PGS30Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties
PGS30:2021 Versie 1.0 (Augustus 2021)
30

Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties

Richtlijn voor het veilig vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in en vanuit bovengrondse tanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks

Versie

Deze PGS 30:2021 versie 1.0 (Augustus 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 30:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen, de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat de maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's
  • de doelen; en
  • de maatregelen om aan de doelen te voldoen.
PGS 30 Nieuwe Stijl

PGS 30 is geactualiseerd in het kader van de omzetting van de PGS naar de nieuwe stijl. Deze nieuwe stijl is onder andere ingegeven door de introductie van de nieuwe Omgevingswet en een door te voeren kwaliteitsslag waarbij de onderbouwing, door middel van een risicobenadering, van de voorgeschreven maatregelen veel duidelijker wordt. In tegenstelling tot PGS 30:2011 bevat deze PGS 30 geen bodembeschermingsmaatregelen meer. De bodembeschermingsmaatregelen volgen uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en staan benoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staan maatregelen opgenomen met betrekking tot bodem en water, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat. Voor stoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C wordt verwezen naar deze PGS. Daarnaast is het zo dat er in het Bal voor het item externe veiligheid betreffende dieselopslag niet naar PGS 30 wordt verwezen. Ten opzichte van PGS 30:2011 is veranderd dat bij zowel diesel-installaties als bij kerosine(petroleum)-installaties aanvullende maatregelen worden geeist tegen overvulling in de in M3 en M73 beschreven situaties. Ook is ten opzichte van PGS 30:2011 veranderd dat bij het afleveren van diesel een vastzetmechanisme op het vulpistool is toegelaten. Handmatige peilsystemen worden uitgefaseerd en vervangen door een gesloten vloeistofniveaumeetsysteem, zoals een afpersbare peilklok of een elektronische niveaumeter. Nieuwe tankinstallaties beschikken over een instrumentele peilinrichting of niveaumeetsysteem zodat de peiler niet kan worden blootgesteld aan het product. De interne veiligheidsafstanden zijn in deze versie herzien. De afstanden voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C zijn gekoppeld aan het Bal. Dit geldt niet voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C. Afstanden voor laatstgenoemde vloeibare brandstoffen staan normatief beschreven in deze PGS, maar zijn niet gekoppeld aan wetgeving.

Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.

Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.

Brand- en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In 0 staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 3 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020

De voorzitter van de Programmaraad,

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over vloeibare brandstoffen in bovensgrondse installaties en afleverinstallaties.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage C: Interne veiligheidsafstanden;
  • Bijlage G: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat inBijlage B. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in en vanuit bovengrondse tanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijnNormatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op de bovengrondse, drukloze en onverwarmde opslag van vloeibare brandstoffen en/of minerale olieproducten met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C behorende tot ADR-klasse 3, VG III, zoals bijvoorbeeld kerosine (petroleum), of met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C behorende tot ADR-klasse 3, VG III, zoals bijvoorbeeld diesel, in een tank met een opslagcapaciteit van ten hoogste 150 m3 per tank, evenals op de hieraan gekoppelde aflevertoestellen voor kleinschalige of grootschalige aflevering.

Toelichting 1: Van grootschalige aflevering wordt gesproken bij een jaarlijkse doorzet van ten minste 25 m3. De actuele volumegrens voor grootschalige aflevering is in het Bal vastgelegd.

In dit document zijn geen voorschriften opgenomen die speciaal gericht zijn op het veilige dagelijks gebruik van het mobiele aflevertoestel voor mengsmering. Deze zijn opgenomen in PGS 28. PGS 28 betreft alleen de aflevering van mengsmering; de aflevering van andere brandstoffen uit tijdelijke niet-stationaire opslag- en aflevertoestellen staat beschreven in de voorliggende PGS.

Toelichting 2: De mobiele aflevertoestellen voor mengsmering (mengsel van circa 95 % benzine aangevuld met smeerolie) betreft bovengrondse installaties. Omdat deze installaties vaak voorkomen op tankstations voor het wegverkeer is ervoor gekozen de voorschriften onder te brengen in PGS 28.

Toelichting 3: In deze PGS komen in scenario’s, doelen en maatregelen stofnamen voor. De scenario’s, doelen en maatregelen waarin specifieke stofnamen worden genoemd, gelden eveneens voor andere vloeibare brandstoffen die in dezelfde klasse-indeling vallen. Wordt kerosine of petroleum genoemd, dan kan evengoed vloeibare brandstoffen behorend tot ADR-klasse 3, VG III, vlampunt tussen ≥ 23 °C en ≤ 55 °C worden gelezen. Wordt diesel genoemd, dan kan evengoed vloeibare brandstoffen behorend tot ADR-klasse 3, VG III, vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C worden gelezen.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage F geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage G staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B.1 staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving installatie vloeibare brandstoffen

2.1Over vloeibare brandstoffen

2.1.1Algemene informatie

Deze PGS is hoofdzakelijk geschreven voor kleine bovengrondse opslag van diesel. Er zijn echter ook andere situaties waarbij PGS 30 kan worden toegepast. Deze situaties staan benoemd als atypische situaties in Paragraaf 2.2.3, Paragraaf 2.2.4, Paragraaf 2.2.5, Paragraaf 2.2.6, Paragraaf 2.2.7, Paragraaf 2.2.8, Paragraaf 2.2.9, Paragraaf 2.2.10 en Paragraaf 2.2.11.

PGS 30 gaat over de opslag van en activiteiten met vloeibare brandstoffen behorende tot ADR-klasse 3, VG III. In de praktijk is PGS 30 voornamelijk van toepassing voor de vloeibare brandstoffen diesel volgens NEN-EN 590 en kerosine (petroleum).

Het overgrote deel van de kleine bovengrondse opslag van diesel vindt plaats in de agrarische sector en de bouwsector. Nagenoeg elk agrarisch bedrijf met één of meer tractoren of elk bouwbedrijf met bijvoorbeeld graafmachines heeft een bovengrondse tank voor de opslag van diesel waarmee deze voer-/werktuigen van brandstof worden voorzien. Ook transport-, auto- en truckbedrijven hebben soms een eigen brandstofopslag. Vanwege de eenvoud kiezen deze bij voorkeur een bovengrondse tankinstallatie. Het komt echter ook voor dat transportbedrijven vanwege ruimtegebrek kiezen voor een ondergrondse tank. De installatie valt dan onder PGS 28. Naast genoemde sectoren vindt bovengrondse opslag van diesel plaats op diverse plekken in de industrie en worden bovengrondse dieselopslagtanks gebruikt om noodstroomaggregaten bij bijvoorbeeld ziekenhuizen of datacenters van brandstof te voorzien.

2.1.2Gevaren van vloeibare brandstoffen

Vloeibare brandstoffen zijn brandbaar door de damplaag die zich boven de vloeistof vormt. Diesel is niet-vluchtig en geeft bij ‘normale’ buitentemperaturen weinig brandbare damp af. Om te kunnen branden is naast een hoge temperatuur en een ontstekingsbron, ook een juiste verhouding van zuurstof en brandstof nodig.

Het gevaar van diesel is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof wordt ervan verdacht kankerverwekkend te zijn (H351).

Andere gevaren van diesel op grond van de CLP-verordening:

  • De stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terecht komt (H304).
  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten (H411).
  • De stof is schadelijk wanneer deze wordt ingeademd (H332).
  • De stof kan schade veroorzaken aan organen door langdurige of herhaalde blootstelling (H373).
  • De stof is een brandbare vloeistof en damp (H226).
  • De stof veroorzaakt huidirritatie (H315).

In de afgelopen decennia is de samenstelling van diesel gewijzigd. Uit diesel wordt nagenoeg alle zwavel gehaald en tevens is er een verplichting gekomen om biobrandstoffen bij te voegen, in een steeds hoger percentage (wel tot 10 % of 15 % in 2020). De biocomponent in diesel is veelal FAME (‘fatty acid methyl ester’) en/of HVO (‘hydrotreated vegatable oils’), verkregen uit gebruikt frituurvet en kool-/raapzaad.

Het gevaar van kerosine (en petroleum) is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terechtkomt (H304).

Andere gevaren van kerosine op grond van de CLP-verordening:

  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten (H411).
  • De stof is een brandbare vloeistof en damp (H226).
  • De stof veroorzaakt huidirritatie (H315).
  • De stof kan slaperigheid of duizeligheid veroorzaken (H336).

2.2Over de tankinstallatie voor vloeibare brandstoffen

2.2.1Algemene beschrijving

Afbeelding 1Figuur 1 — Typische situatie opslagtankinstallatie (Bron: VTI- vereniging van tankinstallateurs)

2.2.2Enkelvoudige dubbelwandige opslagtank (typische situatie)

De typische situatie betreft de uitpandig opgestelde, enkelvoudige, dubbelwandige tankinstallatie met een maximuminhoud van 20 m3 en een maximale doorzet kleiner dan of gelijk aan 25 m3 per jaar. In de meeste gevallen zit de afleverpomp op de tank, maar het komt ook voor dat de afleverpomp op afstand staat en via ondergronds leidingwerk met de tank is verbonden. Ondergrondse metalen delen zijn in de meeste gevallen voorzien van kathodische bescherming, die bescherming geeft tegen corrosie van buitenaf. Bij een lek in het ondergrondse leidingsysteem zal in de meeste gevallen of (grond)water naar binnen worden gezogen of zal de zuigpomp lucht aanzuigen, waardoor de pomp geen product geeft en dus het probleem ontdekt wordt, en het riscio op milieuschade laag is. De bovengrondse tank wordt gevuld vanuit een tankwagen, waarbij in de meeste gevallen de brandstof onder druk vanuit de tankwagen door een losslang de tank instroomt.

Een veel voorkomende standaardsituatie is de bovengrondse dieseltank bij agrarische bedrijven. De typische situatie heeft betrekking op vullen, opslag, afleveren en verwijderen.

2.2.3Kunststof bovengrondse opslagtank (atypische situatie)

Kunststof tanks zijn ongevoelig voor corrosie, echter niet ongevoelig voor veroudering. Verder is er een groter risico dat een kunststof tank bezwijkt bij brand.

2.2.4Enkelvoudige enkelwandige opslagtank (atypische situatie)

Een enkelwandige tankinstallatie behoort in een opvangbak te staan. Voorheen was dit de typische installatie. De dubbelwandige tank, genoemd in Paragraaf 2.2.2, heeft echter als voordeel dat er geen opvangbak nodig is, die vervuild kan raken of vol kan komen te staan met water, waardoor de capaciteit van de opvangbak wordt verminderd en deze als maatregel minder of niet effectief wordt.

2.2.5Enkelvoudige tankinstallatie binnen (atypische situatie)

Het risico van een installatie die inpandig is geplaatst, is hoger vanwege de grotere effecten bij brand en de lastigere bereikbaarheid voor hulpdiensten. Daarnaast is er minder ventilatie binnen, waardoor er accumulatie van dampen kan plaatsvinden, wat kan leiden tot het ontstaan van een brandbaar mengsel en/of kan zorgen voor verhoogde blootstelling van personen aan de damp. Daarom worden er aanvullende eisen gesteld voor installaties binnen ten aanzien van de beluchting en ventilatie in vergelijking met de situatie genoemd in Paragraaf 2.2.2.

2.2.6Tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties (atypische situatie)

Een voorbeeld van een voedingsinstallatie voor vloeibare brandstof is een brandstoftank die een generator of noodstroominstallatie voedt. Veelal wordt de motor van de generator of noodstroominstallatie niet direct voorzien van brandstof, maar is nabij deze motor een (bovengrondse) dagtank geplaatst die vanuit de bovengrondse tank door een pomp met een vlotter wordt gevoed.

De bovengrondse tankinstallatie is nagenoeg gelijk aan de typische installatie genoemd in Paragraaf 2.2.2. In vergelijking met de typische situaties is er geen risico op morsingen. Er bestaat echter wel het gevaar van een overloop bij een niet goed functionerende vlotter of bij slecht onderhoud van de dagtank (de dagtank kan door de fabrikant van de noodstroominstallatie worden beschouwd als onderdeel van de machine. In dat geval is niet PGS 30 maar de Machinerichtlijn van toepassing op de dagtank); de bovengrondse tank loopt helemaal leeg en de brandstof komt onbedoeld via de (defecte) dagtank vrij.

2.2.7Meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark) (atypische situatie)

Deze PGS gaat over bovengrondse opslagtanks met bijbehorende onderdelen. Meervoudige tankinstallaties in bijvoorbeeld tankenparken vallen buiten het toepassingsbereik van deze PGS. Ook de situatie waarin meerdere enkelvoudige tanks zijn gekoppeld via één verdeelstuk, valt buiten het toepassingsbereik van deze PGS. Voor het vullen van tankwagens verwijst deze PGS (in M65: Vullen tankauto) naar PGS 29 .

2.2.8Tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart (atypische situatie)

De effecten bij morsingen bij de afflevering aan vaartuigen zijn groter dan bij voertuigen, tevens is er een vergrote kans dat bijvoorbeeld een afleverslang bekneld raakt tussen de wal en het vaartuig.

2.2.9Tankinstallatie voor kerosine en petroleum (atypische situatie)

Tankinstallaties voor kerosine en petroleum komen voor bij de luchtvaart en bij sommige loonbedrijven. Kerosine en petroleum vallen onder ADR klasse 3, VG III met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C en zijn vluchtiger en brandbaarder dan diesel. Hierdoor zijn de risico’s van brand en inademing van vluchtige verbindingen groter.

2.2.10Mobiele tankinstallatie (atypische situatie)

Een mobiele tankinstallatie bestaat uit een losse tank plus afleverpomp die bijvoorbeeld op bouwplaatsen wordt ingezet. Deze installaties kennen een verhoogd gevaar voor aanrijding en het omvallen van de mobiele installatie, waarbij brandstof kan vrijkomen.

2.2.11Grootschalige aflevering (atypische situatie)

Installaties met een bovengrondse tank voor grootschalige aflevering (meer dan 25 m3 per jaar) komen onder andere voor bij transportbedrijven. In afwijking van de installaties voor kleinschalige aflevering moet een installatie voor grootschalige aflevering volgens het Bal over een vloeistofdichte vloer beschikken bij de afleverpomp. Het risico van lekkage van brandstof en verontreiniging van bodem of oppervlaktewater is namelijk groter.

2.2.12Overige situaties

De in deze PGS beschreven typische en atypische situaties zijn de meest voorkomende situaties. Er kunnen zich in de praktijk ook andere situaties voordoen waarop deze PGS van toepassing is.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

In deel C staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/ .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 30

Bij de risicobenadering van PGS 30 is onder begeleiding van een facilitator de ‘Structured What If Technique’ oftewel SWIFT-methode toegepast. De SWIFT methode is toegepast op basis van verschillende bronoorzaken.

Het team is gestart met het schetsen van een standaardsituatie, de typische situatie. Hierbij is gekeken welke onder PGS 30 vallende situatie in de praktijk het vaakst voorkomt. Van die situatie zijn de belangrijkste aspecten beschreven. De teamleden hebben daarna samen met hun achterban bekende incidenten geïdentificeerd, om zo deze daadwerkelijke scenario's in elk geval te behandelen in de risicobenadering. Daarnaast is door het team ook gekeken in openbare ongevalsdatabases naar ongevallen die bij PGS 30-tanksinstallaties hebben plaatsgevonden. Daar is telkens uitgekomen dat er geen ongevallen zijn voorgevallen die speciale aandacht verdienen en/of nog niet aan bod zijn gekomen in de geïdentificeerde scenario’s. Ook in storybuilder zijn geen relevante scenario’s aangetroffen.

Vervolgens heeft het team gestructureerd scenario's geïdentificeerd door te kijken naar verschillende activiteiten, zoals vullen, opslaan, afleveren en verwijderen, en naar verschillende oorzaken, zoals corrosie, externe impact, constructiefouten, procedurefouten.

Uit deze identificatie is een aantal relevante scenario's naar voren gekomen. De PGS-teamleden hebben de scenario's teruggekoppeld naar hun achterban met daarbij de vraag om te toetsen of de scenario's inderdaad relevant zijn en of dat er nog scenario's ontbreken.

De volgende stap bestond uit het beoordelen van de scenario's. De scenario's zijn gewaardeerd op basis van kans en effect volgens de risicomatrix uit de handreiking generieke risicobenadering. De scenario's zijn kaal beoordeeld, dus zonder inbegrip van bestaande maatregelen voortkomend uit de PGS en wet- en regelgeving. Na deze fase zijn de maatregelen door de teamleden toegevoegd aan de scenario's en is met de op dat moment geldende PGS gecontroleerd of er geen maatregelen onbedoeld zijn vergeten. Tot slot zijn de scenario's inclusief maatregelen beoordeeld en daar waar het risico onvoldoende verminderd was, zijn additionele maatregelen toegevoegd.

Naast de typische situaties is een aantal atypische situaties benoemd. Een atypische situatie is een situatie die afwijkt van de typische situatie, maar desondanks in de praktijk af en toe tot vaak voorkomt. Bij de atypische situaties zijn alleen de specifieke additionele scenario's en risico's ten opzichte van de typische situaties benoemd. Een atypische situatie is dan ook pas compleet bij een combinatie van de scenario's van de typische situaties en de atypische situaties. Het team heeft verder de werkwijze gevolgd zoals beschreven bij de typische situaties.

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt, staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 30-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare tankinstallatie. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor het veilig vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in en vanuit bovengrondse opslagtanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

4.2Scenario's voor de hele activiteit

In dit hoofdstuk zijn de scenario’s beschreven die realistisch en relevant zijn bevonden voor bovengrondse PGS 30-tankinstallaties. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de typische en de atypische scenario’s, dat wil zeggen de standaard scenario’s en de minder vaak voorkomende situaties.

De scenario’s voor de typische situatie zijn opgenomen in Paragraaf 4.3. Deze zijn van toepassing op de enkelvoudige dubbelwandige tankinstallatie met een maximuminhoud van 20 m3 vloeibare brandstof met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C (behorend tot ADR-klasse 3, VG III), zoals diesel, ten behoeve van kleinschalige aflevering. Volgens de in het Bal geldende definitie van kleinschalige aflevering: jaarlijkse doorzet minder dan 25 000 l per jaar. De scenario’s hebben betrekking op:

  • vullen van de opslagtank;
  • opslag van de brandstof;
  • aflevering van de brandstof;
  • verwijdering van de tankinstallatie.

Opmerking: De scenario’s zijn in hun volledigheid beschouwd, dat wil zeggen inclusief de bodemgerelateerde risico’s. De bodemgerelateerde risico’s zijn niet vertaald in doelen en maatregelen omdat deze al in het Bal en de NRB zijn opgenomen. Er is wel voor gekozen om doelen en maatregelen die ook van toepassing kunnen zijn voor bodemrisico's te koppelen aan de bodemscenarios's die in deze PGS voor de volledigheid zijn opgenomen.

De scenario’s voor de atypische situatie zijn opgenomen in Paragraaf 4.4 en van toepassing op:

  • kunststof bovengrondse opslagtank;
  • enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie;
  • enkelvoudige tankinstallatie binnen;
  • tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark);
  • tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart;
  • tankinstallatie voor kerosine of petroleum;
  • mobiele tankinstallatie;
  • grootschalige aflevering (jaarlijkse doorzet meer dan 25 000 l (zie Bal voor actuele volumegrens)).

Deze scenario’s komen bovenop de scenario’s voor de typische situatie van Paragraaf 4.3. Naast de in Paragraaf 4.4 genoemde scenario’s gelden voor de atypische situaties dus ook de scenario’s uit Paragraaf 4.3, tenzij expliciet benoemd van niet.

4.3Scenario’s voor de typische situatie

Scenario van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens vullen, opslag, aflevering en verwijdering
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens vullen
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens opslag

Opmerking: De scenario’s S10, S11, S15 en S23 met betrekking tot bodemverontreiniging zijn relevant binnen het toepassingsgebied van PGS 30 en zijn voor de volledigheid van de risicobenadering weergegeven. In tegenstelling tot vorige versies zijn de maatregelen voor bodembescherming niet opgenomen in PGS 30. De bodembeschermende maatregelen zijn nu te vinden in het Bal. Er is wel voor gekozen om doelen en maatregelen die ook van toepassing kunnen zijn voor bodemrisico's te koppelen aan de bodemscenarios's die in deze PGS voor de volledigheid zijn opgenomen.

Scenario’s van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens afleveren
Scenario van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens verwijderen

4.4Extra scenario’s voor de atypische situatie

Scenario van toepassing op kunststof bovengrondse opslagtank
Scenario van toepassing op enkelvoudige, enkelwandige opslagtank
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige opslagtank, binnen
Scenario van toepassing op tankinstallatie voor vloeibare brandstofvoeding van installaties
Scenario van toepassing op meervoudige tankinstallaties in tankenpark (industrie)
Scenario’s van toepassing op aflevering (diesel) aan pleziervaart
Scenario’s van toepassing op tankinstallatie voor aflevering van kerosine en petroleum

Toelichting: Bepaalde ongewenste gebeurtenissen zoals terrorisme en neerstortende vliegtuigen worden in de regel niet meegenomen in het opstellen van scenario’s voor PGS’en Nieuwe Stijl. Echter, in de atypische situatie in deze paragraaf beschreven tankinstallaties voor aflevering van kerosine (op vliegvelden) is er een verhoogde kans op neerstortende vliegtuigen. Bij de opstelling van een tankinstallatie behoort daarmee rekening te worden gehouden.

Scenario’s van toepassing op mobiele tankinstallatie

5Richtingaanwijzer wet- en regelgevingNormatief

5.1InleidingNormatief

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) en met brandpreventie(Brandpreventie en -mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).

In deel B staan eerst de doelen in en daarna maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit.

5.2OmgevingsveiligheidNormatief

5.2.1AlgemeenNormatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)Normatief

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks in paragraaf 4.93. In deze paragraaf staat dat bij het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.93 te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en brandpreventie.

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij opslaan van brandbare vloeistoffen van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks in paragraaf 4.94. Deze paragraaf verwijst niet naar deze PGS-richtlijn, maar bevat wel regels die relevant zijn voor PGS 30-gebruikers, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat op grond van bodembescherming.

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij kleinschalig tanken in paragraaf 4.39. In deze paragraaf staat dat bij het kleinschalig tanken moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.39 te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en brandpreventie.

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij grootschalig tanken in paragraaf 4.40. In deze paragraaf staat dat bij het grootschalig tanken moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.40 te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en brandpreventie.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van de paragrafen 4.39, 4.40 en 4.93 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van de paragrafen 4.39, 4.40 en 4.93 van het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (omgevingsveiligheid of brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS

In artikel 3.26 van het Bal is het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks aangewezen als een milieubelastende activiteit als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder f. Op grond van artikel 3.26 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.93. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

In de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal is kleinschalig tanken aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is geen omgevingsvergunning nodig. Op grond van de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.39. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

In de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal is grootschalig tanken aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is geen omgevingsvergunning nodig. Op grond van de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.40. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

Omgevingsveiligheid/Bal
Om aan de artikelen 4.495, 4.507 en 4.916 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

M2, M3, M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M71, M72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95, M96, M97, M98, M99, M100, M101, M102, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, M110, M111, M112, M113, M114, M115, M116, M117

5.2.3Externe veiligheidsafstandenNormatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in paragraaf 4.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.2.4OmgevingsplanNormatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en brandpreventie.

5.3ArbeidsveiligheidNormatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen, gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 9. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet .

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 9 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Tabel 1

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

M2, M3, M4, M6, M9, M10, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M44M45, M46, M48, M49, M52, M53, M55, M57, M60, M61, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M71, M72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M96, M100, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, , M111, M112, M113, M115, M116, M117, M122

5.4Brand- en rampenbestrijdingNormatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met rampenbestrijding.

6DoelenNormatief

6.1Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in bovengrondse tanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen

7MaatregelenNormatief

7.1Inleiding bij de maatregelen

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met omgevingsveiligheid, brandpreventie, arbeidsveiligheid en rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

omgevingsveiligheid: Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

brandpreventie: Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

arbeidsveiligheid: Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

rampenbestrijding: Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

7.2Explosieve atmosferen

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex .

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones overeenkomstig volgens Tabel 2.

Tabel 2Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij de tankinstallatie

Als gevolg van het vrijkomen van diesel, kerosine of petroleum kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Interne Veiligheidsafstanden

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.3Basisveiligheid

7.4Maatregelen voor typische situatie

7.4.1Algemeen

De maatregelen in deze paragraaf zijn van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties tijdens vullen, opslag, afleveren en verwijderen. De maatregelen voor typische situaties situaties genoemd inParagraaf 7.4 gelden voor alle (typische en atypische) situaties met uitzondering van M3. In moet M73 getroffen worden in plaats van M3. De maatregelen voor atypische situaties genoemd in zijn alleen van toepassing voor atypische situaties.

Opmerking 1: Voor activiteiten met dieseltankinstallaties zijn de doelen en maatregelen voorzien van de arbeidsveiligheid gekoppeld aan de Arbeidsomstandighedenwet. In het Bal wordt voor activiteiten met dieseltankinstallaties niet verwezen naar PGS 30. Dit betekent dat voor dieseltanksinstallaties doelen en maatregelen voorzien van brandpreventie en/of omgevingsveiligheid niet gekoppeld zijn aan het Bal. In het Bal zelf staan wel maatregelen opgenomen met betrekking tot bodem en water, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat.

7.4.2Het installeren van de tankinstallatie en het aanbrengen van beschermende constructies

7.4.3Algemene voorschriften tankinstallatie in bedrijf

7.4.4Het vullen van de tank

7.4.5Het afleveren van brandstoffen

7.4.6Het buiten gebruik stellen van opslagtanks

7.4.7Veiligheidsmaatregelen

7.4.8Interne veiligheidsafstanden voor uitpandige enkelwandige en dubbelwandige stalen en kunststof opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C

De interne veiligheidsafstanden voor uitpandige enkelwandige en dubbelwandige stalen en kunststof opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C zijn niet gekoppeld aan wetgeving. Het PGS 30-team heeft hiervoor wel interne afstanden vastgesteld. Deze zijn terug te vinden in Hoofdstuk 8. Het wordt de gebruiker aanbevolen om de interne afstanden uit dat hoofdstuk toe te passen, maar het is niet verplicht.

Gemeenten kunnen onder de Omgevingswet in het Omgevingsplan additionele maatregelen opnemen om de omgeving te beschermen. Het is mogelijk dat de interne afstanden uit Hoofdstuk 8 worden opgenomen in Omgevingsplannen.

7.5Maatregelen voor atypische situatie

7.5.1Algemeen

In deze paragraaf zijn de maatregelen voor de atypische situatie beschreven. Dit betreft:

  • kunststof opslagtanks;
  • enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie;
  • enkelvoudige tankinstallatie binnen;
  • tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark);
  • tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart;
  • tankinstallatie voor kerosine en petroleum;
  • mobiele tankinstallatie.

De maatregelen zijn aanvullend op de maatregelen die voor de typische situatie gelden, tenzij expliciet is aangegeven dat dit niet het geval is. Een atypische situatie is dus pas compleet bij een combinatie van maatregelen van de typische situatie en die van de atypische situatie.

7.5.2Maatregelen van toepassing op kunststof opslagtanks

7.5.3Maatregelen van toepassing op enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie voor dieselopslag

7.5.4Maatregelen van toepassing op enkelvoudige tankinstallatie binnen

Toelichting: Indien er sprake is van een kunststoftank binnen, dan behoren tevens de maatregelen uit Paragraaf 7.5.2 te worden toegepast.

7.5.5Maatregelen van toepassing op tankinstallatie voor vloeibare brandstofvoeding van installaties

7.5.6Maatregelen van toepassing op meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark)

7.5.7Maatregelen van toepassing op tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart

7.5.8Maatregelen van toepassing op tankinstallaties voor kerosine en petroleum

7.5.9Interne veiligheidsafstanden voor uitpandige opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C

Het ontstaan van een plasbrand waarbij de tankinstallatie zelf de bron is van warmtestraling, wordt in de context van PGS 30 voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C als reëel geacht. Het scenario dat de opslagtank van buitenaf wordt aangestraald is eveneens reëel voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C. Daarom staat in deze paragraaf een aantal maatregelen genoemd voor opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C en een effectief brandend oppervlak van de opvangvoorziening groter dan 5 m2.

Opmerking: Een compleet overzicht van interne veiligheidsafstanden en overige maatregelen voor een veilige opstelling is terug te vinden in Bijlage C.

Tabel 3Warmtestralingscontouren

Afstand tot rand plasbrand m

Diameter plasbrand m

10 kW/m2

15 kW/m2

2,5

9,8

8,6

55,413,5
7,519,517,1
1022,819,5
12,525,4 20,2
1527,319,5
17,528,6 18,8

Toelichting: Tabel 3 is berekend met Safeti. De belangrijkste stof in PGS 30 met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C is kerosine. Echter, deze stof zit niet in de database van Safeti. Daarom is als voorbeeldstof n nonane gebruikt met een vlampunt van 31 °C. Het gehanteerde scenario voor de berekening is een plasbrand. De afstanden zijn berekend vanuit het middelpunt van een cirkelvormige plasbrand.

7.5.10Maatregelen van toepassing op mobiele tankinstallaties

In deze paragraaf staan maatregelen benoemd van toepassing op mobiele tankinstallaties die worden gebruikt op een tijdelijke locatie (zoals bijvoorbeeld op bouwterreinen). In tegenstelling tot de andere atypische situaties, beschrijft deze paragraaf het geheel aan maatregelen dat nodig is om de risico’s van dit type installaties te voorkomen dan wel beperken. Bij andere atypische situaties zijn de maatregelen aanvullend ten opzichte van de typische situaties.

Opmerking: Voor activiteiten met dieseltankinstallaties zijn de doelen en maatregelen voorzien van arbeidsveiligheid gekoppeld aan de Arbeidsomstandighedenwet. In het Bal wordt voor activiteiten met dieseltankinstallaties niet verwezen naar PGS 30. Dit betekent dat voor dieseltanksinstallaties doelen en maatregelen voorzien van brandpreventie en/of omgevingsveiligheid niet gekoppeld zijn aan het Bal. In het Bal zelf staan in paragraaf 4.94 wel maatregelen voor dieseltankinstallaties met betrekking tot bodem en water.

Algemeen
Koppeling van de mobiele installatie

M103 t/m M106 gelden alleen indien een mobiele installatie volgens BRL K744 wordt gekoppeld met een aggregaat of warmtevoorziening.

Constructie tank en toebehoren
Gebruik van de installatie
Keuring, herkeuring en onderhoud
Brandveiligheid
Registratie en documentatie

7.6Onderhoud, keuring, inspectie, registratie, documentatie

Onderstaande Tabel 4 behoort bij M2

Tabel 4Keuringstermijnen

Enkelwandige tankinstallaties

1e herkeuring

Volgende herkeuring
Zonder coating of 1/3 gecoat15 jaar15 jaar
Volledig gecoat niet volgens BRL K790/77915 jaar20 jaar
Volledig gecoat volgens BRL K790/77920 jaar20 jaar
Kunststof (GVK)15 jaar15 jaar

Dubbelwandige tanks met lekdetectie(pot)systeem of enkelwandige tanks in gecertificeerde opvangbak

1e herkeuring

Volgende herkeuring

Incl. jaarlijkse monitoring a b

Incl. jaarlijkse monitoring a b

Zonder coating of 1/3 gecoat

15 jaar20 jaar15 jaar20 jaar

Volledig gecoat niet volgens BRL K790/779

15 jaar20 jaar20 jaar20 jaar

Volledig gecoat volgens BRL K790/779

20 jaar20 jaar20 jaar20 jaar

Kunststof (PE)

15 jaar15 jaar

Dubbelwandige tankinstallaties, bovengronds met lekdetectie volgens BRL SIKB 7800, deelgebied 4

1e herkeuring

Volgende herkeuring

Incl. jaarlijkse monitoring a b

Incl. jaarlijkse monitoring a b

Zonder coating of 1/3 gecoat

15 jaar20 jaar15 jaar20 jaar

Volledig gecoat niet volgens BRL K790/779

15 jaar20 jaar20 jaar20 jaar

Volledig gecoat volgens BRL K790/779

20 jaar20 jaar20 jaar20 jaar

Mobiele tankinstallaties volgens BRL K744

Visuele controleInwendige beoordeling (herkeuring)
2,5 jaar15 jaar

a Jaarlijkse controle door opgeleid persoon.

b Dubbelwandige tank zonder monitoring/controle wordt gezien als enkelwandige tank.

c Inwendige inspectie bij herkeuring is niet verplicht.

8Niet aan wettelijk kader gekoppelde maatregelenNormatief

8.1Inleiding

In dit hoofdstuk staan maatregelen weergegeven die zijn vastgesteld door het PGS 30 team, maar die niet zijn gekoppeld aan wetgeving. Het wordt de gebruiker aanbevolen om de maatregelen in dit hoofdstuk toe te passen, maar het is niet verplicht. De maatregelen in dit hoofdstuk hebben betrekking op de interne afstanden voor de opslag van vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C. Gemeenten kunnen onder de Omgevingswet in het Omgevingsplan additionele maatregelen opnemen om de omgeving te beschermen. Het is mogelijk dat de maatregelen in dit hoofdstuk worden opgenomen in Omgevingsplannen.

8.2Interne veiligheidsafstanden voor uitpandige enkelwandige en dubbelwandige stalen en kunststof opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C

Bij het bepalen van de interne veiligheidsafstanden is steeds het uitgangspunt dat een opslagtank intact blijft bij een warmtestralingscontour van maximaal 10 kW/m2 op de tankwand. De maatregelen zijn gebaseerd op het scenario dat de opslagtank van buitenaf wordt aangestraald. Het ontstaan van een plasbrand waarbij de tankinstallatie zelf de bron is van warmtestraling, is in de context van PGS 30 voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C niet reëel.

Opmerking 1: De interne veiligheidsafstanden voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C zoals aangegeven in deze Paragraaf 8.2 en in Paragraaf 8.3, zijn stand der techniek volgens deze PGS, maar kennen geen koppeling aan het Bal. Daarom zijn er geen markeringen omgevingsveiligheidof brandpreventie aan toegevoegd.

Opmerking 2: Een compleet overzicht van interne veiligheidsafstanden en overige maatregelen voor een veilige opstelling is terug te vinden in Bijlage C.

Tabel 5Interne veiligheidsafstanden uitpandige opslag vloeibare brandstoffen > 55 ˚C

Gevelopening m2

Breedte mHoogte m

Afstand tot 10 kW/m2 m

10

1

10< 3

50

5

105,5
10010109,5

Opmerking: Voor de volledige tabel, zie tabel 2, pag. 7, bijlage 3 van RIVM-briefrapport Interne veiligheidsafstanden PGS 19 .

8.3Maatregelen van toepassing op enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie voor dieselopslag

9Gelijkwaardige maatregelen

Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf voor een in deel B genoemde maatregel een alternatief wil toepassen, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Is een alternatief toegestaan?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?

Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.

Mag een alternatieve maatregel worden toegepast? Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
  • brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).
De wettelijke grondslag is Arbeidsveiligheid

Deze maatregel heeft betrekking op de veiligheid van werknemers. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking vormen van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals bijvoorbeeld:

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
  • maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
  • maatregelen/verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, de Warenwetbesluiten drukapparatuur 2016, explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-reeks/deze PGS worden de arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet kan worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (DWW-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de gezondheid en veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Inspectie SZW getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor toepassen gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing hanteert de Inspectie SZW een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    1. de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    2. een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    3. het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen.
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen die moet treffen om de werknemers te beschermen.
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Inspectie SZW ligt.
  • De Inspectie SZW beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De wettelijke grondslag is Omgevingsveiligheid of Brandpreventie

Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet door het bedrijf de juiste procedure worden gevolgd. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking. Bij een niet-vergunningplichtige activiteit moet het gebruiken van een gelijkwaardig alternatief vier weken vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag. Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

Wettelijke grondslag is zowel Arbeidsveiligheid als Omgevingsveiligheid/ Brandpreventie

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid / brandpreventie is, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor haar wetgevingsgebied gelden.

Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit de PGS is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS-richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang en het effect daarvan tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid (zie kader) is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

10Good housekeeping

Good housekeeping-maatregelen zijn niet in het normerende deel van deze PGS opgenomen omdat van deze maatregelen wordt verondersteld dat deze bij de reguliere bedrijfsvoering horen en het vanzelfsprekend is dat deze maatregelen worden uitgevoerd. Good housekeeping-maatregelen kunnen wel worden gezien als manier om invulling te geven aan de specifieke zorgplicht die is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in de Arbowet. Let op: Dit is geen limitatieve lijst; het kan zijn dat de lokale omstandigheden van het geval vragen om aanvullende maatregelen.

Procedures voor good housekeeping
  • De drijver van de tankinstallatie zorgt voor een schone en veilige werkomgeving.
  • De gehele installatie met toebehoren verkeert in goede staat van onderhoud.
  • Een vulpunt dat vrij toegankelijk is voor derden, kan worden vergrendeld met een slot.

11Gebruik van de installatie

Aanbevelingen voor inrichting installatie

De algemene inrichting van opslaginstallaties en installaties voor aflevering van brandstof behoort zo overzichtelijk mogelijk te zijn, zowel uit het oogpunt van onbelemmerde toegang en afrit voor afnemers en toelevering van product, als uit het oogpunt van veiligheid. Hierbij behoort te worden gelet op:

  • goed overzicht van de installatie voor het bedienend personeel, zowel vanuit het bedieningsgebouw als vanaf de aflevertoestellen;
  • overzichtelijke indeling van opritten, afritten en terreinverharding met het oog op aanrijdingsgevaar;
  • goed doordachte maatregelen en voorzieningen ter bevordering van veiligheid en milieubescherming;
  • voorzien in een goede standplaats voor de afleverende tankwagen, zodat deze geen of een minimale belemmering voor het verkeer op de openbare weg vormt en deze tijdens de aflevering (vullen van opslagtanks) de goede bediening en het overzicht over de gehele installatie niet nadelig beïnvloedt;
  • goede toegankelijkheid van installatieonderdelen voor bediening en onderhoud;
  • goede toegankelijkheid van de installatie bij bestrijding van een eventuele brand;
  • vluchtmogelijkheid bij incidenten.

Op de tankinstallatie is een duidelijk leesbaar bedieningsvoorschrift aangebracht.

Aanbevelingen voor inrichting installatie

Werknemers die bij of met installaties van op het bedrijfsterrein werkzaamheden verrichten, zijn bekend met de geldende veiligheidsvoorschriften, de werkinstructie betreffende vloeistofdichte voorziening, het praktisch gebruik van kleine blusmiddelen en de voorschriften in het geval van brand, voor zover een en ander op hen van toepassing is.

Personeel is op de hoogte van de inhoud van het noodplan en bekend met het gebruik van de beschikbare hulpmiddelen, zodat het in staat is bij een calamiteit zo effectief mogelijk te handelen.

12Instructies bij incidenten en calamiteiten

Morsing bij vullen

Zorg dat er altijd voldoende absorptiemateriaal aanwezig is in de nabijheid van de installatie. Ruim de gemorste brandstof onmiddellijk op met behulp van deze absorptiemiddelen. Het absorptiemiddel behoort te worden opgeslagen en na gebruik afgevoerd als gevaarlijk afval.

Defect aan installatie, lekkage binnen opvangbak of defect aan dubbelwandige tank

Als door een defect aan de installatie brandstof vrijkomt binnen de opvangbak, dan:

  • de resterende brandstof zo mogelijk overtanken in een tank die wel vloeistofdicht is;
  • de brandstof die zich in de opvangbak heeft verzameld, zo snel mogelijk verpompen naar een vloeistofdichte tank;
  • de vloeistofdichte bak reinigen;
  • de installatie laten repareren.

Als er geen tweede tank aanwezig is, zal het in de meeste gevallen nodig zijn om de hulp van de brandstofleverancier in te roepen.

Defect aan installatie, lekkage buiten opvangbak of buiten een dubbelwandige tank

Als de inhoud van de tank door een defect of calamiteit (bijvoorbeeld een aanrijding) vrijkomt buiten de opvangbak, dan:

  • het verspreidingsgebied van de lekkage zoveel mogelijk beperken;
  • de vrijgekomen brandstof zo snel mogelijk opruimen. Indien de brandstof is vrijgekomen boven onverharde bodem, wordt onmiddellijk een deel van de bovengrond afgegraven om diepere verontreiniging van de bodem en grondwater te voorkomen;
  • het bevoegd gezag onmiddellijk op de hoogte stellen;
  • verharde oppervlakken met absorptiemiddelen reinigen;
  • indien nodig, onderzoek laten uitvoeren naar verontreiniging van de bodem;
  • indien nodig, de bodemverontreiniging saneren.

De laatste twee stappen behoren in overleg met het bevoegd gezag te worden uitgevoerd.

Bij brand:

  • breng personen in de omgeving in veiligheid;
  • waarschuw de brandweer;
  • hanteer alleen een brandblusser als daarbij geen persoonlijk gevaar is.

Bijlage AAfkortingen en begrippenNormatief

Deze bijlage is normatief.

Deze bijlage bevat een lijst met afkortingen en begrippen die in deze PGS voorkomen. Deze PGS sluit zo veel mogelijk aan bij de begrippen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en andere relevante wetten en regels. In de praktijk kunnen ook andere termen voorkomen. Daarom is in deze bijlage bij een aantal begrippen ook een alternatieve omschrijving gegeven, zodat duidelijk is wat met een bepaald begrip is bedoeld.

Tabel 6

Begrip of afkorting

BetekenisAlternatieve omschrijving
ADR

ADR staat voor Accord européen relatif au transport international de marchandises Dangereuses par Route.

Het is het Europese verdrag over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Afgewerkte olie

Afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit inzamelen afvalstoffen . Daar staat: “Elke soort minerale of synthetische smeerolie die ongeschikt is geworden voor het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk bestemd was, waaronder in elk geval worden begrepen gebruikte olie van verbrandingsmotoren en versnellingsbakken, alsmede smeerolie, olie voor turbines en hydraulische oliën.”

AfleverslangFlexibele slang, inclusief de koppelingen en de vulaansluiting, die deel uitmaakt van de tankzuil waarmee brandstof wordt getanktTankslang Slang
Arbeidshygiënische strategieZie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit
ATEXATmosphères EXplosibles Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.
Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

BBT

Beste beschikbare technieken Dit zijn de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen of te beperken.

BedrijfsterreinTerrein waarop de activiteiten van het bedrijf plaatsvinden, begrensd door de erfgrensInrichting Perceel Terrein
Begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verrichtUit het Besluit activiteiten leefomgeving Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf. Maar kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.Erfgrens Erfafscheiding Erfscheiding Perceelgrens Kavelgrens Terreingrens
Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen Meestal is dit de gemeente of provincie.

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BOb

Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH

BrandblusmiddelBrandblusser of brandslanghaspel
Brandblusser

Blustoestel Brandblustoestel Poederblusser Blusser Handblusser

BrandstoftankTank met brandstof in een voertuigBrandstofreservoir Tank

Brandcompartiment

Gedeelte van één of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand (Besluit kwaliteit leefomgeving)

Brandwerendheid

Brandwerendheid gaat over wanden of deuren of andere delen van een constructie. Het geeft aan hoe lang een deel van een constructie een brand kan tegenhouden. De brandwerendheid wordt uitgedrukt in aantal minuten. NEN 6069 beschrijft hoe de brandwerendheid wordt bepaald.

BRL

BeoordelingsRichtlijn

BuitenluchtPlaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig. Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.Buitenluchtsituatie
CBI

Conformiteitsbeoordelingsinstantie CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Inspectie SZW .

CLPClassification, Labelling and Packaging CLP wordt vaak gebruikt als afkorting van de CLP-verordening. Dat is de Europese verordening over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
Degene die de activiteit verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Beheerder Exploitant Operator
EN

Europese Norm Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen: – Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.

– Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.

– Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.

ErfscheidingGrens van het terrein van de inrichting

Explosieve atmosfeer

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel

Gebruiker volgens WBDA 2016

Degene die de installatie gebruikt Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.

Gecertificeerde tankinstallateurVolgens BRL SIKB 7800 gecertificeerde tankinstallateur
Gevarenzone-indelingIndeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbobesluit.
Grootschalige aflevering van brandstoffen

Afleveren van vloeibare brandstoffen vanuit een opslagtank aan voertuigen of apparaten waarbij meer dan 25 m3 per jaar wordt getankt De actuele volumegrens voor grootschalige aflevering is in het Bal vastgelegd.

HAZOPHAZard and OPerability De HAZOP-methode is een standaard methode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen en het identificeren van gevaren en ongewenste situaties.Storingsanalyse
Hogedrempelinrichting

Seveso-inrichting waar een gevaarlijke stof in een grotere of gelijke hoeveelheid aanwezig is dan/als de genoemde waardes in de Seveso-richtlijn 2012/18/EU, zie Bal

Hulpverleningsdiensten

Politie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen

Hulpdiensten
IECInternational Electrotechnical Commission Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.
In afwezigheid van personeelUit het Besluit activiteiten leefomgeving

Onbemand, Zonder direct toezicht, Zonder aanwezigheid van personeel

Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan, Calamiteitenplan
Interne veiligheidsafstand

Minimumafstand die nodig is tussen een installatie of opslagvoorziening met gevaarlijke stoffen en andere objecten binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht of met de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht zelf

ISOInternational Organization for Standardization Internationale Organisatie voor Standaardisatie ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale standaardisatieorganisaties in een groot aantal landen.

Kleinschalige aflevering van brandstoffen

Afleveren van vloeibare brandstoffen vanuit een opslagtank aan voertuigen of apparaten die zijn bestemd voor eigen bedrijfsmatig gebruik en die niet zijn bestemd voor vervoer over de weg, waarbij minder dan 25 m3 per jaar wordt getankt

Losslang

Slang waarmee opslagtanks vanuit een tankwagen met brandstof worden gevuld

Vulslang

Milieubelastende activiteit

In de Omgevingswet omschreven als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.

NENNEN staat voor NEderlandse Norm. NEN staat ook voor Stichting Koninklijk NEderlands Normalisatie-instituut. Dat instituut geeft NEN-normen uit.
NEN-ENEuropese norm (EN) die door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven
NEN-EN-IECDoor IEC vastgestelde internationale norm De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
NEN-EN-ISODoor ISO vastgestelde internationale norm De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
NEN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm De norm is door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NOBO

NOtified Body Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.

NPR

Nederlandse Praktijkrichtlijn Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) geeft NPR-publicaties uit. Een NPR is een informatieve praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.

NTA

Nederlandse Technische Afspraak

Dit is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat. Een NTA kan snel tot stand komen.

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit De NVWA bewaakt de veiligheid van voedsel en consumentenproducten, de gezondheid van dieren en planten, het dierenwelzijn en handhaaft de natuurwetgeving.

Onbrandbaar

Onbrandbaar bouwmateriaal of onbrandbare stoffen, materialen of producten Het gaat bij onbrandbare bouwmaterialen om onbrandbaarheid volgens NEN 6064.

Opslagtank

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Opslagreservoir, Reservoir, Tank

Opvangvoorziening

Voorziening die is bedoeld voor het opvangen van vrijkomende organische peroxiden door morsen, lekkage of bezwijken van het doseervat Een opvangvoorziening kan bijvoorbeeld een bak of een overmaats vat zijn.

Opvangbak, Lekbak
PED

Pressure Equipment Directive Richtlijn Drukapparatuur Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur De PED-richtlijn beschrijft “essentiële veiligheidseisen” voor drukapparatuur. Het gaat om algemene veiligheid en bescherming tegen zowel persoonlijk letsel als materiële schade.

Onder de PED-richtlijn vallen alle producten en installaties met een druk die hoger is dan 50 kPa. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het WBDA 2016.

PRD

Praktijkregels voor Drukapparatuur Deze praktijkregels bevatten uitleg over alle regels uit het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. De Technische Commissie van Drukapparatuur van NEN stelt deze praktijkregels op. De PRD zijn te verkrijgen via de website van de SDU .

QRA

Quantitative Risk Assessment/Analysis Kwantitatieve risicoanalyse QRA is een rekenmethode om de externe risico’s van het gebruiken, vervoeren en opslaan van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. Voor het bepalen van de risico’s voor de externe veiligheid worden in een QRA zowel de kansen op als de effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen in de berekening opgenomen.

Kwantitatieve risicoanalyse
REACH

Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen REACH is een Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. Het beschrijft waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Deze verordening geldt voor alle landen van de Europese Unie.

SAFETI-NL

Programma voor QRA-berekeningen Het rekenprogramma SAFETI-NL berekent de risico’s voor de veiligheid van de leefomgeving van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen. Meer informatie over SAFETI staat op de website van het RIVM .

Seveso-inrichtingEen of meer Seveso-installaties op een locatie die volledig wordt beheerd door diegene die de Seveso-inrichting exploiteert, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten, zie Bal

Seveso-installatie

Technische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan, zie Bal

SIL

Safety Integrity Level SIL is een indicator voor het kwantificeren van risicoverlaging van systemen of processen van een installatie. De vereiste SIL-klasse hangt af van het oorspronkelijke risico dat intrinsiek verbonden is met de systemen of processen van de installatie. Zie de NEN-EN-IEC 61511-reeks.

SWIFTStructured What If Technique Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse

Tanken van brandstof

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Afleveren, Brandstof tanken, Benzine tanken

Tankinstallatie

Samenstel van apparatuur en appendages, zoals opslagtanks, leidingen, vulpunt en afleverinstallatie

Tankzuil

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving: Samenbouw van onderdelen voor het tanken van brandstof. De leidingen die de brandstof aanvoeren vanuit de opslagtank, compressor of bufferopslag, horen hier ook bij.

Afleverzuil, Afleverpomp, Aflevertoestel, Afleverinstallatie, Benzinepomp, Dispenser, Pompzuil

Ten hoogste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Maximaal

Ten minste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Minstens, Minimaal

VIB

Veiligheidsinformatieblad Een veiligheidsinformatieblad is een gestructureerd document met informatie over de risico's van een gevaarlijke stof of preparaat en aanbevelingen voor het veilig gebruik ervan. Het bevat alle eigenschappen van het product: van de gevaren en de chemische samenstelling tot informatie over beschermingsmiddelen, veilig gebruik, transport en afvoer.

Msds, Sds, Safety data sheet

Vlampunt

Laagste vloeistoftemperatuur waarbij onder zekere genormaliseerde omstandigheden uit een vloeistof dampen in een zodanige hoeveelheid worden afgegeven dat een brandbaar gasmengsel van damp en lucht kan worden gevormd Deze temperatuur wordt onder standaard beproevingscondities bepaald.

Vloeibare brandstof

Lichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns

Vloeistofdichte vloer of verharding

Vloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of verharding kan komen

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VNO-NCW

Vereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).

Voldoet aan / Volgens / Zoals dat staat in

Overeenkomstig
VTH

Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

Vulpistool

Onderdeel van de afleverslang bij een tankzuil Een vulpistool wordt gebruikt bij het tanken van benzine, diesel en andere vloeibare brandstoffen.

Vulpunt

Onderdeel van een installatie met een opslagtank Het vullen van de opslagtank gebeurt via het vulpunt.

Vulpuntopvangbak

Voorziening bij het vulpunt waarvan de bodembeschermende werking door de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen is gewaarborgd, en die zich rondom of onder een bodembedreigende activiteit bevindt en in staat is de bij normale bedrijfsvoering gemorste of wegspattende vloeistoffen op te vangen

Warmtestraling

Straling als gevolg van een brand aangegeven door een warmtestralingscontour op de omgeving in kW/m2.

Stralingsbelasting Warmtestralings-belasting Warmtebelasting

WBDA 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

WBDBOWeerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag WBDBO gaat over een gebouw of scheidingsconstructie. WBDBO is een eis voor de tijd die het gebouw of de scheidingsconstructie weerstand kan bieden tegen het doorslaan of overslaan van een brand. Dit kan gaan om van binnen naar buiten, en om van buiten naar binnen. De brandwerendheid van scheidingsconstructies bepaalt de weerstand tegen branddoorslag. WBDBO kan worden bereikt met brandwerende constructies of met afstanden, of met een combinatie daarvan. Bij brandoverslag moet een berekening volgens NEN 6068 worden uitgevoerd.
Wvr

Wet veiligheidsregio's

Bijlage BNormen en bronnen

B.1Normatieve documenten en normenNormatief

Deze bijlage bevat normen en andere documenten die zijn genoemd in de maatregelen, normatieve hoofdstukken en bijlagen. Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief wijzigings- of correctiebladen zoals die op het moment van de publicatie van deze richtlijn luidde.

Tabel 7

Norm met versieTitel

NEN 1010:2015

Elektrische installaties voor laagspanning – Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks

NEN 2535:2017

Brandveiligheid van gebouwen – Brandmeldinstallaties - Systeem- en kwaliteitseisen en projectierichtlijnen

NEN 3140:2011

Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning

NEN 6064:1991

Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen

NEN 6068:2016

Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten

NEN 6069:2016

Beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten

NEN-EN 1993-1-2:2005

Eurocode 3 - Ontwerp en berekening van staalconstructies - Deel 1-2: Algemene regels - Ontwerp en berekening van constructies bij brand

NEN-EN 2:1994

Brandklassen

NEN-EN 3:reeks

Draagbare blustoestellen

NEN-EN 1360:2013

Rubberslangen en slangassemblages voor brandstofzuilen met telwerk – Specificatie

NEN-EN 13483:2013

Rubber en kunststof slangen en slangassemblages met dampretour opvang voor brandstofzuilen met telwerk – Specificatie

NEN-EN 13501-1:2019

Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen – Deel 1: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van het brandgedrag

NEN-EN 14420-6:2013

Slangkoppelingen met klemmen – Deel 6: TW tankwagen koppelingen

NEN-EN-IEC 60079-14:2014

Explosieve atmosferen – Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties

NEN-EN-IEC 61511:reeks:2017

Functionele veiligheid - Veiligheidssystemen voor de procesindustrie

NEN-EN-IEC 61508:reeks:2010

Functionele veiligheid van elektrische/elektronische/programmeerbare elektronische systemen verbandhoudend met veiligheid

NEN-EN-ISO 7010:2012

Grafische symbolen – Veiligheidskleuren en -tekens – Geregistreerde veiligheidstekens

NEN-EN-ISO 16852:2016

Vlamdovers – Prestatie-eisen, beproevingsmethoden en begrenzingen bij gebruik

NPR 7910-1:2010

Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 1: Gasexplosiegevaar, gebaseerd op NEN EN IEC 60079-10-1:2009

NPR 7910-2:2010

Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 2: Stofsexplosiegevaar, gebaseerd op NEN EN IEC 60079-10-2:2009

NPR-CLC-IEC/TR 60079-32 1:2018

Explosieve atmosferen – Deel 32-1: Richtlijnen voor elektrostatische risico's

BRL K580/01:1999

Polyethyleen tanks met opvangbak voor niet-stationaire/ mobiele opslag van vloeistoffen

BRL K744/03:2015

Metalen niet-stationaire en mobiele opslag- en afleverinstallaties van ten hoogste 3 m³ voor bovengrondse drukloze opslag van vloeistoffen

BRL K790/03:2011

Appliceren van bekledingen op stalen opslagtanks of stalen leidingen

BRL K902/04:2011

Tanksanering HBO/diesel

BRL K903:2011

Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties

BRL K904/04:2016

Tanksaneringen

BRL K905/03: 2016

Tankreiniging

BRL K916/03:2018

Antihevelbeveiliging voor tankinstallaties

BRL K21002/03:2013

Rotatie gegoten polyethyleen (PE) tanks

BRL SIKB 7800:2018

Tankinstallaties

B.2Informatieve documenten en bronnen

Tabel 8

Nummer

TitelVindplaats

[1]

ADR 2019

rijksoverheid.nl

[2]

Arbeidsomstandighedenwet

wetten.overheid.nl

[3]Arbeidsomstandighedenbesluitwetten.overheid.nl

[4]

Arbeidsomstandighedenregeling

wetten.overheid.nl

[5]

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

wetten.overheid.nl

[6]

Warenwetregeling drukapparatuur 2016

wetten.overheid.nl

[7]

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016

wetten.overheid.nl

[8]

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016

wetten.overheid.nl

[9]

Warenwetbesluit machines

wetten.overheid.nl

[10]

Wet veiligheidsregio's

wetten.overheid.nl

[11]

Besluit veiligheidsregio's

wetten.overheid.nl

[12]

Omgevingswet

overheid.nl

[13]

Omgevingsbesluit

overheid.nl

[14]

Besluit activiteiten leefomgeving

overheid.nl

[15]

Besluit bouwwerken leefomgeving

overheid.nl

[16]

Besluit kwaliteit leefomgeving

overheid.nl

[17]

Wet vervoer gevaarlijke stoffen

wetten.overheid.nl

[18]

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

wetten.overheid.nl

[19]

Handreiking Generieke Risicobenadering PGS Nieuwe stijl, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, versie 1.1 (maart 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[20]

Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid, Brandweer Nederland, november 2012

Brandweer Nederland

[21]

Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen (VBB-systemen) – Handreiking voor het opstellen van een Uitgangspunten Document (UPD), Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen: UPD 2017 – versie 1.0 (juni 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[22]

PGS 7: Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 7:2007 – versie 1.0 (oktober 2007)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[23]

PGS 8: Organische peroxiden: opslag, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 8:2011 – versie 1.0 (december 2011)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[24]

PGS 9: Cryogene gassen: opslag van 0,125 m3 – 100 m3, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 9:2014 – versie 1.0 (april 2014)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[25]

PGS 12: Ammoniak: opslag en verlading, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 12:2014 – versie 1.0 (april 2014)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[26]

PGS 13: Ammoniak als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 13:2009 – versie 1.0 (februari 2009)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[27]

PGS 14: Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen – Handreiking bij de toepassing van opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 14:2017 – versie 1.0 (oktober 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[28]

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 15:2016 – versie 1.0 (september 2016)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[29]

PGS 16: LPG: Afleverinstallaties, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 16:2010 – versie 1.0 (september 2010)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[30]

PGS 18: LPG: Depots, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 18:2013 – versie 1.0 (december 2013)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[31]

PGS 19: Propaan en butaan: opslag, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 19:2013 – versie 1.0 (oktober 2013)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[32]

PGS 22: Toepassing van propaan, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 22:2008 – versie 1.10 (september 2008)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[33]

PGS 23: LPG: Vulstations voor flessen en ballonvaarttanks, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 23:2013 – versie 1.0 (december 2013)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[34]

PGS 25: Aardgas: afleverinstallaties voor motorvoertuigen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 25:2012 – versie 1.2 (december 2012)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[35]

PGS 28: Vloeibare brandstoffen: ondergrondse installaties en afleverinstallaties, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 28:2011 – versie 1.1 (december 2011)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[36]

PGS 29: Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 29:2016 – versie 1.1 (december 2016)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[37]

PGS 30: Vloeibare brandstoffen: bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 30:2008 – versie 1.1 (december 2011)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[38]

PGS 31: Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 31: 2018 – versie 1.1 (oktober 2018)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[39]

PGS 33-1: Aardgas: afleverinstallaties van vloeibaar aardgas (LNG) voor motorvoertuigen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 30-1:2013 – versie 1.0 (juni 2013)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[40]

RIVM-briefrapport Interne veiligheidsafstanden PGS 19, 2012

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[41]

NEN 2559:2001, Onderhoud van draagbare blustoestellen

NEN

[42]

NEN-EN 590:2013, Brandstoffen voor wegvoertuigen – Diesel – Eisen en beproevingsmethoden

NEN

[43]

NEN-EN 13012:2012, Tankstations – Constructie en prestatie van automatische vulpistolen voor gebruik op brandstofzuilen

NEN

[44]

ISO 45001:2018, Managementsystemen voor gezond en veilig werken – Eisen met richtlijnen voor gebruik ISO 45001 vervangt de OHSAS 18001-norm. In 2021 is de vervanging definitief.

NEN

[45]

Beoordelingsrichtlijn BRL- K901/03 2011-10-15 voor het Kiwa procescertificaat voor ‘Regeling Erkenning Installateurs tanks en leidingen voor drukhoudende opslag van LPG, propaan, butaan, DME en aardgas (REIP)’

KIWA

[46]

ATEX 114: Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen

Europese Unie

[47]

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur

Europese Unie

[48]

Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

Europese Unie

Bijlage CInterne veiligheidsafstandenNormatief

Deze bijlage bevat informatie over interne veiligheidsafstanden. Deze afstanden zijn gebaseerd op de maatregelen inHoofdstuk 7. Interne veiligheidsafstanden in deze PGS zijn niet bedoeld om te voldoen aan de regels omtrent explosieve atmosferen, zoals beschreven in Paragraaf 7.2.

Tabel 9Voorzieningen rond stalen, kunststof tanks en mobiele tankinstallaties voor inpandig en uitpandig gebruik voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C

Voorziening

Enkelwandig staal, kunststof of mobiel inpandig

Dubbelwandig staal of mobiel inpandig

Enkelwandig staal, kunststof of mobiel uitpandig

Dubbelwandig staal of mobiel uitpandig

Volume

Maximaal 15 m3, anders brandcompartiment, M48 Maximaal 10 m3 voor kunststof opslagtanks

Maximaal 15 m3, anders brandcompartiment, M48

Maximaal 150 m3 Maximaal 10 m³ voor kunststof opslagtanks, Paragraaf 8.2

Maximaal 150 m3 Maximaal 10 m³ voor kunststof opslagtanks, Paragraaf 8.2

Onder (dienst)woning 3 m3 max., M48

Onder (dienst)woning 3 m3 max., M48

N.v.t.

N.v.t.

In werkruimte 3 m3 max., M48

In werkruimte 3 m3 max., M48

N.v.t.

N.v.t.

Interne veiligheids-afstanden opslagtanks ≤ 3 m³

Minimaal 3 m tot gebouwen of opslagen, zoals een hooiberg of palletopslag, M120

Minimaal 3 m tot gebouwen of opslagen, zoals een hooiberg of palletopslag, M120

Interne veiligheids-afstanden opslagtanks > 3 m³ en ≤ 50 m³

Minimaal 10 m tot gebouwen of opslagen, zoals een hooiberg of palletopslag, M118 Minimaal 5 m tot open vuur, brandgevaarlijk werk of hete voorwerpen (> 150 ˚C), M121Afstand van de erfscheiding of bedrijfsterreingrens tot de opslagtank is minimaal 5 m, M120

Minimaal 10 m tot gebouwen of opslagen, zoals een hooiberg of palletopslag, M118 Minimaal 5 m tot open vuur, brandgevaarlijk werk of hete voorwerpen (> 150 ˚C), M121 Afstand van de erfscheiding of bedrijfsterreingrens tot de opslagtank is minimaal 5 m, M120

Interne veiligheids-afstanden opslagtanks > 50 m³ en ≤ 150 m³

Minimaal 15 m tot gebouwen of opslagen, zoals een hooiberg of palletopslag, M119 Minimaal 5 m tot open vuur, brandgevaarlijk werk of hete voorwerpen (> 150 ˚C), M121 Afstand van de erfscheiding of bedrijfsterreingrens tot de opslagtank is minimaal 5 m, M122

Minimaal 15 m tot gebouwen of opslagen, zoals een hooiberg of palletopslag, M119 Minimaal 5 m tot open vuur, brandgevaarlijk werk of hete voorwerpen (> 150 ˚C), M121Afstand van de erfscheiding of bedrijfsterreingrens tot de opslagtank is minimaal 5 m, M122

Afstanden voor onderhoud

Onderlinge afstand tanks en/of andere voorzieningen/objecten minimaal 25 cm rondom voor controle- en onderhouds-doeleinden, M61

Onderlinge afstand tanks en/of andere voorzieningen/objecten minimaal 50 cm rondom voor controle- en onderhouds-doeleinden, M61

Onderlinge afstand tussen tanks of opvangbakken minimaal 25 cm, M40

Onderlinge afstand tussen tanks of opvangbakken minimaal 25 cm, M40

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M61

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M61

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M40

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M40

Plaatsing

Opvangbak, artikel 4.923, lid 1 van Bal

N.v.t..

Opvangbak, artikel 4.923, lid 1 van Bal

N.v.t.

Brandwerende (opvang)voorziening met 60 min brandwerendheid, tenzij tank zelf een brandwerendheid heeft van 60 min, M62, m.u.v. tanks < 3 m3 maar controle oppervlakte/ruimte, M47

Brandwerende (opvang)voorziening met 60 min brandwerendheid, tenzij tank zelf een brandwerendheid heeft van 60 min, M62, m.u.v. tanks < 3 m3 maar controle oppervlakte/ruimte, M47

N.v.t.N.v.t.

Nooit op verdieping, tenzij goedgekeurd volgens criteria van de brandweer, M50

Nooit op verdieping, tenzij goedgekeurd volgens criteria van de brandweer, M50

N.v.t.N.v.t.

Aanvullend

Voor werkruimte of ruimte met noodstroomaggregaat (nsa):

  • niet roken en geen open vuur;
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen hete voorwerpen met een oppervlakte- temperatuur van meer dan 150 ˚C (Let op: Tank van nsa niet boven uitlaat);
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen brandgevaarlijk werk, M58

Voor werkruimte of ruimte met noodstroomaggregaat (nsa):

  • niet roken en geen open vuur;
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen hete voorwerpen met een oppervlakte- temperatuur van meer dan 150 ˚C (Let op: Tank van nsa niet boven uitlaat);
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen brandgevaarlijk werk, M58
N.v.t.N.v.t.

Tabel 10Voorzieningen rond stalen tanks en mobiele tankinstallaties voor inpandig en uitpandig gebruik voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C [1]

Voorziening

Enkelwandig staal of mobiel inpandig

Dubbelwandig staal of mobiel inpandig

Enkelwandig staal of mobiel uitpandig

Dubbelwandig staal of mobiel uitpandig

Volume

Maximaal 15 m3 en extra eisen, M76

Maximaal 15 m3 en extra eisen, M76

Maximaal 150 m3, Paragraaf 7.5.9

Maximaal 150 m3, Paragraaf 7.5.9

Onder (dienst)woning 3 m3 max., M48

Onder (dienst)woning 3 m3 max., M48

N.v.t.N.v.t.

In werkruimte 3 m3 max., M48

In werkruimte 3 m3 max., M48

N.v.t.N.v.t.

Interne veiligheids-afstanden opslagtanks en ≤ 50 m³

N.v.t.N.v.t.

Minimumafstand tot 10 kW/m²-contour (voor niet-brandbare objecten 15 kW/m²-contour), M98

Minimumafstand tot 10 kW/m²-contour (voor niet-brandbare objecten 15 kW/m²-contour), M98

Interne veiligheids-afstanden opslagtanks > 50 m³ en ≤ 150 m³

N.v.t.N.v.t.

Minimumafstand tot 10 kW/m²-contour (voor niet-brandbare objecten 15 kW/m²-contour), M98Voldoende bluswater aanwezig, M101

Minimumafstand tot 10 kW/m²-contour (voor niet-brandbare objecten 15 kW/m²-contour), M98Voldoende bluswater aanwezig, M101

Afstanden voor onderhoud

Onderlinge afstand tanks en/of andere voorzieningen/objecten minimaal 50 cm rondom voor controle- en onderhouds-doeleinden, M61

Onderlinge afstand tanks en/of andere voorzieningen/objecten minimaal 50 cm rondom voor controle- en onderhouds-doeleinden, M61

Onderlinge afstand tussen tanks of opvangbakken minimaal 25 cm, M40

Onderlinge afstand tussen tanks of opvangbakken minimaal, 25 cm M40

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M61

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M61

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M40

Let op: Bij minimum-afstanden moet tank bij onderhoud aan of keuring van de tank kunnen worden verplaatst, M40

Plaatsing

Opvangbak, artikel 4.923, lid 1 van Bal

N.v.t.

Opvangbak, artikel 4.923, lid 1 van Bal

N.v.t.

Brandwerende (opvang)voorziening met 60 min brandwerendheid, tenzij tank zelf een brandwerendheid heeft van 60 min, M62, m.u.v. tanks < 3 m3, maar controle oppervlakte/ruimte, M45

Brandwerende (opvang)voorziening met 60 min. brandwerendheid, tenzij tank zelf een brandwerendheid heeft van 60 min, M62, m.u.v. tanks < 3 m3, maar controle oppervlakte/ruimte, M45

N.v.t.N.v.t.

Nooit op verdieping, tenzij goedgekeurd volgens criteria van de brandweer, M50

Nooit op verdieping, tenzij goedgekeurd volgens criteria van de brandweer, M50

N.v.t.N.v.t.

Aanvullend

Voor werkruimte of ruimte met noodstroom-aggregaat (nsa):

  • niet roken en geen open vuur;
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen hete voorwerpen met een oppervlakte- temperatuur van meer dan 150 ˚C (Let op: Tank van nsa niet boven uitlaat);
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen brandgevaarlijk werk, M58

Voor werkruimte of ruimte met noodstroom-aggregaat (nsa):

  • niet roken en geen open vuur;
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen hete voorwerpen met een oppervlakte- temperatuur van meer dan 150 ˚C (Let op: Tank van nsa niet boven uitlaat);
  • binnen 3 m van de tank en/of opvangbak geen brandgevaarlijk werk, M58
N.v.t.N.v.t.

[1] Opslag van vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C in kunststof tanks is niet toegelaten.

Bijlage DRelevante wet- en regelgeving

D.1Inleiding

Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.

Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.

D.2Omgevingswet

De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.

Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het omgevingswetportaal . Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten .

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.

In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veel voorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met het oogmerk van bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.

Omgevingsregeling

In de Omgevingsregeling zijn onder andere de gegevens en bescheiden benoemd die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt, zijn technische uitvoeringsvoorschriften gegeven voor milieubelastende activiteiten en zijn de rekenmethoden aangegeven die moeten worden toegepast bij het berekenen van het plaatsgebonden risico en de afstanden van de aandachtsgebieden. Ook zijn in de Omgevingsregeling de versies aangegeven van de normdocumenten waarnaar in de besluiten en in de Omgevingsregeling wordt verwezen.

Seveso

De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG ) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s voor een groot deel geïmplementeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid, als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie.

D.3Chemische stoffen

CLP

CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG ) over indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor Classification, Labelling and Packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten deze worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermmaatregelen nodig zijn.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld !

REACH

REACH is een Europese verordening (EC 1907/2006 ) over de productie van en handel in chemische stoffen. Reach staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld !

D.4Arbeidsomstandighedenwetgeving

Arbeidsomstandighedenwet

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbobesluit.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

Arbeidsomstandighedenregeling

In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.

Verordening persoonlijk beschermingsmiddelen

Deze Europese verordening bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425). De verordening heeft tot doel om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen en om het mogelijk te maken dat deze beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.

D.5Warenwet

Warenwet

De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker van dat product te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan essentiële gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

In het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) staan eisen voor drukapparatuur. In het WBDA 2016 is de Europese richtlijn voor drukapparatuur (2014/68/EU ) geïmplementeerd. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 staat onder andere wanneer keuring moet plaatsvinden.

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm

In het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm staan regels over het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm. In dit besluit is de Europese richtlijn (2014/29/EU ) voor drukvaten van eenvoudige vorm geïmplementeerd.

Warenwetbesluit machines

In het Warenwetbesluit machines staan regels over machines, waaronder veiligheid, keuring en certificering. In de Warenwetregeling machines staan nadere eisen.

D.6Wet veiligheidsregio's

Wet veiligheidsregio’s

De Wet veiligheidsregio’s beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.

Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid .

Besluit veiligheidsregio's

In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.

D.7Vervoer

Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de ADR

De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:

  • vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, reservoirwagens);
  • chauffeurs (opleiding en training);
  • vervoersdocumenten;
  • verpakkingen en etikettering;
  • laden en lossen.

Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit de ADR.

De ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten de ADR in eigen wetgeving implementeren.

De ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.

Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid. Daar staat ook informatie over de ADR .

Bijlage EArbeidsomstandighedenwetgeving

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbobesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)

Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie-regeling (ARIE-regeling)

Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

In de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde, de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen als persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Intern noodplan

Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zo veel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit . In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.

Een intern noodplan bevat in elk geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling .

Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal .

Borden en pictogrammen

De werkgever is verplicht borden te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling . Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht.

Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (pictogram), de tekst en het kleurgebruik. In bijlage XVIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staat welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt.

In de CLP-verordening staan pictogrammen voor de aanduiding van gevaarseigenschappen van chemische stoffen.

Bijlage FVerschillen met de vorige versie

F.1Inleiding

Deze PGS komt voor het grootste deel inhoudelijk overeen met de vorige versie van deze publicatie.

Een aantal maatregelen is niet meer opgenomen. Reden daarvoor is dat ze niet voortvloeien uit de risicoanalyse of al in andere wetgeving zijn opgenomen.

Een aantal maatregelen is inhoudelijk gewijzigd. Dit is gebeurd op basis van de risicoanalyse of nieuwe inzichten. De volgende paragraaf beschrijft op hoofdlijnen de belangrijkste verschillen. Voor bestaande situaties die nog niet aan deze maatregelen voldoen, gelden implementatietermijnen. Deze termijnen staan in Bijlage G.

Maatregelen die inhoudelijk niet zijn gewijzigd, zijn vaak wel redactioneel aangepast. Dit is gebeurd vanwege PGS Nieuwe Stijl.

F.2Belangrijkste inhoudelijke wijzigingen

In tegenstelling tot PGS 30:2011 bevat deze PGS 30 geen bodembeschermingsmaatregelen meer. De bodembeschermingsmaatregelen volgen uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en staan benoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staan maatregelen opgenomen met betrekking tot bodem en water, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat. Voor stoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C wordt verwezen naar PGS 30. Daarnaast is het zo dat er in het Bal voor het item externe veiligheid betreffende dieselopslag niet naar PGS 30 wordt verwezen. Ten opzichte van PGS 30:2011 is veranderd dat bij zowel diesel-installaties als bij kerosine(petroleum)-installaties aanvullende maatregelen worden geeist tegen overvulling in de in M3 en M73 beschreven situaties. Ook is ten opzichte van PGS 30:2011 veranderd dat bij het afleveren van diesel een vastzetmechanisme op het vulpistool is toegelaten. Handmatige peilsystemen worden uitgefaseerd en vervangen door een gesloten vloeistofniveaumeetsysteem, zoals een afpersbare peilklok of een elektronische niveaumeter. Nieuwe tankinstallaties beschikken over een instrumentele peilinrichting of niveaumeetsysteem, zodat de peiler niet kan worden blootgesteld aan het product. De interne veiligheidsafstanden zijn in deze versie herzien. De afstanden voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C zijn gekoppeld aan het Bal. Dit geldt niet voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C. Afstanden voor laatstgenoemde vloeibare brandstoffen staan normatief beschreven in deze PGS, maar zijn niet gekoppeld aan wetgeving. Ten slot is het van belang dat BRL K903 is opgevolgd door BRL SIKB 7800.

Bijlage GImplementatietermijnen in bestaande situatiesNormatief

Inleiding

Deze bijlage bevat implementatietermijnen voor bestaande situaties. Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze termijnen vastgesteld.

Deze PGS-richtlijn beschrijft de stand van de techniek. Het kan dus voorkomen dat een nieuwe versie van een PGS-richtlijn nieuwe of aangescherpte maatregelen bevat. Deze maatregelen moeten worden getroffen door degene die de activiteit verricht. Het kan voor bestaande situaties onredelijk zijn om te eisen dat deze nieuwe maatregelen onmiddellijk worden getroffen. Daarom bevat deze PGS-richtlijn voor bestaande situaties een implementatietermijn.

Is er voor de activiteit uit deze PGS-richtlijn een omgevingsvergunning? Dan bepaalt het bevoegd gezag vanaf welk moment de maatregelen worden overgenomen in de vergunning. Het bevoegd gezag kan de implementatietermijn in deze PGS gebruiken als richtsnoer.

Voor maatregelen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers is het aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen volgens de stand van de wetenschap en techniek. Het toezicht op de naleving en juiste invulling van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwetgeving voor de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid van de Inspectie SZW. De Inspectie SZW gebruikt daarbij de implementatietermijnen uit deze PGS-richtlijn. Deze termijnen kunnen ook in een beleidsregel worden opgenomen.

Bijzondere Implementatietermijn door het BOb vastgesteld

Tabel 11

Wijzigingen ten opzichte van PGS 30:2011

MaatregelnummerOnderwerpWijzigingMaatregelnummer in vorige PGSKernpunt uit maatregel vorige PGS dat wordt aangepast Aard aanpassingTermijn (jaar)
M3

Overvulbeveiliging

Indien de opslagtank een waterinhoud heeft van meer dan 5 m3 en/of de jaarlijkse doorzet meer dan 25 m3, dan moeten (bij ontbreken opvangbak) de volgende aanvullende maatregelen worden getroffen:

  • Een akoestisch en visueel signaal wordt afgegeven bij het bereiken van een vooraf ingesteld hoog niveau.
  • De tankinstallatie is voorzien van een elektronisch niveaumeetsysteem.
  • Het vullen van de opslagtank kan worden gestopt met een eenvoudige handeling bij het bereiken van een vooraf ingesteld hoog niveau, waarbij de pomp wordt gestopt en/of de toevoerklep wordt gesloten. Deze handeling moet op een veilige locatie plaatsvinden.

Geen maatregel, wel indirect via BRL K903

Zie tekst bij wijziging.

Wijziging installatieonderdeel

Bij vervanging, vernieuwing, of herkeuring met een maximale termijn van 15 jaar

M73

Overvulbeveiliging

Tankinstallaties voor kerosine en petroleum zijn voorzien van de volgende maatregelen om overvulling tegen te gaan:

  • De opslagtank is voorzien van een onafhankelijke overvulbeveiliging. Deze heeft een SIL 1-betrouwbaarheidseis volgens de IEC 61508 reeks als de tankinstallatie niet is uitgerust met een opvangbak.
  • Een akoestisch en visueel signaal wordt afgegeven bij het bereiken van een vooraf ingesteld hoog niveau.
  • Het vullen van de opslagtank kan worden gestopt met een eenvoudige handeling bij het bereiken van een vooraf ingesteld hoog niveau, waarbij de pomp wordt gestopt en/of de toevoerklep wordt gesloten. Deze handeling moet op een veilige locatie plaatsvinden.

Geen maatregel, wel indirect via BRL K903

In de vorige PGS bleven de maatregelen tegen overvullen beperkt tot: Mechanische Onafhankelijke Overvulbeveiliging (MOOB), peilen voorafgaand aan vullen, toezicht chauffeur op vullen opslagtank.

Wijziging installatieonderdeel

Bij vervanging, vernieuwing, of herkeuring met een maximale termijn van 15 jaar

M22

Vullingsgraad opslagtank bepalen voor lossen

Het peilen van de vloeistofinhoud gebeurt door middel van een gesloten vloeistofniveaumeetsysteem, zoals een peilklok of een elektronische niveaumeter.

vs 3.3.2, vs 3.3.3

Handmatig peilen is niet langer toegelaten.

Wijziging installatieonderdeel

5 jaar1

M98, M99, M100 en M101

Interne veiligheidsafstanden voor uitpandige opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C

Voor de opslag van stoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C gelden interne veiligheidsafstanden.

Geen maatregel

In de vorige PGS 30 zijn geen veiligheidsafstanden opgenomen.

Inrichting locatie

1 jaar

1 Waarschuwing: Chauffeurs dienen zich bewust te zijn dat tijdens het peilen met een peilstok gevaarlijke dampen kunnen vrijkomen. Chauffeurs moeten voorkomen dat deze dampen worden ingeademd. Een werkgever moet hier zo nodig maatregelen op treffen.

Bijlage HSamenstelling PGS 30-team

Tabel 12

Naam

Organisatie

Rol

Ruud Peeters

Omgevingsdienst Haaglanden

Voorzitter PGS-team

Erik van der Heijden

Van der Heijden Milieu- en installatietechniek

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)

LTO

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)

Tineke Weide

Milieubuddy

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)

Wim Schouten

NOVE

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)

Gilbert ten Berge

Brandweer Twente

Lid namens bevoegd gezag (Brandweer Nederland / Veiligheidsregio’s)

Ronald van Miltenburg

Brandweer Gooi en Vecht

Lid namens bevoegd gezag (Brandweer Nederland / Veiligheidsregio’s)

Debby Mulder

Omgevingsdienst Regio Nijmegen

Lid namens bevoegd gezag (toezicht/handhaving)

Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid

Lid namens bevoegd gezag (toezicht/handhaving)

Louise Terlage

FUMO

Lid namens bevoegd gezag (vergunningverlening)

Ton Graal

DCMR

Lid namens bevoegd gezag (vergunningverlening)

Chris Thijssen

RIVM

Lid namens toezichthouder (Inspectie SZW)

Mandy Taal

Rijkswaterstaat

Waarnemer namens helpdesk InfoMil

Robby Veders

NEN

Projectleider