van maximaal DN 200 (8 inch) toegestaan voor afvoeren van het condensaat door de wand/bodem van het secundaire containment.

[vs 3.8.2 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Voor het verwijderen van gecondenseerde vloeistof uit de annulaire ruimte worden bij voorkeur systemen en technieken toegepast die geen doorvoering door de bodem nodig hebben. Voor een beschrijving van de verschillende technieken om condensatie in de annulaire ruimte te voorkomen dan wel condensaat te verwijderen, zie Paragraaf 7.6.1.1 onder het kopje 'Condensatie in de annulaire ruimte’.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M32

Noodvoorziening legen annulaire ruimte bij atmosferische opslag (A)

Een opslagtank heeft een voorziening om in het geval van een calamiteit waarbij het primaire containment heeft gefaald en het secundaire containment is gevuld, de vloeistof uit de annulaire ruimte te kunnen pompen. Hiervoor mag in afwijking van M30 een doorvoering door de zijwand van het secundaire containment worden gerealiseerd (maximale diameter DN 100 (4 inch)). Wanneer hiervoor niet de drainaansluiting zoals beschreven in M31 is voorzien, dan is deze doorvoering afgeblind en voorzien van een afsluiter.

Voor een bestaande ammoniakopslagtank van het type double-containment mag een doorvoering door de wand/bodem van het secundaire containment aanwezig zijn (maximale diameter DN 200 (8 inch)).

Toelichting

De annulaire ruimte van een double-containment opslagtank bestaat uit een stalen binnentank en een betonnen buitenwand/bodem die in open verbinding staat met de buitenlucht maar is afgeschermd met een regendak. Voor een full-containmentopslagtank geldt dat alle wanden van de annulaire ruimte van staal zijn.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventieRampenbestrijding
M33

Gebruik schroefdraadverbindingen (A+D)

Een verhoogd risico op lekkage door gebruik van schroefdraadverbindingen bij de constructie van een ammoniakopslagtank en productleidingen wordt voorkomen.

Aan deze maatregel is in ieder geval voldaan als:

  1. er geen schroefdraadverbindingen zijn toegepast in productleidingen en opslagtanks;
  2. voor het aansluiten van instrumentatie schroefdraadverbindingen alleen toegepast onder de voorwaarde dat er een geflensde of gelaste afsluiter tussen het installatiedeel (primaire insluitsysteem) en de instrumentatie is geplaatst. De schroefdraadverbinding voor instrumentatie is maximaal 20 mm (3/4 inch) en uitgevoerd in RVS.
  3. een verbinding aan een bestaande drukopslagtank niet voldoet aan deze maatregel, dan is de technische integriteit van dit onderdeel meegenomen in de periodieke herbeoordeling van de NL-CBI. Zie hiervoor ook de aandachtspunten voor het herbeoordelingsplan in M124.

[vs 3.8.4 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Schroefdraadaansluitingen geven een verhoogd risico op lekkage en zijn daarom niet gewenst voor het primaire insluitsysteem.

Toelichting 2: Voor bestaande drukopslagtanks die niet voldoen aan deze maatregel is de integriteit van de verbinding (in het kader van het herbeoordelingsplan zoals bedoeld in M124) aantoonbaar door niet-destructief onderzoek.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
7.6.3.2Constructie van productleidingen bij atmosferische opslag (A) Normatief

Vloeistofleidingen vallen vanwege de druk onder het PED en Wbda 2016 en vormen vanwege hun grote capaciteiten een groot risico als de leiding scheurt. Het risico is groter bij leidingen voor warme ammoniak. Warme ammoniak die onder druk vrijkomt, heeft een groter uitstroomdebiet en onmiddellijke gasvorming, wat resulteert in een groter verspreidingsgebied van een ammoniakgaswolk. Leidingen voor warme ammoniak zullen dus zijn ontworpen met een beperkt debiet of gesegmenteerde volumes die kleiner zijn dan leidingen voor koude ammoniak.

M34

Materiaal van productleidingen (A+D)

Corrosie onder de isolatie van leidingen wordt afdoende voorkomen.

Aan deze maatregel is in ieder geval voldaan wanneer de leidingen voor het transport van ammoniak voldoen aan een van onderstaande voorwaarden:

  • bij gebruik van geïsoleerde koudebestendig koolstofstaal worden de leidingen continu op een temperatuur tussen -33 °C en -12 °C gehouden door het circuleren van vloeibare koude ammoniak uit de opslagtank, uitgezonderd tijdens onderhoud;
  • bij gebruik van roestvast staal (rvs) zijn temperatuurverschillen tussen -33 °C en de omgevingstemperatuur toegestaan wanneer rvs 316L (voor ongeïsoleerde leidingen) of minimaal rvs 304L (voor geïsoleerde leidingen met een dampremmende laag) is toegepast.
Toelichting

Bij het gebruik van koudebestendig koolstofstalen leidingen is rekening gehouden met externe corrosie en ter voorkoming hiervan is in de regel een coating aangebracht. Als een leiding regelmatig wordt ingekoeld tot -33 °C voor verlading en daarna weer opwarmt, dan heeft dit een negatief effect op de beschermende functie van de coating. Dit in combinatie met het feit dat het geïsoleerde leidingen betreft, is 'corrosion under isolation' (CUI) een mechanisme waar rekening mee wordt gehouden. Uit best practices blijkt dat CUI kan worden voorkomen door een koudkoolstofstalen leiding niet bloot te stellen aan temperaturen boven de -12 °C. Dit kan worden bereikt door te circuleren met koud ammoniak waarmee het leidingsysteem conform API 571 tussen -33 °C en -12 °C wordt gehouden.

Een andere best practice is dat bij het toepassen van rvs-leidingsystemen CUI wordt vermeden. Hierbij wordt in een maritieme omgeving wel rekening gehouden met uitwendige putcorrosie (pitting corrosion). Vandaar de voorwaarde om rvs 316L (voor ongeïsoleerde leidingen) of minimaal 304L (voor geïsoleerde leidingen met een dampremmende laag) toe te passen. Voordeel is dat rvs in deze configuratie wel blootgesteld mag worden aan temperatuurverschillen tussen -33 °C en de omgevingstemperatuur.

In de praktijk worden ongeïsoleerde leidingen vaak toegepast voor warme ammoniak of ammoniakgas.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
M35

Segmentering vloeistofleidingen (A+D)

Segmentatie van bovengrondse vloeistofleidingen is vereist volgens de volgende voorwaarden:

  • diameter ≤ 10”, maximale segmentlengte is 1.000 m;
  • diameter > 10”, maximale segmentlengte is conform onderstaande tabel.

Diameter (inch)

24

22

20

18

16

14

12

Diameter (mm)

600

550

500

450

400

350

300

Segment- lengte (m)

150

190

240

300

390

500

700

Productleidingen kunnen worden gesegmenteerd met behulp van de volgende technieken:

  • op afstand bediende systeemafsluiter (shut-off valve);
  • gassloten van meer dan 3 m hoog (alleen leidingen voor koude ammoniak, -33 °C).
Toelichting

Toelichting 1: Als een leiding voor koude ammoniak horizontaal of geleidelijk aflopend is, kunnen thermische expansielussen worden gebruikt als dampzakken. Het gasslot maakt de ophoping van gas mogelijk, waardoor de vloeistof van de rest van de pijpleiding niet kan ontsnappen. Leidingen voor warme ammoniak kunnen niet worden gesegmenteerd met behulp van gassloten, aangezien uitzettend gas aan de uiteinden van de pijp het grootste deel van de vloeistof uit de volledige pijpleiding zal duwen.

Toelichting 2: Het wordt ook aanbevolen om isolatiekleppen of een aangedreven systeemafsluiter (shut-off valve) te installeren op grenslocaties, zoals:

  • begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht;
  • bij binnenkomst in een procesinstallatie;
  • aan de rand van een haven of steiger, of laadfaciliteit;
  • aan het begin of einde van een pijpleidingsectie die in hoogte verandert boven het gasslot en een toegestaan gesegmenteerd volume overschrijdt (een aangedreven klep is vereist).
Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M36

Drukontlasting productleidingen bij atmosferische opslag (A)

Productleidingen die ingeblokt kunnen worden en daarbij tenminste 50 liter vloeibare ammoniak kunnen bevatten, zijn voorzien van een passende beveiliging die niet aflaat naar de atmosfeer.

Wanneer brand een reëel scenario is, zie ook M38, dan is:

  • de capaciteit van de passende beveiliging hiervoor uitgelegd; of
  • is er een tweede passende beveiliging voor het brandscenario geplaatst, die bij voorkeur een iets hogere afsteldruk heeft.

[vs 3.8.7 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Deze maatregel is gericht op thermische expansie van de ingeblokte vloeistof als gevolg van opwarming door de omgeving. In de praktijk worden de vrijkomende dampen uit de productleidingen vanuit de passende beveiliging teruggeleid naar de opslagtank en via het BOG-systeem weer gekoeld of de vrijkomende dampen worden afgevoerd naar een ammoniakgasnet voor verder gebruik.

Toelichting 2: De passende beveiliging kan bestaan uit 'thermal relief valves' (TRV's) of 'pressure relieve valves' (PRV’s).

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid
M37

Lekdetectiesysteem voor productleidingen (A+D)

Er is een detectiesysteem aanwezig voor productleidingen met een ontwerpdebiet van 20 ton/uur of meer dat zekerstelt dat in het geval van een lekkage van de productleiding deze wordt gedetecteerd, de verpomping automatisch wordt gestopt en de leiding automatisch wordt geïsoleerd (zie M35), waardoor de uitstroom stopt.

Voor de lekdetectie wordt ten minste (massa)flowmeting in en uit de productleiding toegepast, in combinatie met een van onderstaande technieken:

  • akoestische lekdetectie;
  • thermische detectie met behulp van glasvezel;
  • infrarooddetectie;
  • vibratiemetingen;
  • lokale of locatiebrede gasdetectie, zie Paragraaf 7.11.
Toelichting

Er is gekozen voor een debiet in plaats van een diameter, omdat er vanuit het scenario leidingbreuk is geredeneerd. Bij 20 ton/uur zijn zowel vloeistof en belangrijke/grote gasleidingen betrokken.

De aanwezigheid van dampbellen in de verschillende ammoniakvloeistofstromen kan leiden tot het ongewenst aanspreken van de lekdetectie. Een leiding gevuld met vloeistof en damp wordt voor inbedrijfname eerst op druk gebracht of afgekoeld, afhankelijk van de beoogde verlading onder druk (warm) of gekoelde ammoniak zodat de dampbellen worden verwijderd. Hiervoor zijn voorzieningen aanwezig. Voor een verbetering van de betrouwbaarheid van de (massa)flowmeting kan een druksensor worden toegepast. Deze heeft als doel om tijdens de opstartfase van een verlading het onnodig aanspreken van de (massa)flow lekdetectie te voorkomen. Voor het verbeteren van de betrouwbaarheid van de gehele lekdetectie is in deze maatregel daarom naast de (massa)flowmeting nog een tweede techniek met een andere meetmethode voorgeschreven.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M38

Ligging van productleidingen bij atmosferische opslag (A)

Productleidingen zijn zoveel mogelijk aangelegd in een goot om het uitdampend oppervlak te verkleinen in geval van een lekkage. Deze goot is voorzien van een hemelwaterafvoer. Op een steiger is een goot niet noodzakelijk m.u.v. de laadarm. Bij de laadarm is een aparte opvangvoorziening aanwezig.

Productleidingen en leidingen met brandbare koolwaterstoffen zijn niet gecombineerd in een goot, tenzij er aanvullende maatregelen zijn getroffen om een te hoge warmtestralingsbelasting, zie M6, te voorkomen.

Toelichting

Toelichting 1: Het constructiemateriaal van de goot is een vrije keuze (bijv. beton of aarde) zolang in aanraking met de ammoniak de beperking van de oppervlakte maar gewaarborgd blijft (en daardoor de uitdamping van ammoniak ook zo beperkt mogelijk is). Materialen die warmte toevoegen, zoals grind, zijn niet toegestaan.

Toelichting 2: Wanneer een ammoniakopslaginstallatie gebouwd wordt op een bestaande terminal voor brandbare vloeistoffen, dan kan het voorkomen dat gescheiden leidingstraten niet mogelijk zijn en er dus aanvullende voorzieningen nodig zijn, zoals een koelvoorziening zoals in M137 of een passende beveiliging zoals bedoeld in M36, die uitgelegd zijn voor het brandscenario.

Toelichting 3: Bij een nieuwe of bestaande steiger is het niet noodzakelijk een goot aan te leggen voor de opvang van ammoniak. De laadarm(en) inclusief ESD's staan dan wel in een opvangvoorziening op de steiger.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding

7.7Constructie en uitvoering opslaginstallatie bij drukopslag (D) Normatief

7.7.1Inleiding (D) Normatief

In deze paragraaf staan de eisen die gedurende de gehele levensfase aan de (re)constructie en installatie van de ammoniakopslaginstallatie voor drukopslag en toebehoren worden gesteld. De eisen met betrekking tot de periodieke keuring en controle, onderhoud en de benodigde registratiedocumentatie staan in Paragraaf 7.16.

7.7.1.1Algemene uitgangspunten voor veilig ontwerp van de ammoniakopslaginstallatie bij drukopslag (D) Normatief

Verschillende type en configuraties van drukopslagtanks

Voor de opslag van ammoniak onder druk zijn verschillende configuraties mogelijk. In Afbeelding 3 zijn drie configuraties getoond. Hierbij is de relatie zichtbaar tussen de inname en de diverse afname mogelijkheden van ammoniak zoals vanuit de gasfase, de vloeistoffase of beide. Deze configuraties zijn zowel toepasbaar voor gasbollen als voor bullet-/cilindervormige drukopslagen. 'Warme' ammoniak wordt in de PGS 12 gedefineerd (zie paragraaf 1.2) als ammoniak met een temperatuur van circa -25°C en hoger. Hiermee vallen ook de 'semi-ref opslagtanks', die onder druk opslaan maar ook beperkt gekoeld moeten worden, onder de drukopslagtanks.

Afbeelding 3Configuraties drukopslagtanks

Beschrijving van de risicomatrix van de opslag van ammoniak onder druk

Voor de opslag van ammoniak onder druk is het risico op spanningscorrosie (SCC) het belangrijkste faalmechanisme. Spanningscorrosie(SCC) treedt vooral op plekken op waar spanningen in het materiaal aanwezig zijn. Dit zijn vooral lasnaden en bijvoorbeeld tubulures, doorvoeringen en bolle bodems van horizontale cilindrische opslagtanks.

Er zijn verschillende factoren die van invloed zijn op het corrosiemechanisme van spanningscorrosie (SCC):

  • temperatuur:
    • corrosiesnelheid, propagatie;
    • condensatie van watervrije ammoniak aan binnenzijde van de drukopslagtank.
  • aanwezigheid van zuurstof in de gasfase (corrosie-initiator);
  • potentiële corrosieversnellers;
  • corrosie-inhibitors.

Om deze factoren te kunnen duiden in de verschillende toepassingen die er zijn van ammoniak onder druk, is een risicomatrix opgesteld (zieAfbeelding 4 en Tabel 3).

In de risicomatrix wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende categorieën:

Conditie gasfase:

  • geen afvoer uit gasfase, alleen vloeistofafvoer uit de vloeistoffase;
  • frequente afvoer uit de gasfase (batch-processen);
  • continue afvoer uit de gasfase.

Operationele omstandigheden (druk/temperatuur):

  • > 6 barg / > 13,9 °C;
  • 3 barg – 6 barg / -1,8 °C – 13,9 °C;
  • 0 barg – 3 barg / -33,4 °C – -1,8 °C.

De keuze voor de configuratie van een ammoniakopslag onder druk is erg afhankelijk van op welke wijze ammoniak in de vervolginstallaties wordt gebruikt. Wordt de ammoniak gasvormig of vloeibaar gebruikt in de vervolgstap en gaat het om een batchproces of een continue afname van ammoniak uit de drukopslag? Dit zijn verschillende configuraties dan wel keuzes die een effect hebben op het risico op spanningscorrosie (SCC).

Afbeelding 4Risicomatrix drukopslag ammoniak

Tabel 3Nadere uitwerking risicoklassen van de risicomatrix

Risicoklasse

Omschrijving risico

O2-verblijftijd

Maatregelen

1

O2 i.c.m. hoge mate van condensatie leidt tot een hoog risico op spanningscorrosie (SCC).

Potentiële O2- ophoping in de drukopslag

Installeren gasafvoer (dampverwerkingsinstallatie) om zuurstof verdrijving mogelijk te maken.

Installeren continue O2-meting.

2

O2 i.c.m. condensatie leidt tot een hoog risico op spanningscorrosie (SCC).

Potentiële O2-ophoping in de drukopslag

Installeren gasafvoer (dampverwerkingsinstallatie) om zuurstof verdrijving mogelijk te maken.

Installeren continue O2-meting.

3

O2-ophoping leidt tot een hoog risico op spanningscorrosie (SCC).

Potentiële O2-ophoping in de drukopslag

Installeren gasafvoer (dampverwerkingsinstallatie) om zuurstof verdrijving mogelijk te maken.

Installeren continue O2-meting.

4

O2 i.c.m. hoge mate van condensatie leidt tot een medium risico op spanningscorrosie (SCC).

Frequente O2-aanwezigheid in de drukopslag

Installeren gasafvoer (dampverwerkingsinstallatie) om zuurstof verdrijving mogelijk te maken.

Installeren continue O2-meting.

5

O2 i.c.m. condensatie leidt tot een medium risico op spanningscorrosie (SCC).

Frequente O2-aanwezigheid in de drukopslag

Installeren gasafvoer (dampverwerkingsinstallatie) om zuurstof verdrijving mogelijk te maken.

Installeren continue O2-meting.

6

O2-ophoping leidt tot een medium risico op spanningscorrosie (SCC).

Frequente O2-aanwezigheid in de drukopslag

Installeren gasafvoer (dampverwerkingsinstallatie) om zuurstof verdrijving mogelijk te maken.

Installeren continue O2-meting.

7

Hoge mate van condensatie i.c.m directe en continue verdringing van potentiële zuurstof. Laag risico op spanningscorrosie (SCC).

Kans op aanwezigheid O2 is zeer klein

Installeren continue O2-meting.

8

Condensatie i.c.m directe en continue verdringing van potentiële zuurstof. Laag risico op spanningscorrosie (SCC).

Kans op aanwezigheid O2 is zeer klein

Installeren continue O2-meting.

9

Directe en continue verdringing van potentiële zuurstof. Geen condensatie aan binnenzijde van het vat. Geen kans op spanningscorrosie (SCC).

Kans op aanwezigheid O2 is zeer klein

Geen

Risicofactoren

Temperatuur

Hoe hoger de temperatuur hoe hoger de corrosiesnelheid. Het gekoeld of gedeeltelijk gekoeld opslaan van ammoniak heeft dus als positief effect dat de corrosiesnelheid afneemt.

Het temperatuurverschil tussen dag en nacht kan een effect hebben op het temperatuurverloop in de gasfase van de drukopslag van ammoniak. Afhankelijk van de operationele temperatuur van de drukopslagtank kan bij lage buitentemperaturen condensatie optreden van ammoniak aan de binnenzijde van de drukopslag in de gasfase. Deze gecondenseerde ammoniak bevat in tegenstelling tot de vloeistoffase niet of nauwelijks water en verhoogt aanzienlijk het risico op spanningscorrosie (SCC).

Zuurstof

De aanwezigheid van zuurstof is een van de belangrijkste risicofactoren voor spanningscorrosie (SCC). Zuurstof is namelijk de initiator van spanningscorrosie(SCC). Het voorkomen dat de gasfase, en daarmee vreemde gassen zoals zuurstof en stikstof, van een transportmiddel of van een andere drukopslagtank of via een andere wijze de gasfase van een drukopslagtank bereikt, is een van de belangrijkste doelen. Vandaar dat in deze richtlijn hiertoe verschillende maatregelen zijn opgenomen en dat op verschillende installatieonderdelen een dampverwerkingsinstallatie moet worden toegepast die als doel heeft eventueel vrijkomende gassen uit het transportmiddel direct te verwerken in plaats van naar de drukopslagtank te leiden. Of deze vreemde gassen direct uit de opslagtank te verwijderen.

Potentiële corrosieversnellers

Voor het proces van spanningscorrosie(SCC) zijn er ook nog andere factoren die van invloed zijn. Deze hebben te maken met het ontwerp, materiaalkeuze en de toegepaste technieken bij de fabricage van een drukopslagtank.

Bij het ontwerp moeten spanningsconcentraties worden vermeden. Hierbij kan een FEM-analyse (eindige-elementenmethode) worden gebruikt. Met behulp van deze FEM-analyse kunnen spanningen nauwkeurig in beeld worden gebracht en zo nodig kan het ontwerp worden aangepast waarbij de spanningen evenredig worden verdeeld, wat het ontwerp verder optimaliseert.

Voor de materiaalkeuze is het van belang dat de vloeigrens van het materiaal niet te hoog mag zijn. Een materiaal met een te hoge vloeigrens is gevoeliger voor spanningscorrosie(SCC). Vandaar dat materialen als P275NL2 en P355NL2 worden gebruikt met een minimale vloeigrens tussen de 215 MPa en 355 MPa, zie M42. Omdat de vloeigrens een kritische parameter is voor spanningscorrosie(SCC) mogen materialen met vloeigrenswaarden van meer dan 390 MPa niet worden toegepast. Dit vergt enige aandacht bij het selecteren en inkopen van de te gebruiken materialen.

Voor het lasproces is de materiaalkeuze eveneens een aandachtspunt waarbij de vloeigrens van het lastoevoegmateriaal gelijk of iets hoger is dan het moedermateriaal. Daarnaast mag de hardheid van de lassen niet hoger zijn dan 225 HV, zie M42. De hardheid wordt voor en tijdens de constructie gemeten. Het lasproces wordt geoptimaliseerd door het voorverwarmen van de lassen en het spanningsarm gloeien (Post Weld Heat Treatment, PWHT) van het gehele drukvat om restspanningen als gevolg van het productieproces te verlagen. Na PWHT mogen aan de drukopslagtank geen laswerkzaamheden worden uitgevoerd.

Tijdens het productieproces worden er geen hulpstukken aan de binnenkant van het drukvat gelast. Dit om te voorkomen dat er een warmte-beïnvloede zone met eventuele hogere hardheden ontstaat. Deze zogenoemde ‘welding cleats’ worden om die reden aan de buitenzijde toegepast.

Verder zijn er nog twee technieken die kunnen worden toegepast maar in de praktijk niet tijdens de nieuwbouw van drukopslagen worden ingezet. Het gaat om ‘shot peening’, waarbij met metaal balletjes op de las wordt geschoten om de restspanningen in de las te verlagen, en het toepassen van een ‘thermal zinc sprayed cathodic protection layer’ van 200 micron dik en 50 mm breed aan beide zijde van een las, waarbij de kathodische zinklaag met een afname van 25 micron per jaar de las beschermt tegen spanningscorrosie (SCC). De las zelf is vrij van zink, hetgeen toekomstige inspectie hiervan mogelijk maakt.

Corrosie-inhibitors

Het corrosieproces van spanningscorrosie(SCC) kan worden beïnvloed door het toevoegen van > 0,2 %wt water aan de ammoniak. Water treedt op als inhibitor/corrosieremmer voor dit proces. Echter, het is altijd belangrijker om de initiatie met zuurstofintreding te voorkomen dan een corrosieremmer als water toe te voegen, omdat water geen spanningscorrosie(SCC) kan voorkomen.

Bij de condensatie van ammoniak in de gasfase speelt dit ook een rol. Door het temperatuurverschil van de buitentemperatuur en de temperatuur in de drukopslag kan condensatie optreden van waterdamp aan de buitenzijde van de drukopslagtank of van watervrije ammoniak aan de binnenzijde van de drukopslagtank. Deze condensatie van watervrije ammoniak aan de binnenzijde doet zich voornamelijk voor aan de bovenkant van de drukopslag in de gasfase. Hierdoor kan spanningscorrosie(SCC) aan de binnenkant van de drukopslagtank in de gasfase worden geïnitieerd.

Zie voor een overzicht van alle invloedsfactorenTabel 4.

Tabel 4Invloedsfactoren corrosiesnelheid

Nieuwbouw

Bestaande bouw

A

Minimale vloeigrens materiaal

355 MPa (NEN-EN 10028-3 tabel 4)

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

B

Vloeigrens lastoevoegmateriaal (elektroden)

Gelijk of iets hoger dan moedermateriaal

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

C

Voorgloeien van lassen

Optimaliseert het lasproces

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

D

Hardheid lassen

Maximaal 225 HV

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

E

PWHT (Post Weld Heat Treatment) van gehele vat

Voorkomt spanningsconcentraties en verlaagd restspanningen

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

F

Gebruik aan het vat gelaste lashulpstukken

Voorkomt warmte- beïnvloede zone ter plaatse van de positie van deze hulpstukken. Deze zgn. 'welding cleats' mogen wel worden toegepast aan de buitenzijde van het vat.

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

G

Water toevoeging > 0,2 %

Voorkomt spanningscorrosie (SCC) in de vloeistoffase

Ja

Controle en meewegen in herbeoordelingsplan conform Wbda 2016

H

Shot peening

Verlaagt restspanningen rondom de las

Optioneel

Optioneel bij SCC-indicatie

I

FEM-analyse

Bevestigd aanwezige spanningen/spanningsconcentraties

Ja

Bij SCC-indicatie: uitvoeren en inspectiemethodiek aanpassen n.a.v. eventuele spanningsconcentraties.

J

Thermal zinc sprayed cathodic protection layer

Ter voorkoming van spanningscorrosie (SCC) kan aan weerszijde van de lassen een laag thermal sprayed zinc van 200 micron dik en 50 mm breed worden aangebracht. De las is vrij van zink hetgeen toekomstige inspectie hiervan mogelijk maakt.

Nee

Optioneel bij SCC-indicatie

Configuratiekeuze drukopslagtank

Afname van ammoniak

Een drukopslagtank met afname van ammoniakdamp uit de gasfase zorgt voor een continue of discontinue afvoer van damp uit de gasfase. Bij afname van vloeibare ammoniak uit de vloeistoffase is er geen afname uit de gasfase en geen afvoer van mogelijk aanwezig zuurstof uit de drukopslagtank. Bij afname uit de gasfase wordt wel de eventueel aanwezige zuurstof in de dampfase op continue of op regelmatige basis afgevoerd. Dit levert een reductie van het risico op spanningscorrosie(SCC) op bij afname uit de gasfase, waarbij een continue afname een lager risico heeft dan discontinue afvoer.

Om het risico te beperken en zuurstofintreding te kunnen detecteren, is een zuurstofmeting voorgeschreven voor alle drie de configuraties. Bij detectie van zuurstof moet direct de gasfase worden afgevoerd naar het proces dan wel naar een dampverwerkingsinstallatie om de zuurstof te verwijderen, zie M108. Een dampverwerkingsinstallatie kan een waterscrubber zijn, maar ook een BOG-systeem met een spui voor inerten (vreemde gassen zoals stikstof) en zuurstof.

Wanneer voor het vervolgproces gasvormig ammoniak kan worden ingezet, heeft dit de voorkeur boven de inzet van vloeibare ammoniak met een afvoer uit de vloeistoffase. Een aandachtspunt is wel dat bij gasfaseafname olieophoping kan plaatsvinden onder in de drukopslagtank. Dit is met name relevant bij het uit gebruik nemen van de drukopslag voor inspectie en onderhoud, zie M104.

Operationele opslagtemperatuur/-druk

De gekozen of benodigde operationele temperatuur van de drukopslag en bijbehorende druk hebben een effect op het risico van spanningscorrosie(SCC). Hoe hoger de temperatuur/drukverhouding hoe hoger de corrosiesnelheid.

Dus een lagere operationele opslagtemperatuur dan de omgevingstemperatuur heeft een risicoreducerend effect op spanningscorrosie(SCC).

Daarnaast heeft een lagere operationele opslagtemperatuur het voordeel dat het temperatuurverschil met de buitentemperatuur wordt gereduceerd en dit reduceert weer het aantal momenten dat condensatie in de gasfase aan de binnenzijde van drukopslagtank kan optreden. Dit levert vervolgens een risicoverlaging op spanningscorrosie(SCC) in de gasfase van de drukopslagtank.

De in de riscomatrix benoemde combinatie van een lage operationele temperatuur (0 barg t/m 3 barg of -33,4 °C t/m -1,8 °C) en vloeistofafname of een batchgewijze afvoer van ammoniak uit de gasfase, is meer een theoretische beschouwing. Voor het bereiken van deze lage temperaturen is immers al een boil-offgas (BOG)-compressiesysteem nodig. Deze zorgt voor een continue afname uit de gasfase in combinatie met een spui vanuit het BOG-verwerkingssysteem naar een dampverwerkingsinstallatie voor het verwijderen van zuurstof en stikstof uit de drukopslag.

Referentie van de risicomatrix

De risicomatrix (Afbeelding 4) is gebaseerd op de studie Stress Corrosion Cracking of Ammonia Storage Spheres: Survey and Panel Discussion van Jan M. Blanken (UKF, IJmuiden), die is gepubliceerd in het artikel van de American Institute of Chemical Engineers, Inc. uit 1986. Dit betreft een samenvatting van het artikel Stress Corrosion Cracking of Ammonia Storage Spheres Proceedings of Panel discussion van Jan M. Blanken uit november 1982 en de daarbij behorende onderliggende artikelen. De studie is gebaseerd op een vragenlijst over spanningscorrosie (SCC) van 121 bolvormige tanks over de gehele wereld.

Ontwerpcriteria drukopslagtank

Reductie spanningscorrosie (SCC)

Als uitvloeisel van de genoemde risicofactoren voor spanningscorrosie(SCC) bij drukopslagtanks is een aantal maatregelen voorgeschreven, zoals volledig spanningsarm gloeien (PWHT) (M43), juiste lasmateriaal (M42) en juiste constructiemateriaal van de tankwand (M42). Daarnaast geldt voor de uitvoering van het ontwerp van een nieuwe horizontale cilindrische opslagtanks dat er maar maximaal twee oplegpunten mogen zijn om te voorkomen dat mogelijk spanningen in het materiaal van de drukopslag kunnen ontstaan als gevolg van zetting van de oplegpunten (M40). Voor bestaande drukopslagtanks is het mogelijk dat deze reductiemethoden voor spanningscorrosie(SCC) niet zijn toegepast tijdens de constructie. Wanneer dit het geval is, wordt tijdens een herbeoordelingsplan (zie M124) bepaald of aanvullende maatregelen vereist zijn. Aanvullende eisen kunnen zijn:

  • een verhoogde inspectiefrequentie;
  • aanvullende technische maatregelen in het geval van de aanwezigheid van spanningscorrosie (SCC) (shot peening of thermal zinc sprayed cathodic protection).

Het achteraf in de gebruiksfase toepassen van PWHT wordt afgeraden, dit heeft geen positief effect.

Ontwerpdruk en -temperatuur

Andere belangrijke aspecten voor de ontwerpcriteria zijn de ontwerpdruk en -temperatuur bij het ontwerpen van een nieuwe drukopslagtank van ammoniak. Hierbij zijn de randvoorwaarden (een veilig ontwerp) erop gericht dat de drukopslagtank tegen zodanige condities is bestand dat de drukveiligheden niet hoeven te worden aangesproken en de kans op een emissie van ammoniak zo klein mogelijk wordt gehouden. Hierbij geldt een minimale ontwerpdruk van 20 bar overeenkomstig met een maximale ontwerptemperatuur van +50 °C. Verder wordt ook een minimale ontwerptemperatuur van -33 °C aangehouden, omdat wanneer vloeibare ammoniak wordt geïntroduceerd in een met stikstof gevulde drukopslag, de verdamping van ammoniak naar de gasfase zorgt voor een temperatuurdaling. In aanvulling op de ontwerpcriteria voor het bestand zijn tegen een temperatuurdaling worden procedurele maatregelen voorgeschreven om altijd eerst een drukopslagtank in te gassen met ammoniakgas voordat vloeibare ammoniak wordt geïntroduceerd, zie M104. De voorwaarden van veilig ontwerp (M40) worden verder aangevuld met het bestand zijn tegen een volledig vacuüm.

Bij bestaande drukopslagtanks geldt dat bij afwijkingen ten opzichte van ontwerpcriteria (temperatuur/druk) wordt bekeken wat de consequentie hiervan is. Bijvoorbeeld bij een lagere maximale ontwerptemperatuur dan de +50 °C en ontwerpdruk van 20 bar uit M40 zijn maatregelen nodig om de drukopslag te koelen. Hierbij wordt gekeken naar de benodigde koelcapaciteit en de betrouwbaarheid van het functioneren van deze koelinstallatie (zie M40).

Capaciteit en aantal drukopslag(en)

De opslaghoeveelheid van warme ammoniak onder druk wordt in zijn algemeenheid beperkt tot de noodzakelijk benodigde hoeveelheid ten behoeve van een verwerkingsproces (chemische omzetting of verbranding). Dit vanuit het oogpunt van de gevaaraspecten van warme ammoniak onder druk. Leidend bij deze gevaarsaspecten zijn de acuut toxische eigenschappen van ammoniak (zie Bijlage E). Een ammoniakopslag van warme ammoniak van 4.000 ton heeft namelijk een vergelijkbaar invloedsgebied (1 % letaliteit) en een gifwolkaandachtsgebied (GAG) als een gekoelde atmosferische opslagtank van 50.000 ton tot 60.000 ton. Hierbij geldt dat een opslagtank voor gekoelde ammoniak een factor 100 lagere faalkans heeft dan een drukopslagtank.

Voor toepassingen van ammoniak als nieuwe waterstofdrager wordt aanbevolen om de keten van importterminal tot eindgebruiker zo te optimaliseren dat de tussenopslag onder druk zowel in de hoeveelheid opslag als in aantal opslagen beperkt blijft. Een eindgebruiker kan een ammoniakkraakinstallatie zijn die waterstof produceert of een afnemer die ammoniak direct inzet als brandstof.

Per milieubelastende activiteit voor de opslag van ammoniak onder druk geldt dat een inhoud van 1.000 ton ammoniak per drukopslagtank in maximaal twee drukopslagtanks wordt aangehouden, vanwege het gestelde in de alinea's hierboven (zie M39). Omdat vanaf een opslag van 50 ton ammoniak er al sprake is van een Seveso-inrichting geldt deze beperking daarmee ook per Seveso-inrichting. Is er sprake van een Seveso-koepelvergunning, dan geldt deze verplichting per deelinrichting. Het principe dat per Seveso-inrichting wordt gekeken naar het maximale aantal van twee drukopslagtanks van 1.000 ton per Seveso-inrichting geldt ook voor industriegebieden die in een omgevingsplan als risicogebieden externe veiligheid zijn aangewezen conform artikel 5.16 van het Bkl.

Als ondanks ketenoptimalisatie behoefte is aan meer opslagvolume, dan kan hier (M39) gemotiveerd van worden afgeweken. Hierbij geldt wel dat de Seveso-inrichting zich moet bevinden in een zeehaven met een aansluiting op de ‘hydrogen backbone’ en moet liggen binnen een aangewezen risicogebied externe veiligheid. De maximale inhoud blijft echter 1.000 ton per drukopslag om het invloedsgebied (1 % letaliteit) en het gifwolkaandachtsgebied (GAG) te beperken.

Voor het maximale volume van 2.000 ton ammoniak onder druk is gekozen omdat bijvoorbeeld het invloedsgebied (1 % letaliteit) en het gifwolkaandachtsgebied (GAG) met een afstand van 1.000 m verkleind wordt ten opzichte van een drukopslag van 4.000 ton en een gekoelde atmosferische opslag van 50.000 ton tot 60.000 ton.

Door deze hoeveelheid van 2.000 ton op te splitsen, wordt het plaatsgebonden risico tot een afstand van 1.000 meter iets verhoogd maar juist het invloedsgebied (1 % letaliteit) en het gifwolkaandachtsgebied (GAG) verder beperkt. In plaats van een GAG van 4.300 m bij een opslag van 2.000 ton wordt deze verkleind naar 3.000 m voor een opslag van tweemaal 1.000 ton. Omdat een drukopslag van ammoniak vaak terug te vinden is op een industrieterrein, is er in de 1.000 m rondom de opslaginstallatie een beperkte populatie aanwezig. Woonbebouwing is vaak op grotere afstanden terug te vinden. Vandaar dat een beperking aan de opslaghoeveelheid wordt gesteld en het aantal drukopslagen. Bij het toepassen van meer dan twee drukopslagen neemt de kans op falen ook verder toe.

Veiligheidswand en jetspray-scenario

Een drukopslagtank is een enkelwandige opslagtank zonder bescherming tegen externe impact, zoals een drukgolf, de impact van fragmenten en warmtestraling. Daarnaast is bij de drukopslag specifiek het scenario van een jetspray met een tweefase-uitstroming uit de drukopslagtank een mogelijkheid. Om de effecten van een jetspray die horizontaal uitstroomt te beperken, is een veiligheidswand vereist die de horizontale tweefase-uitstroming tegenhoudt. Daarnaast is de veiligheidswand bedoeld om bescherming te bieden tegen de benoemde externe impact van een drukgolf, de impact van fragmenten en warmtestraling. Hiermee wordt het risico op het vrijkomen van de volledige inhoud in tien minuten of instantaan verlaagd en de effecten van een dergelijk scenario van een jetspray gemitigeerd van horizontale uitstroming naar gedeeltelijke opvang en verticale uitstroming van gasvormig ammoniak. Bij het vrijkomen van ammoniak onder druk zal altijd een percentage ammoniak verdampen (ten minste 15 gew%) als gevolg van de expansie in relatie tot de drukverlaging.

M39

Maximum aan drukopslagtanks (D)

Binnen de bedrijfslocatie of inrichting vindt de opslag van ammoniak onder druk plaats onder de volgende voorwaarden:

  1. het opslaan van ammoniak vindt plaats in drukopslagtanks met een inhoud van maximaal 1.000 ton per tank;
  2. er zijn niet meer dan twee drukopslagtanks aanwezig.

In afwijking van punt 2. geldt voor bestaande situaties, en bij vervanging van bestaande drukopslagtanks, dat er meer dan twee drukopslagtanks aanwezig kunnen zijn met een totaal maximum van 2.000 ton aan opslag van ammoniak onder druk.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
OmgevingsveiligheidRampenbestrijdingBrandpreventie

7.7.2Constructie van stationaire drukopslagtanks (D) Normatief

M40

Ontwerpcriteria drukopslag (D)

Een drukopslagtank is ontworpen voor alle mogelijk voorkomende procescondities in de installatie. Hieraan is in ieder geval voldaan wanneer de drukopslagtank is ontworpen voor de volgende condities:

  1. volledig vacuüm;
  2. een druk van ten minste 20 bar;
  3. een minimale ontwerptemperatuur van -33 °C of lager;
  4. een maximale ontwerptemperatuur van +50 °C of hoger.

Aanvullend wordt spanning in de drukopslagtank als gevolg van het ontwerp van de ondersteunende constructie/fundering zoveel mogelijk voorkomen. Hieraan is in ieder geval voldaan als bij horizontale cilindrische drukopslagtanks maximaal twee oplegpunten aanwezig zijn.

Voor bestaande drukopslagtanks voor ammoniak die niet voldoen aan de minimale ontwerptemperatuur van -33 °C, geldt M42.

Als de ontwerpeisen van een bestaande drukopslagtank afwijken van een of meerdere van de ontwerpcondities A. t/m D., dan is de drukopslagtank beveiligd met een drukbeveiligingsloop met minimaal SIL 1-classificatie conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, om te voorkomen dat de druk te hoog wordt en drukontlastkleppen opengaan.

Toelichting

Toelichting 1: Omdat gekoelde ammoniak een temperatuur van -33 °C kan hebben is deze waarde gesteld als ondergrens.

Toelichting 2: Met maximaal twee oplegpunten worden spanningen in de horizontale cilindrische drukopslagtank, ten gevolge van zettingen in de fundatie van een oplegpunt, vermeden.

Toelichting 3: In de praktijk betekent dit dat bij een bestaande drukopslagtank met een maximale ontwerptemperatuur lager dan 50 °C een koelsysteem of drukregeling wordt toegepast.

Toelichting 4: De ontwerpnormen voor nieuwe drukopslagtanks zijn de NEN-EN 13445-reeks.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M41

Dedicated-uitvoering van installatie bij drukopslag (D)

De volledige ammoniakinstallatie voor drukopslag, inclusief alle leidingen en toebehoren, is 'dedicated' uitgevoerd, zodat er geen menging of reactie met andere stoffen plaats kan vinden, m.u.v. het corrigeren van het watergehalte met demiwater of aqua ammonia.

Toelichting

Het corrigeren van het watergehalte kan met aqua ammonia of demiwater. Bij warme ammoniak onder druk is het risico op versnelde drukopbouw als gevolg van het toevoegen van water kleiner dan bij atmosferische opslag.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M42

Constructiemateriaal bij drukopslag (D)

Spanningscorrossie (SCC) als gevolg van een verkeerde keuze van het constructiemateriaal wordt voorkomen.

Aan deze maatregel is in ieder geval voldaan als bij de keuze van de constructiematerialen voor drukopslagtanks alle volgende voorwaarden worden nageleefd:

  1. het materiaal heeft een minimale vloeigrens volgens NEN-EN 10028-3, tabel 4. Afhankelijk van de nominale dikte en de staalsoort ligt deze vloeigrens tussen de 215 MPa en 355 MPa. De bijbehorende toegestane staalsoorten zijn P275NL2 en P355NL2;
  2. er is een lastoevoegmateriaal gebruikt met een sterkte (vloeigrens) gelijk aan of net boven die van het plaatmateriaal;
  3. de lashardheid is gecontroleerd en is niet hoger dan 225 HV.

Als de drukopslagtank geheel vervaardigd is uit rvs dan zijn de eisen uit A. t/m C. niet van toepassing.

Voor bestaande drukopslagtanks die reeds geconstrueerd zijn op basis van de voorlopers van P275NL2 en P355NL2 geldt dat afwijkingen van de minimale vloeigrenzen zijn meegewogen in het herbeoordelingsplan zoals bedoeld in M124. Ditzelfde geldt voor het gebruikte lastoevoegmateriaal.

De lasmethode is in overeenstemming met de desbetreffende ontwerpnorm of NEN-EN-ISO 15614-1.

De lasuitvoering is in overeenstemming met de goedgekeurde lasmethode en gebeurt door lassers gekwalificeerd conform de NEN-EN-ISO 9606-reeks.

Toelichting

Toelichting 1: De constructiematerialen worden bepaald conform de PED. In deze maatregel is aangegeven wanneer daar in ieder geval aan is voldaan.

Toelichting 2: Tijdens de constructie worden verschillende lasmaterialen gebruikt. Deze kunnen een aanzienlijk hogere vloeigrens hebben dan het basismateriaal. De compatibiliteit van de rekgrens van het basismateriaal met die van het lasmateriaal is een belangrijke factor bij spanningscorrosie onder ammoniakcondities. Het heeft de voorkeur lasmaterialen te kiezen die een gelijke vloeigrens hebben als het basismateriaal om spanningsverschillen te voorkomen. Warmtebehandeling na het lassen van alle tubulures en mangaten kan verdere spanningsconcentraties voorkomen. Het gebruik van materiaal met een te hoge vloeigrens leidt tot te veel spanningen in het materiaal, waardoor er een verhoogde kans is op spanningscorrosie (SCC). Voor de toegestane koudebestendige staalsoorten P275NL2 en P355NL2 gelden minimale vloeigrenzen volgens NEN-EN 10028-3, tabel 4. Een maximale vloeigrens is in deze norm niet bepaald, echter wordt een vloeigrens van meer dan 390 MPa zoveel mogelijk vermeden bij de constructie van nieuwe drukopslagtanks.

Toelichting 3: Rvs is ongevoelig voor spanningscorrosie (SCC) als gevolg van ammoniakcondities.

Toelichting 4: Het materiaal dat toegepast is bij bestaande drukopslagtank(s), betreft voorlopers van de huidig voor geschreven materialen P275NL2 en P355NL2. De bijbehorende vloeigrenzen van de in het verleden toegepaste materialen kunnen de waarde van 390 MPa overschrijden. Ook voor het lastoevoegmateriaal geldt dat de lashardheid iets hoger kan zijn dan de genoemde 225 HV voor nieuwbouw. Voor bestaande drukopslagtanks geldt dat de hardheid niet kan worden gemeten zolang de tank in gebruik is. Voor zowel de vloeigrens als het gebruikte lastoevoegmateriaal geldt dat dit in het herbeoordelingsplan zoals bedoeld in M124 is meegewogen.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M43

Spanningsarm gloeien/PWHT bij drukopslag (D)

Het optreden van residuele lasspanningen wordt zoveel mogelijk voorkomen.

Aan deze maatregel is in ieder geval voldaan als:

  1. de drukopslagtank volledig spanningsarm is gegloeid (PWHT);
  2. er geen gelaste montagehulpstukken (welding cleats) aan de binnenzijde van de drukopslagtank zijn toegepast. Deze zijn, indien nodig, aan de buitenzijde aangebracht.

Deze maatregel geldt niet voor bestaande drukopslagtanks.

Toelichting

Het spanningsarm gloeien van drukopslagtanks gebeurt na het afronden van de constructie. Op locatie gebeurt dit met een warmtebehandeling van de drukopslagtank. Bij externe productie gebeurt dit meestal in een oven. Gelaste montagehulpstukken zijn aan de binnenzijde van de drukopslagtank niet toegestaan in verband met het introduceren van spanningen in het materiaal en materiaaldeformatie.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M44

Veiligheidswand bij drukopslag (D)

De drukopslagtank is voorzien van een veiligheidswand die een minimale hoogte heeft van 1 m boven het hoogste punt van de drukopslagtank. De veiligheidswand is bedoeld om de omgeving te beschermen tegen een jetspray waarbij een wolk van ammoniakdamp en aerosolen horizontaal kan uitstromen.

De veiligheidswand vormt samen met de vloerconstructie onder de drukopslagtank een vloeistofdichte opvangvoorziening voor de uitstromende ammoniak bij een lekkage waarbij door verdamping ammoniak condenseert en lage temperaturen worden bereikt.

De veiligheidswand beschermt daarnaast tegen externe invloeden, zoals een drukgolf, impact van fragmenten of warmtestralingsbelasting, en is bestand tegen koudebelasting.

Deze veiligheidswand biedt daartoe minimaal bescherming tegen:

  1. een statische drukbelasting van 0,3 bar gedurende 300 ms;
  2. een impact van projectielen/fragmenten, zoals een afsluiter van 150 kg met een snelheid van 50 m/s en een impactoppervlakte met een diameter van 0,25 m, loodrecht op de wand;
  3. een warmtestralingsbelasting van 10 kW/m² veroorzaakt door brand van omliggende installatieonderdelen (o.a. brand/fakkel van de uitlaat van een ontlastklep, tankbrand van de dichtstbijzijnde tank, affakkelscenario op de terminal).

Wanneer een drukopslagtank vanuit het constructief ontwerp zelfstandig bestand is tegen de drukgolf (A.) en/of impact van fragmenten (B.), dan hoeft de veiligheidswand niet aan de hiervoor gestelde eisen genoemd onder A. en/of B. te voldoen. Voor de invulling van de bescherming tegen de warmtestralingsbelasting (zoals hiervoor bedoeld onder C.), zie M6.

De veiligheidswand is tot het maximale niveau van vloeibare ammoniak dat wordt bereikt bij het leegstromen van de drukopslagtank ook bestand tegen een koudebelasting van -33 °C .

Leidingdoorvoeringen door de veiligheidswand onder het maximale niveau van vloeibare ammoniak dat wordt bereikt bij het leegstromen van de drukopslagtank, zijn vloeistofdicht afgewerkt en bestand tegen de koudebelasting van -33 °C.

De minimale afstand tussen veiligheidswand en drukopslagtank die wordt aangehouden is afhankelijk van de ruimte die nodig is om uitwendige inspecties uit te voeren.

In nieuwe situaties zijn ten minste twee vluchtroutes aanwezig om buiten de veiligheidswand te komen. Voor bestaande situaties kan hiervan worden afgeweken op basis van een RI&E.

Voor bijvoorbeeld de inspectie van de drukopslagtank zijn mangaten en/of deuren onder het maximale niveau van vloeibare ammoniak in de veiligheidswand toegestaan, mits deze bestand zijn tegen bovengenoemde externe invloeden en vloeistofdicht zijn.

Een bestaande drukopslagtank is/wordt voorzien van een veiligheidswand die een minimale hoogte heeft van 1 m boven het hoogste punt van de drukopslagtank. De veiligheidswand is bedoeld om de omgeving te beschermen tegen een jetspray waarbij een wolk van ammoniakdamp en aerosolen horizontaal kan uitstromen.

De veiligheidswand biedt naast bescherming tegen het jetspray scenario ook minimaal bescherming tegen externe invloeden, vertaald in de eisen hiervoor genoemd onder A. t/m C.

Voor een bestaande drukopslagtank geldt, net als voor een nieuw te bouwen drukopslagtank, dat wanneer een drukopslagtank vanuit het constructief ontwerp zelfstandig bestand is tegen de drukgolf (A.) en/of impact van fragmenten (B.) dat de veiligheidswand dan niet aan de hiervoor gestelde eisen genoemd onder A. en/of B. hoeft te voldoen. Voor de invulling van de bescherming tegen de warmtestralingsbelasting (zoals hiervoor bedoeld onder C.) wordt verwezen naar M6.

Wanneer een bestaande drukopslagtank niet bestand is tegen het drukgolfscenario genoemd onder A., het externe impactscenario genoemd onder B. of de warmtebelasting genoemd onder C., wordt onderzocht of in de bestaande situatie een dergelijk scenario van een drukgolf, externe impact of warmtebelasting mogelijk is. Als een of meerdere van de scenario’s mogelijk is, en er voor het (de) betreffende scenario(s) mitigerende maatregelen worden getroffen, wordt bij het treffen van maatregelen de volgende prioriteitsvolgorde gehanteerd:

  1. maatregelen bij de bron van het scenario;
  2. het afschermen van de drukopslagtank met een aparte constructie tegen de drukgolf, en/of externe impact en/of warmtebelasting.

Als er bij een bestaande drukopslagtank geen scenario met drukgolf (A.), externe impact (B.) of warmtebelasting (C.) mogelijk is, zijn er geen verdere maatregelen zoals hiervoor bedoeld onder punt 1. en 2. noodzakelijk. De voorwaarde dat de veiligheidswand bescherming biedt tegen het jetspray-scenario blijft onverminderd van toepassing.

Bij veranderingen binnen of in de omgeving van de Seveso-inrichting of locatie waar de milieubelastende activiteit van de bestaande drukopslagtank wordt uitgevoerd, voert de vergunninghouder van de activiteit een analyse uit of er wijzigingen zijn met betrekking tot de conclusie dat een of meerdere scenario’s niet mogelijk is/zijn. Wanneer blijkt dat een scenario zich wel kan voordoen, dan treft de vergunninghouder van de milieubelastende activiteit van de drukopslagtank mitigerende maatregelen conform de hiervoor genoemde prioriteitsvolgorde voor mitigerende maatregelen.

Vergunninghouder van de milieubelastende activiteit van de bestaande drukopslagtank informeert in dat geval het bevoegd gezag omgevingsvergunning over de gewijzigde conclusie naar aanleiding van de uitgevoerde analyse en stuurt ter goedkeuring een plan van aanpak toe voor de te treffen mitigerende maatregelen.

[vs 3.6.2 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Het maximale vloeistofniveau van vloeibare ammoniak in de opvangvoorziening wordt berekend met de maximale vulgraad van de drukopslagtank minus de flash (berekend met het nationale rekenmodel externe veiligheid) bij 10 °C en het beschikbare volume van de opvangvoorziening. Doelstelling is om het uitdampend oppervlak zoveel mogelijk te beperken.

Toelichting 2: De ruimte tussen drukopslagtank en veiligheidswand wordt volgens de Arbeidsomstandighedenwet gezien als een besloten ruimte. Dit is met name relevant bij onderhouds- en inspectiewerkzaamheden. Hierbij wordt er gewerkt conform de Arbeidsomstandighedenwet en wordt er onder meer een risicoanalyse uitgevoerd.

Toelichting 3: Voor een bestaande drukopslagtank waarbij een of meerdere scenario’s zich niet kunnen voor doen en de veiligheidswand ook geen bescherming biedt tegen het (de) betreffende scenario(s), geldt dat (bij wijzigingen in de omgeving) de verplichting om mitigerende maatregelen te nemen bij de vergunninghouder van de milieubelastende activiteit van de drukopslagtank ligt. Let hierbij op dat dit ook betrekking heeft op wijzigingen buiten de Seveso-inrichting of de locatie waar de milieubelastende activiteit van de bestaande drukopslagtank plaatsvindt. De verantwoordelijkheid om zeker te stellen dat een scenario met drukgolf (A.), externe impact (B.) of warmtebelasting (C.) niet mogelijk is, ligt bij de vergunninghouder van de milieubelastende activiteit van de drukopslagtank.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M45

Afwerking en isolatie bij drukopslag (D)

Als er thermische isolatie is toegepast zoals bedoeld in M6, voldoet het toegepaste isolatiesysteem aan de volgende eisen:

  • het materiaal is onbrandbaar volgens NEN 6064;
  • het materiaal draagt niet bij aan brandvoortplanting volgens NEN-EN 13501-1.

[vs 3.6.8 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
7.7.2.1Instrumentatie en beveiligingssystemen bij drukopslag (D) Normatief
M46

Instrumentatie en beveiliging bij drukopslag (D)

Aan de volgende minimumvoorwaarden is voldaan:

  • de geïnstalleerde instrumentatie en beveiligingen garanderen een veilige en betrouwbare inbedrijfstelling, werking en buitenbedrijfstelling van de drukopslagtank, en ook een veilig en betrouwbaar onderhoud. Er is voor druk en niveau voldoende redundantie ingebouwd, zie ook M50;
  • de instrumentatie en beveiligingen worden onderhouden tijdens het in bedrijf zijn van de drukopslagtank;
  • de drukopslagtank is voorzien van instrumentatie voor het meten van relevante parameters in de drukopslagtank. Minimaal zijn dit: druk, zuurstof (gasfase), temperatuur en niveau. Voor de niveaumeting geldt dat deze dubbel is uitgevoerd met twee onafhankelijke methoden van niveaumeting. Deze metingen worden weergegeven in de bedieningsruimte of anderszins zichtbaar gemaakt voor de operator voor het gestelde in M96 enM103. De zuurstofmeting kan achterwege blijven als er sprake is van risicoklasse 9 zoals bedoeld in Tabel 3;
  • de voedingsleiding naar de drukopslagtank is voorzien van een temperatuurmeting en een vooralarm. Deze meting wordt weergegeven in de bedieningsruimte of anderszins zichtbaar gemaakt voor de operator.

Voor een bestaande drukopslagtank is het meten van de temperatuur geen vereiste als het noodzakelijk is om constructieve veranderingen door te voeren aan de drukopslagtank om dit te realiseren.

Als de drukopslagtank is vervaardigd uit rvs, is zuurstofmeting niet van toepassing.

Toelichting

Bij bestaande drukopslagtanks is het niet mogelijk om spanningsarm een nozzle of doorvoering aan de drukopslagtank aan te brengen. In het geval van een bestaande situatie kan een extra doorvoering door het mangat om een zuurstof- of temperatuursmeting te realiseren een mogelijkheid zijn (zie M53). Voor de zuurstofmeting is het ook mogelijk om, indien aanwezig, in de afvoer van de gasfase een zuurstofmeting te realiseren.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M47

Hoogniveaubeveiliging bij drukopslag (D)

Naast de onafhankelijke overvulbeveiliging uit M48 en de beheersing van de opslagcondities uit M103 is een hoogniveaubeveiliging aanwezig met een vooralarm dat in werking treedt voordat de onafhankelijke overvulbeveiliging uit M48 ingrijpt.

Het vooralarm zorgt voor een akoestisch en/of visueel signaal in de controlekamer. De hoogniveaubeveiliging stopt de toevoer naar de drukopslagtank bij het niveau zoals bedoeld in M109.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M48

Instrumentele beveiligingen bij drukopslag (D)

Een drukopslagtank is minimaal voorzien van de volgende, onafhankelijke, instrumentele beveiligingen:

  • een onafhankelijke overdrukbeveiliging die beschermt tegen een te warme flow in de drukopslagtank met ten minste een SIL 1-classificatie, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, die de toevoer naar de drukopslagtank bij de inlaat van de drukopslagtank stopt. Dit gebeurt in combinatie met het automatisch stoppen (trippen) van de toevoer/verlading. Signalering vindt plaats op basis van drukmetingen in de opslagtank. De afstelling is zodanig dat voorkomen wordt dat de drukontlastkleppen aangesproken worden, zie M49;
  • een onafhankelijke overvulbeveiliging met ten minste een SIL 2-classificatie, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, die de toevoer naar de drukopslagtank bij de inlaat van de drukopslagtank stopt zodra het maximale volume is bereikt, zoals aangegeven in M109. Signalering van het volume vindt plaats op basis van niveaumetingen. Als er continue afvoer via een procesuitlaat in de gasfase aanwezig is, waardoor er een minder ernstig gevolgscenario ontstaat dan het uittreden van ammoniak (via de drukontlastkleppen) naar de buitenlucht, kan een uitzondering gemaakt worden op het SIL 2-niveau van de overvulbeveiliging. In dat geval wordt het SIL-niveau bepaald door de uitkomst van een SIL- of LOPA-studie.

Voor de hierboven voorgeschreven onafhankelijke beveiligingen gelden de volgende voorwaarden:

  • De genoemde SIL-classificatie geldt voor de gehele beveiligingsloop van de genoemde beveiliging.
  • De genoemde SIL-classificatie, corresponderend met een RRF (risco reductie factor) van 100 voor SIL 2, kan ook gerealiseerd zijn door een combinatie van verschillende beveiligingsloops conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks.
  • Bij de SIL-verificatie wordt rekening gehouden met de sluitingstijden van afsluiters.
Toelichting

Toelichting 1: Bij vloeistofuittrede via de drukontlastkleppen als gevolg van overvullen zal de snelheid laag zijn en het verspreidingsgebied van ammoniak daardoor groot.

Bij gasuitstroming als gevolg van overdruk is de uittredesnelheid echter groot en het verspreidingsgebied op grondniveau (op basis van berekeningen van de LBW-waarde) klein. In het kader van de bedrijfsbrandweeraanwijzing (Art. 31 Wvr) zal ook de AGW-waarde worden beschouwd.

Toelichting 2: Omdat het realiseren van een SIL 2-classificatie een uitdaging kan zijn in de uitvoering, is het toegestaan om de bij behorende RRF te realiseren als een combinatie van twee SIL 1-beveiligingsloops.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M49

Drukontlastkleppen bij drukopslag (D)

De drukopslagtank is voorzien van drukontlastkleppen die afvoeren naar de buitenlucht, waarbij de afvoer van de veiligheden zo zijn gesitueerd dat deze op een veilige locatie (safe location) afblazen zoals aangegeven in API 521.

Toelichting

Het aflaten naar een ammoniakgasnet voordat de drukontlastkleppen worden aangesproken, heeft de voorkeur.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M50

Redundantie i.v.m. onderhoud bij drukopslag (D)

In aanvulling op M49 is er ten minste één extra overdrukontlastklep geïnstalleerd voor onderhouds- en inspectiedoeleinden. Deze extra overdrukontlastklep is zo geplaatst dat, als er één veiligheid wordt verwijderd voor onderhoud, de beveiliging van de drukopslagtank gewaarborgd blijft.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M51

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerpcondities bij drukopslag (D)

Wanneer beveiligingen zoals bedoeld in M47, M48 enM49 en, indien van toepassing, M40, M55 en M109 worden aangesproken, dan wordt dit beschouwd als een ongewenste gebeurtenis en als zodanig door het bedrijf geregistreerd en geanalyseerd (incidentonderzoek naar oorzaak en gevolg, inclusief maatregelen ter voorkoming).

Wanneer buiten de ontwerpcondities (temperatuur en druk) of procescondities (zuurstofgehalte > 250 ppm in de gasfase zoals bedoeld in M108) van een tank is geopereerd, dan wordt dit beschouwd als een ongewenste gebeurtenis en als zodanig door het bedrijf geregistreerd en geanalyseerd (incidentonderzoek naar oorzaak en gevolg, inclusief maatregelen ter voorkoming van het incident en/of mitigatie van de gevolgen), en wordt deze analyse beoordeeld door een NL-CBI, NL-KVG of IVG.

Toelichting

Het betreft hier zogenoemde kritische en/of veiligheidskritische beveiligingen, zoals bijvoorbeeld een onafhankelijke overvulbeveiliging.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
7.7.2.2Aarding en bliksembeveiliging bij drukopslag bij drukopslag (D) Normatief
M52

Aarding en bliksembeveiliging bij drukopslag (D)

Bij de drukopslag is een doelmatige bliksembeveiliging aanwezig.

De drukopslag is geaard met aardelektroden waarvan de aardverspreidingsweerstand niet meer dan 2,5 Ohm bedraagt. De onderdelen voor de aansluiting van de aardelektroden zijn van rvs, delen van koper zijn tegen aantasting door ammoniak beschermd. De aarding voldoet aan NPR 1014 en NEN-EN-IEC 62305-3.

[vs 3.6.9 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De noodzaak voor bliksembeveiliging en de bijbehorende minimaal vereiste beveiligingsklasse kunnen worden bepaald met een risicoanalyse volgens de NEN-EN-IEC 62305reeks.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.7.3Leidingen, aansluitingen en toebehoren bij drukopslagtanks Normatief

Op leidingen, aansluitingen en toebehoren met een druk > 0,5 bar ten opzichte van de atmosferische druk is het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 van toepassing. De maatregelen uit deze paragraaf zijn aanvullend op het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016.

7.7.3.1Aansluitingen op de drukopslagtank Normatief

Naast de opgenomen maatregelen in deze paragraaf isM33, voor atmosferische opslagtanks, ook van toepassing op drukopslagtanks.

M53

Locatie van aansluitingen bij drukopslag (D)

Voor drukopslagtanks zijn alle aansluitingen (in- en uitlaten voor het afvoeren van de damp, de veiligheidstoestellen en andere toestellen en instrumenten) via de bovenkant van de drukopslagtank gemaakt.

In afwijking op voorgaande verplichting om alleen doorvoeringen via de bovenkant van de drukopslagtank te maken, is een bodemuitlaat voor de afvoer van vloeibare ammoniak uit de drukopslagtank en een drain (zie M54) toegestaan.

Alle vulaansluitingen zijn voorzien van een terugslagklep, tenzij additionele voorzieningen een gelijkwaardig niveau van beveiliging bieden.

Alle afnameleidingen met een ontwerpdebiet ≤ 20 ton/uur zijn direct aan of in de drukopslagtank voorzien van een doorstroombegrenzer of instrumentele beveiliging. Zie M37 voor productleidingen met een ontwerpdebiet > 20 ton/uur. Voor de instrumentele beveiligingen voor afname uit de vloeistoffase, zie M55.

Alle aansluitingen op de drukopslagtank zijn voorzien van een handafsluiter. Deze is bedoeld om onderhoud uit te kunnen voeren aan instrumentarium en onderdelen van de drukopslagtank. Uitgezonderd hierop zijn aansluitingen voor instrumentarium met een fysieke constructie die de drukopslagtank ingaat. Denk hierbij aan: temperatuurmeetkabel (multi-spot temperature sensor), liquifant, servo, enz.

[vs 3.6.4, 3.6.5 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Een aansluiting aan de bovenzijde van de drukopslagtank verkleint de kans op vloeistoflekkage.

Toelichting 2: Bij bestaande drukopslagtanks is het niet mogelijk om spanningsarm een nozzle of doorvoering aan de drukopslagtank aan te brengen. In het geval van een bestaande situatie kan een extra doorvoering door het mangat om een zuurstof- of temperatuurmeting te realiseren een mogelijkheid zijn.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M54

Drainaansluitingen bij drukopslag (D)

Voor het geheel leegmaken van de drukopslagtank is een drain door de bodem van de drukopslagtank toegestaan (zie M53).

Deze drainaansluiting is vanuit het oogpunt van robuustheid voor nieuwe drukopslagtanks gelijk aan DN 50 (2 inch). De drainleiding is afgesloten met een afsluiter met lock en een blindplaat.

Toelichting

Voor het leegmaken van een drukopslagtank is een drain vereist om de laatste vloeistof te kunnen verwijderen. In het geval van een bodemaansluiting, kan de drain op deze leiding worden aangebracht om het aantal doorvoeringen in de vloeistoffase te minimaliseren.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M55

Voorkomen vloeistofuitstroom bij drukopslag (D)

Bij afname van ammoniak uit de vloeistoffase geldt, in aanvulling op M48, dat:

  • minimaal één handafsluiter is geplaatst tegen de tankwand van de drukopslagtank aan;
  • twee automatische veiligheidsafsluiters (ESD-afsluiters) na de handafsluiter zijn geplaatst, waarvan de eerste veiligheidsafsluiter binnen de veiligheidswand zo dicht mogelijk achter de handafsluiter is geplaatst.

Zie Afbeelding 5 voor een toelichting.

Afbeelding 5Leidingdoorvoer van veiligsheidswand bij drukopslagtank

De handafsluiter is bedoeld om inspectie en onderhoud aan de automatische veiligheidsafsluiters (ESD-afsluiters) mogelijk te maken.

De automatische veiligheidsafsluiters (ESD-afsluiters) worden geïnitieerd door de leidingbreukdetectie in de afnameleiding van de drukopslagtank. De leidingbreukdetectie is gebaseerd op wegval van druk in de afnameleiding als gevolg van een leidingbreuk.

Deze beveiligingsloop voldoet aan SIL 2 conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks. De beveiligingsloop wordt getest volgens de testfrequentie van de SIL 2-beveiligingsloop. De genoemde SIL 2-classificatie correspondeert met een RRF (risco reductie factor) van 100 en kan ook gerealiseerd zijn door een combinatie van verschillende beveiligingsloops conform deNEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks. Bij de SIL-verificatie wordt rekening gehouden met de sluitingstijden van afsluiters.

Aanvullend op de beveiligingsloop op basis van leidingbreukdetectie wordt gasdetectie ingezet als alarmeringsfunctie die in combinatie met camerabewaking kan leiden tot een handmatige activatie van de noodstop van de veiligheidsafsluiters (ESD-afsluiters).

[vs 3.6.6 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Naast de geautomatiseerde beveiliging op basis van leidingbreukdetectie wordt ook gasdetectie voorgeschreven. Daar in de praktijk de ervaring van gasdetectie en alarmering regelmatig resulteert in onjuiste alarmering, wordt met cameradetectie voor het visualiseren van vrijgekomen gasvormig ammoniak een betrouwbaarheidstap ingevoerd waarop een operator de noodstop kan activeren.

Toelichting 2: Omdat het realiseren van een SIL 2-classificatie een uitdaging kan zijn in de uitvoering, is het toegestaan om de bij behorende RRF te realiseren als een combinatie van twee SIL 1-beveiligingsloops.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M56

(Nood)voorziening legen opvangvoorziening van veiligheidswand bij drukopslag (D)

Een drukopslagtank heeft een veiligheidswand conform M44 om in het geval van een calamiteit waarbij de drukopslagtank faalt, het scenario van een jetspray wordt beperkt. Hierbij ontstaat een vloeistofplas van koudkokende ammoniak. Naast dat de veiligheidswand en opvangvoorziening bestand zijn tegen het opvangen van deze koude ammoniakvloeistof, zie M44, is een doorvoering door de onderkant van de veiligheidswand/opvangvoorziening gerealiseerd (maximale diameter DN 100 (4 inch) voor het afvoeren van vloeibare ammoniak. Deze doorvoering is voorzien van een afsluiter met een blindplaat. Binnen de begrenzing van de milieubelastende activiteit zijn pompen en slangen aanwezig om in een dergelijke situatie de ammoniak naar een transportmiddel of andere opslagtank te verpompen.

Voor het afvoeren van regenwater uit de opvangvoorziening van de veiligheidswand naar het procesriool is een afvoer aanwezig die met een afsluiter standaard gesloten is. Het openen van de afsluiter en de afvoer van regenwater vindt plaats na een visuele en pH-controle.

[vs 3.6.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

In het noodplan (M128) is aangegeven hoe in dergelijke gevallen omgegaan wordt met de wijze van afvoer van de opgevangen vloeibare ammoniak.

De afvoer van regenwater is in overeenstemming met de geldende lozingsvoorwaarden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
7.7.3.2Constructie van productleidingen bij drukopslag (D) Normatief

Naast de maatregelen die in deze paragraaf zijn opgenomen, zijn M34, M35 en M37 uit Paragraaf 7.6.3.2 voor atmosferische opslagtanks onverkort van toepassing op drukopslagtanks.

M57

Drukontlasting productleidingen bij drukopslag (D)

Productleidingen die ingeblokt kunnen worden en daarbij tenminste 50 liter vloeibare ammoniak kunnen bevatten, zijn voorzien van een passende beveiliging die niet aflaat naar de atmosfeer.

Wanneer brand een reëel scenario is, zie ook M58, dan is:

  • de capaciteit van de passende beveiliging hiervoor uitgelegd; of
  • is er een tweede passende beveiliging voor het brandscenario geplaatst, die bij voorkeur een iets hogere afsteldruk heeft.
Toelichting

Toelichting 1: Deze maatregel is gericht op thermische expansie van de ingeblokte vloeistof als gevolg van opwarming door de omgeving.

Toelichting 2: De passende beveiliging kan bestaan uit 'thermal relief valves' (TRV's) of 'pressure relieve valves' (PRV’s).

Toelichting 3: In de praktijk worden de dampen die via de passende beveiliging worden afgelaten teruggevoerd naar de opslagtank of een aanwezig ammoniakgasnet.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie
M58

Ligging van productleidingen bij drukopslag (D)

Productleidingen en leidingen met brandbare koolwaterstoffen zijn niet gecombineerd in een goot, tenzij er aanvullende maatregelen zijn getroffen om een te hoge warmtestralingsbelasting (zie M6) te voorkomen.

Toelichting

Wanneer een ammoniakopslaginstallatie gebouwd wordt op een bestaande terminal voor brandbare vloeistoffen, dan kan het voorkomen dat gescheiden leidingstraten niet mogelijk zijn en er dus aanvullende voorzieningen nodig zijn, zoals een koelvoorziening zoals in M137 of een passende beveiliging conform M57, die uitgelegd zijn voor het brandscenario.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding

7.8Constructie en uitvoering van laad- en losinstallatie (A+D) Normatief

De laad-/losinstallatie is drukapparatuur en voldoet aan de PED (bij nieuwbouw) en het Wbda 2016 (in de gebruiksfase). De maatregelen uit deze paragraaf zijn aanvullend op het PED en Wbda 2016.

Deze paragraaf is zowel van toepassing op de koude verlading als de warme verlading (warmer dan -25°C) van ammoniak (zie ook Paragraaf 1.2).

Het verladen kan vanuit een drukopslagtank of een gekoelde atmosferische opslagtank plaatsvinden naar alle transportmodaliteiten (tankwagen, spoorketelwagon of schip) . Vanuit een gekoelde atmosferische opslagtank kan zowel koud als warm worden verladen, alleen bij warme verlading is dan een warmtewisselaar noodzakelijk. Het vullen van een gekoelde atmosferische opslag vindt meestal plaats vanuit gekoelde (zee)schepen. Warme ammoniak kan door afkoeling met een flashvat dan weer koud naar een gekoelde atmosferische opslagtank worden gebracht. Een drukopslagtank wordt meestal met warme ammoniak beladen.

7.8.1De laad- en losplaats (A+D) Normatief

M59

Veilig ontwerp laad-/losinstallatie (A+D)

De laad-/losinstallatie is zo ontworpen dat de kans op menselijke fouten tijdens het aankoppelen en afkoppelen van een transportmiddel en tijdens de verlading wordt geminimaliseerd.

Toelichting

Dit kunnen voorzieningen zijn zoals verschillende aansluitingen van de damp- en vloeistofleiding, een 'dedicated' installatie/systeem, enz.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M60

Laad- en losplaats – afstand tot erfscheiding en openbare weg (A+D)

De afstand van de laad- of losplaats tot de erfscheidingen en openbare wegen is minimaal 15 m. Wanneer de erfscheiding door water wordt gevormd, mag deze 15 m met de breedte van het water, met een maximum van 10 m, worden verminderd, afhankelijk van de situatie.

[vs 4.1.5, vs 4.2.4 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M61

Laad- en losplaats tankwagen (A+D)

Het laden en lossen van een tankwagen met ammoniak vindt plaats op een hiervoor aangegeven deel van het terrein. De tankwagen is opgesteld op een gemarkeerd weggedeelte aangesloten op een procesriool, zie ook M73, dat tijdens het laden of lossen uitsluitend voor dit doel wordt gebruikt.

Bij aanwezigheid van een tankwagen is dit weggedeelte afgesloten voor ander verkeer door slagbomen of een andere geschikte afsluiting.

[vs 4.1.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M62

Laad- en losplaats tankwagens – afschermen van doorgaand verkeer (A+D)

De laad- en losplaats is aan een eigen weg gelegen. Wanneer zich op een afstand van 10 m of minder een andere (doorgaande) weg bevindt, is de laad- en losplaats door een vangrail, schampmuur of een andere adequate afscherming beschermd. De afscherming is bestand tegen een mogelijke impact als gevolg van de verkeerssituatie op de aangrenzende weg. De minimumafstand van de laad- en losplaats tot die weg is 2,5 m.

[vs 4.1.2 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Om een aanrijding te voorkomen tussen bijvoorbeeld trein en tankwagen geniet het de voorkeur om de verlading naar het type modaliteit te scheiden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M63

Laad- en losplaats spoorketelwagon (A+D)

Het laden en lossen van een spoorketelwagon met ammoniak vindt plaats op een hiervoor aangegeven deel van het terrein. De spoorketelwagon wordt opgesteld op een gemarkeerd spoorgedeelte aangesloten op een procesriool, zie ook M73, dat tijdens het lossen (of laden) uitsluitend voor dit doel wordt gebruikt.

Het spoor waar wordt geladen en gelost, is een zijspoor. Op het spoor is signalering en een vergrendelingssysteem aanwezig om te voorkomen dat andere treinen de laad- en losplaats oprijden tijdens het laden of lossen. Ontsporingsmechanismen worden ingezet om te voorkomen dat andere spoorketelwagons de laad- en losplaats oprijden.

[vs 4.2.1, vs 4.2.5, vs 5.5.24 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M64

Laad- en losplaats – zee- en binnenvaartschepen (A+D)

Laden en lossen vindt slechts plaats op een voor dit doel door de havenautoriteit aangewezen of toegestane plaats.

[vs 4.3.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.8.2Constructie verlaadinstallatie (A+D) Normatief

M65

Verlaadinstallatie – aansluiting van laadarmen bij atmosferische opslag (A)

Voor zowel het laden als het lossen worden alleen vaste laadarmen toegepast. Voor dampretour mogen wel slangen toegepast worden. De leidingen die aansluiten op de laadarm zijn zo dicht mogelijk bij deze verbinding voorzien van op afstand bedienbare afsluiters. Een terugslagklep is vereist voor verlading naar transportmiddelen met een druk die hoger is dan de ontwerpdruk van de opslagtank. De einden van de laadarmen zijn voorzien van afsluiters en een noodbreekkoppeling.

De dampruimte van het te beladen transportmiddel mag niet in verbinding staan met de opslagtank voor gekoelde ammoniak. Eventueel vrijkomende ammoniakdampen vanuit het transportmiddel mogen niet door het BOG-verwerkingssysteem worden verwerkt. Deze vrijkomende ammoniakdampen worden afgevangen in een separate dampverwerkingsinstallatie.

Op de laad- of losplaats is een voorziening aanwezig voor het drainen van de laad- en losarmen. Bij het beëindigen van scheepsverlading van koude ammoniak mag de laad- of losarm niet worden leeggedrukt met warm ammoniakgas van het schip.

Tevens is een stikstofspoeling aanwezig voor het inertiseren van de laad- en losarmen voor aanvang van de verlading.

Laad- en losarmen voor schepen zijn voorzien van op afstand bestuurbare connectors (QC/DC) die mechanisch zijn beveiligd tegen onbedoeld openen tijdens verlading. Ook is er een voetafsluiter (productafsluiter) zo dicht mogelijk tegen de laadarm geplaatst.

[vs 4.1.17 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Het verbod op het terugvoeren van de dampen vanuit het transportmiddel naar de opslagtank heeft als doel het voorkomen dat onbekende gassen en dampen (onder andere zuurstof en stikstof) in de opslagtank terechtkomen.

Toelichting 2: Het leegdrukken met warm ammoniakgas (meestal afkomstig van de eerste compressiestap van circa 60 °C) van de laadarm is niet toegestaan, omdat de samenstelling van het warme ammoniakgas onbekend is, zie toelichting 1. Ook ontstaat hierdoor een tweefaseflow, wat leidt tot hevige trillingen van de leidingen.

Toelichting 3: De QC/DC van de scheepslaadarm kan worden beveiligd tegen onbedoeld openen tijdens verlading middels een mechanische interlock tussen de hydraulische toevoerleidingen naar de QC/DC en de voetafsluiter (productafsluiter) of de bovenste afsluiter van de hydraulische noodbreekkoppeling van de scheepslaadarm. Op deze wijze kan de QC/DC niet worden bediend als de voetafsluiter openstaat en er dus verladen wordt.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M66

Verlaadinstallatie – aansluiting van laadarmen bij drukopslag (D)

Voor zowel het laden als het lossen worden alleen vaste laadarmen toegepast. Voor dampretour kunnen wel slangen worden toegepast. De leidingen die aansluiten op de laadarm zijn zo dicht mogelijk bij deze verbinding voorzien van op afstand bedienbare afsluiters. Een terugstroombeveiliging is vereist voor verlading naar transportmiddelen met een druk die hoger kan zijn dan de ontwerpdruk van de drukopslagtank. Dit geldt voor zowel de laad- en losarmen als de dampretourleiding. De einden van de laadarmen zijn voorzien van afsluiters en een noodbreekkoppeling.

De dampruimte van het transportmiddel staat bij het laden van het transportmiddel niet in verbinding met de drukopslagtank.

De dampruimte van het transportmiddel mag bij het lossen in de drukopslagtank wel in verbinding staan met de drukopslagtank als er een terugstroombeveiliging aanwezig is die voorkomt dat damp uit het transportmiddel naar de drukopslagtank kan stromen. De terugstroombeveiliging bestaat uit twee terugslagkleppen in serie, aangemerkt als veiligheidskritisch met een periodieke, minimaal jaarlijkse, controle op werking.

Ammoniakdampen vanuit het transportmiddel, die eventueel vrijkomen tijdens het laden of wanneer er bij het lossen geen dampretourleiding wordt gebruikt, worden niet door het BOG-verwerkingssysteem verwerkt. Deze vrijkomende ammoniakdampen worden afgevangen in een aparte dampverwerkingsinstallatie.

In de losleiding is zo dicht mogelijk bij de losarm een detectie aangebracht die ammoniakgas in de losleiding detecteert en bij detectie van gas de verlading stopt en de afsluiter in de losleiding naar de drukopslagtank sluit (droogloopbeveiliging).

Op de laad- of losplaats is een voorziening aanwezig voor het drainen van de laad- en losarmen. Het leegdrukken van een laad- of losarm met ammoniakgas is toegestaan wanneer de temperatuur van het ammoniakgas niet hoger is dan de designtemperatuur van de laad- of losleiding.

Ook is er een stikstofspoeling aanwezig voor het inertiseren van de aansluitingen van de laad- en losarmen voor aanvang van de verlading. Leidingwerk dat niet onder ammoniakcondities is, wordt geïnertiseerd.

Laad- en losarmen voor schepen zijn voorzien van op afstand bestuurbare connectors (QC/DC) die mechanisch zijn beveiligd tegen onbedoeld openen tijdens verlading. Ook is er een voetafsluiter (productafsluiter) zo dicht mogelijk tegen de laadarm geplaatst.

Voor bestaande verlaadinstallaties, waarbij in de overgangsperiode zoals opgenomen in Bijlage H nog slangen worden toegepast bij het lossen van een transportmiddel, zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

  1. De losslang wordt drukloos gemaakt door de ammoniakdampen af te laten naar een dampverwerkingsinstallatie.
  2. De losslang wordt niet leeggedrukt met stikstof of lucht.

[vs 4.1.17 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Het verbod op het terugvoeren van de dampen vanuit het transportmiddel naar de drukopslagtank heeft als doel om te voorkomen dat onbekende gassen en dampen (onder andere zuurstof en stikstof) in de drukopslagtank terechtkomen.

Toelichting 2: De terugstroombeveiliging in de dampretourleiding is bedoeld om te voorkomen dat er damp kan terugstromen van het transportmiddel naar de drukopslagtank. Dit is belangrijk om te voorkomen dat:

  • onbekende gassen en dampen (onder andere zuurstof en stikstof) in de drukopslagtank kunnen komen en spanningscorrosie (SCC) kunnen initiëren;
  • door een (eventueel) hoge druk in het transportmiddel de druk in de drukopslagtank te hoog oploopt.

Toelichting 3: De gasdetectie in de losleiding is er om te voorkomen dat het damp/gasmengsel uit het transportmiddel naar de drukopslagtank kan stromen bij het leegraken van het transportmiddel.

Toelichting 4: Het leegdrukken met ammoniakgas van de laad- en losarmen is toegestaan. Hierbij mag de temperatuur van het ammoniakgas niet hoger zijn dan de designtemperatuur van de laad- of losleiding om te voorkomen dat trillingen in de leidingen ontstaan. In combinatie met de droogloopbeveiliging wordt voorkomen dat onbekende gassen de drukopslagtank bereiken.

Toelichting 5: Voor de periode dat losslangen nog mogen worden toegepast voordat ze zijn uitgefaseerd geldt dat de losslangen niet mogen worden leeggedrukt met stikstof of lucht. Dit in verband met de koudeval die ontstaat als er zich (mogelijk) nog resten vloeibare ammoniak in de losslang bevinden.

Toelichting 6: De QC/DC van de scheepslaadarm kan worden beveiligd tegen onbedoeld openen tijdens verlading met een mechanische interlock tussen de toevoerleidingen van de hydrauliek naar de QC/DC en de voetafsluiter (productafsluiter) van de scheepslaadarm. Op deze wijze kan de QC/DC niet worden bediend als de voetafsluiter openstaat en er dus verladen wordt.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
MW67

Laad- en losleidingen (A+D)

De laad- en losleidingen zijn bestand tegen de maximaal optredende druk, en ook tegen uitzettingsverschillen ten gevolge van temperatuurwisselingen.

[vs 4.1.24, vs 4.3.19 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
Arbeidsveiligheid
M68

Verlaadinstallatie zee- en binnenvaartschepen - noodbreekkoppeling (A+D)

Wanneer de noodbreekkoppeling (M65) wordt ontkoppeld, alsook eventueel bij een te grote uitslag van de laad- en losarm of afdrijven van het schip, worden tevens de op afstand bedienbare veiligheidsafsluiters automatisch gesloten en de verlading automatisch gestopt.

De laadarm is voorzien van een vooralarm en een tweede alarm dat zekerstelt dat de verlading stopt en de veiligheidsafsluiters sluiten, zodanig dat de vloeistofstroom tot stilstand is gekomen voordat de noodbreekkoppeling wordt ontkoppeld. Scheepslaadarmen met een diameter van DN 150 en groter zijn voorzien van een hydraulische noodbreekkoppeling. Alle afstanden van de uitslag van de laadarm zijn opgenomen in een envelopberekening (maximaal bereik) die onderdeel uitmaakt van de terminalspecificatie (M96).

[vs 4.3.17, vs 4.3.16, vs 4.3.18 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting: De tijd tussen het moment waarop de veiligheidsafsluiters sluiten en het moment waarop de noodbreekkoppeling wordt ontkoppeld is lang genoeg om waterslag te voorkomen. De sluitingstijden van de veiligheidsafsluiters en de noodbreekkoppeling zijn hierop afgesteld. De overeenkomstige afstanden in relatie tot deze sluitingstijden zijn opgenomen in de envelopberekening. Een duidelijke tekening hiervan (enveloptekening) is een goed hulpmiddel ter verduidelijking van het systeem voor de gebruiker.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M69

Verlaadinstallatie tankwagens/spoorketelwagons – laad- en losarmen (A+D)

Laad- en losarmen zijn ten minste uitgerust met de volgende voorzieningen:

  • wartel-verbindingen;
  • veersystemen die de laad- en losarmen in balans en in de vereiste positie houden;
  • een vergrendelingssysteem dat voorkomt dat de afsluiters van de laad- en losarmen worden geopend als deze niet op de tankwagen/spoorketelwagon aangesloten zijn;
  • een afsluiter;
  • een arm voor de vloeibare fase bij het laden en lossen;
  • een arm voor de gasfase bij het lossen;
  • een afvoersysteem op de vularm;
  • een schakelaar voor de opgeborgen positie van de laadarm, die er mede voor zorgt dat de vergrendeling zoals bedoeld in M70 weer wordt vrijgegeven;
  • een doorstroombegrenzer aan het einde van het vaste leidinggedeelte, met een capaciteit van ten hoogste 150 % van de nominale stroom in het desbetreffende leidinggedeelte, tenzij de laad- en losinstallatie is voorzien van een veiligheidsafsluiter die automatisch sluit bij te grote doorstroming;
  • een noodbreekkoppeling, minder dan 1 kg ammoniakverlies in een incidentsituatie.

[vs 4.1.18, vs 4.2.16 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Optionele voorzieningen van de laad- of losarm zijn:

  • een instrument om te controleren of de armen correct en stevig aangesloten zijn;
  • een noodontgrendeling;
  • een filter in de vloeistofleiding.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.8.3Voorzieningen op de laad- en losplaats (A+D) Normatief

M70

Laad- en losplaats – wegrijdbeveiliging (A+D)

Op een laad- en losplaats zijn technische voorzieningen aanwezig die voorkomen dat een tankwagen of spoorketelwagon kan wegrijden zolang deze is aangesloten op de laad- en losinstallatie.

Mechanische transportapparatuur (trekinrichting) voor het verplaatsen van spoorketelwagons is met de laad- en losinstallatie vergrendeld om verplaatsing tijdens het laden of lossen te voorkomen.

[vs 4.1.7, vs 4.2.6 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M71

Laad- en losplaats – alarmeringssysteem (A+D)

Op de laad- en losplaats is vanaf meerdere posities te bedienen, akoestisch en/of optisch alarmeringssysteem aangebracht.

De ammoniakgasdetectie (M78) op de laad- en losplaats zorgt ervoor dat de verlading automatisch stopt wanneer een lekkage wordt gedetecteerd.

[vs 4.1.8, vs 4.2.7, vs 4.3.6 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Bij onregelmatigheden tijdens laden of lossen kan op deze wijze worden gewaarschuwd, opdat onmiddellijk kan worden ingegrepen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M72

Laad- en losplaats – noodstop (A+D)

Op afstand bedienbare afsluiters en automatische veiligheidsafsluiters van de laad- en losinstallatie kunnen ook vanaf de locatie waar toezicht wordt gehouden () en op ten minste twee plaatsen op een veilige afstand van de laad- en losinrichting met drukknoppen worden gesloten. De drukknoppen voor de noodstop zijn bij vluchtwegen op een bereikbare plaats aangebracht.

[vs 4.1.9, vs 4.2.8, vs 4.3.7 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M73

Laad- en losplaats tankwagen/spoorketelwagon – 'containment' (A+D)

Op de laad- en losplaats is een voorziening aanwezig voor het voorkomen van een productplas bij een lekkage.

Dit kan worden ingevuld door het gebruik van een weegbrugkelder, een afloop naar een apart ammoniakriool (afschot en opstaande rand) of een andere secundaire ‘containment’. Bij 'containment' van vloeibare ammoniak is zoveel mogelijk voorkomen dat deze ammoniak vermengd wordt met water.

De grootte van de ‘containment’ is gerelateerd aan het ‘spill’-scenario, waarbij de responstijd onderbouwd is. In dit uitgewerkte scenario is onder andere het volgende meegenomen:

  • het type belading;
  • de oorzaak en locatie van de ‘spill’ (bijvoorbeeld open bodemafsluiter, falen laadarm, enz.);
  • uitstroomsnelheid (neem mee indien van toepassing: draaiende pomp, wel/niet voorzieningen, zoals terugslagklep, enz.);
  • de druk;
  • de snelheid van reageren (bijvoorbeeld gasdetectie met automatische of handmatige actie, aanwezige bedrijfsfunctionaris gebruikt noodstop, noodstop vanuit controlekamer, doorstroombegrenzer in de leiding, enz.);
  • berekening grootte van de ‘spill’ en dus benodigde opvangcapaciteit. Houd hierbij rekening met het percentage dat direct uitflasht (bij de verlading van tankwagen/spoorketelwagon met warme ammoniak zal het grootste gedeelte als damp vrijkomen, afhankelijk van de druk en de uitstroomsnelheid en de grootte van de uitstroomopening).

[vs 4.1.10, vs 4.2.9, 4.3.8 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De opsomming van aspecten die moeten worden meegenomen in het ’spill’-scenario, is niet uitputtend. Verwezen wordt naar Handboek Omgevingsveiligheid. Het instantaan falen van het transportmiddel maakt geen deel uit van het ’spill’-scenario.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.9Flashvat (A+D) Normatief

Het flashvat is drukapparatuur en voldoet aan de PED (bij nieuwbouw) en het Wbda 2016 (in de gebruiksfase). De maatregelen uit deze paragraaf zijn aanvullend op het PED en Wbda 2016.

M74

Overvulbeveiliging flashvat (A+D)

Op een flashvat dat bedoeld is om warme ammoniak te koelen, is minimaal een onafhankelijke SIL 2-overvulbeveiliging, conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks, geïnstalleerd die de toevoer stopt en voorkomt dat er vloeistof naar de gasuitlaat gaat. De SIL-classificatie geldt voor de gehele beveiligingsloop van de overvulbeveiliging waarbij tevens rekening is gehouden met de sluitingstijd van de afsluiters. De genoemde SIL-classificatie, corresponderend met een RRF (risco reductie factor) van 100 voor SIL 2, kan ook gerealiseerd zijn door een combinatie van verschillende beveiligingsloops conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks. Voor het inspecteren en testen van de overvulbeveiligingen geldt dat de testfrequentie volgt uit de SIL-verificatie.

Toelichting

Het overvullen van het flashvat kan ammoniakemissies tot gevolg hebben.

BOG-compressoren die de uitgaande dampstromen uit het flashvat verwerken hebben vaak hun eigen beveiliging die voorkomt dat er vloeistof naar de compressor gaat. Wanneer de afstand tussen het flashvat en de BOG-compressoren beperkt is kan de beveiligingsloop van de BOG-compressoren meegenomen worden in de realisatie van de RRF van de overvulbeveiliging van het flashvat.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.10Warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak (A+D) Normatief

De warmtewisselaar is drukapparatuur en voldoet aan de PED (bij nieuwbouw) en het Wbda 2016 (in de gebruiksfase). De maatregelen uit deze paragraaf zijn aanvullend op het PED en Wbda 2016.

M75

Uitvoering warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak (A+D)

Een warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak is zo uitgevoerd dat er geen lekkage naar een verwarmend medium kan optreden. Een uitvoeringsvorm is bijvoorbeeld een warmtewisselaar met dubbele spiraal.

Toelichting

Het verwarmend medium is de warmtebron, waarbij een tussenmedium zorgt voor de warmteoverdracht. De bestaande best practice is het toepassen van ammoniak als tussenmedium.

Deze maatregel is bedoeld voor de warmtewisselaar waarmee de ammoniak wordt opgewarmd voor de verlading van tankwagens, spoorketelwagons en binnenvaartschepen of voor transport per buis-/procesleiding.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M76

Instrumentatie en beveiliging warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak (A+D)

De warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak beschikt over temperatuur-, druk- en niveaubewaking en drukontlasting die niet afblaast naar de atmosfeer. 

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie
M77

Detectiesysteem lekkage warmtewisselaar (A+D)

De warmtewisselaar is voorzien van een detectiesysteem om:

  1. lekkage van ammoniak naar het tussenmedium vast te stellen;
  2. lekkage van het tussenmedium naar het verwarmend medium (of vice versa) vast te stellen.
Toelichting

Als detectiesysteem kan bijvoorbeeld een drukmeting, pH-meting of een geleidbaarheidsmeting worden toegepast, afhankelijk van het gekozen tussenmedium.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie

7.11Ammoniakgasdetectie bij ammoniakopslaginstallatie (A+D) Normatief

M78

Continuwerkend gasdetectiesysteem (A+D)

Binnen de milieubelastende activiteit is een continuwerkend gasdetectiesysteem aanwezig dat geschikt is voor de detectie van ammoniak, zodat tijdige detectie van lekkage plaatsvindt en het desbetreffende installatieonderdeel naar een veilige toestand gebracht wordt.

Op of nabij minimaal de volgende locaties is ammoniakdetectie aanwezig:

  • in de annulaire ruimte van een double-containment tank;
  • drukopslagtank (ook binnen de veiligheidswand);
  • compressoren;
  • flashvat voor het afkoelen van ammoniak onder druk;
  • warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak;
  • pompen;
  • in de afvoer naar de buitenlucht van de dampverwerkingsinstallatie;
  • laad- en losplaatsen;
  • verblijfplaatsen van personen, zoals de controlekamer en schuilplaatsen.

Voor laad- en losplaatsen geldt een aanvullende eis dat bij 30 ppm een vooralarm (in de vorm van een visueel en akoestisch signaal op de laad-/losplaats en een signalering in de controlekamer) wordt gegenereerd en bij 198 ppm het verladen of lossen wordt gestopt.

Als gasdetectie voor objectbeveiliging (lokale detectie) wordt toegepast, is er een uitgangspuntendocument (UPD) opgesteld. De bepaling van het exacte aantal en de locatie van de detectoren vindt plaats op basis van het UPD (zie M79).

Voor buitenlocaties anders dan laad- en losplaatsen kan voor de ammoniakdetectie ook worden gekozen voor het toepassen van een cameradetectiesysteem (ruimte-/gebiedsdetectie). Voor een cameradetectiesysteem wordt geen UPD opgesteld, wel wordt het cameradetectiesysteem opgenomen in een periodiek inspectieprogramma.

Toelichting

Toelichting 1: Voor de detectiegrenzen is aangesloten bij de voorlichtingsrichtwaarde en de alarmeringsgrenswaarde uit Bijlage E.1. Deze detectie is met name gericht op de detectie van lekkages in onbemande situaties.

Toelichting 2: Objectbeveiliging (lokale detectie) wordt toegepast voor het detecteren van relatief kleine ammoniaklekkages (bijvoorbeeld bij een pomp, compressor, flens) waarbij een beveiligingsactie ondernomen moet worden om het betreffende installatie onderdeel naar een veilige situatie te brengen als er ammoniak wordt gedetecteerd.

Cameradetectiesystemen (bijvoorbeeld een IR-camera) kunnen worden gebruikt voor beveiliging van een grote buitenruimte of een groot gebied. Deze cameradetectiesystemen kunnen niet beoordeeld worden op basis van VIVB-inspectieschema’s Gasdetectiebeveiliging Inspectie basisontwerp gasdetectiesysteem (GAS) op basis van afgeleide doelstellingen, maar zijn wel opgenomen in een periodiek inspectieprogramma. Cameradetectie wordt niet toegepast wanneer ammoniakdetectie een beveiligingsactie moet initiëren omdat het cameradetectiesysteem geen absolute concentraties kan meten maar wel verschillen in concentraties.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M79

Uitgangspuntendocument ammoniakgasdetectie (A+D)

Voor het (detail)ontwerp en de aanleg van de gasdetectiesystemen wordt een uitgangspuntendocument (UPD) basisontwerp ammoniakgasdetectiesysteem ter goedkeuring bij het bevoegd gezag Omgevingswet ingediend. Na goedkeuring wordt de installatie conform deze documenten in detail ontworpen en aangelegd.

Het UPD wordt samen met een inspectierapport, met een positieve conclusie van een bij de Vereniging van Inspectie-Instellingen voor Veiligheid en Brandveiligheid (VIVB) aangesloten inspectie-instelling, bij het bevoegd gezag Omgevingswet ingediend.

Naast de vereiste informatie in het VIVB-inspectieschema Gasdetectiebeveiliging Inspectie basisontwerp gasdetectiesysteem (GAS) op basis van afgeleide doelstellingen bevat het UPD ten minste de volgende informatie:

  • de resultaten van een scenarioanalyse waaruit blijkt welke scenario’s (aard en omvang) per installatie/activiteit verwacht worden;
  • waar, gezien de scenarioanalyse, welke stoffen gedetecteerd gaan worden;
  • de specificatie van het soort detector/detectieprincipe;
  • de alarmeringswaarden;
  • de beoogde handelingen en sturingen op basis van de alarmeringswaarden;
  • de wijze van inspectie, testen en onderhoud.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M80

Uitvoering en inspectie ammoniakgasdetectiesysteem conform UPD (A+D)

De ammoniakgasdetectiesystemen zijn uitgevoerd conform het door het bevoegd gezag Omgevingswet goedgekeurde UPD -gasdetectie (zie M79) en worden bij oplevering en vervolgens ten minste jaarlijks onafhankelijk geïnspecteerd door een onafhankelijke inspectie-instelling die aangesloten is bij de Vereniging van Inspectie-instellingen voor Veiligheid en Brandveiligheid (VIVB), die de inspectie uitvoert volgens:

  • VIVB Inspectieschema gasdetectiebeveiliging, Inspectie detailontwerp gasdetectiesysteem (GAS) op basis van afgeleide doelstellingen; en
  • VIVB Inspectieschema gasdetectiebeveiliging, Inspectie gasdetectiesysteem (GAS) op basis van afgeleide doelstellingen; en
  • VIVB Inspectie gasdetectiebeveiliging – Goed- en afkeur gasdetectiesytemen.

De ammoniakopslaginstallatie mag alleen worden bedreven wanneer de gasdetectiesystemen zoals opgenomen in het goedgekeurde UPD -gasdetectie, aantoonbaar gebruiksklaar, getest en opgeleverd zijn, door een bij het VIVB aangesloten inspectie-instelling. Deze inspectie-instelling geeft hiervoor een inspectierapport met een positieve conclusie af.

Bij nieuwbouwsituaties, bij vernieuwing van een bestaand gasdetectiesysteem en bij wijzigingen wordt, wanneer dit gevolgen heeft voor de inhoud van het UPD-gasdetectie, uiterlijk twee maanden voor aanleg/realisatie een gewijzigd UPD-gasdetectie ter goedkeuring bij het bevoegd gezag Omgevingswet ingediend. De gasdetectiesystemen mogen pas gewijzigd worden na goedkeuring van het UPD-gasdetectie. Daarbij zijn de voorgaande maatregelen voor het UPD-gasdetectie eveneens van toepassing op nieuwbouw, vernieuwing of verandering.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M81

Vijfjaarlijkse beoordeling UPD (A+D)

Ten minste eens per vijf jaar beoordeelt een bij de VIVB aangesloten inspectie-instelling in opdracht van de vergunninghouder van de milieubelastende activiteit het UPD-ammoniakgasdetectiesysteem.

De inspectie-instelling geeft de verschillen aan tussen de normeditie die is gebruikt in het goedgekeurde UPD, en de normeditie die ten tijde van de vijfjaarlijkse toets geldt.

De beoordeling houdt rekening met de afwijkingen ten opzichte van de ontwerpnorm en/of een gelijkwaardig alternatief met verantwoording; dan wel door buiten toepassing verklaren van onderdelen van de ontwerpnorm met verantwoording in het UPD.

De informatie uit de toets wordt vastgelegd in een beoordelingsrapport en is beschikbaar voor het bevoegd gezag.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding

7.12Appendages en pakkingen (A+D) Normatief

M82

Materiaal van appendages (A+D)

Alle toegepaste materialen zijn bestand tegen ammoniak.

Aan deze maatregel is in ieder geval voldaan als koper, zilver en zink, en hun legeringen, niet zijn toegepast. Contact van kwik met ammoniak is ontoelaatbaar.

[vs 3.8.6 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Aluminium bevat een zeer gering gehalte aan koper, echter dit wordt niet beschouwd als een legering van koper zoals bedoeld in deze maatregel.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
Omgevingsveiligheid
M83

Uitvoering van appendages en pakkingen (A+D)

Appendages en pakkingen zijn voldoende veilig uitgevoerd waardoor lekkages worden voorkomen.

Aan deze maatregel is in ieder geval voldaan als aan al onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

  • Alle toegepaste appendages zijn vooraf gecontroleerd op de toepassing van de juiste materialen (zie M82) die bestand zijn tegen een ammoniakatmosfeer.
  • Alle toegepaste afsluiters (100 %) zijn vooraf op lekdichtheid getest met een heliumtest zoals deze test is beschreven in de NEN-EN-ISO 15848-reeks.
  • Voor pompen geldt dat alleen gesloten pompen worden toegepast zonder mechanische asafdichting (mechanical seal).
  • Mechanical seals in combinatie met lekdetectie worden alleen toegepast voor compressoren.
  • Pakkingen voor ammoniak zijn van een niet-uitblaasbaar en emissiearm type, bijvoorbeeld spiraalgewonden pakkingen met een massieve buitenring (spiral wound).

[vs 3.8.8 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Afhankelijk van de lokale geluidsomstandigheden bevinden de compressoren zich in een omkasting waarin met gasdetectie invulling kan worden gegeven aan de lekdetectie op de mechanical seals.

Toelichting 2: FKM (fluorhoudende polymeren) is ongeschikt als materiaal voor afdichtingen als o-ringen e.d.

ZIENSWIJZE

Deze maatregel is door de Nederlandse Arbeidsinspectie strijdig bevonden met wetgeving, zie de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie in Bijlage I.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid
M84

‘Fire tested’-afsluiters (A+D)

Als er afsluiters kunnen worden aangestraald met een warmtebelasting groter dan 10 kW/m², dan zijn deze 'fire safe approved' uitgevoerd. Hiervan is een certificaat van de fabrikant aanwezig.

[vs 3.6.7 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De volgende normen kunnen worden gebruikt om te bepalen of afsluiters ‘fire safe approved’ zijn: API 607, API 6FA en BS 6755-2. Concreet houdt dit in dat de afsluiters gedurende een bepaalde tijd hun functie kunnen behouden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.13Bedrijfsvoering voor atmosferische opslag (A) Normatief

7.13.1Inleiding (A) Normatief

In dit hoofdstuk staan de maatregelen die gericht zijn op het gebruik van de ammoniakopslaginstallatie. Hieronder wordt onder andere verstaan: het vullen van de opslagtank, de opslag in de opslagtank en het afleveren vanuit de opslagtank.

7.13.2Bediening bij atmosferische opslag Normatief

M85

Operationele procedures (A+D)

Het bedrijf hanteert voor de ammoniakopslaginstallatie procedures voor:

  • het in en uit bedrijf nemen;
  • alle fasen van de normale bedrijfsvoering (inclusief testen, onderhoud en inspectie);
  • het waarnemen van en de reactie op afwijkingen van normale operationele condities;
  • onderhoud tijdens productie.

In deze procedures is ten minste aandacht besteed aan de (tijdelijk) te nemen veiligheidsmaatregelen.

[vs 3.3.3 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M86

Beheersing van de opslagcondities bij atmosferische opslag (A)

Alle relevante condities van de atmosferische opslagtank worden continu gemonitord en vastgelegd, zoals bijvoorbeeld in een DCS-systeem.

Dit betreft minimaal de volgende parameters:

  • druk;
  • temperatuur;
  • niveau.

De instellingen van de alarmeringen zijn zo ingesteld dat nog tijdig maatregelen kunnen worden getroffen die voorkomen dat de beveiligingen uit M17, M18, M19, M21 en, indien van toepassing, M150 worden geactiveerd.

Voor de atmosferische opslagtank gelden de volgende opslagcondities:

  • Het drukverschil tussen tank en de atmosfeer wordt geregeld tussen de 20 mbar en 55 mbar.
  • Het drukverschil tussen tank en de atmosfeer bedraagt maximaal 70 mbar tijdens het vullen van de tank. Na vullen wordt de BOG-capaciteit benut om het drukverschil tussen de tank en de atmosfeer zo snel mogelijk terug te brengen tot de waarde genoemd in het eerste punt.

[vs 3.7.8 en 3.7.11 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M87

Operationele procedure in- en uitgebruikname bij atmosferische opslag (A)

Het bedrijf hanteert bij in- en uitgebruikname procedures om zeker te stellen dat zuurstof efficiënt wordt verwijderd en de installatie zorgvuldig en gelijkmatig wordt gekoeld of opgewarmd. Hierdoor wordt de thermische belasting tot een minimum beperkt en wordt het risico op het ontstaan van spanningscorrosie (SCC) verminderd.

Voor de ingebruikname van opslagtanks na nieuwbouw, onderhoud of inspectie zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Zorg dat water zeer zorgvuldig is verwijderd conform een opgesteld ontwateringsplan.
  • Zorg dat de opslagtank en bijbehorende toevoerleidingen schoon zijn en olieresten en roestvlokken zijn verwijderd.
  • Spoel de opslagtank met stikstof totdat het zuurstofpercentage < 4 % vol is in de gasafvoer.
  • Voer hierna een van de volgende twee opties uit:
    1. Breng voor het spoelen met ammoniak een bepaald niveau waterige ammoniak (aqua ammonia, 20 % of meer) in de opslagtank. De hoeveelheid is afhankelijk van de vlakheid van de bodem en bedekt minimaal het hele oppervlak van de opslagtank. Het gebruik van waterige ammoniak wordt alleen toegestaan wanneer de opslagtank schoon (absoluut olievrij) is en de stof goed gemengd kan worden met de vloeibare ammoniak. Spoel de opslagtank met ammoniakgas totdat het zuurstofpercentage < 0,5 % vol is in de gasafvoer.
    2. Spoel de opslagtank met ammoniakgas totdat het zuurstofpercentage < 0,5 % vol is in de gasafvoer.
  • Koel de opslagtank geleidelijk af door de toevoer van vloeibare ammoniak via de interne sproeileiding. De koelsnelheid hierbij is lager dan 1 °C/uur (zie ook M26). Het afkoelen is afgerond wanneer de bodemtemperatuur een temperatuur van circa -33 °C heeft bereikt. Meet de temperatuur in het bulkvolume (tankbodem) van de opslagtank.
  • Neem binnen een week na ingebruikname en bij stabiele omstandigheden monsters van de ammoniak in de opslagtank en analyseer deze op water (minimaal 0,2 gew%) en zuurstof (0,5 ppm in de vloeistoffase) om zeker te stellen dat de opgeslagen ammoniak aan de specificaties voldoet.

Voor de uitgebruikname van opslagtanks zijn de volgende stappen doorlopen:

  • Leeg de opslagtank tot het absoluut minimale vloeistofniveau.
  • Verdamp de resterende ammoniak zodanig dat de opslagtank gelijkmatig en langzaam opwarmt met niet meer dan 1 °C/uur. Meet de temperatuur in het bulkvolume (tankbodem) van de opslagtank.
  • Spoel de opslagtank met warm ammoniakgas totdat alle vloeibare ammoniak is verwijderd. Om na te gaan of alle vloeibare ammoniak verwijderd is, geldt het volgende:
    • Voer een druktest uit door de opslagtank gedurende 4 uur in te blokken. Als de druk in die periode toch stijgt, dan is er nog vloeibare ammoniak aanwezig in de opslagtank. Laat de opslagtank in dat geval verder leegdampen. Pas als bij het inblokken de druk niet meer toeneemt, kan de opslagtank gespoeld worden met stikstof om het ammoniakgas te verwijderen.
  • Zodra de vloeibare ammoniak is verwijderd, kunnen de binnentank en annulaire ruimte gespoeld worden met stikstof van onder naar boven (hiervoor zal de opslagtank zijn voorzien van een ringleiding onder in zowel de binnentank (primaire tank) als de annulaire ruimte, elk met een voeding door het dak).
  • Voer regelmatig een ammoniak-/stikstofanalyse uit en registreer de bevindingen. Spoel totdat de ammoniakconcentratie < 2 % is.
  • Verwijder de stikstof door met lucht te spoelen van onder in de opslagtank naar boven totdat het zuurstofgehalte > 19 % is.
  • Verwijder eventuele olieresten op de bodem, waar nog ammoniak in aanwezig kan zijn.
  • Condenseer of verwijder vrijkomende ammoniakdampen tijdens het spoelen in een dampverwerkingsinstallatie.

Doorloop voor de ingebruikname van productleidingen, na nieuwbouw, onderhoud of inspectie de volgende stappen:

  • Voor het eerste gebruik van productleidingen die niet onder het Wbda 2016 vallen, wordt een lektest met stikstof uitgevoerd.
  • Wanneer water wordt gebruikt voor een (aanvullende) druktest (geldt ook voor leidingen die onder het Wbda 2016 vallen), dan is het noodzakelijk dat een goed ontwateringsplan is opgesteld en wordt opgevolgd om zeker te stellen dat het water volledig is verwijderd, voordat ammoniak wordt geïntroduceerd in de leiding.
  • Spoel de leiding met stikstof totdat het zuurstofpercentage < 4 % vol is in de gasafvoer.
  • Spoel de leiding met ammoniakgas totdat het zuurstofpercentage < 0,5 % vol is in de gasafvoer.

Voor de ingebruikname van productleidingen die leeg zijn geweest, maar niet productvrij:

  • Start met het beheerst koelen van de leiding voor een productverplaatsing (tankschip laden/lossen, pijpleiding import/export) gebruikt wordt door geleidelijk vloeibare ammoniak toe te voegen. Het beheerst koelen geschiedt volgens een vastgelegde procedure. Deze procedure is gebaseerd op een berekening die aantoont dat de bijkomende hoeveelheid ammoniakdamp die ontstaat door het koelen van de leiding door het BOG-verwerkingssysteem kan worden verwerkt (zie Paragraaf 7.6.2.4).

Voor de uitgebruikname van productleidingen:

  • Pomp en/of drain de leiding leeg.
  • Laat de leiding (al dan niet gestimuleerd) leegdampen naar de opslagtank of een (mobiele) dampverwerkingsinstallatie.
  • Voer een druktest uit door de leiding gedurende 8 uur in te blokken bij geïsoleerde leidingen en 2 uur bij ongeïsoleerde leidingen. Als de druk in die periode toch stijgt, dan is er nog vloeibare ammoniak aanwezig in de leiding. Laat de leiding in dat geval verder leegdampen naar de opslagtank. Pas als bij het inblokken de druk niet meer toeneemt, dan kan de leiding gespoeld worden met stikstof;
  • Indien nodig kan de stikstof verwijderd worden door met lucht te spoelen.
Toelichting

Toelichting 1: De aanwezigheid van olieresten kan zorgen voor een oliefilm die een scheiding vormt tussen lagen ammoniak en eventueel aanwezig ammoniakwater. Wanneer deze oliefilm doorbroken wordt, kan een versnelde drukopbouw optreden als gevolg van een hevige exotherme reactie tussen het aanwezige ammoniakwater en de ammoniak. Hierdoor ontstaat een scheur in de dampruimte en komt een dampwolk en een beperkte hoeveelheid vloeistof vrij, zie ook S3.

Toelichting 2: Wanneer er nog water in de opslagtank of leiding aanwezig is op het moment dat ammoniak wordt toegevoerd, dan leidt dit bij contact met ammoniak tot een hevige exotherme reactie. Dit kan leiden tot een temperatuur- en drukverhoging waar het systeem niet tegen bestand is.

Toelichting 3: Wanneer er nog vloeibare ammoniak in de opslagtank of leiding aanwezig is op het moment dat stikstof wordt toegevoerd om de installatie ammoniakvrij te maken, dan kan afkoeling de temperatuur van de leiding of opslagtank onder de ontwerptemperatuur brengen. Ook zal het verdampingsproces hierdoor worden verstoord.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M88

Watergehalte bij atmosferische opslag (A)

Het watergehalte van de ammoniak in de opslagtank is te allen tijde minimaal 0,2 gew%. Dit wordt bepaald met een rondpompmonster, minimaal 24 uur na iedere vulling. Bij een proces waarbij er continu vulling plaatsvindt, wordt dit maandelijks bepaald.

Toelichting

Om het risico op spanningscorrosie (SCC) te verkleinen is het van belang dat het watergehalte boven de 0,2 gew% ligt. De vorming van hydroxides verlaagt het elektrochemisch potentiaal tot beneden de vrije corrosiepotentiaal. De bovengrens ligt normaal gesproken op 0,5 gew% in verband met kwaliteitseisen.

Zie ook M87 en M95 voor maatregelen ter voorkoming van een te laag watergehalte in de opslagtank.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
Omgevingsveiligheid
M89

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de atmosferische opslagtank (A)

Er zijn maatregelen genomen om de hoeveelheid zuurstof die de opslagtank binnenkomt te verlagen. Deze maatregelen omvatten ten minste:

  • stikstof, dat wordt gebruikt voor het spoelen van apparaten in de terminal, bevat minder dan 5 ppm zuurstof. Hierin is ook stikstof dat wordt gebruikt voor inbedrijfstelling, onderhoud en laadarmverbindingen inbegrepen;
  • het beperken van binnendringen van inerten in de opslagtank. Ammoniakgassen worden bij productverlading niet teruggevoerd naar de opslagtank. Zie ook M65;
  • een onderdrukbeveiliging op de zuig van de BOG-compressoren;
  • het voorkomen van intrede van zuurstof bij onderdruk door het uit de tank verpompen (door suppletie van ammoniakgas).

Het zuurstofgehalte in de vloeistoffase wordt minimaal maandelijks en na onderhoudswerkzaamheden aan de opslagtank of productleidingen bepaald. Het zuurstofgehalte in de vloeistoffase is niet hoger dan 0,5 ppm om het risico op spanningscorrosie (SCC) te minimaliseren.

Toelichting

De bepaling van de zuurstof in de vloeistoffase vindt in de praktijk plaats door meting in de gasfase. Hierbij moet rekening worden gehouden met het verschil in concentratie tussen de vloeistof- en gasfase zoals aangegeven in Afbeelding 7.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
Omgevingsveiligheid
M90

Operationele controles bij atmosferische opslag (A)

Ten minste eenmaal per 8 uur worden alle in bedrijf zijnde installaties behorend bij de atmosferische opslag visueel op lekkage gecontroleerd. Onder controle wordt hierbij verstaan: de routinematige controlerondes die door het bedienend personeel worden uitgevoerd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidBrandpreventie
M91

Hijswerkzaamheden (A+D)

Het bedrijf hanteert een procedure voor het veilig uitvoeren van hijswerkzaamheden over ammoniakvoerende delen van de ammoniakopslaginstallatie.

Er wordt niet gehesen over installatiedelen die niet vloeistofvrij en drukloos gemaakt zijn, tenzij met een risicoanalyse is aangetoond dat afdoende aanvullende maatregelen (zie hieronder) genomen kunnen worden om veilig te kunnen hijsen over de installatiedelen.

Naast een korte onderbouwing waarom de installatiedelen niet vloeistofvrij en drukloos gemaakt worden, zijn in ieder geval de volgende maatregelen opgenomen in de risicoanalyse:

  • de last wordt zo laag mogelijk over de installatie(delen) gehesen;
  • de last wordt dubbel gezekerd;
  • de last is geschikt om over de desbetreffende installatiedelen heen te hijsen in combinatie met de grootte en vorm van de last (denk aan gevaar van uitstekende delen);
  • de infrastructuur wordt (waar nodig) beschermd (door platen, stelling, enz.);
  • gebruik van een hijsbegeleider die met een portofoon in continu contact staat met de kraanmachinist;
  • het verbod om te hijsen vanaf windkracht 6, tenzij de fabrieksvoorschriften van de hijsinstallatie anders voorschrijven;
  • het verbod om te hijsen bij slecht zicht (zoals mist en extreme regen- of sneeuwval);
  • gebruik van een goedgekeurd hijsplan.

Een overzicht van de installatiedelen waarover gehesen wordt, is toegevoegd aan de werkvergunning, met minimaal beschreven de installatiedelen (vuil van…, leeg van… of schoon/gereinigd).

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M92

Training en opleiding bij atmosferische opslag (A)

Er is een trainings- en opleidingsprogramma voor elke medewerker die operationele werkzaamheden uitvoert met de ammoniakinstallatie. In het trainings- en opleidingsprogramma is ten minste aandacht besteed aan:

  • de procesveiligheid;
  • de risico's van het vrijkomen van ammoniak;
  • de aspecten van processen die gevaar kunnen opleveren;
  • het in en uit gebruik nemen van installaties, zie M87.

[vs 3.3.2 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M93

Wijzigingen en reparaties bij atmosferische opslag (A)

Wijzigingen en reparaties aan de ammoniakopslaginstallatie worden goedgekeurd door een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks.

[vs 4.1.28, vs 4.3.24 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Wanneer wijzigingen en reparaties worden uitgevoerd aan aangewezen drukapparatuur, is artikel 26 van het Wbda 2016 van toepassing. Deze maatregel is in dat geval niet van toepassing.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid

7.13.3Laden/lossen bij atmosferische opslag (A) Normatief

M94

Operationele beheersing – beschikbaarheid van procedures en instructies (A+D)

Verlading vindt uitsluitend plaats als de te volgen werkwijze is vastgelegd in een werkprocedure en in werkinstructies. In deze procedures staat duidelijk aan welke voorwaarden zal worden voldaan tijdens de verschillende fases van een verlading.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M95

Controle condities ammoniak voor lossen bij atmosferische opslag (A)

In de losprocedure is beschreven hoe inkomende ammoniak wordt getoetst en beoordeeld aan de terminalspecificatie (zie M96). Deze specificatie bevat minimaal het watergehalte (gew%) en de temperatuur van de inkomende ammoniak.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • ammoniak mag niet worden getransporteerd naar de opslagtank als de temperatuur van de inkomende ammoniak hoger of lager is dan bepaald in de terminalspecificatie (zie M96).
  • ammoniak met een watergehalte lager dan 0,2 gew% mag alleen worden gelost naar de opslagtank wanneer:
    • het watergehalte wordt verhoogd door het toevoegen ('in-line blending') van aqua ammonia in de vulleiding, zodat er wordt voldaan aan het vereiste watergehalte in de opslagtank (M88);
    • het watergehalte in de opslagtank door het bijmengen van aqua ammonia zo is verhoogd, voorafgaande aan de start van het vullen van de opslagtank, dat zeker is te stellen dat na afronding van het vulproces wordt voldaan aan het vereiste minimale watergehalte (M88). Het bijmengen gebeurt geleidelijk om het risico op een exotherme reactie weg te nemen. In de praktijk wordt aqua ammonia geleidelijk toegevoerd tijdens het rondpompen.
Toelichting

De terminalspecificatie is dus vastgesteld conform M96. Wanneer de temperatuur van de inkomende ammoniak boven de -33,4 °C komt, dan ontstaat er meer boil-offgas in de opslagtank dan alleen als gevolg van het verdringingsvolume. Hiervoor is het van belang dat er wel voldoende BOG-verwerkingscapaciteit beschikbaar is. Het is een goede praktijk om in een procedure op te nemen dat in een vroeg stadium contact wordt opgenomen met de verantwoordelijke persoon op het zeeschip. Hierdoor kan worden afgestemd of de ladingstemperatuur voldoet of dat er nog eerst moet worden teruggekoeld. Wanneer de druk-/temperatuurverhouding in het te lossen schip afwijkt, kan dat duiden op de aanwezigheid van inerte gassen zoals stikstof en mogelijk sporen van zuurstof. Deze inerten worden dan verwijderd via de BOG-unit van het schip.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M96

Terminalspecificatie (A+D)

De terminalspecificatie betreft documentatie van de opslag- en transportmodaliteiten binnen de begrenzing van de milieubelastende activiteit. In de terminalspecificatie staan ten minste de hierna genoemde onderwerpen beschreven:

Voor de transportmodaliteiten

  • de eisen aan benodigde aansluitpunten en transportmiddelen, zoals:
    • ontwerpdruk;
    • minimale en maximale temperatuur van de te verladen/ontvangen ammoniak;
    • percentage inerten van de te verladen/ontvangen ammoniak;
    • watergehalte van de te verladen/ontvangen ammoniak;
    • afmetingen en dimensies;
    • verladingsdebieten;
    • pompdrukken (maximaal en operationeel), rekening houdend met een eventuele boosterpomp.
  • de eisen aan de afmetingen van het transportmiddel;
  • de eisen aan aansluiting en ontwerp van beveiligingssystemen op het transportmiddel die een functie hebben in de voorgeschreven instrumentele beveiligingen, zie M18;
  • het verbod op het leegdrukken met warm ammoniakgas van een laad- of losarm voor koude ammoniak, zie M65;
  • de maximale temperatuur van het ammoniakgas voor het leegdrukken van een laad- of losarm voor warme ammoniak, zie M66;
  • berekeningen en tekeningen van het bereik van de laadarm(en) (envelopberekening);
  • de wijze van legen van het tankcompartiment. Tot en met het einde van de verlading is een constante vloeistofstroom aanwezig. Het helemaal leegmaken van het laatste tankcompartiment kan ammoniakgas trillingen in de laadarm en losleidingen veroorzaken. Dit moet worden voorkomen. Dit leeghalen (strippen) van een tankcompartiment en het afvoeren van deze gas/vloeistofstroom naar de walzijde/laadarm is niet toegestaan.

Voor de opslagmodaliteiten

Drukopslagtank

Voor het vaststellen van de temperatuur van de te ontvangen ammoniak geldt voor een drukopslagtank dat:

  • als er gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid in M109 om een hogere vullingsgraad toe te passen, er in de terminalspecificatie een minimale vultemperatuur wordt vastgesteld;
  • de minimale vultemperatuur wordt beschouwd in samenhang met de normale operationele temperatuur van de drukopslagtank en de maximale ontwerptemperatuur als deze voor bestaande drukopslagtanks afwijkt van de +50 °C, zoals bedoeld in M40;
  • de maximale vultemperatuur van de ammoniak de temperatuur is die hoort bij de dampspanning, die 80 % van de ontwerpdruk van de drukopslagtank bedraagt;
  • als er een continue afvoer uit de gasfase aanwezig is door een gasnet met voldoende afname, er, in afwijking van voorgaande punt, een hogere maximale vultemperatuur acceptabel is. Als voorwaarde geldt dat met een berekening aantoonbaar is gemaakt dat op basis van de vultemperatuur, het losdebiet, de aanwezige hoeveelheid ammoniak in de drukopslagtank en de operationele druk/temperatuur van de drukopslagtank, de maximale ontwerpdruk van de drukopslagtank niet wordt overschreden.

De maximale vulgraad wordt uitgedrukt in een percentage van het volume van de drukopslagtank (zie M109) en leidt bij verschillende configuraties van drukopslagtanks tot verschillende niveaus afhankelijk van de geometrie van de drukopslagtank (bol, verticale cilinder of horizontale cilinder/bullet). De koppeling tussen het volume en het niveau in de drukopslagtank wordt vastgesteld in de terminalspecificatie.

Atmosferische opslagtank

Voor een gekoelde atmosferische opslagtank is de maximale temperatuur van de te ontvangen ammoniak niet hoger dan -32,0 °C en niet lager dan -33,0 °C.

Externe tranportleidingen

Voor externe transportleidingen geldt dat de temperatuur en druk van de inkomende stromen voldoen aan de ontwerpcriteria van de transportleiding zelf en aan die van de drukopslagtank waar de te ontvangen ammoniak in terechtkomt en/of het flashvat.

Bij de toepassing van koude geïsoleerde externe transportleidingen geldt dat de temperatuur en druk van de inkomende stromen voldoen aan de ontwerpcriteria van de transportleiding zelf en aan die van de gekoelde atmosferische opslagtank of het flashvat waarin de ammoniak wordt gekoeld, voordat het naar de atmosferisch opslagtank wordt gevoerd. De eisen voor de temperatuur van de inkomende ammoniak in een atmosferisch opslagtank zijn hierop ook van toepassing.

Voor uitgaande stromen die via een externe transportleiding worden getransporteerd, geldt dat de temperatuur en druk van de uitgaande stromen voldoen aan de ontwerpcriteria van de transportleiding zelf nadat deze vanuit een drukopslagtank of vanuit een atmosferische opslagtank via een pomp (eventueel in combinatie met een heater) in de transportleiding terechtkomen.

Toelichting

Toelichting 1: Per type transportmiddel (tankwagen, spoorketelwagon of binnenvaartschip) is de minimale en maximale temperatuur van de te verladen/ontvangen ammoniak bepaald in het ADR, RID of ADN.

Toelichting 2: Een inkomende temperatuur voor ammoniak van -32,0 °C voor een gekoelde atmosferische opslagtank komt bij atmosferische omstandigheden buiten de tank overeen met een bedrijfsdruk in de atmosferische opslagtank van maximaal 70 mbar. Door het comprimeren met het BOG-verwerkingssyteem moet conform M86 het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer na afronden van het vulproces teruggebracht worden naar de range van 20 mbar tot 55 mbar.

De temperatuur van de binnenkomende ammoniak in een atmosferische opslagtank mag daarnaast niet kouder zijn dan -33,0 °C, omdat bij atmosferische omstandigheden buiten de tank deze temperatuur correspondeert met een bedrijfsdruk van 20 mbar in de tank. Uitgaande van een setpoint van -5 mbar van de lagedrukbeveiligingen uit M21, ontstaat bij een inkomende temperatuur lager dan -33,0 °C te weinig marge om het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer tussen de 20 mbar en 55 mbar goed te kunnen regelen bij een sterke stijging van de luchtdruk in de atmosfeer. Het opengaan van de lagedrukbeveiligingen, het daarmee aanzuigen van buitenlucht en het vervolgens introduceren van zuurstof in de opslagtank moet worden voorkomen, omdat zuurstof een initiator is voor SCC.

Daar het BOG-verwerkingssysteem is bedoeld om de operationele druk in de atmosferische opslagtank te verlagen, zijn voor het verhogen van de druk in de opslagtank geen maatregelen beschikbaar anders dan het uitschakelen van het BOG-verwerkingssysteem. Hierbij zal door warmte-intreding van buitenaf de inhoud van de atmosferische opslagtank langzaam opwarmen en zal de druk in de opslagtank oplopen om het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer terug te brengen naar de range van 20 mbar tot 55 mbar. Afhankelijk van de atmosferische omstandigheden is het dus belangrijk om te kiezen voor een temperatuur van de inkomende ammoniak in de range van -33,0 °C tot -32,0 °C om het drukverschil tussen de opslagtank en de atmosfeer te regelen tussen 20 mbar en 55 mbar en de dampdruk in de opslagtank constant te houden tijdens het vulproces. Dit laatste is weer belangrijk om condensatie in de annulaire ruimte te vermijden.

Toelichting 3: De vultemperatuur van de inkomende ammoniak in een drukopslagtank is gesteld op de temperatuur die hoort bij de dampspanning, die 80 % van de ontwerpdruk bedraagt. Hiermee wordt in een marge voorzien zodat te warme inkomende ammoniak niet leidt tot een emissie via de drukventielen. Wanneer een drukopslagtank is voorzien van een continue gasafvoer en -afname, kan van de maximale vultemperatuur gekoppeld aan de 80 % van de ontwerpdruk worden afgeweken.

Hierbij geldt nadrukkelijk dat dit bezien moet worden in combinatie met het losdebiet. Door de continue gasafvoer functioneert een drukopslagtank in deze situatie eigenlijk als een flashvat. De vrijkomende ammoniakdamp tijdens het vulproces moet in dat geval met de continue gasafvoer kunnen worden afgevoerd zonder dat de maximale ontwerpdruk van de drukopslagtank wordt overschreden. In de praktijk heeft deze situatie betrekking op het lossen van transportmodaliteiten zoals tankwagens, spoorketelwagons en binnenvaartschepen in een bestaande drukopslagtank met een lagere maximale ontwerptemperatuur dan +50 °C in combinatie met een lading van een transportmodaliteit met een hogere temperatuur/dampdruk dan de dampdruk, die hoort bij 80 % van de ontwerpdruk van de drukopslagtank. Meestal is dit het gevolg van externe factoren, zoals opwarming door zonne-instraling en/of standtijd.

Toelichting 4: Externe transportleidingen die grote afstanden van tientallen kilometers overbruggen, zijn gebruikelijk 'warme’ ondergrondse transportleidingen in verband met bevriezingsverschijnselen. Gekoelde geïsoleerde externe transportleidingen komen vaker voor tussen opslag en verwerkingsinstallaties voor ammoniak met een beperkte lengte (enkele kilometers).

Toelichting 5: Voor het bepalen van het percentage van inerten is de druk-/temperatuurverhouding van de ammoniak in een transportmodaliteit bij afwijking van de ammoniak dampspanningscurve (zie Tabel 7) een indicatie dat inerten zoals stikstof of mogelijk sporen van zuurstof aanwezig zijn. Met name voor het lossen van warme ammoniak vanuit een transportmodaliteit in een drukopslagtank geldt de druk-/temperatuurverhouding als een belangrijke indicator voor het percentage inerten, zie M110. Bij gekoeld transport van ammoniak bezit het (zee)schip over een BOG-verwerkingsinstallatie waarmee inerten kunnen worden verwijderd tijdens het transport.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M97

Procedure voor verlading bij atmosferische opslag (A)

Verlading vindt alleen plaats volgens interne, vooraf opgestelde, schriftelijke procedures waarin ten minste aan de volgende zaken aandacht is besteed:

  • de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen en waar nodig zijn er vluchtmaskers aanwezig;
  • het te beladen transportmiddel voldoet aan de eis dat deze slechts ammoniak of stikstof of een onbrandbaar en voor ammoniak inert gas bevat met een zuurstofgehalte dat voldoet aan de eisen voor het desbetreffende transportmiddel (zoals het ADR, ADN of RID);
  • bij verlading weet het bedieningspersoneel zeker dat, voordat het verpompen begint, de te gebruiken onderdelen zo zijn aangebracht dat het product alleen terecht kan komen op de daarvoor bestemde plaats;
  • het bedieningspersoneel dat zorgdraagt voor de belading, zeker weet dat voor aanvang ervan het ontvangend ‘containment’ (opslagtank, ladingtank) voldoende vrije ruimte/capaciteit heeft om het te verladen volume ('product package') veilig te ontvangen en dat overvulling wordt voorkomen;
  • de dampretourleiding, als deze gebruikt wordt, is aangesloten met afvoer naar een dampverwerkingsinstallatie;
  • bij tankwagens is er sprake van aantoonbare goede aarding, waarbij de verlading niet gestart kan worden als de aarding niet functioneert;
  • er wordt gebruikgemaakt van een dodemansknop door de chauffeur bij de verlading in en uit tankwagens;
  • het automatische sluitsysteem voor de bodemafsluiter van de spoorketelwagons is aangekoppeld;
  • er worden regelmatig controles uitgevoerd op lekkages en op het verloop van de verlading.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M98

Operationele beheersing – laad- en losplaats algemeen (A+D)

Reguliere overslagactiviteiten vinden alleen plaats op daartoe speciaal ingerichte en herkenbare laad- en losplaatsen.

Zodra een tankwagen of spoorketelwagon op de laad- en/of losplaats wordt aangesloten, is deze afgesloten met een fysieke blokkade (bijvoorbeeld een slagboom). Op de laad-/losplaats mogen geen andere transportmiddelen aanwezig zijn, behalve transportmiddelen voor transport van ammoniak.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M99

Afmeren van tankschepen (A+D)

De tankschepen zijn zo afgemeerd dat er geen ontoelaatbare spanning in of beschadiging aan de elektrische kabel of laadarmen, die voor het laden of lossen zijn aangekoppeld, kunnen optreden.

[vs 4.3.20 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Afhankelijk van de lokale situatie behoort rekening te worden gehouden met getijdenverschillen of zuiging van voorbijvarend scheepsverkeer.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M100

Laden en lossen tankwagens en spoorketelwagons – wegrijden voorkomen (A+D)

Tijdens het aan- en afkoppelen en tijdens de overslag is een tankwagen of spoorketelwagon zo opgesteld dat wegrijden tijdens de overslagwerkzaamheden wordt voorkomen, bijvoorbeeld door gebruik van een handrem en wielkeggen/remsloffen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M101

Operationele beheersing – toezicht tijdens verlading (A+D)

Tijdens verladingsactiviteiten is ten minste één bedrijfsfunctionaris op een veilige locatie aanwezig die in het geval van storingen of onregelmatigheden kan ingrijpen.

Bij scheepsverlading is naast de bedrijfsfunctionaris aan de wal een door de kapitein aangewezen persoon aan boord die op een veilige locatie in het geval van storingen of onregelmatigheden kan ingrijpen. Een goede communicatie tussen het schip en de wal is gewaarborgd.

De toezichthoudende bedrijfsfunctionaris is deskundig en goed geïnstrueerd over de bij storingen of onregelmatigheden te nemen maatregelen. De instructie wordt op regelmatige tijden herhaald en geoefend.

Camerabewaking in combinatie met gasdetectie op de laad- en losplaats, als alternatief voor een bedrijfsfunctionaris, is toegestaan, mits er alarmering is in de controlekamer en vanuit de controlekamer ingegrepen kan worden in het geval van storingen of onregelmatigheden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M102

Vullingscontrole tijdens het laden (A+D)

Bij het laden van een tankwagen of spoorketelwagon met ammoniak wordt, om overvulling te voorkomen, de inhoud van de tankwagen volgens twee onafhankelijk werkende methoden beveiligd. De eerste methode is een flowmeting die de verlading stopt bij het bereiken van de te verladen hoeveelheid (berekend op basis van de vrije beschikbare ruimte in het vervoermiddel).

Voor de tweede methode kan er gekozen worden uit de volgende methoden voor overvulbeveiliging:

  • het aansluiten van een dampretour met vloeistofdetectie in de dampretourleiding;
  • het gebruik van een vast opgestelde infraroodcamera die het niveau in het reservoir meet;
  • een controle op de weegbrug tijdens het verladen.

De toegepaste methoden voor het voorkomen van overvulling zijn voorzien van:

  • een vooralarm dat vroegtijdig ingrijpen mogelijk maakt;
  • een automatische stop van de verlading bij een hoog-hoogalarm.

Het vooralarm is niet toepasbaar als er gekozen is voor de methode van een dampretour met vloeistofdetectie in de dampretourleiding.

[vs 5.4.9 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Gebruik van een infraroodcamera is van toepassing op een spoorketelwagon, omdat daarvan de hoogte vooraf bekend is.

Het wegen van het transportmiddel voor en na het vullen wordt niet gezien als overvulbeveiliging.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.14Bedrijfsvoering voor drukopslag (D) Normatief

7.14.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk staan de maatregelen die gericht zijn op het gebruik van de ammoniakopslaginstallatie. Hieronder wordt onder andere verstaan het vullen van de opslagtank, de opslag in de opslagtank en het afleveren vanuit de opslagtank.

7.14.2Bediening bij drukopslag Normatief

Naast de opgenomen maatregelen in deze paragraaf zijn M85, M91 en M96 voor de bediening bij atmosferische opslagtanks ook van toepassing op drukopslagtanks.

M103

Beheersing van de opslagcondities bij drukopslag (D)

Alle relevante condities van de drukopslagtank worden continu gemonitord en vastgelegd, zoals bijvoorbeeld in een DCS-systeem.

Dit betreft minimaal de volgende parameters:

  • druk;
  • temperatuur;
  • zuurstof in de gasfase (uitgezonderd voor risicoklasse 9 zoals bedoeld in Tabel 3);
  • niveau.

De instellingen van de alarmeringen zijn zo ingesteld dat tijdig maatregelen kunnen worden getroffen om te voorkomen dat de beveiligingen uit M47, M48, M49 en, indien van toepassing, M40, M55 en M109 worden geactiveerd.

Voor een bestaande drukopslagtank is het meten van de temperatuur geen vereiste als het noodzakelijk is om constructieve veranderingen door te voeren aan de drukopslagtank om dit te realiseren.

Voor een bestaande drukopslagtank die opereert in risicoklasse 1 t/m 6 zoals bedoeld in Tabel 3 en nog niet beschikt over zuurstofmonitoring, geldt dat gedurende de implementatietermijn van deze meting, zoals opgenomen in Bijlage H.1, de zuurstof in de vloeistoffase ten minste maandelijks of na elke vulling van de drukopslagtank met bemonstering en analyse wordt bepaald.

Toelichting

De bepaling van de zuurstof in de vloeistoffase vindt in de praktijk plaats door meting in de gasfase. Hierbij moet rekening worden gehouden met het verschil in concentratie tussen de vloeistof- en gasfase, zoals aangegeven in Afbeelding 7.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M104

Operationele procedure in- en uitgebruikname bij drukopslag (D)

Het bedrijf hanteert procedures bij in- en uitgebruikname om zeker te stellen dat zuurstof efficiënt verwijderd wordt en de installatie zorgvuldig en gelijkmatig wordt gekoeld of opgewarmd. Hierdoor wordt de thermische belasting tot een minimum beperkt en wordt het risico op het ontstaan van spanningscorrosie (SCC) verminderd.

Voor de ingebruikname van drukopslagtanks na nieuwbouw, onderhoud of inspectie worden de volgende stappen doorlopen:

  • Zorg dat water, gebruikt bij de sterktetest, volledig is verwijderd conform een opgesteld ontwateringsplan.
  • Zorg dat de drukopslagtank schoon is en olieresten en roestvlokken zijn verwijderd.
  • Spoel de drukopslagtank met stikstof totdat de zuurstofconcentratie < 0,5 % vol is in de gasafvoer.
  • Voer een lektest uit door de drukopslagtank op bedrijfsdruk te brengen met stikstof en te controleren of er lekkages zijn.
  • Spoel de drukopslagtank met ammoniakgas totdat het ammoniakgehalte van het gas > 98 % vol is en het zuurstofpercentage < 0,5 % vol is in de gasafvoer.
  • Vul de drukopslagtank met vloeibare ammoniak.
  • Meet na het vullen het zuurstofpercentage in de drukopslagtank en wanneer er zuurstof wordt gedetecteerd, voer deze dan gelijk af via een dampverwerkingsinstallatie.

Voor de uitgebruikname van drukopslagtanks worden de volgende stappen doorlopen:

  • Leeg de drukopslagtank tot het absolute minimale vloeistofniveau.
  • Verdamp, indien nodig, de resterende ammoniak totdat de drukopslagtank leeg is.
  • Om na te gaan of alle vloeibare ammoniak verwijderd is, wordt een druktest uitgevoerd door de opslagtank gedurende 4 uur in te blokken (thermisch geïsoleerde tanks worden 24 uur ingeblokt). Als de druk in die periode toch stijgt, dan is er nog vloeibare ammoniak aanwezig in de opslagtank. Laat de opslagtank in dat geval verder leegdampen en herhaal voorgaande inblokprocedure. Pas als na het inblokken de druk niet meer toeneemt, kan vervolgd worden met onderstaande stappen.
  • Pas als alle vloeibare ammoniak is verwijderd, kan gespoeld worden met stikstof van onder naar boven.
  • Voer regelmatig een ammoniak-/stikstofanalyse uit en registreer de bevindingen. Spoel totdat de ammoniakconcentratie < 2 % vol is.
  • Verwijder de stikstof door met lucht te spoelen van onder in de opslagtank naar boven totdat het zuurstofgehalte > 19 % vol is.
  • Verwijder eventuele olieresten op de bodem, waar nog ammoniak aanwezig kan zijn.
  • Verwijder alle vrijkomende ammoniakdampen van alle spoelstappen via een dampverwerkingsinstallatie.

Als er geen temperatuurmeting aanwezig is, hetgeen het geval kan zijn bij een bestaande drukopslagtank (zie M46), meet dan voor beide hiervoor genoemde procedures op een aantal plaatsen de temperatuur van de metalen buitenzijde van de drukopslagtank.

Doorloop voor de ingebruikname van productleidingen na nieuwbouw, onderhoud of inspectie de volgende stappen:

  • Wanneer water wordt gebruikt voor een (aanvullende) druktest, dan is het noodzakelijk dat een goed ontwateringsplan is opgesteld en wordt opgevolgd om zeker te stellen dat het water volledig is verwijderd, voordat ammoniak wordt geïntroduceerd in de leiding.
  • Spoel de leiding met stikstof totdat het zuurstofpercentage < 4 % vol is in de gasafvoer. Mocht de leidingopening waar gemeten wordt zich in een besloten ruimte bevinden, dan wordt hier rekening mee gehouden.
  • Spoel de leiding met ammoniakgas of stikstof totdat het zuurstofpercentage < 0,5 % vol is in de gasafvoer.

Voor de ingebruikname van productleidingen die leeg zijn geweest, maar niet schoon:

  • Start met het beheerst koelen van de leiding voordat de leiding voor een productverplaatsing (transportmiddel laden/lossen, pijpleiding import/export) gebruikt wordt door geleidelijk vloeibare ammoniak toe te voegen.

Voor de uitgebruikname van productleidingen:

  • Laat de leiding leegdampen naar de drukopslagtank of een mobiele dampverwerkingsinstallatie.
  • Voer een druktest uit door de leiding gedurende 8 uur in te blokken bij geïsoleerde leidingen en 2 uur bij ongeïsoleerde leidingen. Als de druk in die periode toch stijgt, dan is er nog vloeibare ammoniak aanwezig in de leiding. Laat de leiding in dat geval verder leegdampen naar de opslagtank. Pas als bij het inblokken de druk niet meer toeneemt, kan de leiding gespoeld worden met stikstof.
  • Indien nodig kan de stikstof verwijderd worden door met lucht te spoelen.
Toelichting

Toelichting 1: Wanneer er nog water in de drukopslagtank of leiding aanwezig is op het moment dat ammoniak wordt toegevoerd, dan leidt dit bij contact met ammoniak tot een hevige exotherme reactie die leidt tot een temperatuur- en drukverhoging waar het systeem mogelijk niet tegen bestand is. Wanneer er nog vloeibare ammoniak in de drukopslagtank of leiding aanwezig is op het moment dat stikstof wordt toegevoerd om de installatie ammoniakvrij te maken, dan kan een te snelle afkoeling zorgen voor schade.

Toelichting 2: Wanneer er alleen stikstofgas aanwezig is in de drukopslagtank en vloeibare ammoniak wordt toegevoegd, zorgt de verdamping van ammoniak naar de gasfase voor een temperatuurdaling. Dit effect wordt sterker naarmate er meer stikstof in de drukopslagtank aanwezig is, dan wel dat de drukopslagtank onder een hogere stikstofdruk staat. Afhankelijk van de minimale ontwerptemperatuur van de drukopslagtank kan dit scenario leiden tot het falen van de drukopslagtank.

Toelichting 3: Een horizontale cilindrische drukopslagtank kan zijn voorzien van een verdeelleiding op de bodem om stikstof toe te voeren bij het leegmaken van de drukopslagtank.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M105

Operationele controles bij drukopslag (D)

Ten minste eenmaal per 8 uur worden alle in bedrijf zijnde installaties behorend bij de drukopslagtank (m.u.v. de ruimte tussen de drukopslagtank en veiligheidswand) visueel op lekkage gecontroleerd.

De ruimte tussen de drukopslagtank en veiligheidswand wordt periodiek, maar ten minste eenmaal per week, geïnspecteerd. In deze ruimte is de aanwezigheid van gasdetectie (M66) en cameratoezicht geborgd.

Onder controle wordt hierbij verstaan: de routinematige controlerondes die door het bedienend personeel worden uitgevoerd.

Toelichting

De ruimte tussen drukopslagtank en veiligheidswand wordt in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet gezien als een besloten ruimte. Dit is met name relevant bij onderhouds- en inspectiewerkzaamheden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M106

Training en opleiding bij drukopslag (D)

Er is een trainings- en opleidingsprogramma voor elke medewerker die operationele werkzaamheden uitvoert met de ammoniakinstallatie. In het trainings- en opleidingsprogramma is ten minste aandacht besteed aan:

  • de procesveiligheid;
  • de risico's van het vrijkomen van ammoniak;
  • de aspecten van processen die gevaar kunnen opleveren;
  • het in en uit gebruik nemen van installaties, zie M104.

[vs 3.3.2 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M107

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de drukopslagtank (D)

Er zijn maatregelen genomen om de hoeveelheid zuurstof die de drukopslagtank binnenkomt te verlagen.

Deze maatregelen omvatten ten minste:

  • dat de stikstof die wordt gebruikt voor het spoelen van apparaten in de terminal, minder dan 5 ppm zuurstof bevat. Hierin is ook stikstof dat wordt gebruikt voor inbedrijfstelling, onderhoud en laadarmverbindingen begrepen;
  • het beperken van binnendringen van inerten in de drukopslagtank. Ammoniakgassen mogen bij productverlading niet teruggevoerd worden naar de drukopslagtank. Zie ook M66.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
Omgevingsveiligheid
M108

Afvoer zuurstof en inerten bij drukopslag (D)

Bij detectie van zuurstof (gasfase) in een drukopslagtank boven de detectiegrens vindt er onmiddellijk afvoer van zuurstof en inerten plaats via een BOG-verwerkingssyteem of dampverwerkingsinstallatie. De zuurstofmeting (gasfase) zoals bedoeld inM46 is hiertoe uitgerust met alarm en registratie. Er is een logboek aanwezig waarin continu het zuurstofgehalte (vloeistoffase) aantoonbaar wordt bijgehouden. Als de drukopslagtank opereert in risicoklasse 1 t/m 6 volgens Tabel 3 en er een overschrijding van meer dan 250 ppm zuurstof in de gasfase wordt gedetecteerd, wordt dit beschouwd als operatie buiten ontwerpcondities volgens M51.

Het BOG-verwerkingssysteem bij een drukopslagtank hoeft niet te voldoen aan de eisen voor o.a. capaciteit en redundantie (zoals in M27 en M28) die gelden bij een BOG-verwerkingsysteem voor atmosferische opslagtanks zoals opgenomen in Paragraaf 7.6.2.4 op voorwaarde dat de maximale ontwerptemperatuur van de drukopslag +50 °C bedraagt.

Toelichting

Toelichting 1: Het logboek zal door de NL-CBI worden gebruikt tijdens de periodieke herbeoordeling van de drukopslagtank (zie ook M124). Met de data uit het logboek kan het risico op spanningscorrosie (SCC) worden bepaald. Als de drukopslagtank is vervaardigd uit roestvaststaal, is zuurstofmeting niet van toepassing.

Toelichting 2: Als de drukopslagtank opereert in risicoklasse 7 t/m 9 volgens Tabel 3, dan is er geen meldingsplicht, omdat de zuurstof onmiddellijk wordt verwijderd door de continue gasafvoer en daarmee het risico op spanningscorrosie (SCC) klein is.

Toelichting 3: 250 ppm zuurstof in de gasfase komt overeen met 0,5 ppm in de vloeistoffase bij drukopslagtanks opererend tot 20 °C (zieAfbeelding 7).

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.14.3Laden/Lossen bij drukopslag (D) Normatief

Naast de opgenomen maatregelen in deze paragraaf zijn M94, M96, M98, M99, M100, M101 en M102 voor laden/lossen bij atmosferische opslagtanks ook van toepassing op drukopslagtanks.

M109

Inhoud en vullingsgraad bij drukopslag (D)

Drukopslagtanks zijn tot maximaal 80 % van het volume gevuld.

Vullen tot een hoger volume met bijbehorend niveau in de drukopslagtank is toegestaan als de aangegeven vultemperatuur volgens Tabel 9 minimaal wordt gehandhaafd én er een temperatuurbeveiliging voor de minimumtemperatuur aanwezig is die de toevoer stopt als de minimale vultemperatuur wordt onderschreden. De temperatuurbeveiligingsloop heeft ten minste een SIL 1-classificatie conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks en houdt rekening met de sluitingstijden van de afsluiter(s).

[vs 3.6.3 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Het vullen van de drukopslagtank tot een hoger volume is toegestaan zolang de totale massa in de drukopslagtank ook bij een temperatuur van +50 °C in de drukopslagtank past. De temperatuurbeveiliging op de minimumtemperatuur zorgt ervoor dat er niet te teveel massa in de drukopslagtank komt. De minimale vultemperatuur is vastgesteld in de terminalspecificaties conform M96. De inkomende ammoniak mag niet lager zijn dan minimale vultemperatuur, omdat er anders te veel massa in drukopslagtank terrecht komt dan zou passen bij een temperatuur van +50 °C.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M110

Controle condities ammoniak voor lossen bij drukopslag (D)

In de losprocedure is beschreven hoe inkomende ammoniak wordt getoetst en beoordeeld aan de terminalspecificatie (zie M96). Deze specificatie bevat minimaal het watergehalte (gew%), de temperatuur en de druk-/temperatuurverhouding van de inkomende ammoniak.

Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • ammoniak wordt niet getransporteerd naar de drukopslagtank wanneer de temperatuur van de inkomende ammoniak hoger is dan bepaald in de terminalspecificatie (M96);
  • de druk-/temperatuurverhouding komt overeen met de druk-/temperatuurverhouding volgens de dampspanningscurve (zie Tabel 7) van ammoniak, om zeker te stellen dat de lading een homogene lading ammoniak bevat.

Wanneer de druk-/temperatuurverhouding in het te lossen transportmiddel afwijkt van de dampspanningscurve (zie Tabel 7), kan dat duiden op de aanwezigheid van inerte gassen zoals stikstof en mogelijk sporen van zuurstof. Deze inerten uit het transportmiddel worden verwijderd via een dampverwerkingsinstallatie.

Toelichting

Voor het reduceren van het risico van spanningscorrosie (SCC) is zuurstof een initiator en water een inhibitor van het corrosiemechanisme. Bij de drukopslag ligt de nadruk op het voorkomen van het intreden van zuurstof, omdat de inhibitorfunctie van water alleen effect heeft in de vloeistoffase. In de gasfase van de drukopslag bevindt zich geen of nauwelijks water. Door het temperatuurverschil tussen de buitentemperatuur en de temperatuur in de drukopslag kan condensatie van waterdamp optreden aan de buitenzijde van de drukopslagtank of van watervrije ammoniak aan de binnenzijde van de drukopslagtank. De condensatie aan de binnenzijde doet zich voornamelijk voor aan de bovenkant van de drukopslag in de gasfase. Condensatie aan de buitenzijde is een indicatie voor het afwezig zijn van condensatie aan de binnenzijde.

Dit maakt ook dat het de voorkeur heeft dat bij drukopslag in de vloeistoffase meer dan 0,2 wt% water aanwezig is. De inhibitorfunctie van het water werkt dan alleen voor de vloeistoffase. Bij toepassingen van de opslag van watervrije ammoniak is het voorkomen van zuurstof in de tank essentieel. Het aanhouden van een watergehalte van meer dan 0,2 wt% is dan ook geen verplichting bij drukopslag. Het watergehalte wordt wel opgenomen en benoemd in de terminalspecificatie (M96).

In de terminalspecificatie is de maximale vultemperatuur vastgesteld (zie M96). Wanneer de temperatuur van de inkomende ammoniak hoger is dan de temperatuur van de terminalspecificatie, kunnen de drukontlastingskleppen opengaan als gevolg van de stijgende druk in de opslagtank.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M111

Procedure voor verlading bij drukopslag (D)

Verlading vindt plaats volgens interne, vooraf opgestelde, schriftelijke procedures waarin ten minste aan de volgende zaken aandacht is besteed:

  • de juist persoonlijke beschermingsmiddelen worden gedragen en waar nodig zijn er vluchtmaskers aanwezig;
  • het te beladen transportmiddel voldoet aan de eis dat deze slechts ammoniak of stikstof of een onbrandbaar en voor ammoniak inert gas bevat met een zuurstofgehalte dat voldoet aan de eisen voor het desbetreffende transportmiddel (zoals het ADR, ADN of RID);
  • bij verlading weet het bedieningspersoneel zeker dat, voordat het verpompen begint, de te gebruiken onderdelen zo zijn aangebracht dat het product alleen terecht kan komen op de daarvoor bestemde plaats;
  • het bedieningspersoneel dat zorg draagt voor de belading, weet zeker dat voor aanvang ervan het ontvangend ‘containment’ (opslagtank, ladingtank) voldoende vrije ruimte/capaciteit heeft om het te verladen volume ('product package') veilig te ontvangen en dat overvulling wordt voorkomen;
  • de dampretourleiding, als deze gebruikt wordt, is aangesloten met afvoer naar een dampverwerkingsinstallatie, dan wel dat de dampretourleiding conformM66 een terugstroombeveiliging bevat die voorkomt dat de gasfase van het transportmiddel kan terugstromen naar de drukopslagtank;
  • bij tankwagens is er sprake van aantoonbare goede aarding waarbij de verlading niet gestart kan worden als de aarding niet functioneert;
  • er wordt gebruikgemaakt van een dodemansknop door de chauffeur bij de verlading in en uit tankwagens;
  • het automatische sluitsysteem voor de bodemafsluiter van de spoorketelwagons is aangekoppeld;
  • er worden regelmatig controles uitgevoerd op lekkages en op het verloop van de verlading.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M112

Beveiliging temperatuur bij drukopslag (D)

De temperatuur van de ammoniak die in de drukopslagtank wordt gebracht, is niet hoger dan de maximale temperatuur bepaald in de terminalspecificatie (zie M96) voor de betreffende drukopslagtank (rekening houdend met de eventuele aanwezigheid van een continue gasafvoer). Wanneer op basis van M109 in combinatie met M96 een minimale vultemperatuur is vastgesteld, geldt dat de ammoniak die in de drukopslag wordt gebracht niet lager is dan deze vastgestelde minimale vultemperatuur conform M96.

Voor transportmiddelen die geen temperatuurmeter hebben, wordt de temperatuur bepaald door middel van een drukmeting in combinatie met een bepaling van de concentratie van de aanwezige inerten.

Toelichting

De transportregelgeving (ADR, ADN of RID) bepaalt de eisen waar de temperatuur of drukmeting op het transportmiddel aan moet voldoen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.15Inspectie, onderhoud, keuring, registratie en documentatie van atmosferische ammoniakopslaginstallaties (A) Normatief

7.15.1Inleiding Normatief

Dit hoofdstuk betreft de periodieke inspecties en keuringen en de vereiste documentatie gedurende de levensduur van de ammoniakopslaginstallatie. Door het uitvoeren van periodieke inspecties wordt de betrouwbaarheid van de ammoniakopslaginstallatie bewaakt.

7.15.2Keuring, onderhoud en inspectie atmosferische ammoniakopslaginstallatie Normatief

Voor de aangewezen drukapparatuur conform Wbda 2016 gelden de eisen uit het Wbda 2016 voor keuring, wijziging en reparatie. De keuring en inspectie worden uitgevoerd door de keuringsinstanties die zijn aangewezen volgens het Wbda 2016.

Voor de niet-aangewezen drukapparatuur conform Wbda 2016 is besloten om ook de systematiek van het Wbda 2016 toe te passen. De niet-aangewezen drukapparatuur wordt gekeurd door een deskundige volgens het Arbobesluit, artikel 7.4a.

Voor de atmosferische opslagtank, die niet valt onder de PED en Wbda 2016 (zie Paragraaf 7.2.1), is besloten om ook de systematiek van het Wbda 2016 toe te passen voor keuring en inspectie. Daarvoor zijn de maatregelen voor keuring en inspectie in deze paragraaf opgenomen.

In alle gevallen toetst de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks of er ook wordt voldaan aan de maatregelen in deze PGS-richtlijn.

Voor de opslagtank geldt het uitgangspunt dat de opslagtank zo min mogelijk geopend wordt voor out-of-service-inspecties. Hierdoor wordt voorkomen dat er zuurstof in de opslagtank komt, wat het risico op spanningscorrosie (SCC) verkleint.

M113

Periodieke inspectie atmosferische ammoniakopslaginstallatie (A)

Door het uitvoeren van periodieke inspecties wordt, naast de controle op lekkages zoals beschreven in M90, de betrouwbaarheid van de ammoniakopslaginstallatie bewaakt. De vereiste periodieke inspecties zijn:

  • eenmaal per jaar:
    • een visuele inspectie van de betonnen wand op aantasting, beschadigingen en het behoud van integriteit;
    • een visuele uitwendige inspectie van de leidingen ter controle op uitwendige aantasting, ligging en ondersteuning. Bij geïsoleerde leidingen kan worden volstaan met een visuele inspectie van de isolatie. De isolatie wordt alleen op die plaatsen verwijderd waar dit voor het uitvoeren van onderzoeken noodzakelijk is of waar, op basis van de visuele uitwendige inspectie, hiertoe aanleiding bestaat;
    • een visuele uitwendige inspectie en controle op de functionaliteit van afsluiters, instrumenten en beveiligingen.
  • eenmaal per vier tot zes jaar: een visuele inspectie van de fundering.

[vs 6.2.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Het betreft algemene controles van de installatie die niet geregeld zijn in het Wbda 2016 gebaseerd op de PGS 12:2021.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M114

Inspectie- en keuringsprogramma atmosferische ammoniakopslaginstallatie – nieuwbouwfase (A)

Voor installatiedelen die niet vallen onder het Wbda 2016, zie Paragraaf 7.2.1, geldt dat de ammoniakopslaginstallatie tijdens de nieuwbouwfase onder toezicht staat van een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks. De deskundige ziet toe op het juist implementeren van alle constructie- en beveiligingseisen, zoals vastgelegd in de maatregelen uit Paragraaf 7.6.2, Paragraaf 7.6.3.1 en Paragraaf 7.12.

Voor het mogelijk maken van in-service-inspecties zijn de volgende voorwaarden van toepassing:

  • tijdens constructie:
    • een 100%-controle van alle lasnaden, van de binnen- en buitentank, door niet-destructief onderzoek conform NEN-EN 14620-2;
    • een warmtebehandeling na het lassen van alle tubelures, mangaten en alle aan de tankwand gelaste constructiedelen, met uitzondering van verstevigingsringen.
  • voor ingebruikname:
    • een watertest van de binnentank (primaire tank), gevuld tot 100 % van het maximale niveau. De geschiktheid van het water is conform NEN-EN 14620-5 om corrosie als gevolg van chloriden en microbiologie te voorkomen;
    • een lekdichtheidstest van de buitentank, door middel van een lektest met lucht conform API 620, Appendix R, en vacuümboxen van de bodem of penetrant onderzoek;
    • het met vacuümboxen inspecteren van de bodem van de binnentank;
    • het aantonen dat een robotinspectie van de binnentank, bijvoorbeeld door TOFD en pulse-echo-onderzoek, van alle lasnaden van de tankwand en bodem/wandlas mogelijk is.

[Vs 6.2.4, vs 6.3.1, vs 6.3.2, vs 6.3.3, vs 6.3.4 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Voor installatiedelen die drukapparatuur zijn, zie Paragraaf 7.2.1, gelden de eisen uit het PED.

Toelichting 2: In afwijking van NEN-EN 14620-2 wordt de 100%-controle van alle lasnaden vereist met als doel het volledig uitsluiten van fabricagefouten. Fabricagefouten kunnen tijdens de eerste in-service-inspectie valse indicaties geven. Om uit te sluiten dat indicaties tijdens inspectie niet zijn veroorzaakt door fabricagefouten, is een 100%-inspectie tijdens de bouw noodzakelijk (zie M115).

Toelichting 3: Alleen een watertest van de binnentank (primaire tank) is vereist. Het watertesten van de annulaire ruimte wordt nadrukkelijk afgeraden, ter voorkoming van intrede van water onder de binnentank (primaire tank).

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M115

Inspectie- en keuringsprogramma atmosferische ammoniakopslaginstallatie – ingebruikname (A)

Voor installatiedelen die niet vallen onder het Wbda 2016, zie Paragraaf 7.2.1, geldt dat de ammoniakopslaginstallatie pas in gebruik mag worden genomen, nadat een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks een verklaring van ingebruikneming (VvI) heeft afgegeven. Deze verklaring mag uitsluitend afgegeven worden als de ammoniakopslaginstallatie voldoet aan alle constructie- en beveiligingseisen zoals vastgelegd in de maatregelen uit Paragraaf 7.6.2, Paragraaf 7.6.3.1 en Paragraaf 7.12.

Voor het mogelijk maken van een in-service-inspectie met een robotinspectie, zijn de volgende voorwaarden van toepassing bij ingebruikneming:

  • er wordt aangetoond dat een robotinspectie van de binnentank, bijvoorbeeld met TOFD en pulse-echo-onderzoek, van alle lasnaden van de tankwand en bodem/wandlas gevalideerd is, waarbij de detectie van oppervlaktescheuren als gevolg van spanningscorrosie (SCC) de doelstelling is;
  • wanneer aanvullend op een robotinspectie er een niet-intrusieve inspectie van de binnentank met AET (acoustic emission testing) of een andere gelijkwaardige gevalideerde inspectietechniek is geïnstalleerd, wordt er een niet-intrusieve inspectie van de binnentank bij de eerste vulling met ammoniak uitgevoerd met deze geïnstalleerde techniek (AET of anders).
Toelichting

Toelichting 1: Voor installatiedelen die vallen onder het Wbda 2016, zie Paragraaf 7.2.1, geldt voor aangewezen drukapparatuur dat deze pas in gebruik wordt genomen na een keuring voor ingebruikname door een NL-CBI of NL-KVG.

Toelichting 2: De niet-intrusieve inspectie met een robotinspectie is een verplichting en de mogelijkheid om dit met een AET of een andere gelijkwaardige gevalideerde techniek uit te voeren, is een optie/keuze. Voor meer uitleg over AET zie ook toelichting 3 van M116. In deze maatregel wordt voor beide technieken een referentiemeting voorgeschreven die gebruikt kan worden in de gebruiksfase.

Toelichting 3: Indicaties die aangetoond zijn met de AET-techniek kunnen meestal niet in voldoende mate op grootte worden vastgesteld. Indicaties die zijn vastgesteld met AET worden daarom ook met een robotinspectie uitgevoerd om de grootte (diepte en lengte) van de indicatie nauwkeurig vast te stellen. AET-techniek wordt om die reden als aanvullend gezien.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M116

Inspectie- en onderhoudsprogramma atmosferische ammoniakopslaginstallatie – gebruiksfase (A)

Tijdens de gebruiksfase geldt dat inspectie en onderhoud van de gehele ammoniakopslaginstallatie plaatsvinden volgens een inspectie- en onderhoudsprogramma.

Voor installatiedelen die niet vallen onder het Wbda 2016, zie Paragraaf 7.2.1, geldt dat het inspectieprogramma is goedgekeurd door zowel een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks als door het bevoegd gezag Omgevingswet. De onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks houdt toezicht op de uitgevoerde inspecties van de ammoniakopslaginstallatie. Wanneer een ammoniakopslaginstallatie uit gebruik is genomen voor onderhoud en inspectie, dan mag deze pas weer in gebruik worden genomen na goedkeuring van een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks.

Hierbij zijn de volgende voorwaarden van toepassing voor een full-containmenttank:

  • periodieke inspecties van de binnentank:
    • voor alleen een robotinspectie geldt:
      • zes en twaalf jaar na ingebruikname een robotinspectie;
      • elke volgende robotinspectie volgt uit de RBI-methodiek uit de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks. Dit inspectie-interval mag niet langer zijn dan twaalf jaar;
    • voor het toepassen van AET in combinatie met een robotinspectie geldt:
      • ten minste elke zes jaar een AET-inspectie bij het geïnstalleerd hebben van een AET-inspectiesysteem;
      • zes jaar na ingebruikname een robotinspectie of AET;
      • twaalf jaar na ingebruikname een robotinspectie in combinatie met AET;
      • elke volgende robotinspectie volgt uit de RBI-methodiek uit de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks. Dit inspectie-interval mag niet langer zijn dan twaalf jaar;
  • periodieke inspecties van de buitentank:
    • zes jaar na ingebruikname een robotinspectie;
    • twaalf jaar na ingebruikname een robotinspectie;
    • elke opvolgende robotinspectie volgt uit de RBI-methodiek uit de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks maar mag niet langer zijn dan twaalf jaar.

Onder een robotinspectie wordt een inspectie verstaan waarbij met een robot, bijvoorbeeld met TOFD en pulse-echo-onderzoek, de lasnaden worden gecontroleerd conform paragraaf 5.5 van de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks en met ultrasoonmetingen worden alle tankwanden geïnspecteerd.

Aanvullend op de robotinspectie en/of AET mag twaalf jaar na ingebruikname de ammoniakopslagtank uit bedrijf worden genomen voor een inspectie van alle lasnaden van de binnen- en buitentank.

Wanneer het AET-inspectiesysteem (sensoren en bekabeling) onvoldoende functioneert als gevolg van uitgevallen sensoren, wordt het inspectie- en onderhoudsprogramma hierop aangepast en is goedkeuring van het aangepaste programma door zowel een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks als het bevoegd gezag Omgevingswet vereist.

Toelichting

Toelichting 1: Voor installatiedelen die vallen onder het Wbda 2016, zieParagraaf 7.2.1, geldt dat het inspectieprogramma is goedgekeurd door een NL-CBI, NL-KVG of IVG. De NL-CBI NL-KVG of IVG houdt toezicht op de uitgevoerde inspecties van de ammoniakopslaginstallatie.

Toelichting 2: In het ontwerp van de ammoniakopslagtank is rekening gehouden met de toegankelijkheid van de bodem/wand om de lasverbinding te kunnen inspecteren met een robot.

Toelichting 3: De techniek van AET (acoustic emmision testing) is nog niet een volledige gevalideerde inspectietechniek voor de gekoelde opslag van ammoniak, maar wel veel belovend en volop in ontwikkeling. Het voordeel van AET ten opzichte van een robotinspectie is dat ook de bodem van de tank in-service geïnspecteerd kan worden. Voor de praktische uitvoerbaarheid zijn er nog punten die verder doorontwikkeld gaan worden. Dit zijn bijvoorbeeld de levensduur van de sensoren (inclusief signaalkabels) en de positionering van de sensoren op de tankwand.

Voor de positionering van de sensoren zijn er de volgende uitdagingen in combinatie met een robotinspectie:

  • het inspecteren van de lasverbindingen van de wand/bodem;
  • het voorkomen dat de begeleidingskabel van de robot niet verstrikt raakt met de signaalkabels vanaf de sensoren;
  • het beoordelen van de horizontale lasverbindingen waar de robot niet bij kan, omdat zich daar een sensor/signaalkabel bevindt.

Bij het onvoldoende functioneren van de AET zijn er in de praktijk verschillende alternatieven mogelijk, zoals het verhogen van de frequentie van de robotinspectie of het uit bedrijf nemen van de tank voor reparatie van de sensoren.

Toelichting 4: Met een robotinspectie worden de wanden van de binnen- en buitentank geïnspecteerd vanuit de tank zelf. Het inspecteren van het dak vindt plaats via een techniek vanaf de buitenkant. Vanwege de dakconstructie is dit van binnenuit niet mogelijk.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M117

Lekkage of afwijkingen bij atmosferische opslag (A)

Wanneer lekkages worden geconstateerd, worden onmiddellijk corrigerende maatregelen genomen.

Gevonden afwijkingen (indicaties of defecten) worden beoordeeld door de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks. In geval van indicaties van SCC die meer dan toelaatbaar zijn, is een mechanische integriteitsberekening conform API 579-1 (Fitness for Service) aangevuld met een 'lek voor breuk'-assessment, beide conform paragraaf 5.3 van de Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks, vereist.

Bij gevonden afwijkingen wordt het bevoegd gezag Omgevingswet onmiddellijk geïnformeerd. Bij een gevonden afwijking wordt een oordeel van een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks gevraagd voor vervolgonderzoeken en te nemen maatregelen.

[vs 6.2.6, vs 6.3.6 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid
M118

Inspectie en testen van beveiligingen bij atmosferische opslag (A)

Voor het inspecteren en testen van beveiligingen geldt het volgende:

  • (lage)drukontlastkleppen (M19 en M21) op de atmosferische opslagtank worden ten minste elke zes jaar getest, waarbij dezelfde wijze van inspecteren en testen wordt toegepast als voor (lage)drukontlastkleppen op drukapparatuur;
  • testfrequentie instrumentele beveiligingen (M18 en indien van toepassing M150) volgt uit de SIL-verificatie.
Toelichting

Met de frequentie van zes jaar voor (lage)drukontlastkleppen is aangesloten bij het Wbda 2016.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M119

Rapportage inspectie bij atmosferische opslag (A)

Binnen drie maanden na de uitvoering van inspecties, zoals beschreven in Paragraaf 7.15.2, is een rapportage beschikbaar waarin ten minste is opgenomen:

  • een beschrijving van de relevante degradatiemechanismen (waaronder in elk geval zettingen en de aanwezigheid van haarscheurtjes, met name bij lasnaden) van de opslagtank en de bijbehorende appendages;
  • de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd (o.a. technieken en een onderbouwing van de toegepaste technieken) en de in het onderzoek betrokken installatieonderdelen;
  • de meetlocaties;
  • de resultaten van het uitgevoerde onderzoek (inclusief evaluatie van de onderzoeksresultaten en eventuele aanbevelingen);
  • de resterende levensduur van de opslagtank (in relatie tot onder meer de aangetroffen afwijkingen);
  • de (geprognosticeerde) datum van de eerstvolgende (inwendige) inspectie.

[vs 6.3.7 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M120

Koelvoorziening en voorzieningen om verspreiding van damp te voorkomen/beperken – controle en onderhoud bij atmosferische opslag (A)

Controle en onderhoud van koelvoorzieningen en voorzieningen om verspreiding van damp te voorkomen/beperken, zie Paragraaf 7.18.2.1, zijn gebaseerd op de NFPA 25 en aanvullend opgenomen in het UPD (M138). Dit is vastgelegd in een inspectie- en onderhoudsplan.

[vs 4.1.30, vs 4.2.22, vs 4.3.26 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid

7.15.3Registratie en documentatie bij atmosferische opslag Normatief

M121

Registratie en documentatie bij atmosferische opslag (A)

Van de uitgevoerde inspecties wordt een registratiesysteem aangelegd en bijgehouden. In dit registratiesysteem worden de nieuwbouw-, wijziging- en reparatiegegevens, en de test-, onderhoud- en inspectiebevindingen vermeld.

Alle inspectierapporten van een ammoniakopslaginstallatie bevatten, waar relevant, ten minste de volgende onderdelen :

  • de opslagtankidentificatie met informatie over materialen, lasnaden, enz.;
  • de inspectiedatum en datum van de vorige inspectie;
  • de geïnspecteerde onderdelen van de ammoniakopslaginstallatie (schema, tekening, omschrijving);
  • het schema met daarop aangegeven de bekende defecten uit eerdere inspecties, zowel gerepareerde als niet-gerepareerde defecten (zoals lasfouten tijdens de constructie);
  • de inspectiemethode;
  • de kwalificatiegegevens van de inspecteur (wanneer van belang);
  • de kwalificatiegegevens van de inspectiemethode;
  • verwijzingen naar het evaluatierapport en/of het inspectieprogramma;
  • de resultaten met een schema waarop defecten zijn aangegeven;
  • verwijzingen naar aanvullend onderzoek (indien van belang);
  • de conclusie en aanbevelingen voor toekomstige inspecties.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - nieuwe installaties
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.16Inspectie, keuring, registratie en documentatie van drukopslaginstallaties (D) Normatief

7.16.1Inleiding Normatief

Dit hoofdstuk betreft de periodieke inspecties en keuringen, het verrichte onderhoud en de vereiste documentatie gedurende de levensduur van de ammoniakopslaginstallatie. Door het uitvoeren van periodieke inspecties wordt de betrouwbaarheid van de ammoniakopslaginstallatie bewaakt.

7.16.2Keuring en inspectie drukopslaginstallatie (D) Normatief

De drukopslaginstallatie voor ammoniak bestaat uit verschillende onderdelen die bijna allemaal vallen onder de PED. Voor deze onderdelen van de installatie gelden de eisen uit het Wbda 2016 voor gebruik en keuring. Voor de onderdelen die niet onder de PED vallen, zoals de veiligheidswand en instrumentele beveiligingen, wordt uitgegaan van de aanvullende eisen uit deze paragraaf.

M122

Periodieke inspectie ammoniakopslaginstallatie onder druk (D)

Door het uitvoeren van periodieke inspecties wordt, naast de controle op lekkages zoals beschreven in M105, de betrouwbaarheid van de ammoniakopslaginstallatie bewaakt. De vereiste periodieke inspecties zijn:

eenmaal per jaar:

  • een visuele inspectie van de veiligheidswand op aantasting, beschadigingen en het behoud van integriteit;
  • een visuele inspectie van de ondersteuningsconstructie van de drukopslagtank op aantasting, beschadigingen en het behoud van integriteit;
  • een visuele uitwendige inspectie van de leidingen ter controle op uitwendige aantasting, ligging en ondersteuning. Bij geïsoleerde leidingen kan worden volstaan met een visuele inspectie van de isolatie. De isolatie wordt alleen op die plaatsen verwijderd waar dit voor het uitvoeren van onderzoeken noodzakelijk is of waar, op basis van de visuele uitwendige inspectie, hiertoe aanleiding bestaat;
  • een visuele uitwendige inspectie en controle op de functionaliteit van afsluiters, instrumenten en beveiligingen.
Toelichting

De ammoniakopslaginstallatie onder druk voldoet in beginsel aan de keuringseisen in het Wbda 2016. Deze maatregel is aanvullend op het Wbda 2016.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M123

Inspectie en testen beveiligingen bij drukopslag (D)

Voor het inspecteren en testen van beveiligingen geldt dat de testfrequentie van de instrumentele beveiligingen (M48 en indien van toepassing M40, M55 en M109) volgt uit de SIL-verificatie.

Toelichting

Beveiligingen van drukapparatuur zijn ook drukapparatuur en vallen in beginsel onder het keuringsregime van het Wbda 2016. De frequentie volgt uit de Wrda 2016. De SIL-verificatie kan tot een hogere frequentie leiden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M124

Aandachtspunt bij periodieke inspectie voor drukopslag (D)

De vergunninghouder van de milieubelastende activiteit voor de opslag van ammoniak onder druk ziet erop toe dat, tijdens de verplichte keuring en inspecties vanuit het Wbda 2016, door de desbetreffende inspecteur expliciet wordt gekeken naar het corrossiemechanisme spanningscorrosie (SCC).

Daarnaast geeft de vergunninghouder van de milieubelastende activiteit voor de opslag van ammoniak onder druk de volgende aandachtspunten mee aan de desbetreffende inspecteur bij het opstellen van het herbeoordelingsplan:

  • de aanwezigheid van eventuele schroefdraadverbindingen, zie M33;
  • afwijkingen op de ontwerpcondities van bestaande drukopslagtanks ammoniak ten opzichte van de nieuwbouweisen, zie M40;
  • afwijkingen ten aanzien van de minimale vloeigrenzen van het gebruikte constructiemateriaal en het gebruikte lastoevoegmateriaal, voor bestaande ammoniak drukopslagtanks, zie M42;
  • geregistreerde ongewenste gebeurtenissen, zie M51;
  • materiaaleisen van appendages, zie M82;
  • geregistreerde zuurstofmetingen uit het logboek, zie M108;
  • inspectieresultaten, zie M122;
  • resultaten van het inspecteren en testen van beveiligingen, zie M123.
Toelichting

Voor de inspectie inzake het Wbda 2016 zijn conform de PRD 5.3 alle faalmechanismen vastgesteld met behulp van de lijst met degradatiemechanismen zoals opgenomen in API RP 571. Hieronder valt ook spanningscorrosie (SCC) , zie Paragraaf 7.7.1.1.

Voor spanningscorrosie (SCC) in een drukopslagtank wordt met name gekeken naar de aanwezigheid van oppervlaktescheuren bij de lassen van de drukopslagtank aan de productzijde (ammoniakzijde). Dit kan vanaf de buitenzijde in-service met technieken zoals TOFD, AET en pulse-echo-onderzoek, of via de binnenzijde out-of-service met magnetisch onderzoek (MPI) in combinatie met een fluorescerende vloeistof. Als gevolg van temperatuurfluctuaties in de dag en nacht kan er watervrije ammoniak condenseren tegen de binnenwand van de opslagtank in de gasfase. Het ontbreken van de inhibitor 'water' in deze gecondenseerde vloeibare ammoniak zorgt voor een verhoogd risico op SCC in de gasfase van de drukopslagtank.

De uitkomsten of gegevens gerelateerd aan de maatregelen waarnaar wordt verwezen voor het herbeoordelingsplan moeten beschikbaar worden gesteld aan de inspecteur van de Wbda 2016-inspectie zodat deze inspecteur rekening kan houden met alle relevante parameters voorafgaand aan de Wbda 2016-inspectie.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: drukopslagtank - bestaande en nieuwe installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.17Inspectie van de laad- en losinstallatie (A+D) Normatief

M125

Verlaadinstallatie – controle op goede werking (A+D)

De laad- en losinstallatie wordt periodiek getest op gangbaarheid van de afsluiters en de goede werking van de alarmerings- en beveiligingssystemen. Wanneer afwijkingen worden geconstateerd, worden onmiddellijk corrigerende maatregelen genomen. De term 'regelmatig' is gebaseerd op de door de producent van de voorzieningen geadviseerde frequenties.

[vs 4.1.25, vs 4.2.18, vs 4.3.21 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Met gangbaarheid wordt bedoeld dat een afsluiter open- of dichtgezet kan worden.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M126

Verlaadinstallatie – periodieke inspecties (A+D)

Voor een goede betrouwbaarheid wordt de staat van de laad- en losinstallatie, naast de controle op lekkages zoals beschreven inM90, ten minste eenmaal per jaar gecontroleerd volgens de onderstaande uitgangspunten:

  • visuele uitwendige inspectie van de leidingen ter controle op uitwendige aantasting, ligging en ondersteuning;
  • visuele uitwendige inspectie en controle op gangbaarheid van afsluiters en de goede werking van instrumenten en beveiligingen zoals bedoeld in M125.

[vs 4.1.26, vs 4.2.19, vs 4.3.22 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting: De laad- en losinstallatie onder druk voldoet in beginsel aan de keuringseisen in het Wbda 2016. Deze maatregel is aanvullend op het Wbda 2016.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M127

Verlaadinstallatie – registratie van inspectieresultaten, wijzigingen en reparaties (A+D)

Van de uitgevoerde inspecties, wijzigingen en reparaties wordt een registratiesysteem bijgehouden. In dit registratiesysteem worden de wijzigings- en reparatiegegevens, en de test-, onderhouds- en inspectiebevindingen vermeld.

[vs 4.1.29, vs 4.2.21, vs 4.3.25 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

7.18Incidenten en calamiteiten (A+D) Normatief

7.18.1Inleiding Normatief

Wanneer een ammoniaklekkage plaatsvindt, worden zo spoedig mogelijk na vaststelling hiervan maatregelen getroffen om het lek te dichten en/of de gevolgen onder controle te krijgen. De maatregelen van deze richtlijn zijn erop gericht de kans op een grotere lekkage zo klein mogelijk te houden. Er zal echter altijd een restrisico blijven. Om deze reden worden bestrijdingsmaatregelen voorbereid. De doelstelling daarbij is het beperken van de hoeveelheid ammoniak die uit de opslag en/of verwerkingsinstallatie vrijkomt en het beperken van de gevolgen van dit vrijkomen.

7.18.2Incidenten (A+D) Normatief

M128

Noodplan (A+D)

In het noodplan zoals vereist in de Seveso-richtlijn en/of de Arbeidsomstandighedenwetgeving zijn de volgende specifieke aandachtspunten voor ammoniak opgenomen:

  • blootstelling aan ammoniak in vloeibare en in gasvorm;
  • evacuatie en ontruiming (zowel op hoogte als leefniveau) naar een veilige locatie (afhankelijk van de windrichting). Een veilige locatie kan zijn:
    • de aangewezen verzamelplaats (bovenwinds), of
    • een locatie die minimaal een zekere periode bescherming biedt tijdens een incident en voldoet aan de API RP 752 of gelijkwaardig. Deze periode is minimaal de periode die de (bedrijfs)brandweer nodig heeft om de medewerker(s) die daar schuilen veilig te ontzetten, of
    • een controlekamer of speciaal ingerichte veilige locatie voor meerdere personen die een aangepaste ventilatie heeft zodat de aanwezige personen veilig binnen kunnen blijven functioneren in het geval van een ammoniaklekkage;
  • brand in combinatie met toxische gaswolk van ammoniak;
  • emissie van stikstofoxiden tijdens brand;
  • bergen (opvangen) en opruimen van een plas ammoniak;
  • plan hoe te handelen bij een lekkage van de primaire tank (dit plan mag ook in een separate procedure beschreven worden).

Het noodplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het bevoegd gezag Omgevingswet.

[vs 8.2.1/vs 8.2.2 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M129

Evacuatie van het werkplatform (A+D)

In het noodplan (M128) is beschreven op welke wijze voorzien wordt in het evacueren van personen in nood op het werkplatform boven op de tank.

Voor de inzet van de brandweer met een reddingsvoertuig of hoogtereddingsteam is vooraf een positief advies door de Veiligheidsregio/brandweer afgegeven.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventie
M130

Bediening installatie in noodsituaties (A+D)

Tijdens noodsituaties blijft de ammoniakopslaginstallatie bedienbaar. Wanneer dit voor beperkte tijd is, dan zijn de voorzieningen zodanig dat binnen deze beperkte tijd de installatie veiliggesteld kan worden.

Toelichting

Deze maatregel kan op verschillende manieren ingevuld worden, bijvoorbeeld door bediening op meerdere locaties of voorzien in een controlekamer op overdruk en bestand tegen brand- en explosiescenario's wanneer relevant.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M131

Schuillocatie (A+D)

Bij de laad- en losplaats is een schuillocatie ('shelter in place') beschikbaar waar medewerkers kortdurend veilig kunnen schuilen in het geval van een ammoniaklekkage, of zijn persoonlijke beschermingsmiddelen beschikbaar om een veilige locatie te bereiken.

De schuillocatie voldoet aan de API RP 752 of gelijkwaardig.

Toelichting

De schuillocatie is puur een locatie waar medewerkers die betrokken zijn bij de verlading in eerste instantie naar toe kunnen. De veilige locatie zoals bedoeld in deze maatregel is vastgelegd in het noodplan (zie M128).

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
Arbeidsveiligheid
M132

Windzak of windvaan (A+D)

In de nabijheid van een onderdeel van de ammoniakopslaginstallatie is een windzak of windvaan opgesteld die ook in het donker goed zichtbaar is.

[vs 4.1.11, vs 4.2.10, vs 4.3.9 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Met onderdelen van een ammoniakopslaginstallatie worden onder andere bedoeld: laad- en losplaats, BOG-verwerkingssyteem, opslagtank, flashvat, verwarming.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M133

Laad- en losplaats – persoonlijke beschermingsmiddelen (A+D)

In de nabijheid van de laad- en losplaats zijn ademluchtmaskers of volgelaatsmaskers met ammoniakfilter en speciale kleding aanwezig.

Het bedienend personeel (de operators) draagt deze beschermingsmiddelen bij het aan- en afkoppelen van het transportmiddel. Voor het personeel in de nabijheid van de laad- en losplaats zijn ter plaatse voldoende vluchtmaskers aanwezig en onbelemmerd bereikbaar.

Op de laad- en losplaats is een vorstvrije douche met oogdouches aanwezig, conform NEN-EN 15154-5, waarbij de watertemperatuur 15 °C tot 37 °C is.

[vs 4.1.14, vs 4.2.13, vs 4.3.12 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

De operators hebben de persoonlijke beschermingsmiddelen bij zich. De maskers hangen om hun nek. Bij de normale werkzaamheden hoeven ze dit masker niet te dragen, maar op het moment dat de leiding van de tankwagen wordt losgekoppeld (en het risico bestaat dat er onverwacht ammoniak vrijkomt) waarbij ze fysiek op ca. 30 cm van de koppeling werkzaam zijn (losdraaien van de bouten of klem), dan zetten de operators het masker op.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
Arbeidsveiligheid
7.18.2.1Maatregelen bij ammoniaklekkage en brand Normatief
M134

Laad- en losplaats – brandblustoestel (A+D)

Er is op de laad- en losplaats minimaal één draagbaar brandblustoestel aanwezig met een blusvermogen van 43A/233B volgens NEN-EN 3-7. Onderhoud van het blustoestel is conform NEN 2559. Het toestel is onbelemmerd bereikbaar en steeds voor onmiddellijk gebruik beschikbaar.

[vs 4.1.16/ vs 4.2.15/4.3.14 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Het blusvermogen van 43A/233B is gekozen uit het oogpunt van een beginnende brand op de laad- en losplaats.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M135

Stationaire voorziening ter voorkoming verspreiding van ammoniakdamp bij verlading (A+D)

Op locaties waar verlading van ammoniak plaatsvindt, is een stationaire voorziening aanwezig, die automatisch wordt geactiveerd door de ammoniakgasdetectie, zie M78, om de verspreiding van ammoniakdamp te voorkomen/beperken.

Voor de stationaire voorziening gelden de volgende voorwaarden:

  • bij toepassing van een watergordijn (bijvoorbeeld een ‘delugesysteem’): deze omsluit de locatie (laadarm, laad-/losplaats) geheel, waarbij de benodigde minimale capaciteit wordt bepaald op basis van de uitstroom en de formule TNC / V = 33 (TNC = het debiet water nodig benedenwinds (l/min), V = fractie van het debiet van vloeibare ammoniak dat omgezet wordt in damp (l/min));
  • bij toepassing van stationaire watermonitoren: minimaal twee monitoren per laad-/losplaats, ieder aan een zijde van de laad-/losplaats of de steiger, met een zodanige druk en worplengte dat zowel met een gebonden straal als een sproeistraal op de lekkage gespoten kan worden, met een capaciteit van minimaal 2.000 l/min (120 m³/h), bedienbaar vanuit een veilige locatie (veelal de controlekamer) voor wat betreft het instellen van de straal en de richting van de straal.

Uitvoering van de stationaire voorziening t.b.v. koeling (leidingwerk e.d.) is conform NFPA 15 of een door het bevoegd gezag Omgevingswet goedgekeurde norm.

Een uitgangspuntendocument (UPD), zieM138, is opgesteld, zodat de doelmatigheid en het beheer van de stationaire voorziening is geborgd.

Toelichting

Het betreffende scenario dat ten grondslag ligt aan de uitwerking van deze maatregel is een flenslekkage (10 % van de leidingdiameter met een maximum van 50 mm). Zie daarvoor het rekenvoorschrift in het 'Handboek omgevingsveiligheid'.

De berekening van de benodigde capaciteit is gebaseerd op 'Prevention and control of accidental releases of hazardous gasses'.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: laden en lossen - weg
  • Installatiedeel: laden en lossen - spoor
  • Installatiedeel: laden en lossen - water
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M136

Voorzieningen ter voorkoming verspreiding damp bij overige installatieonderdelen (A+D)

Voor incidentbestrijding door de (bedrijfs)brandweer is een blus-/koelwaternet (zie M140) met bovengrondse brandkranen (zie M146) met een debiet van minimaal 4.000 l/min (240 m³/h) met een druk van minimaal 1 barg (zie M145) over twee gelijktijdig geopende brandkranen vereist.

Ter plaatse van de warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare, koude ammoniak, het flashvat, de drukopslagtank en het BOG-verwerkingssysteem is een van onderstaande voorzieningen aanwezig om bij lekkage ammoniakdamp af te vangen dan wel in de lucht te stuwen (vortex):

  • watermonitoren met een capaciteit van minimaal 2.000 l/min (120 m³/h) beschikbaar, bedienbaar vanuit een veilige locatie (veelal de controlekamer) voor wat betreft het instellen van de straal en de richting van de straal;
  • een watergordijn (bijvoorbeeld een ‘delugesysteem’) dat de locatie geheel omsluit, waarbij de benodigde minimale capaciteit wordt bepaald op basis van de uitstroom en de formule TNC / V = 33 (TNC = het debiet water nodig benedenwinds (l/min), V = fractie van het debiet van de vloeibare ammoniak dat omgezet wordt in damp (l/min)).

In afwijking van bovenstaande kan de incidentenbestrijding ook uitgevoerd worden met mobiele monitoren in combinatie met een aangewezen bedrijfsbrandweer (artikel 31 Wvr).

Het ontwerp is afgestemd op de beheersing en/of bestrijding van de geïdentificeerde gevolgscenario’s zoals beschreven in Hoofdstuk 4, en vastgelegd in een UPD, M138.

Toelichting

Het betreffende scenario dat ten grondslag ligt aan de uitwerking van deze maatregel is een flenslekkage (10 % van de leidingdiameter met een maximum van 50 mm). Zie daarvoor het rekenvoorschrift in het 'Handboek omgevingsveiligheid'.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M137

Koelvoorzieningen (A+D)

Wanneer een koelvoorziening is toegepast om een te hoge warmtestralingsbelasting (10 kW/m² of hoger) op de ammoniakinstallatie te voorkomen, zie M6, dan is een koelvoorziening met een effectief debiet op het aangestraalde oppervlak van (gebaseerd op de EI 19, tabel D1):

  • minimaal 2 l/min/m² bij aanstraling;
  • minimaal 10 l/min/m² bij direct vlamcontact.

Een uitgangspuntendocument (UPD), zieM138, is opgesteld, zodat de doelmatigheid en het beheer van de koelvoorziening is geborgd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M138

Uitgangspuntendocument (A+D)

De overige voorzieningen ter voorkoming van de verspreiding van ammoniakdamp (M136) en de koelvoorziening (M137), wanneer aanwezig, voldoen voor wat betreft ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie aan het gestelde in een door een onafhankelijke type A-inspectie-instelling en het bevoegd gezag Omgevingswet goedgekeurde uitgangspuntendocument (UPD).

Het UPD beschrijft op basis van een standaardformat de volgende onderdelen:

  • toepassingsgebied en afbakening;
  • object en de omgeving;
  • procesbeschrijving van de ammoniakopslaginstallatie
  • risico's;
  • scenariobeschrijvingen;
  • veiligheidsvoorzieningen;
  • bouwkundige voorzieningen;
  • organisatorische aspecten;
  • relevante wet- en regelgeving (inclusief gelijkwaardigheden/gemotiveerd afwijken m.b.t. (semi)stationaire voorzieningen);
  • voorzieningen in de omgeving;
  • keuze en samenhang van (semi)stationaire voorzieningen;
  • inspectie en certificatie;
  • tekening van het object.
Toelichting

Als certificering op basis van een door een geaccrediteerde type A-inspectie-instelling goedgekeurd inspectieschema niet mogelijk blijkt, dan kan dit, voor het behalen van de beoogde doelen, met een conformiteitsverklaring worden geborgd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M139

Goedkeuring en beoordeling UPD (A+D)

Voordat het UPD, inclusief de eventuele nota van aanvullingen (NvA), ter goedkeuring wordt aangeboden aan het bevoegd gezag Omgevingswet, wordt het beoordeeld door een type A-inspectie-instelling. Een door deze inspectie-instelling afgegeven inspectierapport met een positieve conclusie/JA-conclusie wordt samen met het UPD bij het bevoegd gezag Omgevingswet ingediend. Deze instelling is voor het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingssystemen geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 of door een andere accreditatie-instelling die het Multilateral Agreement van European Accreditors heeft ondertekend. Het verzoek om goedkeuring van het UPD gaat vergezeld van het beoordelingsrapport overeenkomstig het CCV-Inspectieschema Uitgangspuntendocumenten Brandbeveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen (UPD-PGS).

In het kader van de oplevering van de stationaire voorzieningen, is een initieel inspectierapport door een type A-inspectie-instelling afgegeven. Uit het inspectierapport blijkt dat de voorzieningen zijn aangelegd en opgeleverd volgens het door het bevoegd gezag Omgevingswet goedgekeurde uitgangspuntendocument. De inspectie vindt plaats overeenkomstig het CCV-Inspectieschema Brandbeveiliging PGS.

Iedere twaalf maanden na ingebruikname van de (semi-)stationaire voorzieningen worden deze geïnspecteerd door een type A-inspectie-instelling. Uit het inspectierapport blijkt dat de installatie in overeenstemming is met het UPD. De inspectie vindt plaats volgens het CCV-Inspectieschema Brandbeveiliging PGS. Wanneer uit het jaarlijkse inspectierapport blijkt dat de installatie niet in overeenstemming is met het UPD, waardoor een 'NEE'-conclusie wordt afgegeven, dan meldt de vergunninghouder dit zo spoedig mogelijk, maar binnen uiterlijk vijf werkdagen, aan het bevoegd gezag Omgevingswet. In deze melding wordt door de vergunninghouder vermeld hoe de installatie in overeenstemming wordt gebracht met het UPD.

De vergunninghouder laat iedere vijf jaar het UPD op actualiteit beoordelen door een ter zake kundige UPD-opsteller. Bij deze herbeoordeling worden – naast de wijzigingen in het normatief kader – eventuele wijzigingen op de milieubelastende activiteit of hernieuwde inzichten m.b.t. het beveiligen van de risicovolle activiteiten uitgewerkt in een ‘herbeoordelingsrapport’. Wanneer uit het herbeoordelingsrapport blijkt dat het noodzakelijk is dat er aspecten uit het UPD aangepast worden, dan worden de gewijzigde uitgangspunten aan het bevoegd gezag Omgevingswet kenbaar gemaakt in de vorm van een NvA. De vergunninghouder laat iedere vijf jaar het UPD, inclusief het herbeoordelingsrapport, beoordelen door een type A-inspectie-instelling. Het resultaat van deze vijfjaarlijkse herbeoordeling wordt aan het bevoegd gezag Omgevingswet kenbaar gemaakt.

Toelichting

Als certificering op basis van een door een geaccrediteerde type A-inspectie-instelling goedgekeurd inspectieschema niet mogelijk blijkt, dan kan dit, voor het behalen van de beoogde doelen, met een conformiteitsverklaring worden geborgd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M140

Ontwerp van beheersvoorzieningen (A+D)

(Semi)stationaire voorzieningen (M135, M136 en M137) en het (koel)waternet, inclusief de brandkranen, zijn ontworpen volgens de van toepassing zijnde NFPA-normen of een door het bevoegd gezag Omgevingswet goedgekeurde gelijkwaardige norm.

Het (koel)waternet is als een ringleidingsysteem uitgevoerd en voorzien van blokafsluiters. De blokafsluiters zijn zo geplaatst dat bij buiten gebruik stellen van een gedeelte van het bluswaternet voor elk onderdeel van de ammoniakopslaginstallatie voldoende (koel)water beschikbaar blijft.

Het ontwerp is afgestemd op de beheersing en/of bestrijding van de geïdentificeerde gevolgscenario’s zoals beschreven in Hoofdstuk 4 en worden vastgelegd in een UPD (M138).

Van het (koel)waternet is een leesbare actuele tekening op schaal beschikbaar waarop ten minste zijn aangegeven:

  • de locatie(s) van de bluswaterpompen en de koelvoorzieningen;
  • de locaties van de leidingen;
  • de diameter van de leidingen;
  • de locaties van de blokafsluiters;
  • de brandkranen en de watermonitoren (inclusief brandkraannummers).

Van de bluswaterpompen en koelvoorzieningen zijn capaciteit en druk op systeemniveau gedocumenteerd en beschikbaar tijdens een repressieve inzet.

Toelichting

De van toepassing zijnde hoofdstukken uit NFPA-normen zijn afhankelijk van de door het bedrijf gemaakte ontwerpkeuzes. In een UPD worden de ontwerpkeuzes vastgelegd en wordt aangegeven welke hoofdstukken van de desbetreffende NFPA of gelijkwaardige normen zijn toegepast. Het UPD maakt onderdeel uit van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

De volgende NFPA-normen kunnen van toepassing zijn:

  • NFPA 15 voor koelinstallaties;
  • NFPA 20 voor pompinstallaties;
  • NFPA 22 voor waterbuffertanks;
  • NFPA 24 voor bluswaternetten.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M141

Capaciteit en druk van blus-/koelwaternet (A+D)

Het blus-/koelwaternet (ringleiding) en pompensysteem zijn ontworpen op de levering van de hoeveelheid water die bij het maximale scenario minimaal benodigd is.

Deze hoeveelheid water is afgestemd op zowel het voorkomen of beperken van de verspreiding van een ammoniakdamp als op het koelen van installaties waarbij een warmtestralingsbelasting van meer dan 10 kW/m² kan optreden en waar escalatie mogelijk is.

Het pompsysteem is in combinatie met het (koel)waternet afgestemd op de maximaal te verwachten benodigde druk op elke afzonderlijke plaats binnen de ammoniakopslaginstallatie. De benodigde dynamische (werk)druk wordt per (semi)stationaire voorziening bepaald. Voor bovengrondse brandkranen is een minimale dynamische druk van 1 bar (100 kPa) noodzakelijk (zie M145). Dit geldt niet voor monitorcombinaties.

De bluswaterpompen kunnen vanuit een veilige locatie worden gestart. De maximumtijd die nodig is om de bluswaterpompen manueel te starten, is afgestemd op de te onderscheiden scenario’s.

Toelichting

Een minimumvoordruk van 1 bar (100 kPa) op de brandkraan is noodzakelijk om cavitatie in de pomp van het blusvoertuig te voorkomen. De weerstandverliezen bedragen 0,5 bar (50 kPa), zodat intrede van 0,5 bar (50 kPa) voor de pomp wordt gewaarborgd.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M142

Minimumtijdsduur watervoorziening (A+D)

De benodigde hoeveelheid water kan onder alle omstandigheden voor minstens 4 uur worden aangevoerd. Met goedkeuring van de desbetreffende veiligheidsregio kan hiervan op basis van uitgewerkte scenario’s worden afgeweken.

Toelichting

De geschatte bestrijdingsduur varieert afhankelijk van de omvang van het scenario. Voor de grotere scenario’s is een theoretische benadering van de bestrijdingsduur van meer dan 60 min geen uitzondering. Tegenslagen bij bestrijding door bijvoorbeeld weersinvloeden, het niet kunnen stoppen van een productuitstroom, enz., kunnen zorgen voor een langere bestrijdingsduur dan theoretisch bepaald. Daarnaast zijn ook de praktisch opgebrachte waterhoeveelheden (gebruikte middelen) mogelijk hoger dan theoretisch berekend. Om deze redenen is een veiligheidsmarge ingebouwd tot 4 uur met de mogelijkheid om in overeenstemming met het bevoegd gezag Omgevingswet gebruik te maken van een secundaire watervoorziening.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M143

Verminderde beschikbaarheid pompensysteem (A+D)

In het geval van verminderde beschikbaarheid van het pompensysteem, bijvoorbeeld door onderhoud of reparatie:

  • kan altijd ten minste 100 % van de benodigde capaciteit voor de koeling (zie M6) en/of waterschermen en 75 % van de capaciteit voor de brandkranen worden geleverd;
  • beschikt de ammoniakopslaginstallatie, om te waarborgen dat aan de benodigde capaciteitseis kan worden voldaan, over alternatieve pompcapaciteit, bijvoorbeeld reservepompen, een blusbootaansluiting of een koppelleiding tussen het eigen waternet en dat van een buurinstallatie;
  • zijn de plaats en de capaciteit van alternatieve pompvoorzieningen en een instructie voor bediening in de (nood)instructie beschreven.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M144

Buiten gebruik stellen deel blus-/koelwaternet (A+D)

Bij het buiten gebruik stellen van een gedeelte van het blus-/koelwaternet is vastgesteld op welke andere wijze de watervoorziening voor dit gedeelte kan worden gewaarborgd. Er is ten minste tot halverwege de daarvoor in aanmerking komende straat en ten minste aan twee zijden van een installatie (koel)water beschikbaar.

Tijdelijke wijzigingen langer dan 2 uur worden doorgegeven aan de veiligheidsregio of de bedrijfsbrandweer, wanneer aanwezig. Dit betreft ten minste de volgende wijzigingen, wanneer van toepassing:

  • stationaire voorzieningen die niet meer primair worden gevoed;
  • semistationaire voorzieningen die worden gebruikt door de bedrijfsbrandweer en die worden gevoed;
  • mobiele bestrijdingsaspecten die veranderen ten opzichte van het operationeel plan.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
BrandpreventieRampenbestrijdingOmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
M145

Afstemming blus-/koelwatersysteem op blusvoertuigen (A+D)

De aansluitingen en bediening van het blus-/koelwatersysteem, en de leveringsdruk aan de blusvoertuigen van de brandweer zijn op elkaar afgestemd.

Toelichting

Deze maatregel beoogt dat na overleg is zekergesteld dat aansluitingen en leveringsdruk geen probleem vormen bij een daadwerkelijke inzet door de brandweer.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M146

Brandkranen (A+D)

Op het blus-/koelwaternet zijn voldoende bovengrondse brandkranen en bovengrondse brandkraan/monitorcombinaties (hierna: ‘brandkranen’) geplaatst die voldoen aan NEN-EN 14384 of gelijkwaardig. Het vereiste aantal is afhankelijk van de te onderscheiden scenario’s en de capaciteit van de afzonderlijke bovengrondse brandkranen.

Behalve op open onbebouwd terrein zijn de brandkranen op een onderlinge afstand van 50 m tot 80 m aangebracht.

De brandkranen zijn beveiligd tegen bevriezing.

Toelichting

De onderlinge afstand is bepaald op de standaard operationele bepakking (aantal toevoerslangen) van blusvoertuigen. Brandkranen en hun onderlinge afstand worden bepaald afhankelijk van het brandrisico en/of toxisch risico van de locatie op de ammoniakopslaginstallatie en de capaciteit van de brandkranen.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding
M147

Brandkranen – aansluitingen en identificatie (A+D)

Op een brandkraan zijn ten minste twee aansluitmogelijkheden aanwezig. Elke aansluiting is voorzien van bijbehorende afsluiters met een diameter van de doorlaat van ten minste 67 mm, voorzien van een storzkoppeling met een nokafstand van 81 mm. Wanneer op de bovengrondse brandkraan afsluiters met een doorlaat van 100 mm aanwezig zijn, bedraagt de nokafstand van de storzkoppeling 115 mm. Als bedrijven een andere maatvoering hanteren, zijn verloopkoppelingen ter plaatse beschikbaar.

Brandkranen hebben een uniek nummer dat duidelijk op of nabij de bovengrondse brandkraan is aangegeven, en zijn te openen met behulp van een bij de brandweer gebruikelijke kraansleutel of zijn voorzien van een bijbehorende kraansleutel die onlosmakelijk (bijvoorbeeld met een ketting) met de bovengrondse brandkraan is verbonden, of met behulp van vaste bedieningselementen, zoals een handwiel of vaste sleutel.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: ammoniakopslaginstallatie - overige onderdelen en basis maatregelen
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheidRampenbestrijding

7.19Alternatieve maatregelen bestaande atmosferische opslagtanks (A) Normatief

M148

Constructievorm bestaande atmosferische opslagtanks (A)

Voor bestaande installaties geldt in afwijking op M10 dat de vereiste constructievorm voor opslagtanks ten minste een dubbelwandige opslagtank (double-containment) is, waarbij:

  1. de wand van zowel de binnentank (primaire tank) als de buitentank (secundaire tank) berekend is op het bevatten van de opgeslagen vloeistof en de constructie zodanig is dat deze ontworpen is voor en bestand is tegen een koudeschok bij lekkage;
  2. bij een lekkage of falen van de binnentank de vloeistof binnen de constructie blijft (double-containment) en gasvormige ammoniak beperkt vrijkomt aan de bovenzijde van de tankwand;
  3. doorvoeringen door zowel de wand van de binnen- als de buitentank alleen zijn toegestaan voor de zuigleiding van de pomp en voor een drainleiding voor het geheel leegmaken van de binnentank. Deze doorvoeringen zijn tot aan de eerste veiligheidsafsluiter buiten de buitentank beschermd tegen een externe impact (bijvoorbeeld vallende voorwerpen), dit geldt ook in de annulaire ruimte (zie Afbeelding 6);
  4. tot aan het maximale vulniveau van de binnentank geen aansluitingen zijn toegestaan anders dan de onder 3. genoemde doorvoeringen. Nozzles en mangaten die niet zonder aantasting van de integriteit van de binnentank kunnen worden dichtgelast, worden behouden en afgeblind;
  5. een opvangvoorziening aanwezig is om een volume als gevolg van een leidingbreuk tussen de betonnen buitenwand en de eerste veiligheidsafsluiter buiten de buitentank op te kunnen opvangen. Hierbij is rekening gehouden met een maximaal gevulde binnentank en de sluitingstijd van de automatische veiligheidsafsluiters (zie Afbeelding 6);
  6. het aanbrengen van aansluitingen in de annulaire ruimte tussen de binnen- en buitentank voor het afvoeren van condens of als mogelijk aansluitpunt voor het leegpompen van de annulaire ruimte in het geval van lekkage van de binnentank is toegestaan, zie M30;
  7. het dak als een zelfdragende constructie is gelast aan de tankwand van de binnentank;
  8. toepassing van perliet als primair isolatiemateriaal voor de tankwand niet is toegestaan.
Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
BrandpreventieOmgevingsveiligheid
M149

Ontwerp fundering bestaande atmosferische opslagtanks (A)

In afwijking op M13 geldt voor een bestaande ammoniakopslagtank dat een verwarmingssysteem in de fundering mag zijn aangebracht dat zo is ontworpen dat de temperatuur op geen enkele plaats lager dan 0 °C kan worden.

De plaatsing van de leidingen en de toegepaste redundantie van het verwarmingssysteem is zodanig dat aan de voorwaarde > 0 °C wordt voldaan in het geval van een storing in een verwarmingskabel of circuit. De beschikbaarheid van reserveonderdelen voor het verwarmingssysteem is geborgd.

De warmteproductie wordt gestuurd door ten minste twee temperatuurregelaars in de bodemplaat.

Alle temperatuurregelaars kunnen worden uitgelezen op het bedieningspaneel en in de controlekamer, met een alarmering in de controlekamer bij een te lage temperatuur.

[vs 3.7.1 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidOmgevingsveiligheid
M150

Voorkomen uitstroom bij atmosferische opslagtanks (A)

In aanvulling op M18 geldt voor bestaande tanks, bij het toepassen van externe pompen, om de uitstroom uit de opslagtank te beperken dat:

  • een handafsluiter is geplaatst in de annulaire ruimte tegen de primaire tankwand aan;
  • een automatische veiligheidsafsluiter (ESD-afsluiter) in de annulaire ruimte na de handafsluiter is geplaatst;
  • een automatische veiligheidsafsluiter (ESD-afsluiter) is geplaatst kort na de doorvoering door de betonnen buitenwand.

Zie Afbeelding 6 voor een nadere toelichting op voorgaande.

Afbeelding 6Leidingdoorvoer betonnen wand bij atmosferische opslagtank

De handafsluiter is bedoeld om inspectie en onderhoud aan de automatische veiligheidsafsluiter (ESD-afsluiter) in de annulaire ruimte mogelijk te maken.

De automatische veiligheidsafsluiters (ESD-afsluiters) worden geïnitieerd door de leidingbreukdetectie in de afnameleiding van de atmosferische opslagtank. De leidingbreukdetectie is gebaseerd op een hoog uitstroomdebiet in de afnameleiding als gevolg van een leidingbreuk. Deze beveiligingsloop voldoet aan SIL 2 conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en NEN-EN-IEC 61511-reeks. De beveiligingsloop wordt elk jaar getest. De genoemde SIL 2-classificatie correspondeert met een RRF (risco reductie factor) van 100 en kan ook gerealiseerd zijn met een combinatie van verschillende beveiligingsloops conform de NEN-EN-IEC 61508-reeks en de NEN-EN-IEC 61511-reeks. Bij de SIL-verificatie is rekening gehouden met de sluitingstijden van afsluiters.

Aanvullend op de beveiligingsloop op basis van leidingbreukdetectie wordt gasdetectie ingezet als alarmeringsfunctie die in combinatie met camerabewaking kan leiden tot een handmatige activatie van de noodstop van de veiligheidsafsluiters (ESD-afsluiter).

Toelichting

Toelichting 1: Een ITV (in-tank valve), wanneer toegepast, is geen vervanging van de in deze maatregel genoemde hand- en ESD-afsluiters.

Toelichting 2: Naast de geautomatiseerde beveiliging op basis van leidingbreukdetectie wordt ook gasdetectie voorgeschreven. Omdat in de praktijk gasdetectie regelmatig resulteert in onjuiste alarmering, wordt met cameradetectie voor het visualiseren van vrijgekomen gasvormig ammoniak de operator gealarmeerd zodat deze laatste de noodstop kan activeren.

Toelichting 3: Omdat het realiseren van een SIL 2-classificatie een uitdaging kan zijn in de uitvoering is het toegestaan om de bij behorende RRF te realiseren als een combinatie van twee SIL 1-beveiligingsloops.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid
M151

Inspectie- en onderhoudsprogramma bestaande ammoniakopslaginstallatie bij atmosferische opslag – gebruiksfase (A)

Tijdens de gebruiksfase geldt dat inspectie en onderhoud van de gehele ammoniakopslaginstallatie plaatsvinden volgens een inspectie- en onderhoudsprogramma.

Voor installatiedelen die niet vallen onder het Wbda 2016, zie Paragraaf 7.2.1, geldt dat het inspectieprogramma is goedgekeurd door zowel een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks als door het bevoegd gezag Omgevingswet. De onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks houdt toezicht op de uitgevoerde inspecties van de ammoniakopslaginstallatie. Wanneer een ammoniakopslaginstallatie uit gebruik is genomen voor onderhoud en inspectie, mag deze pas weer in gebruik worden genomen na goedkeuring van een onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks.

Hierbij zijn de volgende voorwaarden van toepassing voor een bestaande ammoniakopslagtank (double-containment):

1 In-service-inspecties:

  1. Periodieke inspecties van de binnentank vinden elke 12 jaar plaats of zoveel eerder conform de frequentie die volgt uit de RBI-methodiek uit de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’.
  2. In-service-inspectie is alleen mogelijk wanneer aan alle punten uit paragraaf 5.5 van de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’ is voldaan. Voor het uitvoeren van een in-service-inspectie is een mechanische integriteitsberekening conform API 579-1 (Fitness for Service) aangevuld met een 'lek voor breuk'-assessment, beide uitgevoerd conform paragraaf 5.3 van de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’.

2 Out of-service-inspectie:

  1. periodieke inspecties van de binnentank vinden elke 12 jaar plaats of zoveel eerder conform de frequentie die volgt uit de RBI-methodiek uit de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’.

Voor bestaande ammoniakopslagtanks waar in-service-inspecties mogelijk zijn conform de voorwaarden onder 1.A en 1.B kan vergunninghouder een verzoek ter goedkeuring indienen bij het bevoegd gezag Omgevingswet om een geplande out-of-service-inspectie onder 2.A te vervangen door een in-service-inspectie. Dit op voorwaarde dat de resultaten van de in-service-inspectie conform 1.A en 1.B geen aanleiding geven tot een out-of-service-inspectie. Voor bestaande ammoniakopslagtanks waar geen in-service-inspecties mogelijk zijn conform 1.A en 1.B worden alleen out of-service-inspecties uitgevoerd conform 2.A. Onder een in-service inspectie wordt een inspectie verstaan waarbij met bijvoorbeeld TOFD- en pulse-echo-onderzoek, de lasnaden worden gecontroleerd conform de systematiek van paragraaf 5.5 van de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’.

[vs 6.3.5 PGS 12:2021 VERSIE (1.0) (2021)]

Toelichting

Toelichting 1: Voor installatiedelen die vallen onder het Wbda 2016, zie Paragraaf 7.2.1, geldt dat het inspectieprogramma is goedgekeurd door een NL-CBI , NL-KVG of IVG. De NL-CBI, NL-KVG of IVG voert de betreffende keuring uit aan de betreffende delen van de ammoniakopslaginstallatie.

Toelichting 2: Bij een bestaande ammoniakopslagtanks van het type double-containment zullen eerst stukken isolatie worden verwijderd om een in-service-inspectie uit te kunnen voeren. De omvang van de inspectie en de te inspecteren delen van de opslagtank volgens paragraaf 5.5 van de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’ zijn vastgelegd in het inspectieprogramma en worden goedgekeurd door de onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks. Mits er geen noodzaak is conform 5.5 van de ‘Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks’, wordt de bodem/wandlas niet geïnspecteerd. Als deze specifieke bodem/wandlas wel geïnspecteerd wordt, maar dit in-service niet mogelijk is, dan wordt de tank uit bedrijf genomen voor een out-of-service-inspectie.

Toelichting 3: Voor ombouw van bestaande tanks zoals bedoeld in Paragraaf 1.2.1 geldt dat, naast de inspectie zoals beschreven in deze maatregel, een keuring voor ingebruikname afgestemd wordt met het bevoegd gezag inzake de Omgevingswet.

Van toepassing op
  • Installatiedeel: gekoelde atmosferische opslagtank - bestaande installaties
Grondslag
ArbeidsveiligheidBrandpreventieOmgevingsveiligheid

8Gelijkwaardige maatregelen

8.1Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf een alternatief wil toepassen voor een in Hoofdstuk 7 genoemde maatregel, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?

Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, zodat het bevoegd gezag of de toezichthouder kan beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder toegelicht.

Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?

Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid);
  • Brandpreventie (brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • Arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid);
  • Rampenbestrijding (brand- en rampenbestrijding).

8.2De wettelijke grondslag is arbeidsveiligheid

Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Arbeidsomstandighedenwet. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking zijn van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals:

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
  • maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbeidsomstandighedenbesluit;
  • maatregelen/verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, de Warenwetbesluiten drukapparatuur 2016, Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-reeks worden de Arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet mag worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (directwerkende wetgeving-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt (zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor de toetsing van de gelijkwaardigheid). De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Nederlandse Arbeidsinspectie getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing van gelijkwaardigheid hanteert de Nederlandse Arbeidsinspectie een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    1. de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    2. een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    3. het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen.
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen.
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie ligt.
  • De Nederlandse Arbeidsinspectie beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.

8.3De wettelijke grondslag is omgevingsveiligheid of brandpreventie omgevingsveiligheid

Een maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet het bedrijf de juiste procedure volgen. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking.

Bij een niet-vergunningplichtige activiteit is er afhankelijk van het concrete geval een van de volgende processen van toepassing;

  • het gelijkwaardige alternatief moet vooraf worden aangevraagd waarna een maatwerkbesluit wordt opgesteld; of
  • het gelijkwaardige alternatief moet vier weken vooraf worden gemeld.

Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

8.4De wettelijke grondslag is zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid/brandpreventie omgevingsveiligheid

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel Arbeidsveiligheid als Omgevingsveiligheid /Brandpreventie is, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor zijn wetgevingsgebied gelden.

8.5Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit deze PGS-richtlijn is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS-richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang en het effect daarvan tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

Voor het proces voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van PGS-maatregelen in het kader van PGS Nieuwe Stijl is een informatieve Handreiking Beoordeling gelijkwaardigheid PGS-maatregelen ontwikkeld.

Bijlage AInformatieve documenten en bronnen

Bekijk deze tabel in een popup venster

Nummer

Titel

Vindplaats

1

ADR 2023

rijksoverheid.nl

2

Arbeidsomstandighedenwet

wetten.overheid.nl

3

Arbeidsomstandighedenbesluit

wetten.overheid.nl

4

Arbeidsomstandighedenregeling

wetten.overheid.nl

5

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

wetten.overheid.nl

6

Warenwetregeling drukapparatuur 2016

wetten.overheid.nl

7

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016

wetten.overheid.nl

8

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016

wetten.overheid.nl

9

Warenwetbesluit machines

wetten.overheid.nl

10

Wet veiligheidsregio's

wetten.overheid.nl

11

Besluit veiligheidsregio's

wetten.overheid.nl

12

Omgevingswet

overheid.nl

13

Omgevingsbesluit

overheid.nl

14

Besluit activiteiten leefomgeving

overheid.nl

15

Besluit bouwwerken leefomgeving

overheid.nl

16

Besluit kwaliteit leefomgeving

overheid.nl

17

Wet vervoer gevaarlijke stoffen

wetten.overheid.nl

18

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

wetten.overheid.nl

19

Handreiking Generieke Risicobenadering PGS Nieuw Stijl, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, versie 1.1 (03-17)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

20

Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen (VBB-systemen) – Handreiking voor het opstellen van een Uitgangspunten Document (UPD), Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen: UPD 2017 versie 1.0 (06-2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

21

Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019, Brandweer Nederland, januari 2020

Brandweer Nederland

22

Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

Europese commissie

23

ATEX 114: Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen

Europese Unie

24

ATEX 153: Richtlijn 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen

Europese Unie

25

UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Model Regulations (2017)

UNECE

26

UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods: Manual of Tests and Criteria (2015)

UNECE

27

Handleiding Risicoberekeningen Bevi v4.3

RIVM

28

Bretherick’s Handbook of Reactive Chemical Hazards

Niet digitaal beschikbaar

29

Prevention and Control of Accidental Releases of Hazardous Gases, August 1993, Auteur: Vasilis M. Fthenakis

Niet digitaal beschikbaar

Bijlage BRelevante wet- en regelgeving

B.1Inleiding

Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.

Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.

B.2Omgevingswet

De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.

Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het informatiepunt Leefomgeving Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal opzichzelfstaande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

Besluit activiteiten leefomgeving

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, de waterstaatwerken, de wegen en spoorwegen, de zwemmers en het cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.

In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veelvoorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met als doel de bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.

Omgevingsregeling

In de Omgevingsregeling zijn onder andere de gegevens en bescheiden benoemd die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt, zijn technische uitvoeringsvoorschriften gegeven voor milieubelastende activiteiten en zijn de rekenmethoden aangegeven die moeten worden toegepast bij het berekenen van het plaatsgebonden risico en de afstanden van de aandachtsgebieden. Ook zijn in de Omgevingsregeling de versies aangegeven van de normdocumenten waarnaar in de besluiten en in de Omgevingsregeling wordt verwezen.

Seveso

De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wvr voor een groot deel geïmplementeerd in het Bal. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie.

B.3Chemische stoffen

CLP

CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG) over de indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor classification, labelling and packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten deze worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermmaatregelen nodig zijn.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

REACH

REACH is een Europese verordening (EC 1907/2006) over de productie van en handel in chemische stoffen. REACH staat voor registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

B.4Arbeidsomstandighedenwetgeving

Arbeidsomstandighedenwet

In de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) staan de rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

De Europese richtlijn die betrekking heeft op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen (1999/92/EU), is geïmplementeerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze richtlijn wordt ook ATEX 153 genoemd.

Arbeidsomstandighedenregeling

In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.

Verordening persoonlijk beschermingsmiddelen

Deze Europese verordening bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425). Het doel van de verordening is om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen. De verordening maakt het ook mogelijk dat beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.

B.5Warenwet

De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

In het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wbda 2016) staan eisen voor drukapparatuur. In het Wbda 2016 is de Europese richtlijn voor drukapparatuur (2014/68/EU) geïmplementeerd. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 staat onder andere wanneer keuring moet plaatsvinden.

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016

In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm

In het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm staan regels over het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm. In dit besluit is de Europese richtlijn (2014/29/EU) voor drukvaten van eenvoudige vorm geïmplementeerd.

Warenwetbesluit machines

In het Warenwetbesluit machines staan regels over machines, waaronder veiligheid, keuring en certificering. In de Warenwetregeling machines staan nadere eisen.

B.6Wet veiligheidsregio's

De Wet veiligheidsregio’s (Wvr) heeft als doel een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.

Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Besluit veiligheidsregio's

In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.

B.7Vervoer

Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de ADR

De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:

  • vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, spoorketelwagons);
  • chauffeurs (opleiding en training);
  • vervoersdocumenten;
  • verpakkingen en etikettering;
  • laden en lossen.

Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit de ADR.

De ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten de ADR in eigen wetgeving implementeren.

De ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.

Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid. Daar staat ook informatie over de ADR.

Bijlage CArbeidsomstandighedenwetgeving

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbeidsomstandighedenobesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)

Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatieregeling (ARIE-regeling)

Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

In de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde, de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen als persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Gevarenzone-indeling

De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/92/EG (ook wel bekend als ATEX 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar. De risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. Dit document bevat in elk geval:

  • een nadere risicoanalyse;
  • een gevarenzone-indeling;
  • passende technische en organisatorische maatregelen;
  • voorlichting van de werknemers.

Voor de gevarenzones verwijst artikel 3.5d, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar bijlage I van1999/92/EG. Gevarenzones moeten zijn gemarkeerd. Dit staat in artikel 3.5d, lid 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Explosieveilig materiaal en materieel

De eisen voor explosieveilig materiaal en materieel staan in artikel 3.5 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hier wordt verwezen naar het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Elektrische en elektronische apparatuur in een gezoneerd gebied moeten explosieveilig zijn uitgevoerd. Deze apparatuur is voorzien van een EG-conformiteitsverklaring en een voorschrift waaruit blijkt dat het toegepaste materieel geschikt is voor toepassing in ruimten waar explosiegevaar kan heersen.

Elektrisch materieel dat aan de normen voor explosieveiligheid voldoet, is herkenbaar aan het ‘Ex’-teken in een regelmatige zeshoek. Mocht dit niet zichtbaar zijn, dan moet in het logboek een document aanwezig zijn waarin de leverancier verklaart dat het elektrisch materieel voldoet aan de gebruikelijke normen voor explosieveiligheid. Het gaat dan om een zogenoemde EG-verklaring van overeenstemming die vergezeld gaat van een CE-markering.

Bekabeling wordt gezien als een vaste elektrische verbinding, vrij van vonkvorming en is daarmee vrijgesteld van explosieveiligheidscriteria.

Intern noodplan

Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zoveel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.

Een intern noodplan bevat in elk geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal.

Borden en veiligheidssymbolen

De werkgever is verplicht veiligheidssignalering te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. Artikel 8.2 van de Arbeidsomstandighedenregeling schrijft voor waar veiligheidssignalering verplicht is. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht. Artikel 8.12, 8.13 en 8.14 van de Arbeidsomstandighedenregeling beschrijft de eisen voor veiligheidssignalering op leidingen en tanks.

Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (symbool), de tekst en het kleurgebruik. In Nederland beschrijft NEN 3011 welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt. Voor de meeste borden wordt verwezen naar NEN-EN-ISO 7010 waarvan het actuele totaaloverzicht is te zien op Online Browsing Platform (OBP) (iso.org).

Artikel 8.12, 8.13 en 8.14 van de Arbeidsomstandighedenregeling beschrijft de eisen voor veiligheidssignalering op leidingen en tanks.

De wetgever schrijft voor gevaarlijke stoffen voor dat bij opslag en in leidingen en tanks de GHS-pictogrammen aangeduid moeten worden. Dit mag ook door de ISO-waarschuwingssymbolen worden vervangen. In de CLP-verordening staan pictogrammen voor de aanduiding van gevaarseigenschappen van chemische stoffen. Deze verordening is beoogd voor etikettering en verpakking en voorziet niet in alle risico’s met stoffen in een proces, en daarom niet volledig aan het oogmerk van de Arboregeling.

In NEN-ISO 20560-1 en NEN-ISO 20560-2 is de veiligheidssignalering van leidingen en tanks uitgewerkt. NEN-ISO 20560-2 beschrijft voor opslagtanks de veiligheidsinformatie (symbolen/pictogrammen, tekstinformatie, NFPA-diamant en UN-nummer).

Bijlage DAmmoniakopslag en omgevingsveiligheid

Artikel 3.21 onder a en artikel 3.50 lid 1 van het Bal wijst de opslag van ammoniak (zowel gekoeld als onder druk) aan als een milieubelastende activiteit. Artikel 3.21 onder a heeft betrekking op het opslaan van giftige gassen die tot vloeistof zijn verdicht in een opslagtank met een inhoud meer dan 150 liter. Artikel 3.50 lid 1 van het Bal heeft betrekking op het exploiteren van een Seveso-inrichting. Hiervan is sprake wanneer de opslag groter is dan 50 ton ammoniak. In de artikelen 3.22.1 van het Bal onder a en 3.51 lid 1 van het Bal worden beide milieubelastende activiteiten aangewezen als vergunningplichtig.

Uit de algemene regels voor de opslag van gassen (artikel 3.23 lid 2 van het Bal) volgt dat er moet worden voldaan aan de regels over zeer zorgwekkende stoffen als bedoeld in paragraaf 5.4.3 van het Bal. Voor een Seveso-inrichting gelden conform artikel 3.52 lid 1 onder a en lid 2 dat er moet worden voldaan aan de regels voor Seveso-inrichtingen als bedoeld in paragraaf 4.2 en 5.4.1 van het Bal.

Wanneer drukopslag van ammoniak en/of grootschalige gekoelde ammoniak wordt gecombineerd met de productie van ammoniak of het kraken van ammoniak naar waterstof, dan wordt een RI&E 4-installatie (RI&E cat 4.2 onder a) geïntroduceerd en een aanvullende milieubelastende activiteit conform artikel 3.72 lid b. Op grond van artikel 3.73 lid 1 van het Bal is deze milieubelastende activiteit vergunningplichtig.

Het Bal bevat voor de opslag van ammoniak alleen de algemene regels voor Seveso-inrichtingen in hoofdstuk 4. Deze regels hebben betrekking op de verplichtingen uit de Seveso III-richtlijn uit 2012 en hebben onder andere betrekking op het hebben van een veiligheidsrapport en een preventiebeleid. In hoofdstuk 4 staat geen algemene regel met de verplichting om te voldoen aan deze PGS-richtlijn. Met de maatregelen van deze PGS-richtlijn wordt rekening gehouden bij het opstellen van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit.

Het Bkl wijst in artikel 8.9 lid 4 deze PGS-richtlijn aan als informatiedocument. Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit rekening houden met deze PGS-richtlijn als informatiedocument.

Bijlage EEigenschappen en gevaren ammoniak

E.1Schadelijke effecten op de mens

Tabel 5Schadelijke effecten van verschillende concentraties ammoniak op de mens

Bekijk deze tabel in een popup venster

Concentratie ppm

Concentratie

Gevolg

Auteur(s), jaar / bron

1 – 5

0,7 mg/m³ – 3,5 mg/m³

Reukherkenning

Patty (1981)

20

15,2 mg/m³

TGG 8 uur

Wettelijke grenswaarde *

30

21 mg/m³ (o.b.v. 1 uur)

VRW (voorlichtingsrichtwaarde)

Interventiewaarde **

50

38,0 mg/m³

Aanvankelijk lichte irritatie van neus, ogen en keel, later gewenning

Verbeek (1977) NIOSH (1974)

TGG 15 min

Wettelijke grenswaarde*

100

75,9 mg/m³

Prikkeling luchtwegen en oogbindvlies

Vigliani en Zurlo (1956)

134

101,7 mg/m³

Flinke irritatie (tranenvloed, keelirritatie, enz.)

Industrial Biotest Laboratories Inc. (1973)

198

140 mg/m³ (o.b.v. 1 uur)

AGW (alarmeringsgrenswaarde)

Interventiewaarde **

300

227,7 mg/m³

IDLH (immediately dangerous to life and health)

CDC-NISOH

486

350 mg/m³

STEL (short term exposure limit)

Richtwaarde, zie RIVM

500

Onmiddellijke prikkeling slijmvliezen en verdieping van de ademhaling

Silverman (1949)

1.100

780 mg/m³ (o.b.v. 1 uur)

LBW (levensbedreigende waarde)

Interventiewaarde **

3.500 – 3.700

Snel dodelijk na korte blootstelling

Henderson & Haggard (1943)

Direct huidcontact (1:1 waterige verdunning langdurig)

Blaarvorming

Frosch & Kligman (1977)

6,8 mg/kg lichaamsgewicht per dag

DNEL (derived no-effect level) huid

Toelichting: Genoemde effecten treden op binnen een korte periode (minuten) na aanvang van de blootstelling.

* De wettelijke grenswaarden staan in bijlage XIII van de Arbeidsomstandighedenregeling en zijn ook te vinden op www.ser.nl.

** De interventiewaarden zijn te vinden op RIVM. Er zijn waarden voor blootstelling van 10 min, 30 min en 1 uur. Deze laatste zijn vermeld in deze tabel. Daarnaast zijn er interventiewaarden voor 2 uur, 4 uur en 8 uur.

E.2Fysische eigenschappen

Tabel 6Enige fysische gegevens van ammoniak

Omschrijving

Vloeistof

Gas

Kleur

kleurloos

kleurloos

Reuk

stekend

stekend

Dichtheid t.o.v. lucht

-

0,60

Soortelijke massa (-33,4 °C)

680 kg/m³

-

Kookpunt

-33,4 °C

-

Smeltpunt

-77,7 °C

-

Kritische temperatuur

132,4 °C

Kritische druk

109,3 bar

Verdampingswarmte bij -33,4 °C

137 104 J/kg

Verdampingswarmte bij 15 °C

121 104 J/kg

Soortelijke warmte bij -33,4 °C

0,45 104 J/(kg.K)

Soortelijke warmte bij 15 °C

0,47 104 J/(kg.K)

Tabel 7Dampspanning en dichtheden van ammoniak versus temperatuur

Bekijk deze tabel in een popup venster

Temperatuur °C

Dampspanning (bara)

Dichtheid vloeistof (kg/m³)

Dichtheid damp (kg/m³)

-40

0,718

690,0

0,644

-35

0,931

684,0

0,815

-33,4

1,010

682,1

0,879

-33,2

1,020

681,8

0,888

-33,0

1,030

681,6

0,896

-32,8

1,041

681,3

0,904

-32,6

1,051

681,1

0,913

-32,4

1,062

680,8

0,921

-32,2

1,072

680,6

0,930

-32,0

1,083

680,3

0,939

-30

1,195

677,9

1,029

-25

1,516

671,6

1,284

-20

1,903

665,3

1,587

-15

2,364

658,8

1,944

-10

2,910

652,2

2,361

-5

3,550

645,6

2,846

0

4,296

638,8

3,405

5

5,162

631,9

4,049

10

6,152

624,9

4,780

15

7,289

617,7

5,617

20

8,574

610,4

6,560

25

10,033

602,9

7,631

30

11,668

595,3

8,831

35

13,506

587,5

10,186

40

15,546

579,4

11,698

45

17,822

571,2

13,397

50

20,329

562,7

15,288

Tabel 8Oplosbaarheid van ammoniak in water

Temperatuur in °C

Massafractie ammoniak (%)

10

40,0

20

34,2

30

28,5

40

23,7

50

18,5

Tabel 9Maximaal vulniveau bij vultemperatuur

Bekijk deze tabel in een popup venster

Vultemperatuur in °C

Vulgraad in volume %

-33

80,0

-30

80,5

-25

81,2

-20

82,0

-15

82,8

-10

83,6

-5

84,5

0

85,4

5

86,3

10

87,3

15

88,3

20

89,4

25

90,5

30

91,7

35

92,9

40

94,2

45

95,5

50

97

Afbeelding 7Zuurstofgehalte in dampfase vs. druk in tank bij 0,5 ppm zuurstof in de vloeistoffase

E.3Chemische eigenschappen

Ammoniak is een basische stof, de pH van een 2,5%-oplossing ammoniak is 11,5. Het ondergaat een zuur-base-interactie met zuren, waarbij zouten worden gevormd die vanwege het vluchtige karakter van ammoniak veelal thermisch instabiel zijn. Bij verhitting van dergelijke zouten worden de oorspronkelijke base (ammoniak) en zuren wederom verkregen. Vanwege het basische en reactieve karakter ondergaat ammoniak met tal van organische en anorganische verbindingen een reactie. Hieronder wordt een zo compleet mogelijk overzicht gegeven van de verbindingen die in combinatie met ammoniak kunnen leiden tot (potentieel) gevaarlijke situaties. Hierbij is gekozen voor een algemene indeling in klassen van verbindingen, met additioneel een aantal specifieke voorbeelden. Voor een volledig overzicht van alle bekende (potentieel) gevaarlijke reacties met ammoniak per specifieke verbinding wordt verwezen naar ‘Bretherick’s Handbook of Reactive Chemical Hazards’.

Halogeenverbindingen

Ammoniak kan zeer heftig reageren met zowel organische als anorganische halogeenverbindingen, waarbij een sterke warmteontwikkeling optreedt en/of explosieve mengsels kunnen worden gevormd. Voorbeelden van stoffen die in combinatie met ammoniak explosieve mengsels vormen zijn: kaliumjodide, 1,2-dichloorethaan, zilverchloride, sulfinylchloride, enz.

Metalen

Ammoniak kan met verschillende metalen reageren (bijvoorbeeld goud, zilver, kwik, koper, zink, germanium, enz.), waarbij (onbekende) componenten worden gevormd die onder droge omstandigheden zeer explosief zijn. Ammoniak kan zowel met het metaal (bijvoorbeeld kwik) als met metaalzouten (bijvoorbeeld goudchloride, zilvernitraat) reageren. Het vluchtige karakter van ammoniak maakt ook de combinatie met pyrofore (spontaan ontbrandende) metalen potentieel gevaarlijk. Zo reageert ammoniak bijvoorbeeld exotherm met calcium. Als door warmteontwikkeling ammoniak verdampt en fijn verdeeld calcium overblijft, bestaat de kans op ontbranding.

Oxidanten

Ammoniak reageert heftig met oxidanten tot explosieve of brandgevaarlijke verbindingen. Voorbeelden zijn: peroxiden, salpeterzuur, kaliumchloraat, stikstofoxiden, zuurstof, enz. IJzeroxide in de vorm van roest kan de ontsteking of ontbranding van een ammoniak/zuurstofmengsel katalyseren.

Ethyleenoxide

De combinatie van ammoniak en ethyleenoxide geeft een hevige, sterk exotherme polymerisatiereactie, wat kan leiden tot een zeer sterke drukopbouw en explosiegevaar.

Bijlage FAandachtspunten ombouw gekoelde ammoniakopslag en/of drukopslag

Bij de ombouw van een gekoelde opslagtank ontworpen voor een ander product dan ammoniak geldt dat, wanneer in een dergelijke gekoelde opslagtank ammoniak gaat worden opgeslagen, deze moet voldoen aan de eisen voor een nieuw te bouwen ammoniakopslagtank. Dit geldt ook voor ombouw van een bestaande drukopslagtank voor een andere stof naar de opslag van ammoniak onder druk.

Omdat een dergelijke opslagtank niet is ontworpen voor ammoniak zal gelijkwaardigheid moeten worden aangetoond voor verschillende onderwerpen. Deze bijlage geeft de aandachtspunten die bij de ombouw naar de opslag van gekoelde ammoniak relevant kunnen zijn.

Materiaalkeuze van de opslagtank

Voor de opslag van ammoniak is spanningscorrosie een belangrijk aandachtspunt. Deze spanningscorrosie propageert en manifesteert zich vooral op plaatsen waar hoge trekspanningen en hoge hardheden aanwezig zijn. Scheuren worden in de praktijk voornamelijk gevonden bij lassen waar hogere hardheden en restspanningen aanwezig zijn. Voor het beperken van het risico van spanningscorrosie is het van belang dat de spanningen in het materiaal niet te hoog worden. Vandaar dat in M11 een minimale vloeigrens tussen 215 MPa en 355 MPa, volgens NEN-EN 10028-3, tabel 4, is gedefinieerd. En de specifieke toegestane staalsoorten P275NL2 en P355NL2.

Materialen die worden gebruikt voor de opslag van gekoelde vloeistoffen die een lagere opslagtemperatuur hebben dan -50 °C, hebben vaker een andere samenstelling (% nikkel toegevoegd) om die benodigde lagere temperaturen te kunnen weerstaan. Deze materialen hebben een hogere vloeigrens dan 390 MPa. Materialen met een vloeigrens hoger dan 390 MPa hebben een hoog risico op spanningscorrosie.

Naast de vloeigrens is er een duidelijke correlatie tussen hardheden van de lassen en spanningscorrosie. Hardheden van en naast de lassen mogen de grens van 225 HV niet overschrijden, conform maatregel M11 en/of M42.

Voor het vaststellen van gelijkwaardigheid is het van belang dat de effecten van ammoniak op deze materialen wetenschappelijk is onderzocht en getest voor wat betreft spanningscorrosie.

Naast de vloeigrens is het van belang dat het equivalente koolstofgehalte (NEN-EN 14620-2, 4.3.1.2.2 type II) lager is dan 0,43 ten behoeve van de lasbaarheid van het materiaal van de opslagtank. Hoe hoger het equivalente koolstofgehalte des te slechter de lasbaarheid, wat het risico op spanningscorrosie verhoogt.

Constructievorm gekoelde opslagtank

Wanneer een gekoelde opslagtank voor ombouw in aanmerking zou komen, zijn er een aantal aandachtspunten:

  • Welke type/methode qua isolatie is toegepast. Hierbij is het van belang dat zowel de binnentank als de buitentank in-service kan worden geïnspecteerd. Het gebruik van perliet als isolatiemiddel is niet toegestaan, omdat hiermee de annulaire ruimte tussen de buiten en binnentank is opgevuld en een in-service-inspectie van de binnentank dan wel de buitentank waarschijnlijk niet mogelijk is.
  • Instrumentele beveiligingen en drukontlasting. De hoge expansievoud van ammoniak (vloeibaar naar gas) maakt dat de drukontlastingskleppen hierop gedimensioneerd zijn en de overdrukbeveiliging voldoet aan maatregel M18.

Bijlage GVerschillen met de vorige versie

G.1Belangrijkste inhoudelijke wijzigingen

G.1.1Gewijzigde maatregelen

Bekijk deze tabel in een popup venster

Maatregel

Titel

Gewijzigde maatregel t.o.v. PGS 12:2021 versie 1.0 voor atmosferische opslaginstallaties

Gewijzigde maatregel t.o.v. PGS 12:2021 versie 1.0 voor drukopslaginstallaties

Gewijzigde maatregel t.o.v. PGS 12:2024 versie 0.3 fase 1 voor atmosferische opslaginstallaties

Wijziging

M2

Locatiekeuzen aanrijding en beveiliging

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbeteringen.

M3

Terreinafgrenzing

vs. 7.2.1

vs. 7.2.1

Ja

Afwijking mogelijk gemaakt als toegankelijkheid niet conform maatregel mogelijk is.

M5

Verharde infrastructuur

vs. 4.1.6 / vs. 4.3.4

vs. 4.1.6 / vs. 4.3.4

Ja

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging. T.o.v. fase 1 toelichting toegevoegd.

M6

Voorkomen warmtestralingsbelasting op ammoniakopslaginstallatie

vs 3.4.1

vs 3.4.1

Ja

De afstandeis van 25 m is vervangen door stralingscontour. T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbeteringen, geen inhoudelijke wijziging.

M8

Interne veiligheidsafstanden

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 tekstueel aangepast zodat deze beter aansluit bij de praktijk.

M9

Ontwerpnorm bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 maximale ontwerpdruk opgenomen en tekstueel verduidelijkt.

M10

Constructievorm bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 is aan lid 4 extra uitzondering voor inbrengen inspectierobot toegevoegd.

M11

Constructiemateriaal bij atmosferische opslag

vs. 3.7.21

n.v.t.

Ja

Toegevoegd aanvullende eisen i.v.m. spanningscorrosie en normering lasmethode en lasserkwalificatie. T.o.v. fase 1 aanpassingen i.v.m. vloeigrens en toelichting.

M13

Ontwerp fundering bij atmosferische opslag

vs. 3.7.1

n.v.t.

Ja

Toegevoegd dat fundering op palen zal zijn. T.o.v. fase 1 aanpassing naar nieuwste NEN-EN 14620-1 en voor bestaande tanks aanpassing daar op gedaan inzake vrije ruimte.

M16

Instrumentatie en beveiliging bij atmosferische opslag

vs. 3.7.7

n.v.t.

Ja

Toegevoegd dat niveaumeting dubbel en onafhankelijk uitgevoerd wordt, specificatie welke parameters gemonitord worden en temperatuurmeting in voedingsleiding. T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbeteringen.

M17

Hoogniveaubeveiliging bij atmosferische opslag

vs. 3.7.8

n.v.t.

Nee

Voorschrift gesplitst in onafhankelijke overvulbeveiliging, zie M18, en Hoogniveau beveiliging.

M18

Instrumentele beveiligingen bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 nadere specificatie en toelichting op de SIL-classificatie.

M19

Drukontlast- en drukregelkleppen bij atmosferische opslag

vs. 3.7.14 / vs. 3.7.15 / vs. 3.7.19

n.v.t.

Ja

Voorschriften samengevoegd. Toegevoegd normering en afvoeren naar affakkelinstallatie. T.o.v. fase 1 tekstuele verduidelijking inzake afvoer van overdruk en gebruik steungas (bij bullet 1).

M20

Uitvoering drukontlast- en drukregelkleppen bij atmosferische opslag

vs. 3.7.16

n.v.t.

Ja

Mogelijkheid tot isolatie opgenomen in M22. Geen inhoudelijke wijziging. T.o.v. fase 1 specificatie aangebracht voor bestaande tanks.

M21

Lagedrukbeveiliging bij atmosferische opslag

vs. 3.7.17

n.v.t.

Ja

Nu gebaseerd op NEN-EN-ISO 28300 of API 2000. Geen inhoudelijke wijziging. T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbetering.

M22

Redundantie i.v.m. onderhoud bij atmosferische opslag

vs. 3.7.18

n.v.t.

Nee

Toegevoegd zijn eisen ter voorkomen van isoleren meerdere kleppen.

M23

Overloop en lekdetectie bij atmosferische opslag

vs. 3.7.9

n.v.t.

Ja

Toegevoegd dat wanneer vloeistof gedetecteerd wordt, dit verwijderd moet worden. T.o.v. fase 1 tekstuele verduidelijking over de wijze waarop.

M24

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerp- en/of procescondities bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 verduidelijking van de bedoelde ontwerp- en procescondities.

M27

Capaciteit en redundantie BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag

n.v.t. (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 nadere toelichting omtrent uitvoering BOG-verwerkingssyteem.

M28

Noodstroomvoorziening BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 extra toevoeging omtrent minimale capaciteit secundaire stroomvoorziening (incl. toelichting daarover) en tekstuele aanpassing.

M30

Locatie aansluitingen bij atmosferische opslag

vs. 3.8.1

n.v.t.

Ja

Bij voorkeur gewijzigd in verplicht via de bovenkant van de opslagtank. T.o.v. fase 1 toevoeging mogelijkheid inbrengen inspectierobot en de aanwezigheid van twee mangaten (incl. toelichtingen daarover).

M31

Drainaansluitingen bij atmosferische opslag

vs. 3.8.2

n.v.t.

Ja

Omgevormd naar voorwaarden voor drainafsluitingen. T.o.v. fase 1 is de toelichting verduidelijkt.

M32

Noodvoorziening legen annulaire ruimte bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbeteringen, geen inhoudelijke wijziging.

M33

Verbod schroefdraadverbindingen

vs. 3.8.4

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

Toegevoegd uitzondering voor aansluiten instrumentatie. Versoepeling voorschrift. T.o.v. fase 1 is titel gewijzigd en toelichting verbeterd voor bestaande situaties.

M34

Materiaal van productleidingen

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

Temperatuur gewijzigd naar -12 °C (i.p.v. -10 °C) i.v.m. aansluiting bij API-richtlijn.

M36

Drukontlasting productleidingen bij atmosferische opslag

vs. 3.8.7

n.v.t.

Ja

Gewijzigd naar eisen m.b.t. passende beveiliging. T.o.v. fase 1 aangevuld met ondergrens (50 liter ammoniak) en tekst en toelichting verbeterd.

M37

Lekdetectiesysteem voor productleidingen

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 drempel van 20 ton/uur ingebracht voor lekdetectie. Vibratiemeting als extra optie voor lekdetectie toegevoegd.

M38

Ligging van productleidingen bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 toegevoegd dat een goot niet noodzakelijk is op een steiger. Tevens extra toelichting opgenomen.

M44

Veiligheidswand bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.2

Nee

Deels nieuw (veiligheidswand) en deels gewijzigd: voor opvangvoorziening vloeistof geldt gewijzigde eis, er is minder opvang nodig.

M45

Afwerking isolatie bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.8

Nee

Extra voorwaarde dat isolatie niet mag bijdragen aan brandvoortplanting.

M52

Aarding en bliksembeveiliging bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.9

Nee

Alleen tekstuele verbeteringen, geen inhoudelijke wijzigingen.

M53

Locatie van aansluiting bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.4 / vs. 3.6.5

Nee

Diverse wijzigingen over ondergrensbeveiligingen en uitzonderingen gemaakt voor verplichting aansluitingen aan bovenzijde.

M55

Voorkomen vloeistofuitstroom bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.6

Nee

Extra eis voor tweede ESD en toevoegen voorwaarden omtrent garanderen goed functioneren (SIL 2).

M56

(Nood)voorziening legen opvangvoorziening van veiligheidswand bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.1

Nee

De (nood)voorziening is nader gespecificeerd.

M59

Veilig ontwerp laad-/losinstallaties

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

Alleen tekstuele verbeteringen (woord 'intrinsiek' is verwijderd), geen inhoudelijke wijziging.

M60

Los- en laadplaats - afstand tot erfscheiding en openbare weg

vs. 4.1.5 / vs. 4.2.4

vs. 4.1.5 / vs. 4.2.4

Nee

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging.

M63

Los- en laadplaats spoorketelwagon

vs. 4.2.1/ vs. 4.2.5/ vs. 5.5.24

vs. 4.2.1/ vs. 4.2.5/ vs. 5.5.24

Nee

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging.

M65

Verlaadinstallatie - aansluiting van laadarmen bij atmosferische opslag

vs. 4.1.17

n.v.t.

Ja

Toevoeging eis: laadarmen voor schepen zijn voorzien van op afstand bestuurbare connectors. T.o.v. fase 1 tekstuele verduidelijking.

M66

Verlaadinstallatie - aansluiting van laadarmen bij drukopslag

n.v.t.

vs. 4.1.17

Nee

Uitfasering gebruik slangen, toevoegen droogloopbeveiliging en dat laadarmen voor schepen zijn voorzien van op afstand bestuurbare connectors. Specificatie terugstroombeveiliging.

MW67

Los- en laadleidingen

vs. 4.1.24 / vs. 4.3.19

vs. 4.1.24 / vs. 4.3.19

Nee

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging.

M68

Verlaadinstallatie zee- en binnenvaartschepen - noodbreekkoppeling

vs. 4.3.17 / vs. 4.3.16 / vs. 4.3.18

vs. 4.3.17 / vs. 4.3.16/ vs. 4.3.18

Ja

Verduidelijking i.v.m. enveloppeberekening en -tekening van de laadarm. T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verduidelijking.

M69

Verlaadinstallatie tankwagens/spoorketelwagons - laad- en losarmen

vs. 4.1.18 / vs. 4.2.16

vs. 4.1.18 / vs. 4.2.16

Ja

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging. T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verduidelijking.

M70

Los- en laadplaats - wegrijdbeveiliging

vs. 4.1.7 / vs. 4.2.6

vs. 4.1.7 / vs. 4.2.6

Ja

M71

Los- en laadplaats - alarmeringssysteem

vs. 4.1.8 / vs. 4.2.7

vs. 4.1.8 / vs. 4.2.7

Nee

M72

Los- en laadplaats - noodstop

vs. 4.1.9 / vs. 4.2.8 / vs. 4.3.7

vs. 4.1.9 / vs. 4.2.8 / vs. 4.3.7

Ja

M73

Los- en laadplaats tankwagen/spoorketelwagon - 'Containment'

vs. 4.1.10 / vs. 4.2.9 / vs. 4.3.8

vs. 4.1.10 / vs. 4.2.9 / vs. 4.3.8

Ja

Doorstroombegrenzer al geregeld in andere maatregel.

Noodzaak van andere voorzieningen aangepast naar eis van containment. T.o.v. fase 1 spill-scenario verduidelijkt in toelichting.

M78

Continu werkend gasdetectiesysteem

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

Locaties beter gespecificeerd en enkele toegevoegd. Tekst rondom vooralarm en noodstop alleen voor verlading gesteld zoals oorspronkelijk bedoeld. Verwijzing naar normen verwijderd (elders al geborgd) en aansluiting bij UPD geborgd. Camera detectie toegevoegd.

M79

Uitgangspuntendocument ammoniakgasdetectie

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 tekst aangepast zodat deze beter aansluit bij werkpraktijk.

M80

Uitvoering en inspectie ammoniakgasdetectiesysteem conform UPD

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 tekst aangepast zodat deze beter aansluit bij werkpraktijk.

M82

Materiaal van appendages

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

Toelichting toegevoegd ter verduidelijking.

M83

Uitvoering van appendages en pakkingen

vs. 3.8.8

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

Toegevoegd lekdichtheidtest afsluiters, eis gesloten pompen, mechanical seals met lekdetectie voor compressoren en eis niet-uitblaasbare emissiearme pakkingen. T.o.v. fase 1 extra toelichting.

M84

Fire tested afsluiters

Nee (was nog niet opgenomen)

vs. 3.6.7

Nee (nieuwe maatregel)

Brandgevaar gespecificeerd naar aanstraling > 10 kW/m²

M86

Beheersing opslagcondities bij atmosferische opslag

vs. 3.7.11

n.v.t.

Ja

Aangepast naar algemene maatregel beheersing opslagcondities. T.o.v. fase 1 opslagcondities toegevoegd.

M87

Operationele procedure in- en uitgebruikname bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

Diverse procedurestappen beter afgestemd op praktijk.

M88

Watergehalte bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

Lagere meetfrequentie opgenomen bij continu vullen.

M89

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de atmosferische opslagtank

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

Maximaal zuurstofgehalte opgenomen en meetmethode toegelicht.

M93

Wijzigingen en reparaties bij atmosferische opslag

vs. 4.1.28 / vs. 4.3.24

n.v.t.

Nee

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging.

M92

Training en opleiding bij atmosferische opslag

vs. 3.3.2

n.v.t.

Nee

Nadere specificering van vereiste opleidingen.

M95

Controle condities ammoniak voor lossen bij atmosferische opslag

Nee (nieuwe maatregel)

n.v.t.

Ja

T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbeteringen, geen inhoudelijke wijziging.

M102

Vullingscontrole tijdens het laden

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 alleen tekstuele verbeteringen, geen inhoudelijke wijziging.

M106

Training en opleiding bij drukopslag

N.v.t.

vs. 3.3.3

Nee

In en uit gebruik nemen van installaties toegevoegd.

M109

Inhoud en vullingsgraad bij drukopslag

n.v.t.

vs. 3.6.3

Nee

Het maximale vulniveau is beter omschreven en gerelateerd aan de actuele omstandigheden (vultemperatuur). Ook SIL-classificatie beveiligingsloop opgenomen.

M113

Periodieke inspectie atmosferische ammoniakopslaginstallatie

vs. 6.2.1

n.v.t.

Nee

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd.

M114

Inspectie- en keuringsprogramma atmosferische ammoniakopslaginstallatie - nieuwbouwfase

vs. 6.2.4

n.v.t.

Ja

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd. T.o.v. fase 1 gewijzigd waarbij nu ook oppervlaktewater gebruikt mag worden voor de watertest. Ook de toelichting op controle lasnaden is aangepast.

M115

Inspectie- en keuringsprogramma atmosferische ammoniakopslaginstallatie - ingebruikneming

vs. 6.2.4

n.v.t.

Ja

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd. T.o.v. fase 1 zijn inspectie methodieken verduidelijkt.

M116

Inspectie- en onderhoudsprogramma atmosferische ammoniakopslaginstallatie - gebruiksfase

M117

Lekkage of afwijkingen bij atmosferische opslag

vs. 6.2.6 / vs. 6.3.6

n.v.t.

Ja

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging. T.o.v. fase 1 is de omgang met afwijkingen gespecificeerd.

M120

Koelvoorziening en voorzieningen om verspreiding van damp te voorkomen/beperken - controle en onderhoud bij atmosferische opslag

vs. 4.1.30 / vs. 4.2.22 / vs. 4.3.26

n.v.t.

Ja

Voorschriften samengevoegd.

Onderhoud nu op basis van UPD.

T.o.v. fase 1 aangepast middels toevoeging verwijzing naar NFPA 25.

M125

Verlaadinstallatie - controle op goede werking

vs. 4.1.25 / vs. 4.2.18 / vs. 4.3.21

vs. 4.1.25 / vs. 4.2.18 / vs. 4.3.21

Ja

Voorschriften samengevoegd, geen inhoudelijke wijziging. T.o.v. fase 1 alleen kleine verduidelijkingen in tekst.

M126

Verlaadinstallatie - periodieke inspecties

vs. 4.1.26 / vs. 4.2.19 / vs. 4.3.22

vs. 4.1.26 / vs. 4.2.19 / vs. 4.3.22

Ja.

M127

Verlaadinstallatie - registratie van inspectieresultaten, wijzigingen en reparaties

vs. 4.1.29 / vs. 4.2.21 / vs. 4.3.26

vs. 4.1.29 / vs. 4.2.21 / vs. 4.3.26

Nee

M128

Noodplan

vs. 8.21 / vs. 8.2.2

vs. 8.21 / vs. 8.2.2

Ja

Voorschriften samengevoegd.

Aangepast naar specifieke aanvullende eisen voor ammoniak met betrekking tot het noodplan zoals vereist vanuit andere wet- en regelgeving. T.o.v. fase 1 is de veilige locatie gespecificeerd.

M131

Schuillocatie

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 is de term schuillocatie gespecificeerd met een toelichting.

M132

Windzak of windvaan

vs. 4.1.11 / vs. 4.2.10 / vs. 4.3.9

vs. 4.1.11 / vs. 4.2.10 / vs. 4.3.9

Ja

Voorschriften samengevoegd. T.o.v. fase 1 algemeen gemaakt voor de gehele locatie/inrichting.

M133

Los- en laadplaats - persoonlijke beschermingsmiddelen

vs. 4.1.14 / vs. 4.2.13 / vs. 4.3.12

vs. 4.1.14 / vs. 4.2.13 / vs. 4.3.12

Nee

M134

Los- en laadplaats - brandblustoestel

vs 4.1.16 / vs. 4.2.15 / vs. 4.3.14

vs. 4.1.16 / vs. 4.2.15 / vs. 4.3.14

Nee

Voorschriften samengevoegd.

Toegevoegd zijn de eisen m.b.t. normering.

M135

Stationaire voorziening ter voorkoming verspreiding van ammoniakdamp bij verlading

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 tekstuele verduidelijking, geen inhoudelijke wijziging.

M136

Voorzieningen ter voorkoming verspreiding damp bij overige installatieonderdelen

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 tekstuele aanpassing, geen inhoudelijke wijziging.

M138

Uitgangspuntendocument

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 verduidelijkt met extra toelichting

M139

Goedkeuring en beoordeling UPD

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 verduidelijkt en extra toelichting

M140

Ontwerp van beheersvoorzieningen

Nee (nieuwe maatregel)

Nee (nieuwe maatregel)

Ja

T.o.v. fase 1 kleine tekstuele aanpassing, geen inhoudelijke wijziging.

M149

Ontwerp fundering bestaande atmosferische opslagtanks

vs. 3.7.1

n.v.t.

Ja

Eisen toegevoegd m.b.t redundantie en temperatuurregeling. T.o.v. fase 1 zelfstandig leesbaar gemaakt en beschikbaarheid reserveonderdelen geborgd.

G.1.2Nieuwe maatregelen

Bekijk deze tabel in een popup venster

Maatregel

Onderwerp

Nieuwe maatregel t.o.v. PGS 12:2021 versie 1.0 en relevant voor atmosferische opslaginstallaties

Nieuwe maatregel t.o.v. PGS 12:2021 versie 1.0 en relevant voor drukopslaginstallaties

Nieuwe maatregel t.o.v. PGS 12:2024 versie 0.3 fase 1 en relevant voor atmosferische opslaginstallaties

MW1

Zorgplicht basisveiligheid

Ja

Ja

Nee

M2

Locatiekeuze en aanrijdbeveiliging

Ja

Ja

Nee

M4

Toegankelijkheid

Ja

Ja

Nee

M7

Afstand tot bovengrondse stationaire drukopslag

Ja

Ja

Nee

M8

Interne veiligheidsafstanden

Ja

Ja

Nee

M9

Ontwerpnorm bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M10

Constructievorm bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M12

Betonnen beschermingswand bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M14

Sluis pompschacht bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M15

Hijsinstallatie bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M18

Instrumentele beveiligingen bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M24

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerpcondities bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M27

Capaciteit en redundantie BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M28

Noodstroomvoorziening BOG-verwerkingssysteem

Ja

Nee

Nee

M29

Afvoer van inerten uit BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M32

Noodvoorziening legen annulaire ruimte bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M33

Verbod schroefdraadverbindingen

Nee

Ja

Nee

M34

Materiaal productleidingen

Ja

Ja

Nee

M35

Segmentering vloeistofleidingen

Ja

Ja

Nee

M37

Lekdetectiesysteem productleidingen

Ja

Ja

Nee

M38

Ligging productleidingen bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M39

Maximum aan drukopslagtanks

Nee

Ja

Nee

M40

Ontwerpcriteria drukopslag

Nee

Ja

Nee

M41

Dedicated uitvoering installatie bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M42

Constructiemateriaal bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M43

Spanningsarm gloeien/PWHT bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M44

Veiligheidswand bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M46

Instrumentatie en beveiliging bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M47

Hoogniveaubeveiliging bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M48

Instrumentele beveiligingen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M49

Drukontlastkleppen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M50

Redundantie i.v.m. onderhoud bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M51

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerpcondities bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M54

Drainaansluitingen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M57

Drukontlasting productleidingen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M58

Ligging van productleidingen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M59

Veilig ontwerp laad-/losinstallatie

Ja

Ja

Nee

M74

Overvulbeveiliging flashvat

Ja

Ja

Ja

M75

Uitvoering warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak

Ja

Ja

Nee

M76

Instrumentatie en beveiliging warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak

Ja

Ja

Nee

M77

Detectiesysteem lekkage warmtewisselaar

Ja

Ja

Nee

M78

Continu werkend gasdetectiesysteem

Ja

Ja

Nee

M79

Uitgangspuntendocument ammoniakgasdetectie

Ja

Ja

Nee

M80

Uitvoering en inspectie ammoniakgasdetectiesysteem conform UPD

Ja

Ja

Nee

M81

Vijfjaarlijkse beoordeling UPD

Ja

Ja

Nee

M82

Materiaal van appendages

Nee

Ja

Nee

M83

Uitvoering van appendages en pakkingen

Nee

Ja

Nee

M84

Fire tested afsluiters

Ja

Nee

Ja

M87

Operationele procedure in- en uitgebruikname bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M88

Watergehalte bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M89

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de atmosferische opslagtank

Ja

Nee

Nee

M90

Operationele controles bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M91

Hijswerkzaamheden

Ja

Ja

Nee

M94

Operationele beheersing – beschikbaarheid procedures en instructies

Ja

Ja

Nee

M95

Controle condities ammoniak voor lossen bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M96

Terminalspecificatie

Ja

Ja

Ja

M97

Procedure verlading

Ja

Nee

Nee

M98

Operationele beheersing – laad- en losplaats algemeen

Ja

Ja

Nee

M100

Laden en lossen tankwagens en spoorketelwagons – voorkomen wegrijden

Ja

Ja

Nee

M101

Operationele beheersing – toezicht tijdens verlading

Ja

Ja

Nee

M102

Vullingscontrole tijdens het laden

Ja

Ja

Nee

M103

Beheersing van de opslagcondities bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M104

Operationele procedure in- en uitgebruikname bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M105

Operationele controles bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M107

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de drukopslagtank

Nee

Ja

Nee

M108

Afvoer zuurstof en inerten bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M110

Controle condities ammoniak voor lossen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M111

Procedure voor verlading bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M112

Beveiliging temperatuur bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M118

Inspectie en testen van beveiligingen bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M121

Registratie en documentatie bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Nee

M122

Periodieke inspectie ammoniakopslaginstallatie onder druk

Nee

Ja

Nee

M123

Inspectie en testen van beveiligingen bij drukopslag

Nee

Ja

Nee

M124

Aandachtspunt bij periodieke inspectie voor drukopslag

Nee

Ja

Nee

M129

Evacuatie werkplatform

Ja

Ja

Nee

M130

Bediening installatie in noodsituaties

Ja

Ja

Nee

M131

Schuillocaties

Ja

Ja

Nee

M135

Stationaire voorziening ter voorkoming verspreiding van ammoniakdamp bij verlading

Ja

Ja

Nee

M136

Voorzieningen ter voorkoming verspreiding damp bij overige installatieonderdelen

Ja

Ja

Nee

M137

Koelvoorzieningen

Ja

Ja

Nee

M138

Uitgangspuntendocument

Ja

Ja

Nee

M139

Goedkeuring en beoordeling UPD

Ja

Ja

Nee

M140

Ontwerp beheersvoorzieningen

Ja

Ja

Nee

M141

Capaciteit en druk blus/koelwaternet

Ja

Ja

Nee

M142

Minimumtijdsduur watervoorziening

Ja

Ja

Nee

M143

Verminderde beschikbaarheid pompensysteem

Ja

Ja

Nee

M144

Buiten gebruik stellen deel blus-/koelwaternet

Ja

Ja

Nee

M145

Afstemming blus-/koelwatersysteem op blusvoertuigen

Ja

Ja

Nee

M146

Brandkranen

Ja

Ja

Nee

M147

Brandkranen - aansluitingen en identificatie

Ja

Ja

Nee

M148

Constructievorm bestaande atmosferische opslagtanks

Ja

Nee

Ja

M150

Voorkomen uitstroom bij atmosferische opslag

Ja

Nee

Ja

M151

Inspectie- en onderhoudsprogramma bestaande ammoniakopslaginstallatie voor atmosferische opslag - gebruiksfase

Ja

Nee

Ja

G.1.3Vervallen maatregelen

Bekijk deze tabel in een popup venster

PGS 12: 2021 versie 1.0

Reden voor vervallen

vs 3.7.10

Opgenomen in nieuwe maatregel voor instrumentele beveiligingen, zie M18.

vs 3.7.2

Fundering op palen verplicht, voorschriften m.b.t. Fundering op de grond niet meer relevant.

vs 3.7.3

vs 3.7.4

vs 3.7.5

vs 3.7.6

vs 3.7.13

Lekdetectie al geregeld in M23.

vs 3.8.3

Al geregeld in M31.

vs 3.8.5

Alternatieve maatregel, zie M148.

vs 4.1.3

Afstandsregels vervangen door M6.

vs 4.1.12

Nieuwe set maatregelen bij ammoniaklekkage en brand, zie Paragraaf 7.18.2.1

vs 4.1.13

Al geregeld in Arbeidsomstandighedenwetgeving.

vs 4.1.19

Gebruik slangen niet meer toegestaan.

vs 4.1.20

vs 4.1.21

vs 4.1.22

vs 4.1.23

vs 4.1.27

vs 4.2.17

Dubbeling, al geregeld in andere maatregelen

vs 4.2.20

Gebruik slangen niet meer toegestaan.

vs 4.3.13

Voorschriften laden en lossen zijn geharmoniseerd en opnieuw gestructureerd.

vs 4.3.15

Al geregelegd in M65.

vs 4.3.23

Gebruik slangen niet meer toegestaan.

vs 5.4.1

Voorschriften laden en lossen zijn geharmoniseerd en opnieuw gestructureerd.

vs 5.4.2

vs 5.4.3

vs 5.4.4

vs 5.4.5

vs 5.4.6

vs 5.4.7

vs 5.4.8

vs 5.4.10

vs 5.4.11

vs 5.4.12

vs 5.4.13

vs 5.4.14

vs 5.4.15

vs 5.4.16

vs 5.4.17

vs 5.4.18

vs 5.4.19

vs 5.4.20

vs 5.4.21

vs 5.5.1

vs 5.5.2

vs 5.5.3

vs 5.5.4

vs 5.5.5

vs 5.5.6

vs 5.5.7

vs 5.5.8

vs 5.5.9

vs 5.5.14

vs 5.5.15

vs 5.5.16

vs 5.5.17

vs 5.5.18

vs 5.5.19

vs 5.5.20

vs 5.5.21

vs 5.5.22

vs 5.5.23

vs 5.6.1

vs 5.6.2

vs 5.6.3

vs 5.6.4

Breekkabel is al in M65 en M68 geregeld. Aansluiten is geen eis in maatregel.

vs 5.6.5

Voorschriften laden en lossen zijn geharmoniseerd en opnieuw gestructureerd.

vs 5.6.7

vs 5.6.8

vs 5.6.9

vs 5.6.10

vs 5.6.11

Breekkabel is al in M65 en M68 geregeld. Aansluiten is geen eis in maatregel.

vs 5.6.12

Voorschriften laden en lossen zijn geharmoniseerd en opnieuw gestructureerd.

vs 5.6.13

vs 5.6.14

vs 5.6.15

vs 5.6.16

vs 5.6.17

vs 7.2.2

Al geregeld in M4.

vs 8.2.4

Onderdeel van Noodplan (M128) of al geregeld in wet- en regelgeving.

vs 8.2.5

vs 8.3.1

vs 8.3.2

vs 8.3.3

vs 8.3.4

vs 8.3.5

vs 8.3.6

vs 8.3.7

vs 8.4.1

vs 8.4.2

Bijlage HImplementatietermijnen in bestaande situaties Normatief

H.1Implementatietermijnen door het BOb vastgesteld Normatief

Deze bijlage bevat implementatietermijnen voor bestaande situaties. Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze termijnen vastgesteld. De implementatietermijnen zijn ingegaan op de datum van vaststelling in de Omgevingsregeling van de 1.0 versie. De 1.1 versie heeft hier geen invloed op.

Deze PGS-richtlijn beschrijft de stand van de techniek. Het kan dus voorkomen dat een nieuwe versie van een PGS-richtlijn nieuwe of aangescherpte maatregelen bevat. Deze maatregelen moeten worden getroffen door degene die de activiteit verricht. Het kan voor bestaande situaties onredelijk zijn om te eisen dat deze nieuwe maatregelen onmiddellijk worden getroffen. Daarom bevat deze PGS-richtlijn voor bestaande situaties een implementatietermijn.

Is er voor de activiteit uit deze PGS-richtlijn een omgevingsvergunning? Dan bepaalt het bevoegd gezag vanaf welk moment de maatregelen worden overgenomen in de vergunning. Het bevoegd gezag kan de implementatietermijn in deze PGS-richtlijn gebruiken als richtsnoer.

Voor maatregelen voor de veiligheid van werknemers is het aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen volgens de stand van de wetenschap en techniek. Het toezicht op de naleving en juiste invulling van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving voor de veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid van de Nederlandse Arbeidsinspectie. De Nederlandse Arbeidsinspectie gebruikt daarbij de implementatietermijnen uit deze PGS-richtlijn als richtlijn.

Tabel 10Implementatietermijnen gewijzigde en nieuwe maatregelen voor bestaande atmosferische opslaginstallaties

Bekijk deze tabel in een popup venster

Maatregelnummer

Onderwerp

Wijziging

Maatregelnummer in vorige PGS

Kernpunt uit maatregel vorige PGS dat wordt aangepast

Aard van aanpassing

Termijn

MW1

Zorgplicht basisveiligheid

Standaard maatregel basis-PGS.n.v.t.n.v.t.n.v.t.n.v.t.

M2

Locatiekeuze en aanrijdbeveiligingMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Bouwkundig0 – 5 jaar

M4

ToegankelijkheidMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Bouwkundig0 – 1 jaar
M6

Voorkomen warmtestralingsbelasting op ammoniakopslaginstallatie

Maatregel waaraan niet voldaan kan worden maar waar een alternatief voor bestaande tanks is opgenomen in de maatregel.

vs. 3.4.1

Afstand 25 m vervangen door stralingscontour

Bouwkundig

0 – 5 jaar

M7

Afstand tot bovengrondse stationaire drukopslagMaatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwenn.v.t.n.v.t.(Proces)installatien.v.t.

M8

Interne veiligheidsafstandenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Bouwkundig0 – 5 jaar

M9

Ontwerpnorm bij atmosferische opslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwenn.v.t.n.v.t.(Proces)installatien.v.t.

M10

Constructievorm bij atmosferische opslag

Maatregel waaraan niet voldaan kan worden maar waar wel een alternatieve maatregel geformuleerd is, zie M148

n.v.t.n.v.t.(Proces)installatie

n.v.t.

M11

Constructiemateriaal bij atmosferische opslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwen

vs. 3.7.21

Toegevoegd zijn: aanvullende eisen i.v.m. spanningscorrosie, normering lasmethode en lasserkwalificatie.

(Proces)installatien.v.t.

M12

Betonnen beschermingswand bij atmosferische opslag

Maatregel waaraan niet voldaan kan worden maar waar een alternatief voor bestaande tanks is opgenomen in de maatregel.

n.v.t.

Geen inhoudelijke wijziging, betreft een vastlegging van de huidige situatie.

(Proces)installatien.v.t.

M13

Ontwerp fundering bij atmosferische opslag

Maatregel waaraan niet voldaan kan worden maar waar wel een alternatieve maatregel geformuleerd is, zie M149

vs. 3.7.1

Toegevoegd dat fundatie op palen zal zijn.

Bouwkundig0 – 5 jaar

M14

Sluis pompschacht bij atmosferische opslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwenn.v.t.n.v.t.(Proces)installatien.v.t.

M15

Hijsinstallatie bij atmosferische opslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwenn.v.t.n.v.t.(Proces)installatien.v.t.

M16

Instrumentatie en beveiliging bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 3.7.7

Toegevoegd dat niveaumeting dubbel en onafhankelijk uitgevoerd wordt, specificatie welke parameters gemonitord worden en temperatuurmeting in voedingsleiding vereist.

(Proces)installatie0 – 5 jaar

M18

Instrumentele beveiligingen bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie0 – 5 jaar

M19

Drukontlast- en drukregelkleppen bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 3.7.14 / vs. 3.7.15 / vs. 3.7.19

Maatregelen samengevoegd Toegevoegd normering en afvoeren naar affakkelinstallatie.

(Proces)installatie0 – 5 jaar

M22

Redundantie i.v.m onderhoud bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 3.7.18

Toegevoegd eisen ter voorkomen van isoleren meerdere kleppen.(Proces)installatie0 – 5 jaar

M23

Overloop en lekdetectie bij atmosferische opslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 3.7.9

Toegevoegd dat wanneer vloeistof gedetecteerd is, dit verwijderd wordt.

Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M24

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerpcondities bij atmosferische opslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M27

Capaciteit en redundantie BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 5 jaar

M28

Noodstroomvoorziening BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 1 jaar

M29

Afvoer van inerten uit BOG-verwerkingssysteem bij atmosferische opslag.

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 1 jaar

M30

Locatie aansluitingen bij atmosferische opslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwen

vs. 3.8.1

Bij voorkeur gewijzigd in verplicht via de bovenkant van de opslagtank

(Proces)installatien.v.t.

M31

Drainaansluitingen bij atmosferische opslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwen

vs. 3.8.2

Omgevormd naar voorwaarden voor drainafsluitingen(Proces)installatien.v.t.

M32

Noodvoorziening legen annulaire ruimte bij atmosferische opslag

Maatregel waaraan niet voldaan kan worden maar waar wel een alternatief geformuleerd is

n.v.t.n.v.t.(Proces)installatien.v.t.

M34

Materiaal productleidingenMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatien.v.t.

M35

Segmentering vloeistofleidingenMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie0 – 7 jaar

M36

Drukontlasting productleidingen bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 3.8.7

Gewijzigd naar eisen m.b.t. passende beveiliging(Proces)installatie0 – 5 jaar

M37

Lekdetectiesysteem productleidingenMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M38

Ligging productleidingen bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie/ Bouwkundig /Randapparatuur0 – 5 jaar
M59

Veilig ontwerp laad-/losinstallatie

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M65

Verlaadinstallatie – aansluiting van laadarmen bij atmosferische opslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 4.1.17

Laadarmen voor schepen zijn voorzien van op afstand bestuurbare connectors

(Proces)installatie

0 – 1 jaar

M73

Los- en laadplaats tankwagen/spoorketelwagon – 'containment'

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.10 / vs. 4.2.9 / vs. 4.3.8

Doorstroombegrenzer al geregeld in andere maatregel. Maatregelen samengevoegd. Noodzaak van andere voorzieningen aangepast naar eis van containment

Bouwkundig

0 – 5 jaar

M74

Overvulbeveiliging Flashvat

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M75

Uitvoering warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniakMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie0 – 5 jaar

M76

Instrumentatie en beveiliging warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniakMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie0 – 5 jaar

M77

Detectiesysteem lekkage warmtewisselaarMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.(Proces)installatie0 – 5 jaar

M78

Continu werkend gasdetectiesysteemMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 5 jaar

M79

Uitgangspuntendocument ammoniakgasdetectieMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 5 jaar

M80

Uitvoering en inspectie ammoniakgasdetectiesysteem conform UPD

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 5 jaar

M81

Vijfjaarlijkse beoordeling UPD

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 5 jaar
M83

Uitvoering appendages en pakkingen

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 3.8.8

Toegevoegd lekdichtheidtest afsluiters, eis gesloten pompen, mechanical seals met lekdetectie voor compressoren en eis niet-uitblaasbare. Emissiearme pakkingen

(Proces)installatie

  • Lektest voor nieuwe afsluiters 0 – 1 jaar.
  • Pakkingen bij vervanging.
  • Pompen bij vervanging
M84

Fire tested afsluiters

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M86

Beheersing opslagconditiesMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievorm

vs. 3.7.11

Aangepast naar algemene maatregel beheersing opslagcondities

(Proces)installatie0 – 5 jaar

M87

Operationele procedure in- en uitgebruiknameMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M88

WatergehalteMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M89

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de opslagtank

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 3 jaar

M90

Operationele controlesMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M91

HijswerkzaamhedenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M92

Training en opleidingMaatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 3.3.2

Nadere specificering van vereiste opleidingenOperationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M94

Operationele beheersing – beschikbaarheid procedures en instructiesMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M95

Controle condities ammoniak voor lossenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M96

Terminalspecificatie

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M97

Procedure verladingMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M98

Operationele beheersing – laad- en losplaats algemeenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M100

Laden en lossen tankwagens en spoorketelwagons – voorkomen wegrijden

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M101

Operationele beheersing – toezicht tijdens verladingMaatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 5.4.9

n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M102

Vullingscontrole tijdens het ladenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Proces installatie0 – 5 jaar

M113

Periodieke inspectie ammoniakopslaginstallatie

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 6.2.1

Vereiste inspecties nader gespecificeerd, nu van toepassing op gehele installatieOperationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M114

Inspectie- en keuringsprogramma ammoniakopslaginstallatie – nieuwbouwfase

Niet van toepassing voor bestaande tanks, tank is al in gebruik.

vs. 6.2.4 / vs. 6.3.5

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd.

(proces)installatie Operationeel/organisatorischn.v.t.

M115

Inspectie- en keuringsprogramma ammoniakopslaginstallatie – ingebruikneming

Niet van toepassing voor bestaande tanks, tank is al in gebruik.

vs. 6.2.4 / vs. 6.3.5

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd.

(proces)installatie Operationeel/organisatorischn.v.t.

M116

Inspectie- en onderhoudsprogramma ammoniakopslaginstallatie –gebruiksfase

Maatregel waaraan niet geheel voldaan kan worden en waar een aanvullende maatregel geformuleerd is, zie M151

vs. 6.2.4 / vs. 6.3.5

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd.

(proces)installatie Operationeel/organisatorischn.v.t.

M118

Inspectie en testen van beveiligingen bij atmosferische opslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 2 jaar

M120

Koelvoorziening en voorzieningen om verspreiding van damp te voorkomen/beperken – controle en onderhoud bij atmosferische opslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.30 / vs. 4.2.22 / vs. 4.3.26

Maatregelen samengevoegd. Onderhoud nu op basis van UPD, is nieuwe eis.

Operationeel/organisatorisch0 – 5 jaar

M121

Registratie en documentatie bij atmosferische opslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M128

Noodplan

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 8.2.1 / vs. 8.2.2

Maatregelen samengevoegd en aangepast naar specifieke aanvullende eisen voor ammoniak op noodplan zoals vereist vanuit andere wet- en regelgeving.

Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M129

Evacuatie werkplatformMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M130

Bediening installatie in noodsituatiesMaatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar is niet gerelateerd aan de constructievormn.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 2 jaar

M131

SchuillocatiesMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Bouwkundig0 – 2 jaar
M132

Windzak of windvaan

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.11 / vs. 4.2.10 / vs. 4.3.9

Maatregel algemeen gemaakt voor gehele locatie

Randapparatuur

0 – 1 jaar

M134

Los- en laadplaats –brandblustoestelMaatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.16 / vs. 4.2.15 / vs. 4.3.14

Maatregelen samengevoegd en eisen toegevoegd m.b.t. normeringRandapparatuur0 – 1 jaar

M135

Stationaire voorziening ter voorkoming verspreiding van ammoniakdamp bij verlading

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 3 jaar

M136

Voorzieningen ter voorkoming verspreiding damp bij overige installatieonderdelen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 3 jaar

M137

KoelvoorzieningenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 3 jaar

M138

UitgangspuntendocumentMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 3 jaar

M139

Goedkeuring en beoordeling UPD

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 3 jaar

M140

Ontwerp beheersvoorzieningenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 3 jaar

M141

Capaciteit en druk (koel)waternet

Maatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 2 jaar

M142

Minimumtijdsduur watervoorzieningMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 2 jaar

M143

Verminderde beschikbaarheid pompensysteemMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 2 jaar

M144

Buiten gebruik stellen deel (koel)waternetMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Operationeel/organisatorisch0 – 1 jaar

M145

Afstemming (koel)watersysteem op blusvoertuigenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 2 jaar

M146

BrandkranenMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 1 jaar

M147

Brandkranen - aansluitingen en identificatieMaatregel heeft geen direct effect op de installatien.v.t.n.v.t.Randapparatuur0 – 1 jaar

M148

Constructievorm bestaande tanks

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

Vastlegging constructievorm bestaande tanks. Toegevoegd eisen voor:

  1. afscherming doorvoeringen door de wand;
  2. verbod op aansluitingen onder vulniveau opslagtank;
  3. opvangvoorziening tot aan eerste veiligheidsafsluiter

(proces)installatie

bouwkundig

  1. 0 – 5 jaar;
  2. Bij eerstvolgende out-of-service-inpsectie;
  3. 0 – 5 jaar.

M149

Ontwerp fundering bestaande tanks

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 3.7.1

Eisen toegevoegd m.b.t redundantie en temperatuurregeling.

Randapparatuur

0 – 2 jaar

M150

Voorkomen uitstroom

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M151

Inspectie- en onderhoudsprogramma bestaande ammoniakopslaginstallatie –gebruiksfase

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 6.2.4 / vs. 6.3.5

Maatregelen voor inspectie- en keuringsprogramma opnieuw geformuleerd.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

Tabel 11Implementatietermijnen gewijzigde en nieuwe maatregelen voor bestaande drukopslaginstallaties

Bekijk deze tabel in een popup venster

Maatregelnummer

Onderwerp

Wijziging

Maatregelnummer in vorige PGS

Kernpunt uit maatregel vorige PGS dat wordt aangepast

Aard van aanpassing

Termijn

MW1

Zorgplicht basisveiligheid

Standaard maatregel basis-PGS

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

M2

Locatiekeuze en aanrijdbeveiliging

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Bouwkundig

0 – 5 jaar

M4

Toegankelijkheid

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Bouwkundig

0 – 1 jaar

M6

Voorkomen warmtestralingsbelasting

Maatregel waaraan niet voldaan kan worden maar waar een alternatief voor bestaande tanks is opgenomen in de maatregel.

vs 3.4.1

25 m afstand vervangen door stralingscontour

Bouwkundig

0 – 5 jaar

M7

Afstand tot bovengrondse stationaire drukopslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank te verplaatsen of gelijkwaardigheid aan te tonen

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 10 jaar

M8

Interne veiligheidsafstanden

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Bouwkundig

0 – 5 jaar

M33

Verbod schroefdraadverbindingen

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar voor bestaande installaties is een alternatief opgenomen.

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M34

Materiaal productleidingen

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M35

Segmentering vloeistofleidingen

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 7 jaar

M37

Lekdetectiesysteem productleidingen

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M39

Maximum aan drukopslagtanks

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie maar voor bestaande installaties is haalbaar alternatiefbenoemd

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

n.v.t.

M40

Ontwerpcriteria drukopslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwen maar er is wel alternatieve voorwaarde gesteld voor bestaande tanks

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M41

Dedicated uitvoering installatie bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 5 jaar

M42

Constructiemateriaal bij drukopslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwen maar er is wel alternatieve voorwaarde gesteld voor bestaande tanks

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

n.v.t. (als tank niet voldoet aan eisen voor bestaande tanks dan geldt geen overgangstermijn maar is een nieuwe tank noodzakelijk)

M44

Veiligheidswand bij drukopslag

Maatregel is deels gewijzigd (opvangvoorziening) en deels nieuw (veiligheidswand)

vs. 3.6.2

Veiligheidswand moet worden geplaatst. Opvangvoorziening kan kleiner zijn (versoepeling)

Bouwkundig

0 – 6 jaar

M45

Afwerking isolatie bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

vs. 3.6.8

De voorwaarde dat isolatie niet mag bijdragen aan brandvoortplanting is toegevoegd

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M46

Instrumentatie en beveiliging bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie. Er is een alternatieve voorwaarde gesteld voor bestaande tanks

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M47

Hoogniveaubeveiliging bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M48

Instrumentele beveiligingen bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M49

Drukontlastkleppen bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M50

Redundantie i.v.m. onderhoud bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M51

Aanspreken beveiligingen en opereren buiten ontwerpcondities bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing maar heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M53

Locatie van aansluiting bij drukopslag

Maatregel waar niet aan voldaan kan worden zonder de tank opnieuw te bouwen maar er is alternatief voor bestaande tanks

vs. 3.6.4 / vs. 3.6.5

Diverse wijzigingen m.b.t. ondergrens, beveiligingen en uitzondering voor locatie aansluitingen bovenzijde.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M55

Voorkomen vloeistofuitstroom bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

vs. 3.6.6

Extra voorwaarde tweede ESD en waarborging werking

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M56

(Nood)voorziening legen opvangvoorziening van veiligheidswand bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

vs. 3.6.1

De noodvoorziening is nader gespecificeerd

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M57

Drukontlasting productleidingen bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M58

Ligging van productleidingen bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M59

Veilig ontwerp laad-/losinstallatie

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M66

Verlaadinstallatie - aansluiting van laadarmen bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

vs. 4.1.16

Uitfasering gebruik slangen, droogloopbeveiliging, inlaadarmen voor schepen zijn voorzien van op afstand bestuurbare connectors

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M73

Los- en laadplaats tankwagen/spoorketelwagon - 'containment'

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.10 / vs. 4.2.9/ vs. 4.3.8

Doorstroombegrenzer al geregeld in andere maatregel. Maatregelen samengevoegd. Noodzaak van andere voorzieningen aangepast naar eis van containment.

Bouwkundig

0 – 5 jaar

M74

Overvulbeveiliging flashvat

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M75

Uitvoering warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M76

Instrumentatie en beveiliging warmtewisselaar voor opwarmen vloeibare ammoniak

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M77

Detectiesysteem lekkage warmtewisselaar

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 - 5 jaar

M78

Continu werkend gasdetectiesysteem

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 5 jaar

M79

Uitgangspuntendocument ammoniakgasdetectie

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 5 jaar

M80

Uitvoering en inspectie ammoniakgasdetectiesysteem conform UPD

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 5 jaar

M81

Vijfjaarlijkse beoordeling UPD

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 5 jaar

M83

Uitvoering van appendages en pakkingen

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

  • Lektest voor nieuwe afsluiters 0 – 1 jaar.
  • Pakkingen bij vervanging.
  • Pompen bij vervanging.
M84

Fire tested-afsluiters

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

vs. 3.6.7

Noodzaak is gespecificeerd op basis van aanstraling > 10 kW/m².

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M91

Hijswerkzaamheden

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M94

Operationele beheersing – beschikbaarheid procedures en instructies

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M96

Terminalspecificatie

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M98

Operationele beheersing – laad- en losplaats algemeen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M100

Laden en lossen tankwagens en spoorketelwagons – voorkomen wegrijden

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M101

Operationele beheersing – toezicht tijdens verlading

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 5.4.9

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M102

Vullingscontrole tijdens het laden

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 5 jaar

M103

Beheersing van de opslagcondities bij drukopslag

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie. Voor bestaande tanks is een alternatieve maatregel opgenomen.

n.v.t.

n.v.t.

(Proces)installatie

0 – 6 jaar

M104

Operationele procedure in- en uitgebruikname bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M105

Operationele controles bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M106

Training en opleiding bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 3.3.2

Nadere specificering van vereiste opleidingen

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M107

Voorkomen/verlagen hoeveelheid zuurstof in de drukopslagtank

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M108

Afvoer zuurstof en inerten bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M109

Inhoud en vullingsgraad bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 3.6.3

Maximale vulniveau gerelateerd aan actuele omstandigheden (vultemperatuur)

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M110

Controle condities ammoniak voor lossen bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M111

Procedure voor verlading bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M112

Beveiliging temperatuur bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M122

Periodieke inspectie ammoniakopslaginstallatie onder druk

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M123

Inspectie en testen van beveiligingen bij drukopslag

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M124

Aandachtspunt bij periodieke inspectie

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M128

Noodplan

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 8.2.1 / vs. 8.2.2

Maatregelen samengevoegd en aangepast naar specifieke aanvullende eisen voor ammoniak op noodplan zoals vereist vanuit andere wet- en regelgeving

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M129

Evacuatie werkplatform

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M130

Bediening installatie in noodsituaties

Maatregel vereist een aanpassing aan de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 2 jaar

M131

Schuillocaties

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Bouwkundig

0 – 2 jaar

M132

Windzak of windvaan

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.11 / vs. 4.2.10 / vs. 4.3.9

Maatregel algemeen gemaakt voor gehele locatie

Randapparatuur

0 – 1 jaar

M134

Los- en laadplaats - brandblustoestel

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

vs. 4.1.16 / vs. 4.2.15 / vs. 4.3.14

Maatregelen samengevoegd en eisen toegevoegd m.b.t. normering

Randapparatuur

0 – 1 jaar

M135

Stationaire voorziening ter voorkoming verspreiding van ammoniakdamp bij verlading

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 3 jaar

M136

Voorzieningen ter voorkoming verspreiding damp bij overige installatieonderdelen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 3 jaar

M137

Koelvoorzieningen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 3 jaar

M138

Uitgangspuntendocument

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 3 jaar

M139

Goedkeuring en beoordeling UPD

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 3 jaar

M140

Ontwerp van beheersvoorzieningen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 3 jaar

M141

Capaciteit en druk (koel)waternet

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 2 jaar

M142

Minimumtijdsduur watervoorziening

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 2 jaar

M143

Verminderde beschikbaarheid pompensysteem

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 2 jaar

M144

Buiten gebruik stellen deel (koel)waternet

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Operationeel/organisatorisch

0 – 1 jaar

M145

Afstemmen (koel)watersysteem op blusvoertuigen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 2 jaar

M146

Brandkranen

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 1 jaar

M147

Brandkranen - aansluitingen en identificatie

Maatregel heeft geen direct effect op de installatie

n.v.t.

n.v.t.

Randapparatuur

0 – 1 jaar

Bijlage IZienswijze Nederlandse Arbeidsinspectie

Inleiding

De Nederlandse Arbeidsinspectie onderschrijft het belang van uniforme veiligheidseisen voor de opslag van ammoniak onder druk. Tegelijkertijd constateren wij in de huidige uitwerking van PGS 12 (fase 3) diverse knelpunten rondom de juridische status van maatregelen en de verhouding tot het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016.

Kern van het bezwaar

Meerdere maatregelen in PGS 12 (fase 3) hebben de status van dwingende eis. In de praktijk betekent dit dat aan deze voorwaarden altijd, zonder uitzondering, moet worden voldaan – ongeacht het type drukapparaat, bouwjaar, of uitkomsten van een risicobeoordeling. Dit is in strijd met het principe van de WBDA 2016, waarin essentiële veiligheidseisen zijn vastgelegd, maar de wijze van invulling (presumption of conformity) ruimte laat voor alternatieven, innovaties en maatwerk, mits gelijkwaardig aangetoond.

Uitwerking per maatregel

M33 – Schroefdraadverbindingen ammoniaktank

Bezwaarpunt: Deze maatregel schrijft voor dat schroefdraadverbindingen (in principe) niet zijn toegestaan, behalve in een paar zeer specifieke gevallen. Hiermee wordt geen ruimte gelaten voor andere technische invulling zolang het veiligheidsniveau gelijkwaardig is.

M34 – Corrosie onder isolatie leidingen

Bezwaarpunt: De maatregel bepaalt exact welke staalsoorten en temperatuurcondities moeten worden toegepast, zonder ruimte voor gelijkwaardige technische alternatieven of nieuwe technologieën.

M40 – Ontwerpeisen drukopslagtank

Bezwaarpunt: Hier worden de ontwerpcondities als absolute eis gesteld (“volledig vacuüm”, “minimaal 20 bar”, “-33°C of lager”, “+50°C of hoger”), zonder ruimte voor een afwijkend ontwerp met aantoonbaar gelijkwaardig niveau.

M42 – Materiaalkeuze en spanningscorrosie

Bezwaarpunt: De normatieve keuze voor materialen, vloeigrens, hardheid etc. wordt strikt voorgeschreven.

M43 – Residuele lasspanningen

Bezwaarpunt: Verplichte spanningsarm gloeien en het niet toestaan van bepaalde hulpstukken zonder ruimte voor technisch gelijkwaardige alternatieven.

M82 – Materiaalbestendigheid tegen ammoniak

Bezwaarpunt: Een algeheel verbod op koper, zilver en zink in iedere toepassing, zonder uitzonderingen bij aantoonbare gelijkwaardigheid.

M83 – Appendages en pakkingen

Bezwaarpunt: De maatregel stelt dwingende technische eisen aan pompen, seals, pakkingen etc. zonder ruimte voor innovatieve, gelijkwaardige oplossingen.

Generieke conclusie

De bovengenoemde maatregelen zijn op dit moment te dwingend geformuleerd en staan daarmee op gespannen voet met het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Wij adviseren deze bepalingen doel voorschrijvend te maken en de middelen als voorbeeld te benoemen. Hiermee geeft de werkgroep de gewenste oplossingen aan, maar laat men de ruimte voor alternatieve, innovaties en/of maatwerk.

Indien er vragen zijn kan er contact op worden genomen met de Nederlandse Arbeidsinspectie. Vermeldt hierbij het referentienummer: 2025-0000170276

Bijlage JSamenstelling PGS 12-team

Naam

Organisatie

Rol

Jan Waals

Gezamenlijke Brandweer Rotterdam

Voorzitter PGS-team

Martin Reuvers

VOPAK

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Wim Versteele

Yara

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Manuel Dhondt

Yara

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Chiel Deij

OCI

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Andre Meulmeester

OCI

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Mathin de Groot

Veiligheidsregio Zeeland

Lid namens Brandweer Nederland/Veiligheidsregio's

Marcel Nijssen

Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond

Lid namens Brandweer Nederland/Veiligheidsregio's

Erik Lambrechts

ODNZKG

Lid namens toezicht-handhaving

Jochem Langeveld

DCMR

Lid namens vergunningverlening

Oscar Menger

DCMR

Lid namens vergunningverlening

Frans Geurts

IPLO

Toehoorder namens helpdesk IPLO

Alwin van Aggelen

A-RisC

Facilitator risicobenadering

Paul Mesman

Adviesbureau Opifex

Tekstschrijver

Fionn Wallace

NEN

Projectleider

Begrippenlijst

Accreditatie

Nationaal en internationaal hebben afnemers behoefte aan zekerheid over de kwaliteit van geleverde goederen en diensten. Een leverancier kan zijn product of dienst objectief laten beoordelen of testen door een laboratorium, certificatie- of inspectie-instelling. Bij een goed resultaat verstrekt de beoordelende organisatie een conformiteitsverklaring van het product of de dienst, meestal in de vorm van een certificaat of een rapport. Meer informatie: rva.nl.

Activiteiten

De Omgevingswet regelt activiteiten, maar een juridische definitie voor het woord activiteit is er niet. De Omgevingswet onderscheidt verschillende soorten activiteiten. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan rijksregels voor activiteiten, zoals milieubelastende activiteiten, bouwactiviteiten, de rijksmonumentenactiviteiten. Decentrale overheden kunnen ook regels stellen aan activiteiten zoals waterschappen, provincies en gemeenten.

ADN

Accord européen relatif au transport des marchandises dangereuses par voies de navigation intérieures

Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren.

ADR

Accord européen relatif au transport international de marchandises dangereuses par route

Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. Afhankelijk van de specifieke eigenschappen van de gevaarlijke stoffen zijn deze ingedeeld in gevarenklassen.

AET

Acoustic emission testing

Afsluiter

Onderdeel van een installatie of leiding om de doorstroming te regelen. De afsluiter regelt het helemaal of gedeeltelijk openen of sluiten van een doorstroomopening. Er zijn handbediende en op afstand gestuurde afsluiters. Afsluiters kunnen ook dienen als noodstopvoorziening.

AGW

Alarmeringsgrenswaarde

Algemene regels

Alle overheden kunnen algemene regels vaststellen. Algemene regels zijn regels die voor iedereen gelden. 'Iedereen' betekent hier: iedereen die iets doet of wil doen waarop de regels van toepassing zijn.

Ammoniak)opslaginstallatie

Installatie voor de opslag van ammoniak, inclusief installatiedelen die benodigd zijn voor de verlading, zoals productleidingen, los- en laadplaatsen, pompen, een warmtewisselaar voor het opwarmen van vloeibare ammoniak, enz.

Ammoniakopslaginstallatie

Opslaginstallatie, inclusief productleidingen tot aan de aansluiting op externe transportleidingen of procesinstallatie (voor de chemische omzetting), de installatie voor de omzetting van koude naar warme ammoniak voor verlading en de verlaadinstallatie.

Annulaire ruimte

Ruimte tussen de binnentank of primaire tank en de buitentank of secundaire tank.

Arbeidshygiënische strategie

Zie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

ATEX

Atmosphères explosibles

Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.

Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) onder de Omgevingswet. Het Bal bevat regels van het Rijk over activiteiten in de fysieke leefomgeving.

Bbl

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) onder de Omgevingswet. Het Bbl bevat regels over bouwwerken.

BBT

Beste beschikbare technieken

'Beste' omvat de meest doeltreffende technieken voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu. Dit om emissies van een bedrijf te voorkomen. Als dit niet mogelijk is, moet het bedrijf de emissie zoveel mogelijk beperken.

'Beschikbare' omvat technieken die technisch en economisch haalbaar zijn voor die bedrijfstak, en die bedrijven kunnen toepassen. De techniek moet redelijkerwijs in Nederland of in een ander land verkrijgbaar zijn.

Het begrip 'technieken' is ruim. Hieronder valt:

  1. de toegepaste technieken;
  2. ontwerp, bouw en ontmanteling van de installatie;
  3. onderhoud en bedrijfsvoering van de installatie.

Deze term staat in bijlage A van de Omgevingswet.

Bedrijfsbrandweer

Een bedrijfsbrandweer volgens de aanwijzingsbeschikking artikel 31 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr), dan wel een bedrijfsbrandweer die is vastgesteld op basis van een goedgekeurd bedrijfsbrandweerrapport met daarin de informatie zoals gesteld onder artikel 7.2 lid 1 van het Besluit veiligheidsregio's.

Toelichting: Het merendeel van de bedrijven dat gebruikmaakt van een brandbestrijdingssysteem waarin de bedrijfsbrandweer een rol speelt, betreft bedrijven met een aanwijzingsbeschikking volgens artikel 31 Wvr. De veiligheidsregio is hierbij toezichthouder. In het enkele geval dat een bedrijfsbrandweer niet is aangewezen, is het wel van belang dat eenzelfde benadering wordt gekozen om de kwaliteit van een bedrijfsbrandweer te borgen. Dit wordt bereikt door het kwaliteitsniveau vast te leggen in de omgevingsvergunning, waarbij van dezelfde werkwijze wordt gebruikgemaakt. Veiligheidsregio's gebruiken voor het aanwijzen van een bedrijfsbrandweer de Werkwijzer bedrijfsbrandweren van het Landelijk expertisecentrum voor brandweer en de Seveso III-richtlijn. Het bevoegd gezag zal aan de betrokken veiligheidsregio advies behoren te vragen om het bedrijfsbrandweerrapport te beoordelen. De veiligheidsregio behoort te worden betrokken bij het toezicht op de omgevingsvergunning betreffende dit onderwerp.

Bedrijfsterrein

Terrein waarop de activiteiten van het bedrijf plaatsvinden, begrensd door de erfgrens.

Begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht

Uit het Bal

Toelichting: Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf, maar kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

Beheersmaatregel

Acties, programma’s of procedures van organisatorische en administratieve aard met het doel de nodige handelingen te verrichten ter bescherming van veiligheid en milieu.

Beoordelingsregel

Een beoordelingsregel is een inhoudelijke regel waaraan het bevoegd gezag een aanvraag voor een omgevingsvergunning toetst. Een beoordelingsregel is bijvoorbeeld:

'Een omgevingsvergunning voor het kappen van een boom mag alleen worden verleend als de boom niet dikker is dan 40 cm'.

Uit de gegevens van de aanvraag (de aanvraagvereisten) moet in dit voorbeeld blijken hoe dik de boom is. Het bevoegd gezag toetst die gegevens dan aan zo'n beoordelingsregel.

Bevoegd gezag

Het bevoegd gezag kan zowel het Rijk, een provincie, een waterschap als een gemeente zijn. Onder de Omgevingswet heeft ieder instrument een bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dat het instrument inzet, is ook het bevoegd gezag voor vergunningverlening, toezicht en handhaving, meldingen en het toestaan van afwijken van algemene regels.

Bkl

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) onder de Omgevingswet.

BLEVE

Boiling liquid expanding vapour explosion

BOb

Bestuurlijk omgevingsberaad VTH

BOG

Boil-offgas

Bouwwerk

De Omgevingswet verstaat onder een bouwwerk: 'constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart.'

BowTie

Een visueel model om risico’s te analyseren en te beheersen. Het heet zo omdat het diagram de vorm heeft van een vlinderdas (“bowtie” in het Engels)

Buitenlucht

Plaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie

Toelichting: Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig.

Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.

CBI

Conformiteitsbeoordelingsinstantie

Toelichting: CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie.

CLP-verordening

Europese verordening over de indeling, etikettering en verpakking (classification, labelling and packaging) van stoffen en mengsels. 

Alle bedrijven die stoffen en mengsels in de handel brengen, moeten deze verordening toepassen op hun handelswaar. Het gaat om Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

CMR-stoffen

CMR-stoffen zijn gevaarlijke stoffen met een of meer van de volgende eigenschappen: ze zijn carcinogeen (kankerverwekkend) en/of mutageen (veranderingen in erfelijke eigenschappen veroorzakend) en/of reprotoxisch (schadelijk voor de voortplanting of het nageslacht).

Conformiteitsverklaring

Verklaring van een fabrikant waarin staat dat het apparaat of de installatie is gemaakt volgens code uit het ontwerp. Een onafhankelijke partij (NoBo) heeft toezicht uitgevoerd op de productie.

Dampverwerkingsinstallatie

Installatie waarmee ammoniakdampen worden teruggewonnen of verwijderd ter voorkoming van emissie naar de buitenlucht. Een dampverwerkingsinstallatie is bedoeld om gasvormige ammoniakstromen van bronnen buiten de inrichting (lees uit (zee)schepen, spoorketelwagons en tankwagens) met een mogelijke aanwezigheid van zuurstof en inerten te vernietigen met als doel om de (druk)opslagtank te vrijwaren van de intreding van zuurstof. Een BOG- verwerkingsysteem uit Paragraaf 7.6.2.4 is geen dampverwerkingsinstallatie zoals bedoeld in deze richtlijn. Een BOG-verwerkingssyteem zoals bedoeld in deze richtlijn verwerkt boiloff-gas uit de opslagtank en vrijkomende ammoniakdampen uit onderdelen van de ammoniakopslaginstallatie (afblaas van TRV's bijvoorbeeld, of bij het leeg maken van productleidingen).

DCS

Distributed control system

Degene die de activiteit verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Domino-effect

Een effect waarbij het falen van een gevarenbron leidt tot het falen van een andere gevarenbron en waarbij de (directe) gevolgen van het falen van de eerste gevarenbron kleiner zijn dan de gevolgen van het falen van het vervolgongeval.

Doorstroombegrenzer

Afsluitorgaan dat een nagenoeg volledige afsluiting geeft in die gevallen waarbij de doorstroomhoeveelheid een bepaalde grenswaarde overschrijdt, bijv. ten gevolge van leidingbreuk waarbij de vrijkomende hoeveelheid medium hierbij tot een minimum wordt beperkt.

Druk

De druk gerelateerd aan de atmosferische druk, waarbij de overdruk met een positieve waarde en een vacuüm of onderdruk met een negatieve waarde wordt aangeduid.

Drukloze opslag

De opslag wordt als drukloos beschouwd als de absolute druk boven de vloeistof beneden 106 kPa (1,06 bar) ligt.

EN

Europese norm

Toelichting: Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:

  • Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.
  • Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.
  • Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.
ESD

Emergency shutdown

Explosieve atmosfeer

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel.

First break

Verbreken van procesverbindingen met de kans op vrijkomen van gevaarlijke stoffen en/of energie

FKM

Fluor kautschuk material (fluorhoudende polymeren)

Flashvat

Een vat dat wordt gebruikt voor de snelle scheiding van een mengsel in een vloeistof en een damp door verdamping, veroorzaakt door een sterke drukdaling.

Full-containment (tank)

Tankconstructie waarbij, bij het falen van het 'primaire containment', zowel de vloeistof als de damp opgevangen wordt.

Fundering

Ondergrond waarop een opslagtank rust.

Gas (ADR)

Een stof die bij +50 °C een dampdruk bezit > 300 kPa (3 bar) of die bij 20 °C en een standaarddruk van 101,3 kPa volledig gasvormig is.

Gebouw

Een gebouw is een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Gelijkwaardige maatregel

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een verplichte maatregel. Een gelijkwaardige maatregel bereikt ten minste hetzelfde resultaat als de verplichte maatregel.

Gevaar

Chemische of fysische toestand die schade kan toebrengen aan mensen, goederen en/of het milieu.

Gevaarlijke stof (ADR)

Stoffen en voorwerpen waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de IMDG-code.

Gevaarlijke stof (CLP)

Stoffen die overeenkomstig EG-verordening op indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk worden ingedeeld op grond van de criteria voor enige fysische gevarenklasse of gezondheidsgevarenklasse.

Gevarenzone-indeling

Indeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit.

GHS

Globally harmonised system of classification and labelling of chemicals

Good housekeeping

Gedragsmaatregelen die leiden tot minder vervuiling van het milieu.

Grenswaarde

Maximaal toegestane concentratie.

HAZOP

Hazard and operability

Toelichting: De HAZOP-methode is een standaardmethode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen en het identificeren van gevaren en ongewenste situaties.

Hogedrempelinrichting

Seveso-inrichting waar een gevaarlijke stof in een grotere of gelijke hoeveelheid aanwezig is dan/als de genoemde waardes in de Seveso-richtlijn 2012/18/EU, zie Bal.

Hulpdiensten

Politie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen.

HV

Vickers-hardheidstest

IEC

International Electrotechnical Commission

Toelichting: Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.

IMDG-code

International maritime dangerous goods-code

Toelichting: Internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee.

IMO

International Maritime Organization

Toelichting: IMO is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die op internationaal niveau afspraken maakt tussen de deelnemende lidstaten om de scheepvaart zo veilig en milieuvriendelijk mogelijk te maken.

In afwezigheid van personeel

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Incident

Negatieve, onverwachte en onvoorziene gebeurtenis waarbij afhankelijk van het type en de ernst ervan het noodzakelijk kan zijn om melding te maken van de gebeurtenis en/of hulp(diensten) in te roepen.

Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken.

Toelichting: Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Interne veiligheidsafstand

Een minimumafstand bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS-voorziening naar een installatieonderdeel, bouwwerk, opslag en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken.

Toelichting: Deze interne veiligheidsafstand heeft geen relatie met afstanden in verband met explosieveiligheid als bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en is niet bedoeld om gebouwen en plekken te beschermen waar mensen werkzaam zijn.

IPO

Interprovinciaal overleg

ISO

International Organization for Standardization

Toelichting: ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale normalisatie-instituten in een groot aantal landen.

ISPS

International ship & port facility security

Toelichting: De ISPS-code beschrijft de minimumeisen in verband met beveiliging van schepen en havenfaciliteiten.

IVG

Inspectieafdeling van de gebruiker

Toelichting: Een organisatorische eenheid die door de gebruiker van drukapparatuur is belast met het verrichten van inspecties, onder toezicht van een NL-CBI.

KvI

Keuring voor ingebruikneming

LBW

Levensbedreigendewaarde

LOPA

Layer of protection analysis

Maatwerkvoorschrift

Een maatwerkvoorschrift is een specifiek voorschrift voor een activiteit. Met het maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag algemene regels in concrete situaties specifiek maken.

Milieubelastende activiteit

Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken.

MKB

Midden- en kleinbedrijf Nederland

MPI

Magnetic particle inspection

Nederlandse conformiteits-beoordelings-instantie (NL-CBI)

Een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen instelling die (her)keuringswerkzaamheden en/of beoordelingen mag uitvoeren in het kader van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016.

NEN

Nederlandse norm

Toelichting: NEN staat ook voor Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie Instituut. Dit instituut geeft NEN-normen uit.

NEN-EN

Europese norm (EN) die door NEN is aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-IEC

Door IEC vastgestelde internationele norm.

Toelichting: De norm is als Europese norm aanvaard. De norm is ook door NEN aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm.

Toelichting: De norm is als Europese norm aanvaard. De norm is ook door NEN aanvaard en uitgegeven.

NEN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm.

Toelichting: De norm is door NEN aanvaard en uitgegeven.

NL-KVG

NL-aangewezen keuringsdienst van gebruikers

Een krachtens artikel 1 van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 aangewezen keuringsdienst.

NLA

Nederlandse Arbeidsinspectie

Nobo

Notified body

Toelichting: Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen. Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.

Noodbreekkoppeling

Een verbinding die gecontroleerd breekt of loskomt wanneer er te grote krachten op (dreigen) te komen, waardoor een ongecontroleerde uitstroming wordt voorkomen.

Noodplan

Overzicht van de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om effecten van calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.

Noodstop

Voorziening die een apparaat, voertuig of installatie uitschakelt of stilzet of in een veilige toestand brengt. Deze is bedoeld om bij een incident of calamiteit verdere escalatie te voorkomen.

NPR

Nederlandse praktijkrichtlijn

Toelichting: NEN geeft NPR’s uit. Een NPR is een informatieve, praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.

NTA

Nederlandse technische afspraak

Toelichting: NEN geeft NTA’s uit. Een NTA is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is meestal geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat. Een NTA kan snel tot stand komen.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Daarnaast regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming. Het regelt ook een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Het Omgevingsbesluit is voor alle doelgroepen relevant, dus voor zowel burgers en bedrijven, als voor overheden.

Omgevingsplan

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied. Per gemeente is er één omgevingsplan.

Omgevingsregeling

De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. De regeling bouwt voort op de wet en de vier algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s). Het gaat om technische en administratieve regels voor het gebruik van de wet en de AMvB’s in de praktijk.

Omgevingsvergunning

Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen moet een initiatiefnemer (burger, bedrijf, overheid) een melding doen voordat de activiteit mag worden uitgevoerd.

Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen.

Onafhankelijke deskundige ammoniakopslagtanks

Een onafhankelijke deskundige op het gebied van ammoniakopslagtanks is een deskundige met:

  • aantoonbare kennis van ammoniak opslagtanks; en
  • accreditatie/certificatie voor drukapparatuur vallend onder het Warenwetbesluit drukapparatuur (Wbda) behorende bij de desbetreffende fase:
    • nieuwbouwfase: EU-CBI of EU-KVG;
    • ingebruikname: NL-CBI of NL-KVG;
    • gebruiksfase: NL-CBI, NL-KVG of IVG.
Ontlastklep

Klep met een al dan niet vaste instelling die bij te hoog oplopende druk wordt geopend met een veer en waarbij de afgeblazen stof binnen het systeem wordt gehouden waarop de klep bevestigd is.

Opslagtank

Voorziening voor het opslaan van gas of vloeistof

PED

Pressure equipment directive

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur.

Toelichting: De PED beschrijft 'essentiële veiligheidseisen' voor drukapparatuur. Het gaat om de algemene veiligheid en bescherming tegen zowel persoonlijk letsel als materiële schade.

Onder de PED vallen alle producten en installaties met een druk die hoger is dan 50 kPa. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het Wbda 2016.

Persdruk

Druk die in het hoogste punt van een toestel, of een gedeelte van het toestel heerst bij de beproeving op sterkte.

Plaatsgebonden risico

Het risico (uitgedrukt in kans per jaar) dat één persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof.

PRDA

Praktijkregels voor drukapparatuur

Procesriool

Een afgescheiden rioleringssysteem, niet zijnde een hemelwaterriool of vuilwaterriool voor huishoudelijk afvalwater, dat specifiek bedoeld is of gebruikt wordt voor de opvang en afvoer van afval- en/of hemelwater afkomstig van (industriële) processen en/of van handelingen met gevaarlijke stoffen, uitkomend in een daartoe geschikte opvangvoorziening.

QC/DC

Quick connect/disconnect

QRA

Quantitative risk assessment/analysis

Toelichting: QRA is een rekenmethode om de externe risico’s van het gebruiken, vervoeren en opslaan van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. Voor het bepalen van de risico’s voor de externe veiligheid worden in een QRA zowel de kansen op als de effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen in de berekening opgenomen.

REACH

Registratie, evaluatie en autorisatie van chemicaliën

Europese verordening over stoffen en preparaten. In deze verordening staan regels voor fabrikanten, importeurs en downstreamgebruikers. Zij moeten ervoor zorgen dat zij stoffen vervaardigen, in de handel brengen of gebruiken die niet schadelijk zijn voor de gezondheid van de mens of voor het milieu. Het gaat om Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen.

RID

Regulations concerning the international carriage of dangerous goods by rail

Toelichting: Het is het Europese verdrag over het vervoeren van gevaarlijke stoffen over het spoor.

RRF

Risico reductie factor

Rvs

Roestvast staal

SAFETI-NL

Programma voor QRA-berekeningen

Het rekenprogramma SAFETI-NL berekent de risico’s voor de veiligheid van de leefomgeving van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen.

Toelichting: Meer informatie over SAFETI staat op de website van het RIVM.

SCC

Stress corrosion cracking

SDS

Safety data sheet

Semi-ref opslagtanks

Ammoniakopslagtanks onder (lagere) druk die beperkt gekoeld worden.

Seveso-inrichting

Een Seveso-inrichting is een locatie die onder de Seveso-richtlijn (verwijst naar een andere website) valt vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen.

De richtlijn is opgesteld naar aanleiding van de ramp in het Italiaanse Seveso in 1976.

Seveso-installatie

Technische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan, zie het Bal.

Seveso-richtlijn

Europese richtlijn die de risico's beperkt van zware ongevallen door gevaarlijke stoffen.

Richtlijn 2012/18/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad.

SIL

Safety integrity level

SIL is een indicator voor het kwantificeren van risicoverlaging van systemen of processen van een installatie. De vereiste SIL-classificatie hangt af van het oorspronkelijke risico dat verbonden is met de systemen of processen van de installatie.

Zie de NEN-EN-IEC 61508-reeks of de NEN-EN-IEC 61511-reeks.

SWIFT

Een kwalitatieve risico-identificatietechniek waarbij op een gestructureerde manier “wat-als”-vragen worden gesteld om potentiële gevaren, risico’s en kwetsbaarheden binnen een systeem, proces of organisatie te identificeren.

Terugstroombeveiliging

Een terugstroombeveiliging is een beveiliging die bestaat uit ten minste twee terugslagkleppen met elk een verschillend werkingsprincipe.

Toebehoren

Componenten of onderdelen die dienen om het gebruik van de installatie mogelijk te maken of om het veilig gebruik ervan te bevorderen, bijv. afsluiters, beveiligingen, pompen, compressoren, warmtewisselaars, manometers, meettoestellen, regelapparatuur.

TOFD

Time of flight diffraction

UPD

Uitgangspuntendocument

Veiligheidsafstand

De afstand die vereist is tussen de activiteiten en omringende objecten.

Vervoerder

De onderneming die het vervoer met of zonder vervoersovereenkomst uitvoert, volgens het ADR.

VIVB

Vereniging van Inspectie-instellingen voor Veiligheid en Brandveiligheid

Vloeistof

Een stof die volgens het ADR bij +50 °C een dampdruk heeft ≤ 300 kPa (3 bar) of die bij 20 °C een druk van 101,3 kPa niet volledig gasvormig is, en die:

  1. bij een druk van 101,3 kPa een smeltpunt of beginsmeltpunt heeft van ≤ 20 °C; of
  2. volgens de beproevingsmethode ASTM D 4359-90 vloeibaar is; of
  3. volgens de criteria van de in 2.3.4 van het ADR beschreven beproevingsmethode voor de bepaling van het vloeigedrag (penetrometermethode) niet dikvloeibaar is.
VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VNO-NCW

Vereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).

VRW

Voorlichtingsrichtwaarde

VTH

Vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Deze instrumenten spelen een belangrijke rol om de doelstellingen van (onder andere) het omgevingsrecht te kunnen bereiken.

VvI

Verklaring van ingebruikneming

Wartel

Een moer waarmee twee vlakke uiteinden van een gas- of waterleiding gas- of waterdicht (meestal met behulp van pakking) tegen elkaar aan getrokken worden.

Wbda 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

Wrda 2016

Warenwetregeling drukapparatuur 2016

Wvr

Wet veiligheidsregio's

Zorgplicht

De zorgplicht in de Omgevingswet geldt voor overheden, bedrijven en burgers. De wet kent een algemene zorgplicht, een algemeen verbod en een specifieke zorgplicht.

De algemene zorgplicht houdt in dat zowel overheden, bedrijven als burgers verantwoordelijk zijn voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Het algemeen verbod houdt in dat het verboden is een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving (dreigen te) ontstaan. Een specifieke zorgplicht is toegespitst op specifieke activiteiten voor concreet genoemde belangen, zoals het regelmatig legen van een lekbak.

Normenlijst

American Institute of Chemical Engineers, Inc.:Second edition, April 2012

CCPS Guidelines for evaluating process plant buildings for external explosions, fires and toxic releases

API 2000:2014

Venting Atmospheric and Low-pressure Storage Tanks

API 521:2020

Guide for Pressure-relieving and Depressuring Systems

API 579-1:2021

Fitness for service

API 607:2022

Fire Test for Quarter-turn Valves and Valves Equipped with Nonmetallic Seats, Eighth Edition

API 620:2013

Design and Construction of Large, Welded, Low Pressure Storage Tanks

API 6FA:2018

Specification for Fire Test for Valves

API RP 571:2020

Damage Mechanisms Affecting Fixed Equipment in the Refining Industry

API RP 752:4th edition 2024

Management of Hazards Associated With Location of Process Plant Permanent Buildings

BS 6755-2:1987

Specification for fire type-testing requirements

EI 19:4th edition 2013

Fire precautions at petroleum refineries and bulk storage installations

Fertilizers Europe:2008 Edition, Issue 2014

Guidance for inspection of atmospheric refrigerated ammonia storage tanks

NEN 2559:2001

Onderhoud van draagbare blustoestellen

NEN 3011:2021

Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte

NEN 6064:1991/A2:2001

Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen

NEN-EN 10028-1:2017

Flat products made of steels for pressure purposes - Part 1: General requirements

NEN-EN 10028-3:2017

Flat products made of steels for pressure purposes - Part 3: Weldable fine grain steels, normalized

NEN-EN 13445:reeks

Unfired pressure vessels

NEN-EN 13445-2:2021+A1:2023

Unfired pressure vessels - Part 2: Materials

NEN-EN 13445-3:2021

Unfired pressure vessels - Part 3: Design

NEN-EN 13501-1:2019

Fire classification of construction products and building elements - Part 1: Classification using data from reaction to fire tests

NEN-EN 14384:2005

Pillar fire hydrants

NEN-EN 14620:reeks

Design and manufacture of site built, vertical, cylindrical, flat-bottomed steel tanks for the storage of refrigerated, liquefied gases with operating temperatures between 0 °C and -165 °C

NEN-EN 14620-1:2024

Design and manufacture of site built, vertical, cylindrical, flat-bottomed tank systems for the storage of refrigerated, liquefied gases with operating temperatures between 0 °C and -196 °C - Part 1: General

NEN-EN 14620-2:2006

Design and manufacture of site built, vertical, cylindrical, flat-bottomed steel tanks for the storage of refrigerated, liquefied gases with operating temperatures between 0 °C and -165 °C - Part 2: Metallic components

NEN-EN 14620-5:2006

Design and manufacture of site built, vertical, cylindrical, flat-bottomed steel tanks for the storage of refrigerated, liquefied gases with operating temperatures between 0 °C and -165 °C - Part 5: Testing, drying, purging and cool-down

NEN-EN 15154-5:2019

Emergency safety showers - Part 5: Water overhead body showers for sites other than laboratories

NEN-EN 3-7:2004+A1:2007

Draagbare blustoestellen - Deel 7: Eigenschappen, prestatie-eisen en beproevingsmethoden

NEN-EN-IEC 61508:reeks

Functional safety of electrical/electronic/programmable electronic safety-related systems

NEN-EN-IEC 61511:reeks

Functional safety - Safety instrumented systems for the process industry sector

NEN-EN-IEC 62305:reeks

Protection against lightning

NEN-EN-IEC 62305-3:2011

Bliksembeveiliging - Deel 3: Fysieke schade aan objecten en letsel aan mens en dier

NEN-EN-ISO 14001:2015

Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik

NEN-EN-ISO 15614-1:2017

Beschrijven en goedkeuren van lasmethoden voor metalen - Lasmethodebeproeving - Deel 1: Boog- en autogeenlassen van staal en booglassen van nikkel en nikkellegeringen

NEN-EN-ISO 15848:reeks

Industrial valves - Measurement, test and qualification procedures for fugitive emissions

NEN-EN-ISO 25457:2009

Oil and gas industries including lower carbon energy - Flare details for general refinery and petrochemical service

NEN-EN-ISO 28300:2008

Petroleum, petrochemical and natural gas industries - Venting of atmospheric and low-pressure storage tanks

NEN-EN-ISO 4126-4:2013

Safety devices for protection against excessive pressure - Part 4: Pilot-operated safety valves

NEN-EN-ISO 45001:2023

Managementsystemen voor gezond en veilig werken - Eisen met richtlijnen voor gebruik

NEN-EN-ISO 7010:2020

Graphical symbols - Safety colours and safety signs - Registered safety signs

NEN-EN-ISO 9606:reeks

Het kwalificeren van lassers - Smeltlassen

NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012

Conformity assessment - Requirements for the operation of various types of bodies performing inspection

NEN-ISO 20560-1:2020

Safety information for the content of piping systems and tanks - Part 1: Piping systems

NEN-ISO 20560-2:2023

Safety information for the content of piping systems and tanks - Part 2: Tanks

NFPA 15:2022

Standard for water spray fixed systems for fire protection

NFPA 20:2022

Standard for the installation of stationary pumps for fire protection

NFPA 22:2023

Standard for water tanks for private fire protection

NFPA 24:2022

Standard for the installation of private fire service mains and their appurtenances

NFPA 25:2023

Standard for the Inspection, Testing, and Maintenance of Water-Based Fire Protection Systems

NPR 1014:2009

Bliksembeveiliging - Leidraad bij de NEN-EN-IEC 62305-reeks

NPR 7910-1:2020+C1:2021

Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar - Deel 1: Gasexplosiegevaar, gebaseerd op NEN-EN-IEC 60079-10-1:2015

NPR 7910-2:2020+C1:2021

Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar - Deel 2: Stofexplosiegevaar, gebaseerd op NEN-EN-IEC 60079-10-2:2015

NTA 8620:2016

Specificatie van een veiligheidsmanagementsysteem voor risico's van zware ongevallen