30Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties

Richtlijn voor het veilig vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in en vanuit bovengrondse tanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks

Versie

Deze PGS 30:2021 versie 1.0 (Augustus 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 30:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen, de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat de maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's
  • de doelen; en
  • de maatregelen om aan de doelen te voldoen.
PGS 30 Nieuwe Stijl

PGS 30 is geactualiseerd in het kader van de omzetting van de PGS naar de nieuwe stijl. Deze nieuwe stijl is onder andere ingegeven door de introductie van de nieuwe Omgevingswet en een door te voeren kwaliteitsslag waarbij de onderbouwing, door middel van een risicobenadering, van de voorgeschreven maatregelen veel duidelijker wordt. In tegenstelling tot PGS 30:2011 bevat deze PGS 30 geen bodembeschermingsmaatregelen meer. De bodembeschermingsmaatregelen volgen uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en staan benoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal staan maatregelen opgenomen met betrekking tot bodem en water, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat. Voor stoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C wordt verwezen naar deze PGS. Daarnaast is het zo dat er in het Bal voor het item externe veiligheid betreffende dieselopslag niet naar PGS 30 wordt verwezen. Ten opzichte van PGS 30:2011 is veranderd dat bij zowel diesel-installaties als bij kerosine(petroleum)-installaties aanvullende maatregelen worden geeist tegen overvulling in de in M3 en M73 beschreven situaties. Ook is ten opzichte van PGS 30:2011 veranderd dat bij het afleveren van diesel een vastzetmechanisme op het vulpistool is toegelaten. Handmatige peilsystemen worden uitgefaseerd en vervangen door een gesloten vloeistofniveaumeetsysteem, zoals een afpersbare peilklok of een elektronische niveaumeter. Nieuwe tankinstallaties beschikken over een instrumentele peilinrichting of niveaumeetsysteem zodat de peiler niet kan worden blootgesteld aan het product. De interne veiligheidsafstanden zijn in deze versie herzien. De afstanden voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C zijn gekoppeld aan het Bal. Dit geldt niet voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C. Afstanden voor laatstgenoemde vloeibare brandstoffen staan normatief beschreven in deze PGS, maar zijn niet gekoppeld aan wetgeving.

Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (Rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.

Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.

Brand- en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In 0 staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 3 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020

De voorzitter van de Programmaraad,

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over vloeibare brandstoffen in bovensgrondse installaties en afleverinstallaties.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage C: Interne veiligheidsafstanden;
  • Bijlage G: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat inBijlage B. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in en vanuit bovengrondse tanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op de bovengrondse, drukloze en onverwarmde opslag van vloeibare brandstoffen en/of minerale olieproducten met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C behorende tot ADR-klasse 3, VG III, zoals bijvoorbeeld kerosine (petroleum), of met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C behorende tot ADR-klasse 3, VG III, zoals bijvoorbeeld diesel, in een tank met een opslagcapaciteit van ten hoogste 150 m3 per tank, evenals op de hieraan gekoppelde aflevertoestellen voor kleinschalige of grootschalige aflevering.

Toelichting 1: Van grootschalige aflevering wordt gesproken bij een jaarlijkse doorzet van ten minste 25 m3. De actuele volumegrens voor grootschalige aflevering is in het Bal vastgelegd.

In dit document zijn geen voorschriften opgenomen die speciaal gericht zijn op het veilige dagelijks gebruik van het mobiele aflevertoestel voor mengsmering. Deze zijn opgenomen in PGS 28. PGS 28 betreft alleen de aflevering van mengsmering; de aflevering van andere brandstoffen uit tijdelijke niet-stationaire opslag- en aflevertoestellen staat beschreven in de voorliggende PGS.

Toelichting 2: De mobiele aflevertoestellen voor mengsmering (mengsel van circa 95 % benzine aangevuld met smeerolie) betreft bovengrondse installaties. Omdat deze installaties vaak voorkomen op tankstations voor het wegverkeer is ervoor gekozen de voorschriften onder te brengen in PGS 28.

Toelichting 3: In deze PGS komen in scenario’s, doelen en maatregelen stofnamen voor. De scenario’s, doelen en maatregelen waarin specifieke stofnamen worden genoemd, gelden eveneens voor andere vloeibare brandstoffen die in dezelfde klasse-indeling vallen. Wordt kerosine of petroleum genoemd, dan kan evengoed vloeibare brandstoffen behorend tot ADR-klasse 3, VG III, vlampunt tussen ≥ 23 °C en ≤ 55 °C worden gelezen. Wordt diesel genoemd, dan kan evengoed vloeibare brandstoffen behorend tot ADR-klasse 3, VG III, vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C worden gelezen.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage F geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage G staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B.1 staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving installatie vloeibare brandstoffen

2.1Over vloeibare brandstoffen

2.1.1Algemene informatie

Deze PGS is hoofdzakelijk geschreven voor kleine bovengrondse opslag van diesel. Er zijn echter ook andere situaties waarbij PGS 30 kan worden toegepast. Deze situaties staan benoemd als atypische situaties in Paragraaf 2.2.3, Paragraaf 2.2.4, Paragraaf 2.2.5, Paragraaf 2.2.6, Paragraaf 2.2.7, Paragraaf 2.2.8, Paragraaf 2.2.9, Paragraaf 2.2.10 en Paragraaf 2.2.11.

PGS 30 gaat over de opslag van en activiteiten met vloeibare brandstoffen behorende tot ADR-klasse 3, VG III. In de praktijk is PGS 30 voornamelijk van toepassing voor de vloeibare brandstoffen diesel volgens NEN-EN 590 en kerosine (petroleum).

Het overgrote deel van de kleine bovengrondse opslag van diesel vindt plaats in de agrarische sector en de bouwsector. Nagenoeg elk agrarisch bedrijf met één of meer tractoren of elk bouwbedrijf met bijvoorbeeld graafmachines heeft een bovengrondse tank voor de opslag van diesel waarmee deze voer-/werktuigen van brandstof worden voorzien. Ook transport-, auto- en truckbedrijven hebben soms een eigen brandstofopslag. Vanwege de eenvoud kiezen deze bij voorkeur een bovengrondse tankinstallatie. Het komt echter ook voor dat transportbedrijven vanwege ruimtegebrek kiezen voor een ondergrondse tank. De installatie valt dan onder PGS 28. Naast genoemde sectoren vindt bovengrondse opslag van diesel plaats op diverse plekken in de industrie en worden bovengrondse dieselopslagtanks gebruikt om noodstroomaggregaten bij bijvoorbeeld ziekenhuizen of datacenters van brandstof te voorzien.

2.1.2Gevaren van vloeibare brandstoffen

Vloeibare brandstoffen zijn brandbaar door de damplaag die zich boven de vloeistof vormt. Diesel is niet-vluchtig en geeft bij ‘normale’ buitentemperaturen weinig brandbare damp af. Om te kunnen branden is naast een hoge temperatuur en een ontstekingsbron, ook een juiste verhouding van zuurstof en brandstof nodig.

Het gevaar van diesel is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof wordt ervan verdacht kankerverwekkend te zijn (H351).

Andere gevaren van diesel op grond van de CLP-verordening:

  • De stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terecht komt (H304).
  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten (H411).
  • De stof is schadelijk wanneer deze wordt ingeademd (H332).
  • De stof kan schade veroorzaken aan organen door langdurige of herhaalde blootstelling (H373).
  • De stof is een brandbare vloeistof en damp (H226).
  • De stof veroorzaakt huidirritatie (H315).

In de afgelopen decennia is de samenstelling van diesel gewijzigd. Uit diesel wordt nagenoeg alle zwavel gehaald en tevens is er een verplichting gekomen om biobrandstoffen bij te voegen, in een steeds hoger percentage (wel tot 10 % of 15 % in 2020). De biocomponent in diesel is veelal FAME (‘fatty acid methyl ester’) en/of HVO (‘hydrotreated vegatable oils’), verkregen uit gebruikt frituurvet en kool-/raapzaad.

Het gevaar van kerosine (en petroleum) is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terechtkomt (H304).

Andere gevaren van kerosine op grond van de CLP-verordening:

  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten (H411).
  • De stof is een brandbare vloeistof en damp (H226).
  • De stof veroorzaakt huidirritatie (H315).
  • De stof kan slaperigheid of duizeligheid veroorzaken (H336).

2.2Over de tankinstallatie voor vloeibare brandstoffen

2.2.1Algemene beschrijving

Afbeelding 1Figuur 1 — Typische situatie opslagtankinstallatie (Bron: VTI- vereniging van tankinstallateurs)

2.2.2Enkelvoudige dubbelwandige opslagtank (typische situatie)

De typische situatie betreft de uitpandig opgestelde, enkelvoudige, dubbelwandige tankinstallatie met een maximuminhoud van 20 m3 en een maximale doorzet kleiner dan of gelijk aan 25 m3 per jaar. In de meeste gevallen zit de afleverpomp op de tank, maar het komt ook voor dat de afleverpomp op afstand staat en via ondergronds leidingwerk met de tank is verbonden. Ondergrondse metalen delen zijn in de meeste gevallen voorzien van kathodische bescherming, die bescherming geeft tegen corrosie van buitenaf. Bij een lek in het ondergrondse leidingsysteem zal in de meeste gevallen of (grond)water naar binnen worden gezogen of zal de zuigpomp lucht aanzuigen, waardoor de pomp geen product geeft en dus het probleem ontdekt wordt, en het riscio op milieuschade laag is. De bovengrondse tank wordt gevuld vanuit een tankwagen, waarbij in de meeste gevallen de brandstof onder druk vanuit de tankwagen door een losslang de tank instroomt.

Een veel voorkomende standaardsituatie is de bovengrondse dieseltank bij agrarische bedrijven. De typische situatie heeft betrekking op vullen, opslag, afleveren en verwijderen.

2.2.3Kunststof bovengrondse opslagtank (atypische situatie)

Kunststof tanks zijn ongevoelig voor corrosie, echter niet ongevoelig voor veroudering. Verder is er een groter risico dat een kunststof tank bezwijkt bij brand.

2.2.4Enkelvoudige enkelwandige opslagtank (atypische situatie)

Een enkelwandige tankinstallatie behoort in een opvangbak te staan. Voorheen was dit de typische installatie. De dubbelwandige tank, genoemd in Paragraaf 2.2.2, heeft echter als voordeel dat er geen opvangbak nodig is, die vervuild kan raken of vol kan komen te staan met water, waardoor de capaciteit van de opvangbak wordt verminderd en deze als maatregel minder of niet effectief wordt.

2.2.5Enkelvoudige tankinstallatie binnen (atypische situatie)

Het risico van een installatie die inpandig is geplaatst, is hoger vanwege de grotere effecten bij brand en de lastigere bereikbaarheid voor hulpdiensten. Daarnaast is er minder ventilatie binnen, waardoor er accumulatie van dampen kan plaatsvinden, wat kan leiden tot het ontstaan van een brandbaar mengsel en/of kan zorgen voor verhoogde blootstelling van personen aan de damp. Daarom worden er aanvullende eisen gesteld voor installaties binnen ten aanzien van de beluchting en ventilatie in vergelijking met de situatie genoemd in Paragraaf 2.2.2.

2.2.6Tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties (atypische situatie)

Een voorbeeld van een voedingsinstallatie voor vloeibare brandstof is een brandstoftank die een generator of noodstroominstallatie voedt. Veelal wordt de motor van de generator of noodstroominstallatie niet direct voorzien van brandstof, maar is nabij deze motor een (bovengrondse) dagtank geplaatst die vanuit de bovengrondse tank door een pomp met een vlotter wordt gevoed.

De bovengrondse tankinstallatie is nagenoeg gelijk aan de typische installatie genoemd in Paragraaf 2.2.2. In vergelijking met de typische situaties is er geen risico op morsingen. Er bestaat echter wel het gevaar van een overloop bij een niet goed functionerende vlotter of bij slecht onderhoud van de dagtank (de dagtank kan door de fabrikant van de noodstroominstallatie worden beschouwd als onderdeel van de machine. In dat geval is niet PGS 30 maar de Machinerichtlijn van toepassing op de dagtank); de bovengrondse tank loopt helemaal leeg en de brandstof komt onbedoeld via de (defecte) dagtank vrij.

2.2.7Meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark) (atypische situatie)

Deze PGS gaat over bovengrondse opslagtanks met bijbehorende onderdelen. Meervoudige tankinstallaties in bijvoorbeeld tankenparken vallen buiten het toepassingsbereik van deze PGS. Ook de situatie waarin meerdere enkelvoudige tanks zijn gekoppeld via één verdeelstuk, valt buiten het toepassingsbereik van deze PGS. Voor het vullen van tankwagens verwijst deze PGS (in M65: Vullen tankauto) naar PGS 29 .

2.2.8Tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart (atypische situatie)

De effecten bij morsingen bij de afflevering aan vaartuigen zijn groter dan bij voertuigen, tevens is er een vergrote kans dat bijvoorbeeld een afleverslang bekneld raakt tussen de wal en het vaartuig.

2.2.9Tankinstallatie voor kerosine en petroleum (atypische situatie)

Tankinstallaties voor kerosine en petroleum komen voor bij de luchtvaart en bij sommige loonbedrijven. Kerosine en petroleum vallen onder ADR klasse 3, VG III met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C en zijn vluchtiger en brandbaarder dan diesel. Hierdoor zijn de risico’s van brand en inademing van vluchtige verbindingen groter.

2.2.10Mobiele tankinstallatie (atypische situatie)

Een mobiele tankinstallatie bestaat uit een losse tank plus afleverpomp die bijvoorbeeld op bouwplaatsen wordt ingezet. Deze installaties kennen een verhoogd gevaar voor aanrijding en het omvallen van de mobiele installatie, waarbij brandstof kan vrijkomen.

2.2.11Grootschalige aflevering (atypische situatie)

Installaties met een bovengrondse tank voor grootschalige aflevering (meer dan 25 m3 per jaar) komen onder andere voor bij transportbedrijven. In afwijking van de installaties voor kleinschalige aflevering moet een installatie voor grootschalige aflevering volgens het Bal over een vloeistofdichte vloer beschikken bij de afleverpomp. Het risico van lekkage van brandstof en verontreiniging van bodem of oppervlaktewater is namelijk groter.

2.2.12Overige situaties

De in deze PGS beschreven typische en atypische situaties zijn de meest voorkomende situaties. Er kunnen zich in de praktijk ook andere situaties voordoen waarop deze PGS van toepassing is.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

In deel C staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/ .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 30

Bij de risicobenadering van PGS 30 is onder begeleiding van een facilitator de ‘Structured What If Technique’ oftewel SWIFT-methode toegepast. De SWIFT methode is toegepast op basis van verschillende bronoorzaken.

Het team is gestart met het schetsen van een standaardsituatie, de typische situatie. Hierbij is gekeken welke onder PGS 30 vallende situatie in de praktijk het vaakst voorkomt. Van die situatie zijn de belangrijkste aspecten beschreven. De teamleden hebben daarna samen met hun achterban bekende incidenten geïdentificeerd, om zo deze daadwerkelijke scenario's in elk geval te behandelen in de risicobenadering. Daarnaast is door het team ook gekeken in openbare ongevalsdatabases naar ongevallen die bij PGS 30-tanksinstallaties hebben plaatsgevonden. Daar is telkens uitgekomen dat er geen ongevallen zijn voorgevallen die speciale aandacht verdienen en/of nog niet aan bod zijn gekomen in de geïdentificeerde scenario’s. Ook in storybuilder zijn geen relevante scenario’s aangetroffen.

Vervolgens heeft het team gestructureerd scenario's geïdentificeerd door te kijken naar verschillende activiteiten, zoals vullen, opslaan, afleveren en verwijderen, en naar verschillende oorzaken, zoals corrosie, externe impact, constructiefouten, procedurefouten.

Uit deze identificatie is een aantal relevante scenario's naar voren gekomen. De PGS-teamleden hebben de scenario's teruggekoppeld naar hun achterban met daarbij de vraag om te toetsen of de scenario's inderdaad relevant zijn en of dat er nog scenario's ontbreken.

De volgende stap bestond uit het beoordelen van de scenario's. De scenario's zijn gewaardeerd op basis van kans en effect volgens de risicomatrix uit de handreiking generieke risicobenadering. De scenario's zijn kaal beoordeeld, dus zonder inbegrip van bestaande maatregelen voortkomend uit de PGS en wet- en regelgeving. Na deze fase zijn de maatregelen door de teamleden toegevoegd aan de scenario's en is met de op dat moment geldende PGS gecontroleerd of er geen maatregelen onbedoeld zijn vergeten. Tot slot zijn de scenario's inclusief maatregelen beoordeeld en daar waar het risico onvoldoende verminderd was, zijn additionele maatregelen toegevoegd.

Naast de typische situaties is een aantal atypische situaties benoemd. Een atypische situatie is een situatie die afwijkt van de typische situatie, maar desondanks in de praktijk af en toe tot vaak voorkomt. Bij de atypische situaties zijn alleen de specifieke additionele scenario's en risico's ten opzichte van de typische situaties benoemd. Een atypische situatie is dan ook pas compleet bij een combinatie van de scenario's van de typische situaties en de atypische situaties. Het team heeft verder de werkwijze gevolgd zoals beschreven bij de typische situaties.

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt, staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 30-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare tankinstallatie. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor het veilig vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in en vanuit bovengrondse opslagtanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

4.2Scenario's voor de hele activiteit

In dit hoofdstuk zijn de scenario’s beschreven die realistisch en relevant zijn bevonden voor bovengrondse PGS 30-tankinstallaties. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de typische en de atypische scenario’s, dat wil zeggen de standaard scenario’s en de minder vaak voorkomende situaties.

De scenario’s voor de typische situatie zijn opgenomen in Paragraaf 4.3. Deze zijn van toepassing op de enkelvoudige dubbelwandige tankinstallatie met een maximuminhoud van 20 m3 vloeibare brandstof met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C (behorend tot ADR-klasse 3, VG III), zoals diesel, ten behoeve van kleinschalige aflevering. Volgens de in het Bal geldende definitie van kleinschalige aflevering: jaarlijkse doorzet minder dan 25 000 l per jaar. De scenario’s hebben betrekking op:

  • vullen van de opslagtank;
  • opslag van de brandstof;
  • aflevering van de brandstof;
  • verwijdering van de tankinstallatie.

Opmerking: De scenario’s zijn in hun volledigheid beschouwd, dat wil zeggen inclusief de bodemgerelateerde risico’s. De bodemgerelateerde risico’s zijn niet vertaald in doelen en maatregelen omdat deze al in het Bal en de NRB zijn opgenomen. Er is wel voor gekozen om doelen en maatregelen die ook van toepassing kunnen zijn voor bodemrisico's te koppelen aan de bodemscenarios's die in deze PGS voor de volledigheid zijn opgenomen.

De scenario’s voor de atypische situatie zijn opgenomen in Paragraaf 4.4 en van toepassing op:

  • kunststof bovengrondse opslagtank;
  • enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie;
  • enkelvoudige tankinstallatie binnen;
  • tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark);
  • tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart;
  • tankinstallatie voor kerosine of petroleum;
  • mobiele tankinstallatie;
  • grootschalige aflevering (jaarlijkse doorzet meer dan 25 000 l (zie Bal voor actuele volumegrens)).

Deze scenario’s komen bovenop de scenario’s voor de typische situatie van Paragraaf 4.3. Naast de in Paragraaf 4.4 genoemde scenario’s gelden voor de atypische situaties dus ook de scenario’s uit Paragraaf 4.3, tenzij expliciet benoemd van niet.

4.3Scenario’s voor de typische situatie

Scenario van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens vullen, opslag, aflevering en verwijdering
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens vullen
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens opslag

Opmerking: De scenario’s S10, S11, S15 en S23 met betrekking tot bodemverontreiniging zijn relevant binnen het toepassingsgebied van PGS 30 en zijn voor de volledigheid van de risicobenadering weergegeven. In tegenstelling tot vorige versies zijn de maatregelen voor bodembescherming niet opgenomen in PGS 30. De bodembeschermende maatregelen zijn nu te vinden in het Bal. Er is wel voor gekozen om doelen en maatregelen die ook van toepassing kunnen zijn voor bodemrisico's te koppelen aan de bodemscenarios's die in deze PGS voor de volledigheid zijn opgenomen.

Scenario’s van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens afleveren
Scenario van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties voor diesel tijdens verwijderen

4.4Extra scenario’s voor de atypische situatie

Scenario van toepassing op kunststof bovengrondse opslagtank
Scenario van toepassing op enkelvoudige, enkelwandige opslagtank
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige opslagtank, binnen
Scenario van toepassing op tankinstallatie voor vloeibare brandstofvoeding van installaties
Scenario van toepassing op meervoudige tankinstallaties in tankenpark (industrie)
Scenario’s van toepassing op aflevering (diesel) aan pleziervaart
Scenario’s van toepassing op tankinstallatie voor aflevering van kerosine en petroleum

Toelichting: Bepaalde ongewenste gebeurtenissen zoals terrorisme en neerstortende vliegtuigen worden in de regel niet meegenomen in het opstellen van scenario’s voor PGS’en Nieuwe Stijl. Echter, in de atypische situatie in deze paragraaf beschreven tankinstallaties voor aflevering van kerosine (op vliegvelden) is er een verhoogde kans op neerstortende vliegtuigen. Bij de opstelling van een tankinstallatie behoort daarmee rekening te worden gehouden.

Scenario’s van toepassing op mobiele tankinstallatie

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) en met Brandpreventie(Brandpreventie en -mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).

In deel B staan eerst de doelen in en daarna maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit.

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Normatief

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks in paragraaf 4.93. In deze paragraaf staat dat bij het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.93 te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie.

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij opslaan van brandbare vloeistoffen van diesel, oxiderende, bijtende of aquatoxische vloeistoffen of oliën, vetten of pekel in bovengrondse opslagtanks in paragraaf 4.94. Deze paragraaf verwijst niet naar deze PGS-richtlijn, maar bevat wel regels die relevant zijn voor PGS 30-gebruikers, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat op grond van bodembescherming.

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij kleinschalig tanken in paragraaf 4.39. In deze paragraaf staat dat bij het kleinschalig tanken moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.39 te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie.

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij grootschalig tanken in paragraaf 4.40. In deze paragraaf staat dat bij het grootschalig tanken moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.40 te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van de paragrafen 4.39, 4.40 en 4.93 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van de paragrafen 4.39, 4.40 en 4.93 van het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (Omgevingsveiligheid of Brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (Rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS

In artikel 3.26 van het Bal is het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks aangewezen als een milieubelastende activiteit als de activiteit niet als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.25, eerste lid, onder f. Op grond van artikel 3.26 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.93. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

In de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal is kleinschalig tanken aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is geen omgevingsvergunning nodig. Op grond van de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.39. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

In de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal is grootschalig tanken aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is geen omgevingsvergunning nodig. Op grond van de artikelen 3.95, 3.109, 3.116, 3.120, 3.126, 3.132, 3.138, 3.142, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.266, 3.270, 3.274, 3.278, 3.283, 3.287, 3.290, 3.294, 3.295c, 3.298, 3.306, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.40. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

Omgevingsveiligheid/Bal
Om aan de artikelen 4.495, 4.507 en 4.916 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

M2, M3, M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M71, M72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95, M96, M97, M98, M99, M100, M101, M102, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, M110, M111, M112, M113, M114, M115, M116, M117

5.2.3Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in bovengrondse opslagtanks zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in paragraaf 4.93 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.2.4Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen, gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 9. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet .

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 9 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

M2, M3, M4, M6, M9, M10, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, MW41, M42, M44M45, M46, M48, M49, M52, M53, M55, M57, M60, M61, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M71, M72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M96, M100, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, , M111, M112, M113, M115, M116, M117, M122

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

6Doelen Normatief

6.1Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig vullen, opslaan, afleveren van vloeibare brandstoffen in bovengrondse tanks en het verwijderen van bovengrondse opslagtanks. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid en Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid: Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

Brandpreventie: Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

Arbeidsveiligheid: Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

Rampenbestrijding: Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

7.2Explosieve atmosferen

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex .

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones overeenkomstig volgens Tabel 1.

Tabel 1Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij de tankinstallatie

Als gevolg van het vrijkomen van diesel, kerosine of petroleum kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Interne Veiligheidsafstanden

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.3Basisveiligheid

7.4Maatregelen voor typische situatie

7.4.1Algemeen

De maatregelen in deze paragraaf zijn van toepassing op enkelvoudige dubbelwandige tankinstallaties tijdens vullen, opslag, afleveren en verwijderen. De maatregelen voor typische situaties situaties genoemd inParagraaf 7.4 gelden voor alle (typische en atypische) situaties met uitzondering van M3. In moet M73 getroffen worden in plaats van M3. De maatregelen voor atypische situaties genoemd in zijn alleen van toepassing voor atypische situaties.

Opmerking 1: Voor activiteiten met dieseltankinstallaties zijn de doelen en maatregelen voorzien van de Arbeidsveiligheid gekoppeld aan de Arbeidsomstandighedenwet. In het Bal wordt voor activiteiten met dieseltankinstallaties niet verwezen naar PGS 30. Dit betekent dat voor dieseltanksinstallaties doelen en maatregelen voorzien van Brandpreventie en/of Omgevingsveiligheid niet gekoppeld zijn aan het Bal. In het Bal zelf staan wel maatregelen opgenomen met betrekking tot bodem en water, waaronder het voor een bovengrondse opslagtank inclusief toebehoren verplichte BRL SIKB 7800-installatiecertificaat.

7.4.2Het installeren van de tankinstallatie en het aanbrengen van beschermende constructies

7.4.3Algemene voorschriften tankinstallatie in bedrijf

7.4.4Het vullen van de tank

7.4.5Het afleveren van brandstoffen

7.4.6Het buiten gebruik stellen van opslagtanks

7.4.7Veiligheidsmaatregelen

7.4.8Interne veiligheidsafstanden voor uitpandige enkelwandige en dubbelwandige stalen en kunststof opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C

De interne veiligheidsafstanden voor uitpandige enkelwandige en dubbelwandige stalen en kunststof opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt > 55 °C en ≤ 100 °C zijn niet gekoppeld aan wetgeving. Het PGS 30-team heeft hiervoor wel interne afstanden vastgesteld. Deze zijn terug te vinden in Hoofdstuk 8. Het wordt de gebruiker aanbevolen om de interne afstanden uit dat hoofdstuk toe te passen, maar het is niet verplicht.

Gemeenten kunnen onder de Omgevingswet in het Omgevingsplan additionele maatregelen opnemen om de omgeving te beschermen. Het is mogelijk dat de interne afstanden uit Hoofdstuk 8 worden opgenomen in Omgevingsplannen.

7.5Maatregelen voor atypische situatie

7.5.1Algemeen

In deze paragraaf zijn de maatregelen voor de atypische situatie beschreven. Dit betreft:

  • kunststof opslagtanks;
  • enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie;
  • enkelvoudige tankinstallatie binnen;
  • tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark);
  • tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart;
  • tankinstallatie voor kerosine en petroleum;
  • mobiele tankinstallatie.

De maatregelen zijn aanvullend op de maatregelen die voor de typische situatie gelden, tenzij expliciet is aangegeven dat dit niet het geval is. Een atypische situatie is dus pas compleet bij een combinatie van maatregelen van de typische situatie en die van de atypische situatie.

7.5.2Maatregelen van toepassing op kunststof opslagtanks

7.5.3Maatregelen van toepassing op enkelvoudige enkelwandige tankinstallatie voor dieselopslag

7.5.4Maatregelen van toepassing op enkelvoudige tankinstallatie binnen

Toelichting: Indien er sprake is van een kunststoftank binnen, dan behoren tevens de maatregelen uit Paragraaf 7.5.2 te worden toegepast.

7.5.5Maatregelen van toepassing op tankinstallatie voor vloeibare brandstofvoeding van installaties

7.5.6Maatregelen van toepassing op meervoudige tankinstallaties industrie (in tankenpark)

7.5.7Maatregelen van toepassing op tankinstallatie voor aflevering aan pleziervaart

7.5.8Maatregelen van toepassing op tankinstallaties voor kerosine en petroleum

7.5.9Interne veiligheidsafstanden voor uitpandige opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C

Het ontstaan van een plasbrand waarbij de tankinstallatie zelf de bron is van warmtestraling, wordt in de context van PGS 30 voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C als reëel geacht. Het scenario dat de opslagtank van buitenaf wordt aangestraald is eveneens reëel voor vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C. Daarom staat in deze paragraaf een aantal maatregelen genoemd voor opslagtanks met vloeibare brandstoffen met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C en een effectief brandend oppervlak van de opvangvoorziening groter dan 5 m2.

Opmerking: Een compleet overzicht van interne veiligheidsafstanden en overige maatregelen voor een veilige opstelling is terug te vinden in Bijlage C.

Tabel 2Warmtestralingscontouren

Afstand tot rand plasbrand m

Diameter plasbrand m

10 kW/m2

15 kW/m2

2,5

9,8

8,6

55,413,5
7,519,517,1
1022,819,5
12,525,4 20,2
1527,319,5
17,528,6 18,8

Toelichting: Tabel 2 is berekend met Safeti. De belangrijkste stof in PGS 30 met een vlampunt ≥ 23 °C en ≤ 55 °C is kerosine. Echter, deze stof zit niet in de database van Safeti. Daarom is als voorbeeldstof n nonane gebruikt met een vlampunt van 31 °C. Het gehanteerde scenario voor de berekening is een plasbrand. De afstanden zijn berekend vanuit het middelpunt van een cirkelvormige plasbrand.

7.5.10Maatregelen van toepassing op mobiele tankinstallaties

In deze paragraaf staan maatregelen benoemd van toepassing op mobiele tankinstallaties die worden gebruikt op een tijdelijke locatie (zoals bijvoorbeeld op bouwterreinen). In tegenstelling tot de andere atypische situaties, beschrijft deze paragraaf het geheel aan maatregelen dat nodig is om de risico’s van dit type installaties te voorkomen dan wel beperken. Bij andere atypische situaties zijn de maatregelen aanvullend ten opzichte van de typische situaties.

Opmerking: Voor activiteiten met dieseltankinstallaties zijn de doelen en maatregelen voorzien van Arbeidsveiligheid gekoppeld aan de Arbeidsomstandighedenwet. In het Bal wordt voor activiteiten met dieseltankinstallaties niet verwezen naar PGS 30. Dit betekent dat voor dieseltanksinstallaties doelen en maatregelen voorzien van Brandpreventie en/of Omgevingsveiligheid niet gekoppeld zijn aan het Bal. In het Bal zelf staan in paragraaf 4.94 wel maatregelen voor dieseltankinstallaties met betrekking tot bodem en water.

Algemeen
Koppeling van de mobiele installatie

M103 t/m M106 gelden alleen indien een mobiele installatie volgens BRL K744 wordt gekoppeld met een aggregaat of warmtevoorziening.

Constructie tank en toebehoren
Gebruik van de installatie
Keuring, herkeuring en onderhoud
Brandveiligheid