40Installaties voor de productie van waterstof door elektrolyse
Een PGS-richtlijn
Een PGS-richtlijn is een document over de veilige opslag en de bijbehorende activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid van werknemers, de veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS-richtlijn genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.
Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Daar staan ook de actuele publicaties.
PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis
In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.
De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:
- de wettelijke kaders;
- de risicobenadering met de scenario's;
- de doelen;
- maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn
Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:
- Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
- Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
- Brand- en rampenbestrijding (Rampenbestrijding).
Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:
- Omgevingsveiligheid: het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.
- Arbeidsveiligheid: het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.
- Brand- en rampenbestrijding: het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.
Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn
Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. In Bijlage F staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.
Het PGS-team is onderdeel van de PGS-beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het PGS-programmabureau en de PGS-adviescommissie. De PGS-stuurgroep stuurt de PGS-beheerorganisatie aan. In de PGS-stuurgroep zijn vertegenwoordigd: IPO, VNG, Brandweer Nederland, Nederlandse Arbeidsinspectie, VNO-NCW en MKB-Nederland.
De Nederlandse Arbeidsinspectie maakt onderdeel uit van de PGS-stuurgroep, maar heeft in verband met hun rol in de uitvoeringspraktijk, bij de totstandkoming in het PGS-team en bij de vaststelling van de PGS-richtlijnen in de PGS-stuurgroep een consulterende rol. Zij nemen op die punten geen deel aan de bijbehorende besluitvorming.
Het Bestuurlijk Omgevingsberaad vergunningverlening, toezicht en handhaving (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS-beheerorganisatie.
Status van PGS-richtlijnen
De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:
- Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
- Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
- Omdat de PGS-richtlijnen de stand der wetenschap en professionele dienstverlening beschrijven, vormen zij voor de Nederlandse Arbeidsinspectie een goed uitgangspunt voor toezicht en handhaving. De Nederlandse Arbeidsinspectie bindt zich in haar toezicht op de onderdelen van de PGS-richtlijn die ze in haar zienswijze aanvaardt. Waar de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie afwijkt van voorgenomen publicatie, wordt de zienswijze in zijn geheel en in het informatieve deel opgenomen (zie Bijlage G). De Nederlandse Arbeidsinspectie kan in de uitoefening van het toezicht een aanvullende voorziening eisen.
- De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
- De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen.
Deze PGS-richtlijn is door de PGS-stuurgroep goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: [datum].
Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: [datum].
De voorzitter van de PGS-stuurgroep,
P. Heij
Leeswijzer
Indeling PGS-richtlijn
De PGS-richtlijn heeft hoofdstukken en een aantal bijlagen. Als de inhoud van een hoofdstuk, paragraaf of bijlage normatief is, is dat aangegeven. Als er niets bij staat, betekent het dat de tekst informatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS-richtlijn wordt voldaan aan de in deze PGS-richtlijn opgenomen doelen.
Inleidende onderwerpen
De eerste vier hoofdstukken bevatten informatie over de installatie voor de productie van waterstof door elektrolyse, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.
- Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
- Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
- Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over het proces, de technieken van elektrolyse en de gevaren van waterstof en zuurstof.
- Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
- Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's. Bij elk scenario is aangegeven met welke doelen het scenario voorkomen of beperkt kan worden en welke maatregelen daarvoor nodig zijn.
Doelen en maatregelen
Hoofdstukken 5 t/m 7 zijn normatief. Daarin staan het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om scenario’s met een hoog- en middelhoog risico te voorkomen en beperken.
- Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
- Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel en voor welke scenario's ze bedoeld zijn.
- Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft. In Paragraaf 7.1 staat de leeswijzer voor de maatregelen.
Informatie bij implementatie
De overige hoofdstukken zijn informatief. Deze hoofdstukken geven extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in de normatieve hoofdstukken thuishoort, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn.
Dit informatieve deel van deze richtlijn bevat aanvullende informatie over gelijkwaardige maatregelen (Hoofdstuk 8).
Bijlagen
Deze PGS-richtlijn bevat bijlagen. De teksten in de hoofdstukken kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Als een bijlage normatief is, staat dat aangegeven.
Informatiebronnen
In deze PGS-richtlijn worden wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage A. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of te verkrijgen zijn.
1Inleiding
1.1Doel van de richtlijn
Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van de installatie voor de productie van waterstof door elektrolyse te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van de scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens de maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.
1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief
PGS 40 is van toepassing op een installatie voor de productie van waterstof door elektrolyse van watermoleculen (hierna: installatie). Bij elektrolyse worden watermoleculen, onder invloed van elektrische spanning, gesplitst in waterstof en zuurstof.
Onderdeel van de installatie voor de productie van waterstof zijn in elk geval de elektrolyser (inclusief separatoren), de nabehandeling, het buffervat, de compressor, de aangesloten opslag van het geproduceerde waterstof en zuurstof, en procesleidingen en appendages. Ook het vullen van een mobiele opslagvoorziening is onderdeel van de installatie. Een vereenvoudigd voorbeeld van de installatie staat in afbeelding 1.
Voor de productie van waterstof zijn er verschillende typen elektrolysers. Deze zijn gebaseerd op de volgende technieken:
- alkaline water elektrolysis (AWE)
- proton exchange membrane (PEM)
- anion exchange membrane (AEM)
- solid oxide electrolyser cell (SOEC)
Deze richtlijn is van toepassing op alle installaties met deze technieken voor de elektrolyse van watermoleculen. Deze vier technieken zijn beschreven in Hoofdstuk 2.
De productie van waterstof door elektrolyse gebeurt zowel op grote industriële schaal als op kleinere schaal. Het kan gaan om bemande en onbemande installaties.
Deze richtlijn is van toepassing op een installatie waarin in totaal meer dan 1 kg waterstof aanwezig kan zijn (opslag is onderdeel van de installatie). Deze ondergrens van 1 kg is gebaseerd op het RIVM rapport 'Effecten van waterstofexplosies'. Uit dit rapport blijkt dat de effecten van waterstofexplosies bij een hoeveelheid van 1 kg beperkt zijn. Bij een explosie van 1 kg waterstof kan op maximaal 35 meter lichte schade ontstaan. Deze afstand gaat uit van het vrijkomen van een geclusterde hoeveelheid van 1 kg waterstof. Omdat de waterstof verspreid in de installatie aanwezig is, zal de effectafstand kleiner zijn.
Tot een hoeveelheid van maximaal 1 kg waterstof is deze PGS-richtlijn niet van toepassing. Bij een hoeveelheid van maximaal 1 kg gaat het bijvoorbeeld om laboratoriumopstellingen. Hiervoor geldt onder andere de Arbowetgeving.
Afbeelding 1 – Vereenvoudigd voorbeeld installatie
De volgende activiteiten vallen buiten het toepassingsbereik van deze richtlijn:
- elektrolyse van een andere stof dan watermoleculen;
- omzetten wisselspanning naar gelijkspanning;
- een proces om zuiver water te maken;
- het omzetten van gasvormig waterstof in vloeibaar waterstof;
- de opslag van vloeibaar waterstof;
- de afvoer van waterstof via transportleidingen;
- andere activiteiten met zuurstof dan de opslag van zuurstof (zoals compressie, reinigen, vloeibaar maken, verladen, transporteren);
- de opslag van waterstof die niet is aangesloten op de installatie.
Breed toepassingsbereik
Deze PGS-richtlijn heeft een breed toepassingsbereik. Het gaat zowel over kleine als hele grote installaties. Ook gaat het om kant-en-klare units en op de locatie samengestelde installaties. De techniek is nog volop in ontwikkeling. Er is nog te weinig praktijkervaring om onderscheid te maken in deze verschillende installaties (typicals). Daarom is in deze PGS-richtlijn een maatregel opgenomen die een risicoanalyse verplicht stelt voor degene die de activiteit verricht (M10). Afhankelijk van de installatie zal deze risicoanalyse meer of minder uitgebreid zijn. Bij een kant-en-klare unit zal de fabrikant deze risicoanalyse hebben uitgevoerd. Dit brede toepassingsbereik, zonder typicals, is afwijkend van andere PGS-richtlijnen.
Emissies naar bodem, water en lucht
Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem, maar de gevaarlijke stoffen kunnen ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.
De richtlijn gaat niet in op de aanpak die nodig is om tot beheersing van de gevaren voor de gezondheid op de lange termijn te komen.
1.3Relatie met wet- en regelgeving
Wettelijke basis
Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.
In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving.
Direct werkende wetten en regels
Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage B bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.
Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen (in oranje kaders) waar een bedrijf al aan moet voldoen op grond van andere wetten en regels. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.
Deze maatregelen hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen.
Richtlijn industriële emissies
Op 15 juli 2024 is een wijziging van de Europese Richtlijn industriële emissies (RIE) gepubliceerd. Hierin is elektrolyse voor de productie van waterstof aangewezen als ippc-installatie als de productiecapaciteit meer is dan 50 ton per dag (capaciteit van ongeveer 100 MW). De richtlijn geldt voor alle lidstaten van de Europese Unie. Lidstaten moeten binnen twee jaar deze wijziging van de RIE implementeren in nationale wetgeving.
1.4Bestaande activiteiten
In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening. De maatregelen gelden zowel voor bestaande als voor nieuwe activiteiten. Er zijn geen specifieke implementatietermijnen gesteld voor bestaande installaties. Deze PGS-richtlijn beschrijft de stand van de techniek.
De verwachting is dat bestaande situaties voldoen aan de maatregelen. Als een bestaande situatie nog niet voldoet aan een maatregel, dan moet degene die de activiteit verricht zorgen dat de activiteit alsnog aan de maatregelen voldoet. De termijn hiervoor verschilt per situatie en de toezichthouder bepaalt deze termijn.
1.5Gebruik van normen
Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN of ISO), een ander normdocument of een andere specificatie, dan gaat het om de publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die luidde op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn.
Normen, zoals NEN, EN, ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste editie moeten voldoen, dan kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. In deze PGS-richtlijn staat daarom ook een jaartal bij elke verwijzing naar een norm. Het gaat om de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- en correctiebladen. Dat betekent dat die norm blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.
Uitzondering voor normen via andere wetten en regels
Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar een norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Bepalend voor deze normen is de editie die in die wetten en regels staat.
Specifieke normen waterstofelektrolyse
In ISO 22734-1 staan veiligheidseisen voor waterstofgeneratoren die elektrochemische reacties gebruiken voor elektrolyse van water om waterstof te produceren.
De NTA 8221 geeft eisen voor de veilige productie van waterstof door elektrolyse (AWE en PEM) voor industrieel gebruik. Deze NTA gaat over procesveiligheid en specifiek over de technische en de organisatorische veiligheidsaspecten die daar direct mee samenhangen. Arbeidsveiligheid valt buiten het toepassingsgebied van deze NTA.
2Beschrijving van de installatie
2.1Inleiding
Dit hoofdstuk bevat informatie over het proces in de installatie voor de productie van waterstof door elektrolyse van water [hierna: installatie] en de vier technieken van elektrolyse. Daarnaast staat in dit hoofdstuk informatie over de gevaren van waterstof en zuurstof in relatie tot de productie van waterstof.
De productie van waterstof brengt risico’s met zich mee. De grootste risico’s treden op als gevolg van het ongecontroleerd vrijkomen van waterstof of zuurstof en het onbedoeld met elkaar in contact komen van deze stoffen. Het ongecontroleerd vrijkomen van waterstof of zuurstof vindt plaats vanuit de installatie. Het onbedoeld in contact komen van waterstof met zuurstof gebeurt vooral intern in de stack en de separatoren.
De effecten zijn vooral afhankelijk van de hoeveelheid waterstof en zuurstof, de druk en de temperatuur waarbij waterstof en zuurstof vrijkomen.
2.2Het proces binnen de installatie
Bij elektrolyse wordt water, onder invloed van elektrische spanning, ontleed in waterstof (H2) en zuurstof (O2). De waterstof zet zich af op de kathode, terwijl zuurstof zich vormt op de anode. Om de elektrische lading te kunnen uitwisselen, wordt gebruik gemaakt van een geleidend membraan of diafragma.
De basiseenheid van een elektrolyser is de cel waar de elektrolyse plaatsvindt. De cel bestaat uit een membraan of diafragma met daarop aangebrachte elektrodes (anode en kathode). Deze zitten ingekapseld tussen twee metalen of kunststof platen, waarlangs water of elektrolyt wordt gevoerd. Het geheel staat onder elektrische spanning en soms ook onder mechanische druk. Een elektrolyser kan bestaan uit meerdere cellen die elk afzonderlijk de elektrolyse kunnen uitvoeren. Meerdere cellen vormen samen een stack, maar een stack kan ook bestaan uit één cel.
Het gas-vloeistofmengsel uit de stack wordt in twee separatoren gescheiden, één voor zuurstof en één voor waterstof. Het is mogelijk om elke stack apart te voorzien van separatoren, maar meerdere stacks kunnen ook zijn aangesloten op dezelfde separatoren.
Nabehandeling
Bijna altijd wordt de waterstof nabehandeld. Een voorbeeld van een nabehandeling is de verwijdering van zuurstof of water. Het gaat dan om waterdamp of waterdruppels waarin elektrolyt aanwezig kan zijn. Dit is nodig om de kwaliteit van het waterstof te borgen. Een dergelijke nabehandeling voorkomt ook dat een explosief mengsel ontstaat in het leidingwerk. De vereiste kwaliteit van waterstof is afhankelijk van het gebruik. Hiervoor zijn verschillende normen.
Compressie
Een compressor brengt het geproduceerde waterstof onder druk (comprimeren). Het doel van compressie is:
- compensatie van drukverlies door transport;
- gecomprimeerd waterstof vraagt minder ruimte voor opslag en transport.
Afhankelijk van de noodzakelijke drukverhouding, waterstofkwaliteit en het noodzakelijke regelbereik zijn verschillende typen compressoren (compressietechnieken) beschikbaar.
Opslag en transport
De geproduceerde waterstof kan worden opgeslagen in bijvoorbeeld een opslagtank of een mobiele opslagvoorziening, zoals een tankwagen of flessenbatterij. De geproduceerde waterstof kan ook met leidingen worden afgevoerd. Dit geldt ook voor zuurstof. In de praktijk wordt zuurstof vaak afgeblazen, behalve als het in de directe omgeving kan worden gebruikt.
Het vullen van een tankwagen gebeurt in een zogenoemd ‘waterstofvulcentrum’ (Bijlage D). Het proces omvat het ontvangen van waterstof, het comprimeren ervan tot de noodzakelijke druk en het vervolgens in de tankwagen doseren voor distributie. Een doseersysteem regelt de vulling van de tankwagen. Zodra de tankwagen tot de gewenste druk is gevuld, stopt de vulling en wordt de tankwagen losgekoppeld van het vulsysteem. Het vullen van een flessenbatterij gebeurt op vergelijkbare wijze.
Afblazen en affakkelen
De installatie is voorzien van afblaasvoorzieningen. Dit zijn veiligheidsvoorzieningen met als doel om de installatie drukloos te maken en gevaar voor explosie weg te nemen. Als bijvoorbeeld de druk in de installatie te hoog wordt, wordt het teveel aan waterstof afgeblazen (ook ‘venten’ genoemd). Afblazen gebeurt ook tijdens opstarten en afschakelen en om de installatie gasvrij te maken. Bij het afblazen kan de keuze worden gemaakt om tijdens het afblazen de waterstof bewust te ontsteken (affakkelen).
Zuurstof wordt meestal afgeblazen, behalve als het in de directe omgeving kan worden gebruikt.
Gebruik stikstof
Bij (onderhouds)werkzaamheden wordt stikstof gebruikt voor het spoelen van leidingen of onderdelen van de installatie. Daarnaast wordt stikstof gebruikt voor het veilig stellen van de installatie bij het opstarten en afschakelen. Hiervoor kan bijvoorbeeld een opslagtank voor stikstof of een gasfles op de locatie aanwezig zijn. In PGS 9 en PGS 15 staan eisen voor een opslag van stikstof.
2.3Technieken van elektrolyse
Bij elektrolyse worden watermoleculen, onder invloed van elektrische spanning, gesplitst in waterstof (H2) en zuurstof (O2). Waterstof vormt zich op de kathode, terwijl zuurstof zich vormt op de anode. Om de elektrische lading te kunnen uitwisselen, wordt er gebruikgemaakt van een geleidend membraan of een elektrolyt.
Er zijn verschillende typen elektrolysers, gebaseerd op de volgende technieken: Alkaline Water Elektrolysis (AWE), Proton Exchange Membrane (PEM) , de Anion Exchange Membrane (AEM) en de Solid Oxide Electrolyser Cell (SOEC). De belangrijkste kenmerken staan indicatief in Tabel 1.
Tabel 1 – Belangrijkste kenmerken van 4 technieken voor elektrolyse
AWE | PEM | AEM | SOEC | |
procestemperatuur | 40-90 °C | 50-80 °C | 40-60 °C | 600-850 °C |
procesdruk | < 30 bar | < 70 bar | < 35 bar | < 10 bar |
voeding | circa 20-30 m% KOH of NaOH | zuiver water | circa 1 m% KOH of NaOH | zuiver water (stoom) |
Alkaline Water Elektrolysis
Bij Alkaline Water Elektrolysis (AWE) worden de zuurstofkant (anode) en waterstofkant (kathode) van de cel gescheiden door een dun diafragma. Dit diafragma zit in een cel gevuld met elektrolyt. Het elektrolyt is meestal een oplossing van kaliumhydroxide (KOH) of natriumhydroxide (NaOH). De elektrolyse vindt plaats bij temperaturen tussen 40 en 90 ℃.
De AWE-elektrolyser gebruikt een vloeibaar alkalisch elektrolyt om bij de kathode watermoleculen te splitsen in waterstof en hydroxide-ionen. Deze ionen worden door het diafragma doorgelaten en reageren bij de anode tot water en zuurstof. Zowel bij de kathode als de anode vindt een elektrochemische reactie plaats:
- kathode: 4H2O + 4e- → 2H2 + 4OH-
- anode: 4OH- → O2 + 2H2O + 4e-
De totale reactie is: 2H2O → 2H2 + O2.
De KOH in het elektrolyt wordt niet verbruikt, maar telkens opnieuw gebruikt. Alleen het water wordt verbruikt. Er is dan ook geen toevoer van KOH nodig. Alleen bij onderhoud kan tijdelijk een buffertank nodig zijn. Water moet wel worden toegevoegd, dit kan continu of in batches. Aan het elektrolyt kunnen stoffen worden toegevoegd voor een beter rendement.
Proton Exchange Membrane
Een proton exchange membrane (PEM) elektrolyser gebruikt een polymeer membraan dat alleen waterstofionen doorlaat. Het membraan zorgt ervoor dat water bij de anode wordt gesplitst in zuurstof, waterstofionen (protonen) en elektronen. De waterstofionen en elektronen bereiken hierna de kathode en worden omgezet in waterstof.
Zowel bij de anode als de kathode vindt een elektrochemische reactie plaats:
- anode: 2H2O → 4H+ + O2 + 4e-
- kathode: 4H+ + 4e- → 2H2
De totale reactie is: 2H2O → 2H2 + O2.
De PEM-elektrolyser kan onder hogere druk werken en is daardoor compacter dan een alkaline elektrolyser. De PEM-cel werkt onder zure omstandigheden. Dit stelt eisen aan de te gebruiken materialen. Er zijn metalen uit de platinagroep nodig als katalysatoren en titanium bipolaire platen vanwege de zeer zure omgeving.
Anion Exchange Membrane
De anion exchange membrane (AEM) elektrolyser gebruikt een membraan dat alleen hydroxide-ionen doorlaat. De AEM-elektrolyser werkt met een halfcelopstelling. De halfcelopstelling zorgt ervoor dat de waterstof en zuurstof worden geproduceerd onder een druk van respectievelijk 35 bar en 1 bar. Het drukverschil tussen de halfcellen vermindert het transport van geproduceerde zuurstof naar de hogedruk-halfcel. Het elektrolyt circuleert alleen in de anode-halfcel en bevochtigt het membraan, terwijl de kathodezijde droog blijft.
Zowel bij de kathode als de anode vindt een elektrochemische reactie plaats:
- kathode: 4H2O + 4e- → 2H2 + 4OH-
- anode: 4OH- → O2 + 2H2O + 4e-
De totale reactie is: 2H2O → 2H2 + O2.
De AEM-elektrolyser heeft een mild alkalische omgeving zodat geen platinametalen katalysatoren nodig zijn. Stalen platen voldoen.
Solid Oxide Elektrolyser Cell
Een solid oxide elektrolyser cell (SOEC) is een elektrochemische cel die stoom omzet in waterstof en zuurstof. De SOEC-elektrolyser bestaat uit twee poreuze elektroden die van elkaar gescheiden zijn door een keramisch membraan dat alleen zuurstofionen doorlaat. Stoom wordt bij de poreuze kathode omgezet in waterstof- en zuurstofionen onder opname van elektronen. Door het potentiaalverschil worden de zuurstofionen door het membraan naar de poreuze anode getransporteerd, waar zuurstof wordt gevormd met de afgifte van elektronen.
Zowel bij de anode als de kathode vindt een elektrochemische reactie plaats:
- kathode: 2H2O → 4H+ + O2 + 4e-
- anode: 4H+ + 4e- → 2H2
De totale reactie is: 2H2O → 2H2 + O2.
Een SOEC-elektrolyser werkt bij hoge temperaturen, meestal tussen 600 en 850 ºC. De temperatuur is nodig om voldoende zuurstofiongeleiding te hebben. Door de hogere temperatuur is de efficiëntie hoog, waardoor er minder stroom nodig is (lagere load).
De hoge temperatuur vereist wel een langere opstarttijd. Daarnaast moeten de materialen geschikt zijn voor hoge temperatuur.
Cross-over
Cross-over van gassen is het fenomeen bij elektrolyse waarbij waterstof in de zuurstofkant voorkomt en andersom. Dit geeft een bepaalde concentratie van waterstof aan de zuurstofkant en zuurstof aan de waterstofkant. Cross-over gebeurt altijd in een bepaalde mate in de elektrolyser door:
- transport door het membraan of diafragma door diffusie of drukverschil;
- menging via de egalisatieleiding;
- uit oplossing komen van waterstof uit het elektrolyt aan de zuurstofkant en andersom.
Bij bepaalde omstandigheden kan cross-over leiden tot een situatie waarbij een explosief mengsel ontstaat. Oorzaken hiervan kunnen zijn:
- Het membraan of diafragma faalt door bijvoorbeeld: drukverschil, hotspots, productiefouten, degradatie, hoge of lage temperatuur, slechte kwaliteit van het voedingswater.
- Een te lage stroomsterkte (load) en daarmee een lage gasproductie geeft een grotere kans op een explosief mengsel omdat er dan in verhouding veel zuurstof aan de waterstofkant zit en andersom.
- Bij te veel stroom loopt de temperatuur op en kunnen er lokaal hotspots in het membraan of diafragma ontstaan. Deze hotspots kunnen tot beschadigingen leiden waarbij er cross-over kan plaatsvinden.
- Bij lekstromen ontstaat er waterstof of zuurstof aan de verkeerde kant in de cel.
2.4Gevaren van waterstof
Waterstof is een kleurloos, geurloos en zeer licht ontvlambaar gas. Waterstof is lichter dan lucht (relatieve dichtheid van 0,0695 ten opzichte van lucht). De zelfontbrandingstemperatuur is 560-585 °C. De ontstekingsconcentratie in lucht bevindt zich in een volumepercentage van 4% tot 75%. De diffusiecoëfficiënt in lucht is 0,61 cm³/s. De ontstekingsenergie van waterstof is 0,017 mJ bij 30 vol% in lucht. Waterstof in zuivere zuurstof geeft een verlaagde ontstekingsenergie en een ruimere explosiegrens.
Deze eigenschappen zorgen ervoor dat een mengsel van waterstof en lucht makkelijk ontsteekt. Afhankelijk van de druk en de uitstroomsnelheid kan een mengsel van waterstof en lucht ontstaan dat ontsteekt met als gevolg een fakkelbrand. Ophoping van waterstof met lucht kan bij ontsteking leiden tot een explosie of detonatie. Bij een volumepercentage van 18% tot 59% is er risico op detonatie. In een explosieve wolk kan een deflagratie-detonatie transitie (DDT) ontstaan.
Diffusie
Door de kleine omvang van het molecuul kan waterstof in materialen diffunderen en zich ophopen bij microdefecten. Dit verhoogt de kans op degradatie (verbrossing) en lekkage als niet de juiste keuze is gemaakt voor de gebruikte materialen. Bij gebruik van materialen die geschikt zijn voor waterstof, zijn degradatie en lekkage door diffusie geen reële gevaren.
Lichter dan lucht
Waterstof zal op korte afstand (in de uitstroomrichting) van een lekpunt met de omgevende lucht mengen en gedurende de lekkage kan een brandbare of explosieve wolk ontstaan. De hoge diffusiecoëfficiënt zorgt dat waterstof in een open ruimte zich snel zal vermengen en daarmee verdunnen met lucht.
Wanneer waterstof in een geheel of gedeeltelijk besloten ruimte vrijkomt, dan zal het zich verzamelen in het hoogste punt. Dan bestaat het risico dat een brand of explosie plaatsvindt als opgehoopt waterstof in een besloten ruimte ontsteekt.
Ontstekingskans
Om een mengsel van waterstof en lucht te ontsteken, is slechts een kleine hoeveelheid energie nodig (0,017 mJ). Bovendien kan een mengsel van waterstof en lucht over een zeer breed bereik ontsteken (volumepercentage van 4% tot 75%).
Bij een concentratie van 10 vol% of minder is de ontstekingskans van waterstof vergelijkbaar met die van aardgas. Bij hogere concentraties neemt de ontstekingskans van waterstof snel toe doordat de ontstekingsenergie veel lager wordt (0,017 mJ). De wrijving van kledingstukken kan al voldoende zijn om deze kleine hoeveelheid energie op te wekken. Die lage ontstekingsenergie geldt bij 30 vol%.
Waterstofbrand
Een waterstofbrand is niet goed door de mens waar te nemen.
Een waterstofvlam is een kleurloze, nauwelijks zichtbare vlam die alleen in een donkere omgeving te zien is. In de praktijk zullen bij waterstofbranden vaak (stof)deeltjes uit de omgeving mee branden. Die maken de vlam beter zichtbaar.
De vlam is heel heet, maar geeft vrijwel geen warmtestraling. De warmtestraling die een waterstofvlam uitstraalt, is laag door de afwezigheid van koolstof (dat voor hittestralende roetdeeltjes kan zorgen) en door de aanwezigheid van warmte-absorberende waterdamp in de vlam. Waterstofvlammen houden hun warmte dus binnen en zijn in vergelijking met vlammen van koolwaterstoffen erg heet. Zie “Eigenschappen van waterstof” van het Nederlands Instituut Publieke Veiligheid (NIPV).
Door de vrijwel onzichtbare vlam is het lastig om een waterstofbrand met het blote oog waar te nemen. Bij een grotere lekkage in een hogedrukleiding kunnen in geval van brand nagenoeg onzichtbare en krachtige fakkelbranden voorkomen.
Het blussen van een waterstofbrand is ongewenst, omdat na blussing een explosieve gaswolk kan ontstaan die opnieuw kan ontsteken. Brandbestrijding vereist daarom een andere aanpak dan blussen met water.
Opslag in drukhouder
Door lekken of falen van een drukhouder kan waterstof vrijkomen. Lekken kan een voorstadium zijn van volledig falen. Een drukhouder kan falen door opwarming. Bij opwarming zal de druk verhogen, waardoor de drukhouder kan beschadigen of bezwijken. Een drukhouder kan ook beschadigen door bijvoorbeeld externe impact of corrosieve en chemische omgevingscondities.
Een composiet drukhouder kan bij opwarming boven een zekere temperatuur, zoals bij brand, kleine lekkages krijgen door verweken van het materiaal. Door de combinatie van het verzwakken van het materiaal en de hogere druk door de temperatuursverhoging kan de drukhouder bezwijken.
Een drukhouder van gelamineerd materiaal, bijvoorbeeld van koolstofversterkt staal of aluminium, is minder goed in staat snelle drukvariaties op te vangen. Dit komt doordat waterstof bij de hoge druk zich tussen de verschillende lagen kan nestelen. Tussen de lagen ontstaan dan drukverschillen die het materiaal kunnen beschadigen.
Directe of vertraagde ontsteking
Bij ontsteking van waterstof bij lekkage kan het gaan om ‘directe ontsteking’ en ‘vertraagde ontsteking’. Bij directe ontsteking ontbrandt het waterstofgas meteen en er vormt een fakkel. Bij vertraagde ontsteking zit er enige tijd tussen het vrijkomen van de waterstof en het ontsteken daarvan. Ontsteking vindt plaats door een externe ontstekingsbron.
Factoren, zoals de grootte en duur van de lekkage en de locatie van de uitstroming, bepalen de kans op vertraagde ontsteking. Een vertraagde ontsteking kan ernstige gevolgen hebben door de grotere hoeveelheid gas die zich heeft opgehoopt. Vertraagde ontsteking kan een explosie of wolkbrand tot gevolg hebben. Bij een wolkbrand kan een snelle verbranding plaatsvinden via deflagratie of detonatie.
Geluid bij lekkage en afblazen
De uitstroom van waterstof bij lekkage of via de afblaasvoorziening kan leiden tot een voor het gehoor schadelijke geluidemissie. Het gaat om geluid door hoge druk vanwege afblazen met hoge uitstroomsnelheid (= wrijvingsgeluid). Het geluid kan variëren van een hoge fluittoon tot een geluid vergelijkbaar met een straaljager. Hoe hoger de druk en hoe hoger de uitstroomsnelheid, des te harder het geluid zal zijn. De geluidemissie kan meer dan 140 dB(A) zijn.
De hoogte van de geluidemissie is afhankelijk van de druk en het debiet van het afblazen. Het geluid van waterstof bij het afblazen klinkt hoger dan bij andere gassen onder gelijke omstandigheden. Dit komt omdat waterstofmoleculen lichter zijn dan de moleculen van andere gassen. Hierdoor bewegen de moleculen zich sneller en dit resulteert in een hogere frequentie bij het afblazen.
Bij lekkage of afblazen kan er ook sprake zijn van ultrasoon geluid. Ultrasoon geluid bestaat uit trillingen boven het gebied dat het menselijk gehoor kan waarnemen. Meestal houdt men 16 kHz aan als ondergrens. Ultrasoon geluid kan trillingen opwekken in het oor waardoor gehoorschade kan ontstaan. Ultrasoon geluid kan ook leiden tot trillingen in vloeistoffen en vaste stoffen. Dit geeft een risico op lichamelijk letsel bij aanraking van die stoffen. Aanraking is niet waarschijnlijk bij lekkage of afblazen.
Zowel een hoog geluidniveau (meer dan 170 dB(A)) als ultrasoon geluid kunnen een ontstekingsbron zijn (bron NEN-EN 1127-1). Ultrasoon geluid kan trillingen opwekken in vloeistoffen en vaste stoffen waardoor een stof opwarmt tot hoge temperatuur. Het hete oppervlak vormt een ontstekingsbron zodra de zelfontbrandingstemperatuur van de stof is bereikt. Ervaringen uit het bedrijfsleven wijzen erop dat het voor het elektrolyseproces zeer onwaarschijnlijk is dat ontsteking door geluid zal optreden.
Verstikking
Waterstof kan in hoge concentraties verstikking veroorzaken door lucht met daarin zuurstof te verdringen. Er is onvoldoende zuurstof als er minder dan 18 vol% zuurstof aanwezig is. Normaal gesproken bevat lucht 21 vol% zuurstof. Wanneer de concentratie zuurstof minder dan 10 vol% is, raakt een persoon zonder waarschuwing bewusteloos.
2.5Gevaren van zuurstof
Zuurstof is een kleurloos, reukloos en oxiderend gas. Wanneer het zuurstofgehalte in een ruimte een volumepercentage heeft dat hoger is dan 23,5%, zorgt dit voor een verhoogd brandgevaar.
Oxiderend
Stoffen die onder normale omstandigheden moeilijk branden, branden bij een verhoogde zuurstofconcentratie in de lucht gemakkelijker. Organische stoffen, vooral poreuze stoffen, zullen onder deze omstandigheden zeer snel en fel verbranden. Bijna alle oxideerbare stoffen, die onder normale omstandigheden als onbrandbaar gelden, zoals metalen, kunnen in fijn verdeelde toestand in zuivere zuurstof branden. Een verhoogde zuurstofconcentratie in de lucht vergroot de brandbaarheid van stoffen.
Wanneer zuurstof in een gesloten ruimte vrijkomt, dan zal het zich gelijkmatig verspreiden in de ruimte. Er ontstaat een verhoogde zuurstofconcentratie en een verhoogde kans op brand.
Zelfontbranding
Organische stoffen kunnen in een atmosfeer met een hoge zuurstofconcentratie onder bepaalde omstandigheden tot zelfontbranding overgaan. Delen van de installatie onder hoge druk die met zuivere zuurstof in aanraking komen, moeten daarom vrij zijn van olie en vet. Zuurstof kan met brandbare gassen of dampen explosieve mengsels vormen, die gemakkelijker ontsteken dan mengsels van deze gassen of dampen met lucht.
Geluid bij afblazen
De uitstroom van zuurstof via de afblaasvoorziening kan een voor het gehoor schadelijke geluidemissie veroorzaken. Het gaat om geluid door hoge druk vanwege afblazen met hoge uitstroomsnelheid (= wrijvingsgeluid). Het geluid kan variëren van een hoge fluittoon tot een geluid vergelijkbaar met een straaljager. Hoe hoger de druk en hoe hoger de uitstroomsnelheid, des te harder het geluid zal zijn.
Toxiciteit
Het inademen van een hogere concentratie zuurstof dan normaal in de lucht kan leiden tot zuurstoftoxiciteit (zuurstofvergiftiging). Zuurstoftoxiciteit kan optreden bij kortdurende blootstelling aan hoge zuurstofconcentraties en bij langdurige blootstelling aan verhoogde zuurstofconcentraties. Langdurige blootstelling aan verhoogde zuurstofconcentraties is niet te verwachten bij waterstofelektrolyse.
Kortdurende blootstelling aan hoge zuurstofconcentraties kan voorkomen wanneer een grote hoeveelheid zuurstof aanwezig is, bijvoorbeeld bij het opslaan van geproduceerde zuurstof.
2.6Gevaren van elektrolyt
Het elektrolyseproces maakt gebruik van een elektrolyt. Tijdens normaal gebruik zit het elektrolyt in een gesloten systeem. Buiten normaal gebruik, kunnen er situaties zijn dat er direct contact met elektrolyt plaatsvindt. Gezien de gevaareigenschappen van elektrolyt, moet rekening worden gehouden met mogelijk ongewenst vrijkomen van elektrolyt.
Irriterend, corrosief en oxiderend
Een AWE-elektrolyser en een AEM-elektrolyser gebruikt meestal elektrolyt dat bestaat uit een oplossing van kaliumhydroxide (KOH) of natriumhydroxide (NaOH). Beide zijn sterk irriterende en corrosieve stoffen. Deze hydroxiden zijn schadelijk bij inslikken of inademen en kunnen ernstige brandwonden en oogletsel veroorzaken. Hydroxiden kunnen met contact met andere (brandbare) stoffen heftig reageren, waarbij warmte ontstaat. Het gevolg is een verhoogd brand- of explosierisico.
Hoge temperatuur
Door warmteontwikkeling in de elektrolyser krijgt het elektrolyt een hogere temperatuur.
Aerosolvorming
Door gasvorming in het elektrolyt ontstaan aerosolen. Deze aerosolen kunnen worden meegevoerd naar andere onderdelen van de installatie en door hun corrosieve eigenschappen slijtage veroorzaken. Ook kan er sprake zijn van blootstelling aan aerosolen bij onderhoud.
Voorbeelden van mogelijk gevolgen van aerosolafzetting zijn:
- corrosie van onderdelen;
- verbrossing, verstijving of verkleving van kunststofonderdelen, bijvoorbeeld in pompen of kleppen;
- verstopping of vernauwing door ingedroogde zouten of het vormen van een onbedoeld waterslot.
Zeer zorgwekkende stoffen
Aan het elektrolyt kunnen stoffen zijn toegevoegd voor een beter rendement. Een voorbeeld hiervan is vanadiumpentoxide. Het gebruik hiervan is ongewenst omdat het gaat om een zeer zorgwekkende stof (ZZS).
Stoom
De SOEC-elektrolyser gebruikt stoom als elektrolyt. Stoom is heet en de leidingen staan onder druk. Oppervlakten boven de 45 °C leiden bij aanraking tot een schrikreactie en pijn en bij langere aanraking tot brandwonden. Direct contact met stoom kan tot ernstige brandwonden leiden. Bij storingen kan het voorkomen dat leidingen, kranen of kleppen gaan lekken waarbij stoom onverwachts met grote kracht vrijkomt. Het risico op ernstig letsel kan dan groot zijn.
3Risicobenadering
3.1Basisveiligheidsniveau
Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:
- Maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn.
- Maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen.
- Good housekeeping: dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg, netheid en orde bij een activiteit of een bedrijfsonderdeel. 'Good housekeeping' is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Uitgangspunt is dat een bedrijf voldoet aan de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet.
- Maatregelen voor goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren en daarbij veilig en gezond te werken.
Het uitgangspunt is dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen werkt. Dit basisveiligheidsniveau is opgenomen als directwerkende wetgevingsmaatregel (DWW-maatregel) in MW1.
Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen, kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in ieder geval nodig als de activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
3.2Risicobenadering
3.2.1Risicobenadering als basis
Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een uniforme en systematische manier scenario’s, doelen en maatregelen zijn geformuleerd. De methode is beschreven in de Handreiking generieke risicobenadering. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van de opgenomen maatregelen.
Een scenario bestaat uit een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis. Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.
Voor elk scenario zijn een of meerdere doelen beschreven om te bereiken dat:
- de kans op de ongewenste gebeurtenis zoveel mogelijk wordt beperkt;
- de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zoveel mogelijk worden beperkt.
Soms kunnen meerdere scenario's met hetzelfde doel worden gedekt. Per doel zijn een of meer maatregelen uitgewerkt die ervoor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan gelden voor meerdere doelen.
3.2.2Methode
De risicobeoordeling is uitgevoerd met de BowTie-methode, aangevuld met de SWIFT-methode voor het bepalen van de oorzaken van de ongewenste gebeurtenis. Door de combinatie van beide methoden is gewaarborgd dat een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen oorzaak en gevolg. Ook is gewaarborgd dat de oorzaakscenario’s op een gestructureerde manier, met vraagcategorieën, worden bepaald.
Meer informatie over de gebruikte methode staat in de Handreiking generieke risicobenadering.
3.2.3Scenario’s met een laag risico
Met de risicobeoordeling is voor elk geïdentificeerd scenario het risiconiveau bepaald. Bij de beoordeling van het risiconiveau wordt rekening gehouden met maatregelen die noodzakelijk zijn vanwege andere wettelijke verplichtingen. Scenario’s die zijn beoordeeld met een laag risico worden niet beschreven in deze PGS-richtlijn. Dit zijn scenario’s die niet kunnen leiden tot ernstige gevolgen en/of omdat de kans op optreden gering is, bijvoorbeeld door andere wettelijke maatregelen. In Bijlage E staat een overzicht van de scenario’s die wel zijn geïdentificeerd, maar zijn beoordeeld als laag risico.
3.2.4Niet beoordeelde scenario’s
Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van.
Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zoals aardbevingen en overstromingen, zijn niet meegenomen. De enige uitzondering is blikseminslag. Ook zijn scenario’s die veroorzaakt worden door klimaatveranderingen, zoals droogte, extreme regenval, of hogere temperatuur, niet meegenomen. De kans op natuurgeweld en klimaatverandering hangt af van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op natuurgeweld en klimaatveranderingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen ervan te beperken.
Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport wél ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.
3.3Aanpak risicobenadering PGS 40
De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 40-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare installatie. Het PGS-team heeft mogelijke scenario’s in kaart gebracht en deze vervolgens geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix in paragraaf 4.3.2 van de Handreiking generieke risicobenadering. Dit heeft geleid tot scenario’s met een middelhoog en hoog risico die relevant zijn voor deze PGS-richtlijn. Deze vormen de basis van deze PGS-richtlijn en staan in Hoofdstuk 4.
De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.
Voor de relevante scenario’s heeft het team doelen bepaald en vervolgens maatregelen geïdentificeerd op basis van de huidige stand der techniek. Als het om nieuwe activiteiten gaat, is in overleg met betrokken experts bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.
Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in deze PGS-richtlijn moeten worden opgenomen. Dit is gebeurd op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.
In dit deskundig oordeel worden meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap, de professionele dienstverlening en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de risicomatrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.
Afsluitend is geëvalueerd of met deze PGS-richtlijn een aanvaardbaar maatregelenniveau voor de beheersing van de geïdentificeerde risico’s wordt bereikt en of met het pakket van maatregelen:
- de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis voldoende is verkleind; en
- de omvang of ernst van de gevolgen voldoende is verminderd.
3.4Relatie tot andere wetgeving
De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd op basis van typische situaties die generiek van toepassing zijn. Het is geen vervanging van een bedrijfsspecifieke risicoanalyse voor alle risico’s die binnen het bedrijf kunnen optreden. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Naast de RI&E-plicht vanuit de Arbeidsomstandighedenwet zijn bedrijven bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wbda 2016) verplicht om, voor installaties die hieronder vallen, een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse(s).
4Scenario's
4.1Inleiding
Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor de installatie.
De scenario's zijn onderverdeeld in oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s, waarbij de oorzaakscenario’s op hun beurt zijn onderverdeeld in de verschillende onderdelen van de installatie.
Elk scenario staat in een groen kader en heeft een nummer S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Deze doelen zijn weergegeven als D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.
In de scenario’s wordt gebruikt: ‘installatie’ en ‘elektrolyser’. De installatie omvat alle onderdelen van de installatie voor waterstofelektrolyse waarop deze PGS-richtlijn van toepassing is. Met elektrolyser wordt bedoeld de stack inclusief de separatoren.
4.2Oorzaakscenario’s
De generieke scenario’s in Paragraaf 4.2.1 zijn van toepassing op de gehele installatie. Daarnaast gelden er voor verschillende onderdelen aanvullend nog een aantal specifieke scenario’s. Het gaat om oorzaakscenario’s voor de elektrolyser (), het buffervat (Paragraaf 4.2.3), procesleidingen (Paragraaf 4.2.4), vullen van een opslagvoorziening (Paragraaf 4.2.5) en afblaasvoorzieningen (Paragraaf 4.2.6).
Voor de compressor en de nabehandeling gelden alleen de generieke scenario’s. Hiervoor zijn geen specifieke oorzaakscenario’s relevant.
4.2.1Generiek
4.2.2Elektrolyser
4.2.3Buffervat
4.2.4Procesleidingen
4.2.5Vullen opslagvoorziening
Het gaat hier om scenario’s bij het vullen van een opslagvoorziening voor waterstof. Dit kan bijvoorbeeld zijn een tankwagen, opslagtank of een flessenbatterij.
Bij het vullen van een mobiele opslagvoorziening zijn menselijke handelingen nodig, zoals het aansluiten van leidingen, het vullen en het verplaatsen van de opslagvoorziening. Dit geeft extra risico’s met mogelijk ongewenste gevolgen. Daarom gaan de maatregelen vooral over het vullen van een mobiele opslagvoorziening.
4.2.6Afblaasvoorzieningen
4.3Gevolgscenario’s
In deze paragraaf staan de gevolgscenario’s. Gevolgscenario’s staan als potentieel gevolgscenario bij de oorzaakscenario’s.
5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief
5.1Inleiding Normatief
Deze PGS-richtlijn beschrijft doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen.
Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Het gaat om hoge en middelhoge risico's voor:
- Omgevingsveiligheid: het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.
- Arbeidsveiligheid: het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, dan wel het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.
- Brand- en rampenbestrijding: het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding en het borgen van de veiligheid van de incidentbestrijders.
In een PGS-richtlijn wordt zo zorgvuldig mogelijk gezorgd dat het naleven van de maatregelen niet leidt tot strijdigheid met wet- en regelgeving. Een PGS is niet uitputtend in het opnemen van wettelijke verplichtingen. Het is altijd van belang de van toepassing zijnde wet- en regelgeving voor de desbetreffende activiteit te controleren.
De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel is deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:
- Maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid en met Brandpreventie.
- Maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en de Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid.
- Maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- en rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding.
5.2Omgevingsveiligheid Normatief
5.2.1Algemeen Normatief
De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en de activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Bal kan omschreven zijn dat een vergunningplicht of algemene regels gelden voor de activiteit.
Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van de milieubelastende activiteit van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen voor zover passend binnen het toepassingsbereik van het Bal. In de Omgevingsregeling is terug te vinden welke versie van de PGS-richtlijn is aangestuurd. Voor vergunningplichtige activiteiten bepaalt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) welke informatiedocumenten betrokken moeten worden als informatiedocument. Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit rekening houden met het informatiedocument.
Tussen het moment van vaststellen van de PGS-richtlijn door het Bob en opname in de rijksregels kan een periode liggen. Hoe hiermee om te gaan in deze periode is te vinden op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): Vooruitlopen op toekomstige PGS-richtlijnen. Deze systematiek geldt voor bestaande richtlijnen die gewijzigd zijn én voor nieuwe richtlijnen waarvoor mogelijk een herziening van het Bal nodig is.
Voor het overzicht van de juridische status van de PGS-richtlijn zie de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): Overzicht PGS-richtlijnen. Het stelsel van de Omgevingswet biedt mogelijkheid om af te wijken bij maatwerkvoorschrift of gelijkwaardige maatregel.
5.2.2Externe veiligheidsafstanden Normatief
Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.
In het Besluit activiteiten leefomgeving of in het Besluit kwaliteit leefomgeving kunnen deze veiligheidsafstanden zijn opgenomen. Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.
5.2.3Omgevingsplan Normatief
Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.
De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen voor bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.
Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn te herkennen aan de markering Brandpreventie.
5.3Arbeidsveiligheid Normatief
In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen, zijn het belangrijke doelen om ongevallen met die stoffen te voorkomen en om gevolgen van ongevallen te beperken voor werknemers. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van acute blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.
In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.
De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.
Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Nederlandse Arbeidsinspectie betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan.
De Nederlandse Arbeidsinspectie bindt zich in haar toezicht op de onderdelen van de PGS-richtlijn die de Nederlandse Arbeidsinspectie in haar zienswijze aanvaardt. Waar de zienswijze van de Nederlandse Arbeidsinspectie afwijkt van voorgenomen publicatie, wordt die zienswijze in zijn geheel en inBijlage G opgenomen in de PGS-richtlijn.
De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.
Gelijkwaardige maatregelen
Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast als deze voldoet aan de criteria uit Paragraaf 8.1. Eventueel kan de Nederlandse Arbeidsinspectie maatregelen uit een PGS-richtlijn verplicht stellen via een eis tot naleving. Deze bevoegdheid staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.
5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief
De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).
De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 van de Wvr. Dit zijn:
- het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
- het beperken van brandgevaar;
- het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.
Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:
- de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
- het organiseren van de rampenbestrijding;
- het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag over voorschriften voor brand- en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.
Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweerverplichting (artikel 31 van de Wvr).
Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brand- en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.
Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.
De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brand- en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.
6Doelen Normatief
6.1Inleiding Normatief
In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig produceren van waterstof door elektrolyse. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.
Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.
Elk doel staat in een paars kader en heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
In de doelen wordt gebruikt ‘installatie’ en ‘elektrolyser’. De installatie omvat alle onderdelen van de installatie voor waterstofelektrolyse waarop deze PGS-richtlijn van toepassing is. Met elektrolyser wordt bedoeld de stack inclusief de separatoren.
6.2Doelen Normatief
7Maatregelen Normatief
7.1Inleiding bij de maatregelen Normatief
Dit hoofdstuk bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.
Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Het nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.
Bij elke maatregel is met de markeringen Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid of Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.
- Omgevingsveiligheid: maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet;
- Brandpreventie: maatregel gericht op brandpreventie en -bestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer);
- Arbeidsveiligheid: maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet;
- Rampenbestrijding: maatregel gericht op brand- en rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's.
De maatregelen staan in een blauw kader, behalve de maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, deze staan in een oranje kader en deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.
Deze PGS-richtlijn gebruikt in de maatregelen de termen ‘installatie’ en ‘elektrolyser’. De installatie omvat alle onderdelen van de installatie voor waterstofelektrolyse waarop deze PGS-richtlijn van toepassing is. De elektrolyser is de stack inclusief de separatoren.
In de maatregelen is geen onderscheid gemaakt in techniek, capaciteit van de installatie en bemande of onbemande situaties. De maatregelen bestaan deels uit doelvoorschriften. Bij de invulling van die doelen, zal blijken dat er verschil is in te nemen maatregelen bij de verschillende installaties. Een voorbeeld van een doelvoorschrift is de maatregel met de risicoanalyse (M10). Uit de risicoanalyse zal blijken welke maatregelen nodig zijn. Andere maatregelen verwijzen ook naar deze risicoanalyse.
7.2Basisveiligheid Normatief
7.3Ontwerp en installatie Normatief
7.3.1Inleiding Normatief
Er gelden diverse eisen voor het ontwerp van de installatie. Het is hierbij belangrijk om onderscheid te maken tussen kant-en-klare onderdelen van de installatie en een op de locatie samengestelde installatie (samenstel).
Afhankelijk van het onderdeel gelden de volgende Europese richtlijnen:
- Europese richtlijn drukapparatuur 2014/68/EG (PED). Deze is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (zie Bijlage B.8).
- Europese richtlijn 2014/34/EU (ATEX 114). Deze is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (zie Paragraaf 7.3.3).
- Europese machinerichtlijn 2006/42/EG. Deze is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit machines. De Machineverordening 2023/1230/EG vervangt vanaf 14 januari 2027 de Machinerichtlijn.
- Europese laagspanningsrichtlijn 2014/35/EG. Deze geldt niet voor elektrisch materiaal bestemd voor gebruik in een explosieve omgeving. Deze is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit elektrisch materiaal.
- Europese richtlijn elektromagnetische compatibiliteit (EMC) 2014/30/EG. Deze is geïmplementeerd in het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016.
In de verschillende Europese richtlijnen staat een verplichting voor de fabrikant om ‘instructies en informatie aangaande de veiligheid’ mee te leveren. In Nederland is die verplichting geïmplementeerd in de verschillende Warenwetbesluiten.
Kant-en-klaar product
Voor een samenstel geleverd als een kant-en-klaar product, geeft de fabrikant een EU-conformiteitsverklaring af. Het kant-en-klaar product heeft een CE-markering. De onderdelen waarvoor de PED geldt, moet de fabrikant laten keuren door een Notified Body (NoBo).
Op locatie samengestelde installatie
Als het gaat om een op locatie samengestelde installatie (samenstel), dan zijn de verschillende onderdelen voorzien van een CE-markering (dus bijvoorbeeld stack, stack + separator, pomp, compressor, instrument). Voor een samenstel geldt het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Dit betekent dat degene die de activiteit verricht het samenstel op de locatie voor de eerste ingebruikneming moet laten keuren. Een Nederlandse conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI) of Nederlandse keuringsdienst van gebruikers (NL-KVG) doet deze keuring. Deze instantie geeft na goedkeuring een verklaring van ingebruikneming (vvi) af.
Voor de door een fabrikant geleverde onderdelen, gelden ook de andere Warenwetbesluiten, maar niet voor het samenstel. Degene die de activiteit verricht, is op grond van de Arbowet verantwoordelijk om te zorgen dat het gebruik van het samenstel veilig is (veilige arbeidsplaats).
7.3.2Drukapparatuur Normatief
7.3.3Explosieve atmosferen Normatief
Inleiding
Als er waterstof vrijkomt, dan kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. Ophoping van waterstof in de lucht (zuurstof) in combinatie met een ontstekingsbron kan leiden tot een explosie. Wanneer uit de risicoanalyse (M10) blijkt dat een explosieve atmosfeer kan ontstaan, dan zijn er verplichtingen voor de werkgever en verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur.
Voor de werkgever staan de regels voor arbeidsplaatsen met explosieve atmosfeer in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze regels zijn een implementatie van de Europese richtlijn 199/92/EG (ATEX 153).
Voor de fabrikant staan de regels voor apparatuur op plaatsen met explosieve atmosfeer in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. Deze regels zijn een implementatie van de Europese richtlijn 2014/34/EU (ATEX 114). Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen op plaatsen met explosiegevaar. Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.
Zie Bijlage B.9 voor meer informatie over de regels voor explosieve atmosferen.
De installatie voor waterstofelektrolyse
De installatie, het samenstel, geleverd als een kant-en-klaar product, moet voldoen aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. Voor een op locatie gebouwde installatie geldt het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 alleen voor de door een fabrikant geleverde onderdelen, maar niet voor het samenstel. Degene die de activiteit verricht is op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit verantwoordelijk om te zorgen dat het gebruik van de installatie veilig is (veilige arbeidsplaats).
Het is niet haalbaar om in een gevarenzone alle onderdelen van de installatie explosieveilig uit te voeren. De stack, en mogelijk ook de separator, kunnen namelijk een ontstekingsbron zijn. In de NTA 8221 staat hierover het volgende: “Elektrolysers voldoen vaak niet aan een apparatencategorie, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. Daarom wordt veelal het volgende ontwerpprincipe toegepast: De ventilatiecapaciteit en betrouwbaarheid worden meestal zo ontworpen dat de zone binnen het gebouw waar de elektrolyser staat opgesteld, als ‘niet-gevaarlijk gebied’ kan worden geclassificeerd”.
Voor het berekenen van het benodigde ventilatievoud en de ventilatiecapaciteit bepaalt degene die de activiteit verricht welk lekscenario representatief is en wat het bijbehorende uitstroomdebiet is.
7.3.4Ontwerp Normatief
7.4Gebruik van de installatie Normatief
7.5Vullen opslagvoorziening Normatief
In deze paragraaf staan maatregelen bij het vullen van een opslagvoorziening. Een mobiele opslagvoorziening is een voorziening voor transport, zoals een gasflessenpakket of een tankwagen.
7.6Onderhoud, controle, documentatie en training Normatief
7.7Veiligheid Normatief
7.7.1Algemeen Normatief
7.7.2Brandveiligheid Normatief
7.7.3Escalatie Normatief
In deze PGS staan maatregelen om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij de installatie naar een ander onderdeel van de installatie, bouwwerk, opslag en personen (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Het kan gaan om incidenten binnen of buiten de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
De volgende domino-effecten zijn van belang:
- Een incident in een deel van de elektrolyser verplaatst zich naar andere apparatuur.
- Een breuk van een separator veroorzaakt schade aan andere onderdelen van de installatie of andere objecten op het terrein waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.
- Een incident bij andere activiteiten veroorzaakt schade aan de installatie.
- Een incident in de installatie veroorzaakt schade aan een zeer kwetsbaar gebouw, kwetsbaar gebouw of kwetsbare locatie binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht.
Het gaat hier niet om afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die ATEX-afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van een worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan die in deze PGS-richtlijn.
8Gelijkwaardige maatregelen
8.1Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen
Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf een alternatief wil toepassen voor een in Hoofdstuk 7 genoemde maatregel, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:
- Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?
- Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
- Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?
Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.
Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?
Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:
- Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
- Brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
- Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
- Rampenbestrijding (Brand- en rampenbestrijding).
8.2De wettelijke grondslag is arbeidsveiligheid
Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Arbeidsomstandighedenwet. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking zijn van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, Warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals:
- het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
- maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
- maatregelen en verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016, het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.
In de PGS-reeks staan de Arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet mag worden afgeweken in een oranje blok (directwerkende wetgevingsmaatregel/DWW-maatregel).
Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de gezondheid en veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor de toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Nederlandse Arbeidsinspectie getoetst.
Criteria arbeidsveiligheid voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen
Bij de toetsing van gelijkwaardigheid hanteert de Nederlandse Arbeidsinspectie een aantal criteria:
- Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
- de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
- een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
- het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen.
- Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen.
- Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie ligt.
- De Nederlandse Arbeidsinspectie beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
8.3De wettelijke grondslag is omgevingsveiligheid / brandpreventie omgevingsveiligheid
Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.
Wel moet het bedrijf de juiste procedure volgen. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking.
Bij een niet-vergunningplichtige activiteit is er afhankelijk van het concrete geval een van de volgende processen van toepassing;
- het gelijkwaardige alternatief moet vooraf worden aangevraagd waarna een maatwerkbesluit wordt opgesteld; of
- het gelijkwaardige alternatief moet vier weken vooraf worden gemeld.
8.4De wettelijke grondslag is zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid / brandpreventie omgevingsveiligheid
Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel Arbeidsveiligheid als Omgevingsveiligheid en Brandpreventie is, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor zijn wetgevingsgebied gelden.
8.5Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel
Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:
- Voor welke maatregel uit deze PGS is de voorgestelde maatregel een alternatief?
- Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
- Kan worden aangetoond dat met de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS-richtlijn worden bereikt en het optreden van scenario’s wordt voorkomen of beperkt?
- Wat is de mogelijke samenhang tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
- Wat is het effect van de alternatieve maatregel op andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
- Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid is voldaan?
- Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?
Voor het proces voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van PGS-maatregelen in het kader van PGS Nieuwe Stijl is een informatieve Handreiking Beoordeling gelijkwaardigheid PGS-maatregelen ontwikkeld.
Bijlage AInformatieve documenten en bronnen
Bekijk deze tabel in een popup venster
Nummer | Titel | Vindplaats |
1 | ADR 2023 | |
2 | Arbeidsomstandighedenwet | |
3 | Arbeidsomstandighedenbesluit | |
4 | Arbeidsomstandighedenregeling | |
5 | Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 | |
6 | Warenwetregeling drukapparatuur 2016 | |
7 | Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm | |
8 | Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 | |
9 | Warenwetbesluit machines | |
10 | Wet veiligheidsregio's | |
11 | Besluit veiligheidsregio's | |
12 | Omgevingswet | |
13 | Omgevingsbesluit | |
14 | Besluit activiteiten leefomgeving | |
15 | Besluit bouwwerken leefomgeving | |
16 | Besluit kwaliteit leefomgeving | |
17 | Wet vervoer gevaarlijke stoffen | |
18 | Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen | |
19 | Handreiking Generieke Risicobenadering, versie 2025 | |
20 | Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen | |
21 | ATEX 114: Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen | |
22 | ATEX 153: Richtlijn 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen | |
23 | UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Model Regulations (2017) | |
24 | UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods: Manual of Tests and Criteria (2015) |
Bijlage BRelevante wet- en regelgeving
B.1Inleiding
Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.
Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.
B.2Omgevingswet
De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water, en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.
Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het informatiepunt Leefomgeving. Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten.
Omgevingsbesluit
Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.
Besluit activiteiten leefomgeving
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, de waterstaatswerken, de wegen en spoorwegen, de zwemmers en het cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.
Besluit bouwwerken leefomgeving
In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.
Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.
In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.
In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veelvoorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met als doel de bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.
Omgevingsregeling
In de Omgevingsregeling zijn onder andere de gegevens en bescheiden benoemd die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt, technische uitvoeringsvoorschriften gegeven voor milieubelastende activiteiten en de rekenmethoden aangegeven die moeten worden toegepast bij het berekenen van het plaatsgebonden risico en de afstanden van de aandachtsgebieden. Ook is in de Omgevingsregeling de datum aangegeven van de normdocumenten waarnaar in de besluiten en in de Omgevingsregeling wordt verwezen.
Seveso
De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s voor een groot deel geïmplementeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid, als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie. Bij een opslag van meer dan 5 ton waterstof is sprake van een Seveso-installatie.
B.3Chemische stoffen
CLP
CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG) over de indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor Classification, Labelling and Packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten de verpakking ervan worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermingsmaatregelen nodig zijn.
Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!
REACH
REACH is een Europese verordening (EG 1907/2006) over de productie van en handel in chemische stoffen. REACH staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van Chemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad.
Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!
Zeer zorgwekkende stoffen
Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) zijn de gevaarlijkste stoffen voor mens en milieu. De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) verplicht de werkgever medewerkers te beschermen tegen ZZS op de werkvloer. Vervanging door minder gevaarlijke alternatieven heeft prioriteit.
In de Omgevingswet en onderliggende besluiten staan regels voor ZZS die kunnen vrijkomen bij milieubelastende activiteiten. Het streven is om ZZS uit de leefomgeving te weren. Meer informatie staat op de website van IPLO: Zeer zorgwekkende stoffen en de website van het RIVM: Zeer zorgwekkende stoffen.
B.4Arbeidsomstandighedenwetgeving
Arbeidsomstandighedenwet
In de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) staan de rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Meer informatie staat op het Arboportaal.
Arbeidsomstandighedenbesluit
In het Arbeidsomstandighedenbesluit staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.
De Europese richtlijn die betrekking heeft op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen (1999/92/EG), is geïmplementeerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze richtlijn wordt ook ATEX 153 genoemd.
Arbeidsomstandighedenregeling
In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.
Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen
Deze Europese verordening bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425). Het doel van de verordening is om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen. De verordening maakt het ook mogelijk dat beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.
B.5Warenwet
De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.
Warenwetbesluit drukapparatuur 2016
In het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wbda 2016) staan eisen voor drukapparatuur. In het Wbda 2016 is de Europese richtlijn voor drukapparatuur (2014/68/EU) geïmplementeerd. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 staat onder andere wanneer keuring moet plaatsvinden.
Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016
In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.
Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm
In het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm staan regels over het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm. In dit besluit is de Europese richtlijn (2014/29/EU) voor drukvaten van eenvoudige vorm geïmplementeerd.
Warenwetbesluit machines
In het Warenwetbesluit machines staan regels over machines, waaronder veiligheid, keuring en certificering. In de Warenwetregeling machines staan nadere eisen.
B.6Wet veiligheidsregio's
De Wet veiligheidsregio’s heeft als doel een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.
Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid.
Besluit veiligheidsregio's
In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.
B.7Vervoer
Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het ADR
De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:
- vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, reservoirwagens);
- chauffeurs (opleiding en training);
- vervoersdocumenten;
- verpakkingen en etikettering;
- laden en lossen.
Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit het ADR.
Het ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten het ADR in de eigen wetgeving implementeren.
Het ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.
Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid. Daar staat ook informatie over het ADR.
B.8Drukapparatuur
Drukapparatuur is een arbeidsmiddel met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken, maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden, in bedrijf stellen, gebruiken en nadien wijzigen van drukapparatuur. Voor drukapparatuur geldt de Europese richtlijn drukapparatuur 2014/68/EG (PED). Deze richtlijn is geïmplementeerd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016.
Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een inwendige druk die hoger is dan de omgevingsdruk. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit artikel 2 van de Europese Richtlijn drukapparatuur (PED).
Ontwerp
Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen. Bij de bouw van een installatie is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:
- Wordt de installatie gebouwd of gewijzigd onder de verantwoordelijkheid van een derde partij (een leverancier, een installateur, enz.) die de installatie in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
- Wordt de installatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker, dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten, maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.
De ontwerpeisen liggen vast in de PED. Deze richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of samenstellen moet de fabrikant vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse.
De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:
- Gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, geëlimineerd of verkleind in het ontwerp.
- Er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd.
- De gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en of het nodig is dat er passende gevaarverminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik ervan. Deze maatregelen worden opgenomen in de gebruikershandleiding.
De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeenkomen met de scenario’s die zijn beschreven in deze PGS. De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat, zijn vastgelegd in bijlage I van de PED. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen, wat onder andere betekent dat:
- De installatie is voldoende sterk om de belastingen die kunnen worden verwacht (kracht, brand, hogedruk, enz.) te weerstaan.
- Er zijn maatregelen genomen om de installatie veilig te bedienen.
- De installatie is zodanig ontworpen dat deze veilig kan worden geïnspecteerd.
- De installatie kan veilig worden gevuld en geleegd.
- Er zijn passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, dan moet deze afblazen op een zodanige plaats dat daarbij geen gevaar voor personen kan optreden.
Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Dit is echter niet verplicht. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, dan zal hij moeten aantonen dat de installatie wel voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de praktijk blijkt het overgrote deel van de installaties volgens de geharmoniseerde normen te worden gebouwd.
Met het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat hij voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De mate van toezicht is afhankelijk van het risico.
Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), dan moet déze de CE-markering aanbrengen op de installatie. Op de installatie (het samenstel) hoeft slechts één CE-markering te worden aangebracht, dus niet één op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE-markering in het samenstel zijn opgenomen, wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) op de kenplaat staan. Ook specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen, enz.) moeten op de kenplaat staan.
Als de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen, dan stelt de fabrikant een verklaring van overeenstemming op. Dit is een verklaring dat de installatie voldoet aan de essentiële eisen van de van toepassing zijnde productrichtlijnen. Verder stelt de fabrikant een technisch dossier samen. Dit dossier bevat ten minste:
- een algemene beschrijving van de installatie;
- ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
- beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen;
- een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
- berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles;
- testverslagen.
De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het wordt aanbevolen om met de aanschaf van installatie te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.
Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met de installatie. Hierin worden de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven voor hoe de installatie veilig kan worden gebruikt.
Gebruik
Het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur, maar ook aan de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker van de installatie om hieraan te voldoen. De gebruiker moet de installatie laten keuren voordat deze in gebruik wordt genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.
De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur aangewezen die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een Nederlandse conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.
Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een ter zake deskundige.
Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in de installatie aangewezen drukapparatuur is:
- aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
- door de fabrikant te benaderen;
- het staat in de handleiding van de installatie;
- door een NL-CBI te benaderen.
Keuring ingebruikneming
De aangewezen drukapparatuur in de installatie moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de keuring voor ingebruikneming is om vast te stellen of de installatie voldoet aan de Europese richtlijnen en veilig kan worden gebruikt. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI. Deze geeft een verklaring van ingebruikneming af.
Periodieke herkeuring
Het doel van de periodieke herkeuring is om vast te stellen of de installatie nog veilig kan worden gebruikt. Aangewezen drukapparatuur wordt elke vier jaar gekeurd door een NL-CBI. Hiervoor wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. De keuring van niet-aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een ter zake deskundige. Deze stelt ook hiervan een rapportage op. Dit is verplicht op basis van het Arbobesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaatsvindt tussen de NL-CBI en de deskundige over hoe de installatie in zijn geheel weer veilig kan worden gebruikt.
Reparaties en wijzigingen
Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan de installatie is de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Daarbij is veelal toezicht vereist door een NL-CBI. Voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, wordt aangeraden om contact te zoeken met een NL-CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de gegevens op de kenplaat niet meer kloppen. In dat geval moet een EU-CBI hierbij worden betrokken. Regulier onderhoud aan de installatie moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de handleiding van de fabrikant.
Bewaren documenten
Zolang de installatie in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker de volgende documenten:
- EU-conformiteitsverklaring;
- gebruiksaanwijzing;
- verklaring van ingebruikneming;
- verklaring van herkeuring;
- het aantekenblad;
- bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.
Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.
B.9Explosieve atmosfeer
Wanneer de kans bestaat dat er een explosieve atmosfeer ontstaat, dan zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Er zijn verplichtingen voor de werkgever en verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur.
De regels voor arbeidsplaatsen met explosieve atmosfeer staan in het Arbeidsomstandighedenbesluit. Deze regels zijn een implementatie van de Europese richtlijn 199/92/EG (ATEX 153).
De regels voor apparatuur op plaatsen met explosieve atmosfeer staan in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. Deze regels zijn een implementatie van de Europese richtlijn 2014/34/EU (ATEX 114). Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.
Verplichtingen werkgever
Werknemers moeten worden beschermd tegen het gevaar op explosie. In het Arbeidsomstandighedenbesluit staan verplichtingen voor de werkgever met als doel:
- het ontstaan van explosieve atmosferen zoveel mogelijk te voorkomen;
- de ontsteking van explosieve atmosferen te vermijden;
- de schadelijke gevolgen van een explosie te beperken.
Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:
- het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
- het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
- het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
- het informeren van medewerkers;
- het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.
Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling voor gasexplosiegevaar staan in NPR 7910-1. Uit de NTA 8221 blijkt dat NPR 7910-1 niet geschikt is voor zonering van installaties voor waterstofelektrolyse (zie MW7).
Verplichtingen fabrikant
Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. De fabrikant van de apparatuur geeft aan in zijn EU-conformiteitsverklaring tot welke categorie de desbetreffende apparatuur hoort en wat het beoogde gebruik ervan is.
Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.
Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone. Als aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Als dit het geval is, dan zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.
Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de Europese productrichtlijn 2014/34/EU, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.
Bijlage CArbeidsomstandighedenwetgeving
De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbeidsomstandighedenbesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.
Meer informatie staat op het Arboportaal.
Risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E)
Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.
Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie-regeling (ARIE-regeling)
Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen
In de arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde: de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen zoals persoonlijke beschermingsmiddelen.
Meer informatie staat op het Arboportaal.
Gevarenzone-indeling
De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar.
Het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/92/EG (ATEX 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar.
De risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. Dit document bevat in elk geval:
- een nadere risicoanalyse;
- een gevarenzone-indeling;
- passende technische en organisatorische maatregelen;
- voorlichting van de werknemers.
Voor de gevarenzones verwijst artikel 3.5d, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar bijlage I van 1999/92/EG. Gevarenzones moeten zijn gemarkeerd. Dit staat in artikel 3.5d, lid 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Explosieveilig materiaal en materieel
De eisen voor explosieveilig materiaal en materieel staan in artikel 3.5 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hier wordt verwezen naar het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.
Elektrische en elektronische apparatuur in een gezoneerd gebied moet explosieveilig zijn uitgevoerd. Deze apparatuur is voorzien van een EU-conformiteitsverklaring en een voorschrift waaruit blijkt dat het toegepaste materieel geschikt is voor toepassing in ruimten waar explosiegevaar kan heersen. Elektrisch materieel dat aan de normen voor explosieveiligheid voldoet, is herkenbaar aan het ‘Ex’-teken in een regelmatige zeshoek.
Intern noodplan
Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch is aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zo veel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.
Een intern noodplan bevat in elk geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling.
Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal.
Borden en veiligheidssymbolen
De werkgever is verplicht veiligheidssignalering te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. Artikel 8.2 van de Arbeidsomstandighedenregeling schrijft voor waar veiligheidssignalering verplicht is. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht. In bijlage XVIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staat welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt.
Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (symbool), de tekst en het kleurgebruik. In Nederland beschrijft NEN 3011 welke veiligheidstekens in welke situatie in de werkomgeving en in de openbare ruimte moeten worden gebruikt. Voor de meeste veiligheidstekens wordt verwezen naar NEN-EN-ISO 7010, waarvan het actuele totaaloverzicht is te zien op Online Browsing Platform (OBP) (iso.org).
Artikel 8.12, 8.13 en 8.14 van de Arbeidsomstandighedenregeling beschrijft de eisen voor veiligheidssignalering op leidingen en tanks.
De wetgever schrijft voor gevaarlijke stoffen voor dat bij opslag en in leidingen en tanks de GHS-pictogrammen aangeduid dienen te worden. Dit mag ook door de ISO-waarschuwingssymbolen worden vervangen of aangevuld. In de CLP-verordening staan de GHS-pictogrammen voor de aanduiding van statische gevaarseigenschappen van chemische stoffen. Deze verordening is beoogd voor etikettering en verpakking en voorziet niet in alle risico’s met stoffen in een proces, en voldoet daarom niet volledig aan het doel van de Arbeidsomstandighedenregeling.
In NEN-ISO 20560-1 en NEN-ISO 20560-2 is de veiligheidssignalering van leidingen en tanks uitgewerkt. NEN-ISO 20560-2 beschrijft voor opslagtanks de veiligheidsinformatie (symbolen/pictogrammen, tekstinformatie, NFPA-diamant en UN-nummer).
Bijlage DWaterstofvulcentrum tankwagen
Een waterstofvulcentrum is een faciliteit om gasvormige waterstof veilig en efficiënt van een bron over te brengen naar een verplaatsbare tankwagen. Deze tankwagens zijn in wezen grote, gespecialiseerde vrachtwagens uitgerust met meerdere hogedrukcilinders die zijn ontworpen om waterstofgas te transporteren. Het proces omvat het ontvangen van waterstof, het comprimeren ervan tot de noodzakelijke druk en het vervolgens in de tankwagen doseren voor distributie.
Onderdelen van een vulcentrum:
- Waterstofbron: De waterstoftoevoer kan via een pijpleiding of via opwekking ter plaatse (elektrolyse) plaatsvinden. De kwaliteit van waterstof voldoet aan strenge normen (bijvoorbeeld ISO 14687) om verontreiniging te voorkomen en om compatibiliteit met de eindgebruiker (brandstofcellen, industriële processen) te garanderen.
- Compressiesysteem: Een compressor verhoogt de waterstofdruk tot het vereiste niveau voor efficiënt vullen van de tankwagen. Gangbare drukken van tankwagens zijn tussen de 200 bar en 635 bar.
- Opslagsysteem: Er kan een buffervat zijn om een continue aanvoer tijdens het vullen te garanderen.
- Doseersysteem: Denk hierbij aan de leidingen, kleppen, afblaasvoorzieningen en aansluitingen die nodig zijn om waterstof naar de tankwagen te transporteren.
- Veiligheidssystemen: Kritische componenten zijn onder meer noodstopsystemen (ESD), drukontlastingsapparatuur, lekdetectie, brandbestrijdingsmiddelen, aarding en voldoende ventilatie.
- Besturingssystemen: Deze systemen bewaken en controleren het gehele vulproces en zorgen voor veiligheid en efficiëntie.
Het vulproces
Het proces begint met de aankomst van de tankwagen bij het vulstation. De chauffeur is getraind en bevoegd verklaard om de tankwagen zelfstandig te vullen. Na het doorlopen van de aansluitprocedure, met daarin de nodige veiligheidscontroles op o.a. lekkages, begint de waterstofoverdracht. Het doseersysteem regelt de vulling van de tankwagen. Zodra de tankwagen tot de gewenste druk is gevuld, stopt de vulling en zal de tankwagen gereed worden gemaakt om te kunnen loskoppelen van het vulsysteem. Nadat de tankwagen is losgekoppeld en klaargemaakt voor vertrek, kan deze de laadbaai verlaten.
Veiligheid
Het naleven van vastgestelde procedures, regelmatig onderhoud van de apparatuur en voortdurende training zijn van cruciaal belang. Het personeel moet op de hoogte zijn van noodprocedures en veiligheidsprotocollen. Regelmatige inspecties en lekcontroles moeten worden uitgevoerd.
Documentatie
Gegevens van vulactiviteiten, onderhoud en inspecties worden bijgehouden. Eventuele problemen of afwijkingen tijdens het vullen worden geregistreerd.
Bijlage EScenario’s met een laag risico
Met de risicobeoordeling is voor elk geïdentificeerd scenario het risiconiveau bepaald. Bij de beoordeling van het risiconiveau wordt rekening gehouden met maatregelen die noodzakelijk zijn vanwege andere wettelijke verplichtingen. Scenario’s die zijn beoordeeld met een laag risico worden niet beschreven in hoofdstuk 4 van deze PGS-richtlijn. Dit zijn scenario’s die niet kunnen leiden tot ernstige gevolgen en/of omdat de kans op optreden gering is, bijvoorbeeld door andere wettelijke maatregelen. Hieronder staat een overzicht van geïdentificeerde scenario’s met een laag risico.
Scenario met een laag risico | |
Generiek |
|
Elektrolyser |
|
Nabehandeling |
|
Buffervat |
|
Compressie |
|
Installatieleidingen |
|
Vullen transportmiddel |
|
Afblazen |
|
Bijlage FSamenstelling PGS 40-team
Tabel 2 – Samenstelling PGS 40-team
Naam | Organisatie | Rol |
Martijn ten Bloemendal | Omgevingdienst Midden-Holland | Voorzitter PGS-team |
Bob Speth | Eneco | Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland) |
Bram Vogelaar | Air Liquide | Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland) |
René de Milliano | Battolyser Systems | Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland) |
Robbert van der Pluijm | Summit Engineering | Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland) |
Leo Doornbos | Veiligheidsregio Noord-Holland Noord | Lid namens Brandweer Nederland / Veiligheidsregio's |
Peter Pasman | Omgevingsdienst Regio Arnhem | Lid namens toezicht-handhaving |
Ria Dimmendaal | Omgevingsdienst Groningen | Lid namens vergunningverlening |
Koen Wiering | Informatiepunt Leefomgeving | Toehoorder namens helpdesk Iplo |
Alwin van Aggelen | A-Risc | Facilitator risicobenadering |
Frences van de Ven | Namens NEN | Facilitator tekstfase |
Aline Schel | NEN | Projectleider |
Bijlage GZienswijze Nederlandse Arbeidsinspectie
Inleiding
Wij constateren dat de huidige uitwerking van maatregel M10 (Risicoanalyse) in PGS 40 leidt tot een situatie waarin de gebruiker zélf een groot deel van de veiligheidskundige onderbouwing moet construeren. Dit is onwenselijk voor de uniformiteit, handhaafbaarheid én de haalbaarheid, met name bij organisaties waar deze expertise niet (structureel) beschikbaar is.
De Nederlandse Arbeidsinspectie onderschrijft het belang van uniforme en praktisch toepasbare veiligheidseisen voor installaties voor de productie van waterstof door elektrolyse. Elektrolyse-installaties kennen specifieke risico’s (o.a. waterstof/zuurstof, explosieve atmosferen en druksystemen) en vragen om duidelijke maatregelen die in de praktijk ook voor kleinere bedrijven uitvoerbaar zijn.
Kern van het bezwaar
M10 stelt dat voor de installatie een risicoanalyse is uitgevoerd en dat op basis daarvan passende maatregelen zijn genomen. Daarbij wordt een brede set aan onderwerpen expliciet genoemd die minimaal in die risicoanalyse moet terugkomen (o.a. ventilatie/gasdetectie, explosierisico’s, afblazen, ESD-reacties, monitoring, betrouwbaarheid metingen, tankwagenveiligheid, onderhoud en escalatie Dit leidt tot twee problemen:
1. Onvoldoende uniformiteit in de praktijk
Zonder herkenbare typicals met bijbehorende scenario’s en basismaatregelen, gaan vergelijkbare installaties bij verschillende bedrijven tóch uiteenlopende beoordelingen en uitkomsten krijgen. Ongeacht of daarbij de gebruikelijke risicoanalyse methodieken worden toegepast. Daarmee wordt het lastig om te stellen dat met deze PGS op zichzelf de stand der wetenschap en professionele dienstverlening (SWDP) eenduidig wordt geborgd
2. Hoge drempel voor kleinere bedrijven
M10 vraagt feitelijk om kennis en ervaring die normaliter hoort bij HAZOP/LOPAachtige trajecten. PGS 40 noemt dit ook expliciet als optie (RI&E + aanvullende veiligheidsstudie). Dat is inhoudelijk logisch, maar voor kleinere gebruikers is dit niet altijd realistisch uitvoerbaar of betaalbaar.
De gebruikers van de PGS zullen in het hoofdstuk over de toepasbaarheid van deze PGS geïnformeerd moeten worden over deze limitatie.
Generieke conclusie
De huidige PGS 40 bevat een aantal concreet uitgewerkte maatregelen welke wij hebben beoordeeld en waarvoor geen zienswijze noodzakelijk is.
De huidige formulering van M10 (Risicoanalyse) legt een onevenredig groot deel van de veiligheidskundige uitwerking bij de gebruiker neer. Dit kan leiden tot variatie in veiligheidsniveau, verminderde handhaafbaarheid en een hoge uitvoeringsdrempel, met name voor kleinere bedrijven. De Nederlandse Arbeidsinspectie adviseert de huidige PGS 40 te zien als een handreiking voor bedrijven waar de kennis en kunde voor het juist uitvoeren van een risicoanalyse aanwezig is en adviseert om deze PGS te herzien zodra de techniek het toelaat om typicals te definiëren.
Indien er vragen zijn kan er contact op worden genomen met de Nederlandse Arbeidsinspectie. Vermeldt hierbij het referentienummer: 2026-0000054035
Begrippenlijst
- afblaasvoorziening
Voorziening voor afblazen van waterstof of zuurstof. Ook vent genoemd. De afblaasvoorziening voor waterstof kan ook een fakkel zijn.
- afsluiter
Onderdeel van een installatie of leiding om de doorstroming te regelen. De afsluiter regelt het helemaal of gedeeltelijk openen of sluiten van een doorstroomopening. Er zijn handbediende en op afstand gestuurde afsluiters. Er zijn ook afsluiters die dienen als noodstopvoorziening.
- andere milieubelastende installatie
Begrip uit de Omgevingswet (zie de bijlage bij de Omgevingswet onder A)
- arbeidshygiënische strategie
Zie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
- as-built
Een weergave van de nieuwe situatie na de uitvoeringswerkzaamheden. Hierdoor is de 'oude' situatie te vergelijken met de ‘nieuwe’ situatie en zijn de veranderingen goed zichtbaar.
- ADR
Accord européen relatif au transport international de marchandises Dangereuses par Route. In het Nederlands: Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. Afhankelijk van de specifieke eigenschappen van de gevaarlijke stoffen zijn deze ingedeeld in gevarenklassen.
- AEM
Anion Exchange Membrane
- Arbowet
Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving
- ATEX
ATmosphères EXplosibles. Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.
- AWE
Alkaline Water Elektrolysis
- begrenzing van de locatie
Begrip uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf, maar dit kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.
- bevoegd gezag
Bestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen. Meestal is dit de gemeente of de provincie.
- bouwwerk
Begrip uit de Omgevingswet
- brandblusmiddel
Brandblusser of brandslanghaspel
- brandwerendheid
Brandwerendheid gaat over wanden of deuren of andere delen van een constructie. Het geeft aan hoe lang een deel van een constructie een brand kan tegenhouden. De brandwerendheid wordt uitgedrukt in aantal minuten.
- buitenlucht
Plaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie. Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig. Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.
- Bal
Besluit activiteiten leefomgeving. In het Bal staan algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, waaronder milieubelastende activiteiten.
- Bbl
Besluit bouwwerken leefomgeving. In het Bbl staan algemene regels over het bouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken.
- BBT
Begrip uit de Omgevingswet
- bipolaire plaat
Metalen stroomgeleidende plaat die de kathode en de anode met elkaar verbindt, waarbij elke zijde een tegenovergestelde functie vervult.
- Bkl
Besluit kwaliteit leefomgeving. In het Bkl staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring.
- Bob
Bestuurlijk Omgevingsberaad Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving.
- BRL
Beoordelingsrichtlijn
- cel
Basiseenheid waar de elektrolyse plaatsvindt (elektrochemische cel).
- composiet drukhouder
Drukhouder gemaakt van verschillende materialen, zoals epoxyhars gecombineerd met koolstof- en/of aramidevezel.
- cross-over
Migratie van waterstof naar de zuurstofkant en andersom.
- CE-markering
Markering op een product om aan te geven dat een product voldoet aan de minimale Europese eisen voor veiligheid, gezondheid en milieubescherming.
- CE-verklaring
Verklaring van de fabrikant dat een product voldoet aan de minimale Europese eisen voor veiligheid, gezondheid en milieubescherming.
- deflagratie
Specifieke vorm van explosie waarbij de vlamsnelheid lager is dan de geluidsnelheid.
- degene die de activiteit verricht
Begrip uit het Besluit activiteiten leefomgeving
- detonatie
Specifieke vorm van explosie waarbij de vlamsnelheid hoger is dan de geluidsnelheid.
Bij een detonatie ontleedt reactief materiaal, waarbij het reactiefront sneller dan de geluidsnelheid in het materiaal verplaatst. Voor deze ontleding is geen zuurstof nodig. De voortdrijvende kracht van het reactiefront is een schokgolf. Als een stof door een schok plaatselijk tot reactie wordt gebracht en deze reactie zich in stand kan houden door de vorming van een reactiezone die met supersone snelheid door de stof voortschrijdt, dan spreekt men van de detonatie van de stof.
- diafragma
Tussenwand van poreus materiaal in een cel die zorgt voor scheiding van zuurstof en waterstof.
- dode zone
De tijdsperiode dat de operationele parameters nog niet binnen het normale bereik zitten.
- domino-effect
Effect waarbij het falen van een gevarenbron leidt tot het falen van een andere gevarenbron en waarbij de (directe) gevolgen van het falen van de eerste gevarenbron kleiner zijn dan de gevolgen van het falen van het vervolgongeval.
- deflagratie-detonatie transitie (DDT)
Proces waarbij een deflagratie overgaat in een detonatie. Dit kan optreden wanneer een gasmengsel voldoende groot is en in zekere mate is ingesloten of omgeven door obstakels, waardoor sterke turbulentie en drukopbouw ontstaan. Voorbeelden zijn leidingen van waterstofinstallaties of grote gaswolken in een bebouwde omgeving. DDT is relevant voor de risicoanalyse omdat het leidt tot veel hogere drukpieken dan een deflagratie.
- egalisatieleiding
Leiding voor het gelijk houden van de druk in de cel.
- elektrolyser
Apparaat, bestaande uit één of meerdere stacks, dat elektrolyse uitvoert, inclusief de separatoren.
- elektrolyt
Waterige oplossing met stoffen om de geleiding van elektronen te bevorderen.
- explosieve atmosfeer
Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel.
- explosieveiligheidsdocument
Document als bedoeld in artikel 3.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit
- EMC
Europese richtlijn elektromagnetische compabiliteit 2014/30/EG. Deze is geïmplementeerd in het Besluit elektromagnetische compatibiliteit 2016.
- EN
Europese norm
Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:
- Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.
- Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.
- Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.
- ESD
Emergency shutdown
- EU-CBI
Europese conformiteitsbeoordelingsinstantie. Een CBI is een instelling die is aangewezen om een conformiteitsbeoordeling uit te voeren.
- EU-conformiteitsverklaring
Document waarin de fabrikant bevestigt dat het product voldoet aan de toepasselijke EU-productrichtijnen.
- flessenbatterij
Verzameling gasflessen die aan elkaar zijn bevestigd en onderling door een verzamelleiding zijn verbonden en die als ondeelbare eenheid wordt vervoerd (ADR)
- gebruiker volgens Wbda 2016
Degene die de installatie gebruikt. Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.
- gevaarlijke stof (ADR)
Stoffen en voorwerpen waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de IMDG-Code.
- gevaarlijke stof (CLP)
Stoffen die volgens EG-verordening op indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk worden ingedeeld op grond van de criteria voor enige fysische gevarenklasse of gezondheidsgevarenklasse.
- gevarenzone-indeling
Indeling van gevaarlijke gebieden in zones afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit
- gevolgklasse CC3
Grote gevolgen voor het verlies van mensenlevens, of zeer grote economische of sociale gevolgen of gevolgen voor de omgeving.
- halfcelopstelling
Opstelling waarbij de enkele cel wordt gescheiden in twee halve cellen door het membraan. Elke halve cel bestaat uit een elektrode, een gasdiffusie laag en een bipolaire plaat .
- hulpdiensten
Politie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen.
- HAZOP
HAZard and Operability: Standaardmethode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen en het identificeren van gevaren en ongewenste situaties.
- hotspots
Plek in de cel waar warmte ontstaat door de reactie van waterstof met zuurstof.
- incident
Negatieve, onverwachte en onvoorziene gebeurtenis waarbij afhankelijk van het type en de ernst ervan het noodzakelijk kan zijn om melding te maken van de gebeurtenis en/of hulp(diensten) in te roepen.
- intern noodplan
Intern noodplan als bedoeld in artikel 2.5b van het Arbeidsomstandighedenbesluit.
- IEC
International Electrotechnical Commission. Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.
- installatie
Installatie voor de productie van waterstof door elektrolyse van water zoals bedoeld in Paragraaf 1.2.
- IPO
Interprovinciaal overleg
- ippc-installatie
Installatie als bedoeld in artikel 3, onder 3, van de richtlijn industriële emissies, voor zover daarin een activiteit als bedoeld in bijlage I bij die richtlijn wordt verricht.
- ISO
International Organization for Standardization. Internationale Organisatie voor Standaardisatie ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale standaardisatieorganisaties in een groot aantal landen.
- jet fire
Een vlam van brandende brandstof met hoge temperatuur die onder druk in een bepaalde richting vrijkomt.
- KOH
Kaliumhydroxide
- KvI
Keuring voor Ingebruikneming
- kwetsbaar gebouw
Kwetsbaar gebouw als bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving
- kwetsbare locatie
Kwetsbare locatie als bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving
- lekbak
Lekbak zoals omschreven in artikel 5.18 Bal
- load
Stroomsterkte op de anode en kathode
- LEL
Lower explosive limit (onderste explositiegrens): Concentratie van brandbaar gas of brandbare damp in de lucht waar beneden de atmosfeer niet explosief is.
- LOPA
Layer of Protection Analysis: Kwantitatieve methode om risico’s te analyseren en te beoordelen op een vrij eenvoudige manier.
- membraan
Tussenwand van poreus materiaal in een cel die zorgt voor scheiding van zuurstof en waterstof en dat bestand is tegen drukverschil
- Milieubelastende activiteit
Een milieubelastende activiteit is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken. Een wateronttrekkingsactiviteit en een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of zuiveringtechnisch werk zijn geen milieubelastende activiteiten in de zin van de Omgevingswet.
In de Omgevingswet omschreven activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.
- MKB
Midden- en kleinbedrijf Nederland
- noodplan
Overzicht van de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om effecten van calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.
- noodstopvoorziening
Voorziening die een apparaat, voertuig of installatie uitschakelt of stilzet of in een veilige toestand brengt. Een noodstopvoorziening is bedoeld om bij een incident of calamiteit verdere escalatie te voorkomen.
- NaOH
Natriumhydroxide
- NEN
NEN staat voor NEderlandse Norm. NEN staat ook voor Stichting Koninklijk NEderlands Normalisatie-instituut. Dat instituut geeft NEN-normen uit.
- NEN-EN
Europese norm (EN) die door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven
- NEN-EN-IEC
Door IEC vastgestelde internationele norm. De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
- NEN-EN-ISO
Door ISO vastgestelde internationele norm. De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
- NEN-ISO
Door ISO vastgestelde internationale norm. De norm is door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
- NL-CBI
Nederlandse conformiteitsbeoordelingsinstantie. CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie.
- NL-KVG
Nederlandse keuringsdienst van gebruiker (bedrijfseigen inspectie-instelling)
- NOBO
Notified Body. Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen. Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.
- NPR
Nederlandse Praktijkrichtlijn. Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) geeft NPR-publicaties uit. Een NPR is een informatieve praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.
- NTA
Nederlandse Technische Afspraak. Dit is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat.
- ontwerp kritische alarmeringen
Alarmeringen die direct verband houden met het optreden van bijzondere situaties voor wat betreft veiligheid.
- operating window
De parameters (veilige boven- en ondergrenzen, looptijd) waaronder apparatuur zonder storingen kan functioneren.
- opslagtank
Begrip uit het Besluit activiteiten leefomgeving
- opslagvoorziening
Voorziening voor opslag van waterstof, zoals een tankwagen, of een flessenbatterij.
- onbemand
In afwezigheid van personeel
- onbrandbaar
Onbrandbaar bouwmateriaal of onbrandbare stoffen, materialen of producten. Het gaat bij onbrandbare bouwmaterialen om onbrandbaarheid volgens NEN 6064.
- process loop
Gesloten regelkring waarin een procesvariabele voortdurend wordt gemeten, vergeleken met een gewenste waarde (setpoint) en automatisch wordt bijgestuurd via een regelaar en een actuator om het proces stabiel en binnen de gewenste grenzen te houden
- proefopstelling
Opstelling voor de productie van waterstof door elektrolyse voor het uitvoeren van metingen om de techniek te testen (bijvoorbeeld in een laboratoriumomgeving).
- purgen
Proces om leidingen, tanks, containers of faciliteiten te spoelen met (in dit geval) stikstof.
- PED
Pressure Equipment Directive. Richtlijn Drukapparatuur
- PEM
Proton Exchange Membrane
- PRD
Praktijkregels voor Drukapparatuur. Deze praktijkregels bevatten uitleg over alle regels uit het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. De Technische Commissie van Drukapparatuur van NEN stelt deze praktijkregels op. De PRD zijn te verkrijgen via de website van de Sdu.
- QRA
Quantitative Risk Assessment/Analysis. Kwantitatieve risicoanalyse QRA is een rekenmethode om de externe risico’s van het gebruiken, vervoeren en opslaan van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. Voor het bepalen van de risico’s voor de externe veiligheid worden in een QRA zowel de kansen op als de effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen in de berekening opgenomen.
- redundantie
Het hebben van extra componenten of systemen die beschikbaar zijn als back-up in het geval van storingen of uitval van de primaire componenten of systemen. Het doel van redundantie is om de beschikbaarheid, betrouwbaarheid en continuïteit van kritieke systemen te verbeteren.
- regelbereik
Bereik waarin een compressor efficiënt kan werken door zijn capaciteit aan te passen aan de vraag. Dit wordt vaak uitgedrukt als een percentage van de maximale capaciteit van de compressor. Een regelbereik van bijvoorbeeld 30% tot 100% betekent dat de compressor efficiënt kan werken bij elke belasting tussen 30% en 100% van de maximale capaciteit.
- REACH
Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen. Reach is een Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen.
- redding
Het bevrijden van personen uit een situatie waar ze op eigen kracht niet uit kunnen komen.
- RI&E
Risico-Inventarisatie en -Evaluatie. In een RI&E legt een werkgever schriftelijk vast welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich brengt. Het is voor elk bedrijf verplicht om een RI&E te hebben. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet.
- separator
Onderdeel van de installatie voor het scheiden van gas uit de vloeistoffase.
- stack
Behuizing met één cel of meer cellen
- SAFETI-NL
Programma voor QRA-berekeningen. Het rekenprogramma SAFETI-NL berekent de risico’s voor de veiligheid van de leefomgeving van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen. Meer informatie over SAFETI staat op de website van het RIVM.
- Seveso-inrichting
Een locatie die onder de Seveso-richtlijn valt vanwege de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. De richtlijn is opgesteld naar aanleiding van de ramp in het Italiaanse Seveso in 1976.
- Seveso-installatie
Technische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan (zie Bal).
- SIL
Safety Integrity Level. SIL is een indicator voor het kwantificeren van risicoverlaging van systemen of processen van een installatie. De vereiste SIL-klasse hangt af van het oorspronkelijke risico dat intrinsiek verbonden is met de systemen of processen van de installatie. Zie NEN-EN-IEC 61508 of NEN-EN-IEC 61511.
- SOEC
Solid Oxide Electrolyser Cell
- SWIFT
Structured What If Technique: Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse
- SZW
Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid
- technieken voor elektrolyse
De technieken AWE, PEM, AEM, SOEC, zoals beschreven in Paragraaf 2.3.
- tankwagen
Voertuig voor vervoer van waterstof, ook gebruikt als opslagvoorziening. Voorbeeld: batterijwagen of tubetrailer, ook Multiple Element Gas Container (MEGC) genoemd.
- ultrasoon geluid
Geluid met een frequentie van 20 kHz en hoger
- veiligheidsinformatieblad
Gestructureerd document met informatie over de risico's van een gevaarlijke stof of preparaat en aanbevelingen voor het veilig gebruik ervan. Het bevat alle eigenschappen van het product: van de gevaren en de chemische samenstelling tot informatie over beschermingsmiddelen, veilig gebruik, transport en afvoer. In het engels: MSDS, Material Safety Data Sheet.
- vuurgevaarlijke werkzaamheden
Werkzaamheden waarbij hitte dan wel vuur vrijkomt, zoals slijpen, lassen, boren, vlam solderen, snijbranden, verf afbranden, föhnen, dakdekken.
- veiligheidsrapport
Veiligheidsrapport zoals bedoeld in § 4.2 Bal
- vertraagde ontsteking
Ontsteking na verloop van tijd op het moment dat een gaswolk voldoende groot is om aanleiding te kunnen geven tot een explosie of wolkbrand.
- vlamdetector
Een sensor die de aanwezigheid van een vlam kan detecteren en daarop kan reageren.
- VNG
Vereniging Nederlandse Gemeenten
- VNO-NCW
Vereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).
- VTH
Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving
- vulpunt
Voorziening voor het vullen van een opslagvoorziening die is bedoeld voor transport.
- vulslang
Slang om een opslagvoorziening met (in dit geval) waterstof te vullen.
- vvi
Verklaring van ingebruikneming
- waterstofvulcentrum
Voorziening om geproduceerde gasvormige waterstof veilig en efficiënt over te brengen naar een tankwagen.
- WBDA 2016
Warenwetbesluit drukapparatuur 2016
- wolkbrand
Verbranding van een in de atmosfeer ontstane gaswolk zonder drukeffecten.
- Wvr
Wet veiligheidsregio's
- zeer kwetsbaar gebouw
Zeer kwetsbaar gebouw als bedoeld in bijlage VI van het Besluit kwaliteit leefomgeving
- zelfontbranding
Verschijnsel waarbij een stof spontaan gaat branden.
- ZZS
Zeer zorgwekkende stof
Normenlijst
- CLC/TR 60079-32-1:2018
Explosieve atmosferen - Deel 32-1: Richtlijnen voor elektrostatische risico's
- IEC/TS 60079-32-1:2013+A1:2017-CSV
Explosieve atmosferen - Deel 32-1: Richtlijnen voor elektrostatische risico's
- ISO 22734-1:2025
Waterstofgeneratoren met toepassing van waterelektrolyse - Deel 1: Veiligheid
- ISO 45001:2023
Managementsystemen voor gezond en veilig werken - Eisen met richtlijnen voor gebruik
- NEN 1010:2020+C1
Elektrische installaties voor laagspanning - Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks
- NEN 1990:2025
Eurocode - Grondslagen van het constructief en geotechnisch ontwerp
- NEN 2559:2001
Onderhoud van draagbare blustoestellen
- NEN 3011:2021
Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte
- NEN 6064:1991/A2:2001
Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen
- NEN-EN 1012-3:2013
Compressoren en vacuümpompen – Veiligheidseisen – Deel 3: Procescompressoren
- NEN-EN 1127-1:2019
Plaatsen waar explosiegevaar kan heersen - Explosiepreventie en -bescherming - Deel 1: Grondbeginselen en methodologie
- NEN-EN 50104:2019
Elektrisch materieel voor de detectie en meting van zuurstof - Gebruikseigenschappen en beproevingsmethoden
- NEN-EN 50522:2022
Aarding van hoogspanningsinstallaties van meer dan 1 kV wisselspanning
- NEN-EN 764-7:2019
Drukapparatuur - Deel 7: Veiligheidssystemen voor niet aan vlambelasting blootgestelde drukapparatuur
- NEN-EN-1363-1:2020
Bepaling van de brandwerendheid - Deel 1: Algemene eisen
- NEN-EN-50724:2023
Vaste ultrasone gaslekdetectoren (UGLD) - Algemene vereisten en testmethoden
- NEN-EN-IEC 60079:reeks
Explosieve atmosferen
- NEN-EN-IEC 60079-10-1:2021
Explosieve atmosferen - Deel 10-1: Classificatie van gebieden - Explosieve gasatmosferen
- NEN-EN-IEC 60079-13:2017
Explosieve atmosferen - Deel 13: Bescherming van de uitrusting - Bescherming door drukkamer "p" en mechanisch geventileerde kamer "v"
- NEN-EN-IEC 60079-14:2014
Explosieve atmosferen – Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties
- NEN-EN-IEC 60079-29-2:2015
Explosieve atmosferen – Deel 29-2: Gas detectoren – Selectie, installatie, gebruik en onderhoud van detectoren van brandbare gassen en zuurstof
- NEN-EN-IEC 60204-1:2018
Veiligheid van machines - Elektrische uitrusting van machines - Deel 1: Algemene eisen
- NEN-EN-IEC 60204-1:2018
Veiligheid van machines - Elektrische uitrusting van machines - Deel 1: Algemene eisen
- NEN-EN-IEC 61508:2010
Functionele veiligheid van elektrische/elektronische/programmeerbare elektronische systemen verbandhoudend met veiligheid - Deel 1: Algemene eisen
- NEN-EN-IEC 61511-3:2017
Functionele veiligheid - Veiligheidssystemen voor de procesindustrie - Deel 3: Richtlijnen voor de bepaling van de vereiste veiligheidsintegriteitsniveaus
- NEN-EN-IEC 62305:2011
Bliksembeveiliging
- NEN-EN-IEC 62561:reeks
Systeemonderdelen voor bliksembeveiliging (LPSC)
- NEN-EN-ISO 14001:2015
Milieumanagementsystemen - Eisen met richtlijnen voor gebruik
- NEN-EN-ISO 16964:2020
Gasflessen - Samenstellingen van flexibele slangen - Specificaties en beproeving
- NEN-EN-ISO 7010:2020
Grafische symbolen - Veiligheidskleuren en -tekens - Geregistreerde veiligheidstekens
- NEN-ISO 20560-1:2024
Veiligheidsinformatie voor de inhoud van pijpleidingen en tanks - Deel 1: pijpleidingen
- NEN-ISO 20560-2:2023
Veiligheidsinformatie voor de inhoud van pijpleidingen en tanks - Deel 2: Tanks
- NPR 5527:2025
Richtlijn voor controle, inspectie en keuring van industriële slangassemblages in de gebruiksfase
- NPR 7910-1:2020+C1:2021
Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 1: Gasexplosiegevaar, gebaseerd op NEN EN IEC 60079-10-1
- NPR-CLC-IEC/TR 60079-32 1:2018
Explosieve atmosferen – Deel 32-1: Richtlijnen voor elektrostatische risico's
- NTA 8221:2025
Procesveiligheid voor de productie van waterstof door elektrolyse voor industrieel gebruik
- NTA 8620:2016
Specificatie van een veiligheidsmanagementsysteem voor risico's van zware ongevallen