38Multi-energiestations

Richtlijn voor veilige aflevering van een combinatie van energiedragers aan voertuigen en werktuigen

PGS 38:2023 versie 1.1 (april 2026)

Let op: dit is een ongecontroleerde versie. De PGS-beheerorganisatie is niet verantwoordelijk voor volledigheid en juistheid van deze versie. De versie die beschikbaar is op de website publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl is de enige geautoriseerde versie.

38Multi-energiestations

Richtlijn voor veilige aflevering van een combinatie van energiedragers aan voertuigen en werktuigen

DefinitiefBOb vastgesteld

Versie

Deze PGS 38:2023 versie 1.1 (april 2026) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 38:2023 versie 1.0 (december 2023). Het interactieve risicodiagram is toegevoegd. Daarvoor zijn een aantal koppelingen in de scenario’s, doelen en maatregelen hersteld.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over de veilige opslag en de bijbehorende activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid van werknemers, de veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS-richtlijn genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid ( Omgevingsveiligheid )of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (Rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en Rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. In Bijlage G staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS-beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het PGS-programmabureau en de PGS-adviescommissie. De PGS-stuurgroep stuurt de PGS-beheerorganisatie aan. In de PGS-stuurgroep zijn vertegenwoordigd: IPO, VNG, Brandweer Nederland, Nederlandse Arbeidsinspectie, VNO-NCW en MKB-Nederland.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad vergunningverlening, toezicht en handhaving (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS-beheerorganisatie.

.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Omdat de PGS-richtlijnen de stand der wetenschap en professionele dienstverlening beschrijven, vormen zij voor de Nederlandse Arbeidsinspectie een goed uitgangspunt voor toezicht en handhaving.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden op de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de PGS-stuurgroep goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 28 september 2023.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 12 december 2023.

De voorzitter van de PGS-stuurgroep,

P. Heij

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft hoofdstukken en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud normatief is. Als er niets bij staat, betekent het dat de tekst informatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS-richtlijn wordt voldaan aan de in deze PGS-richtlijn opgenomen doelen.

Inleidende onderwerpen

De eerste vier hoofdstukken bevatten informatie over multi-energie stations, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over multi-energie stations.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Doelen en maatregelen

Hoofdstukken 5 tot en met 7 zijn normatief. Daarin staan het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel en voor welke scenario's ze bedoeld zijn.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft. In Paragraaf 7.1 staat de leeswijzer voor de maatregelen.
Informatie bij implementatie

De overige hoofdstukken zijn informatief. Deze hoofdstukken geven extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in de normatieve hoofdstukken thuishoren, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn.

  • Hoofdstuk 8 bevat informatie over gelijkwaardige maatregelen.
Bijlagen

Deze PGS-richtijn bevat bijlagen. De teksten in de hoofdstukken kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Als een hoofdstuk normatief is, staat dat aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS-richtlijn naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage F: Implementatietermijnen in bestaande situaties.

Bijlage C is informatief en bevat informatie over interne veiligheidsafstanden. En in Bijlage D en Bijlage E staat informatie over wet- en regelgeving.

Informatiebronnen

In deze PGS-richtlijn worden wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van een multi-energiestation te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op multi-energiestations. Dat zijn stations met afleverinstallaties voor verschillende energiedragers, waaronder een oplaadvoorziening voor elektrische voertuigen en werktuigen. Het gaat om afleverinstallaties die zijn genoemd in de volgende PGS-richtlijnen:

  • PGS 16: LPG: Afleverinstallaties, vulinstallaties en skid-installaties;
  • PGS 25: Aardgasafleverinstallaties voor motorvoertuigen;
  • PGS 28: Vloeibare brandstoffen in ondergrondse installaties en aflevertoestellen;
  • PGS 30: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties;
  • PGS 33-1: Afleverinstallaties van vloeibaar aardgas (LNG) voor voertuigen en werktuigen;
  • PGS 35: Waterstofinstallaties voor het afleveren van waterstof aan voertuigen en werktuigen.

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op:

  • openbare stations en stations bij bedrijven;
  • het afleveren aan voertuigen en werktuigen;
  • bemande en onbemande stations.

Deze PGS-richtlijn is niet van toepassing in de volgende situaties:

  • Een multi-energiestation waar uitsluitend PGS 16, 28 of 30 van toepassing zijn en geen bovengrondse LPG-opslagtank aanwezig is.
  • Een inviduele oplaadvoorziening.
  • Afleverinstallaties voor spoorvoertuigen of vaartuigen en drijvende werktuigen.
  • Nieuwe energiedragers waarvoor geen PGS-richtlijn bestaat.

Combinatie van PGS 16, 28 en 30

Voor een station waar alleen PGS 16, 28 en 30 van toepassing zijn, geldt deze PGS-richtlijn niet. Dan gelden alleen de individuele PGS-richtlijnen. Alleen als er een bovengrondse opslagtank voor LPG is, geldt deze PGS-richtlijn wel. Uit de risicoanalyse bleek namelijk dat er risico's zijn als een oplaadvoorziening in de directe omgeving van een bovengrondse LPG-tank staat.

Samenhang met PGS 37

PGS 37 omvat eisen voor lithiumhoudende energiedragers. De eisen in PGS 37-1 gaan over veilige opslag van elektriciteit in energieopslagsystemen (EOS). De eisen in PGS 37-2 gaan over veilige opslag van lithiumhoudende energiedragers. Bij multi-energiestations kunnen laadpalen aanwezig zijn met een energieopslagsysteem. Dit is niet specifiek voor multi-energiestations. Het is niet zo dat PGS 38 altijd van toepassing is omdat PGS 37 van toepassing is.

Aanvullende maatregelen

Deze PGS-richtlijn voor multi-energiestations stelt alleen aanvullende maatregelen. Dit zijn maatregelen vanwege de risico’s door de combinatie van verschillende energiedragers. Daarnaast moet het station voldoen aan de maatregelen in elke individuele PGS-richtlijn. Bijvoorbeeld voor een station met benzine, LPG en waterstof zijn de volgende PGS-richtlijnen van toepassing: PGS 16, 28, 35 en 38.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen aan de gestelde maatregelen. In Bijlage F staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een normdocument (zoals NEN, EN, of ISO), gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normendocumenten, zoals NEN, EN of ISO, worden periodiek beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving multi-energiestation

2.1Algemeen

Een multi-energiestation is een station met afleverinstallaties van verschillende energiedragers, waaronder ook een oplaadvoorziening. Het gaat om een combinatie van brandstoffen bedoeld in PGS 16, 28 en 30 (zoals benzine, diesel, HVO en LPG) en PGS 25, 33.1 en 35 (CNG, LNG en waterstof). En eventueel in combinatie met een oplaadvoorziening voor elektrische voertuigen en werktuigen. De combinatie van energiedragers varieert per station.

Onderdelen van een multi-energiestation zijn vulpunten, afleverzuilen en opslagtanks. Er kunnen ook oplaadvoorzieningen zijn. Ook een winkel of horecavoorziening kan onderdeel zijn van het multi-energiestation. De indeling van een multi-energiestation verschilt per locatie. Er zijn stations met aparte afleverzuilen, maar ook met afleverzuilen met een combinatie van verschillende energiedragers. In onderstaande afbeelding staat een voorbeeld van de onderdelen van een multi-energiestation.

Afbeelding 1Voorbeeld onderdelen multi-energiestation

Verschillende exploitanten

Op een multi-energiestation kunnen voor de verschillende installaties meerdere exploitanten zijn. Ook kan er een winkel of horecavoorziening bij het station zijn met een eigen exploitant. Het gaat om alle activiteiten binnen de begrenzing van de locatie van het multi-energiestation. Wanneer er onvoldoende afstemming is tussen de verschillende exploitanten kan dit mogelijk aanvullende risico’s met zich meebrengen. Deze aanvullende risico's zijn in deze PGS-richtlijn uitgewerkt.

Op grond van Arbowetgeving moet elke werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) maken. Hierin kunnen ook risico’s worden behandeld die ontstaan als gevolg van installaties van verschillende werkgevers op dezelfde locatie.

Interactie tussen energiedragers

Bij het tegelijk vrijkomen van verschillende energiedragers worden geen chemische reacties verwacht tussen deze stoffen. Dit geeft dan ook geen aanvullende of hogere risico's.

Aansluiting vulpunten en koppelingen bij afleveren

Er zijn geen eisen voor koppelingen van vulpunten. In de praktijk zijn de koppelingen van vulpunten voor de opslag van de verschillende energiedragers verschillend. Voor het afleveren (tanken) van energiedragers zijn er wel eisen voor koppelingen. Zie hiervoor de verschillende PGS-richtlijnen. Alleen voor diesel en benzine worden dezelfde koppelingen gebruikt. Dit geeft dan ook geen aanvullende of hogere risico's door verkeerd aansluiten.

Opslagtank AdBlue

Op sommige stations kan een opslagtank met AdBlue aanwezig zijn. Dit is een oplossing van ureum in gedemineraliseerd water. Het wordt gebruikt als bijvoeging voor voertuigen die diesel gebruiken om aan emissienormen te kunnen voldoen. Een opslagtank voor AdBlue geeft geen aanvullende of hogere risico's.

Ondersteunende activiteiten

Bij een multi-energiestation kunnen ondersteunde activiteiten plaatsvinden. Deze ondersteunende activiteiten zijn niet specifiek voor een combinatie van afleverinstallaties en daarom niet beoordeeld in de risico-analyse. Een voorbeeld van een ondersteunende activiteit is een opslagtank van vloeibare stikstof of kooldioxide. Vloeibare stikstof wordt bijvoorbeeld gebruikt voor koeling; kooldioxide voor het schoonblazen van leidingen. Voor een dergelijke opslagtank geldt PGS 9. Een ander voorbeeld is een energieopslagsysteem (EOS). Hiervoor geldt PGS 37.

PGS 9 en 37 voorzien in maatregelen om risico's te voorkomen. Ook als de activiteiten plaatsvinden bij een multi-energiestation.

2.2Oplaadvoorziening elektrisch laden

Een oplaadvoorziening voor het elektrisch laden van voertuigen en werktuigen bestaat uit een afleverzuil en een hoogspanningsinstallatie, al dan niet ineen. Voor elektrisch laden bestaat geen PGS-richtlijn. Een oplaadvoorziening moet op basis van de ATEX-regels buiten de ATEX-zones van de andere energiedragers worden geplaatst. Voor elektrisch laden is geen handmatig bediende noodstopvoorziening verplicht. Soms wordt gasdetectie toegepast, waarbij bij het meten van een brandbaar gas de oplaadvoorziening spanningsloos wordt gemaakt.

Voor een publiek toegankelijk oplaadpunt voor elektrische voertuigen staan eisen in het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen en bijbehorende Regeling technische eisen en gebruikersinformatie over de infrastructuur van alternatieve brandstoffen [hierna: Regeling alternatieve brandstoffen]. Het besluit is de implementatie van de Europese richtlijn 2014/94/EU betreffende de uitrol van alternatieve brandstoffen.

In artikel 5 onder a van het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen staat dat bij ministeriele regeling nadere regels kunnen worden gesteld voor een oplaadpunt. Deze nadere regels staan in artikel 2 en 3 van de Regeling alternatieve brandstoffen. In deze artikelen wordt verwezen naar bijlage II van de Europese richtlijn. Voor een oplaadpunt gelden de eisen in bijlage II onder 1.1 en 1.2 van deze richtlijn. Hier staan technische eisen voor contactdozen en connectoren met een verwijzing naar NEN-EN-IEC 62196-2 en NEN-EN-IEC 62196-3.

Thermal runaway

Bij het opladen van een elektrisch voertuig of werktuig kan een thermal runaway ontstaan. Dit is het thermisch 'op hol slaan' van de batterij. Bij dit proces wordt de temperatuur in de batterij zo hoog dat de omstandigheden veranderen, wat voor nog hogere temperaturen zorgt. De meest voorkomende oorzaken van een thermal runaway zijn:

  • overladen van de batterij;
  • beschadiging, oververhitting, kortsluiting van de batterij;
  • te snel ontladen van de batterij. 

De kans op een thermal runaway is klein, maar gezien de effecten is het een relevant scenario. De gevolgen van een thermal runaway zijn:

  • zeer hoge temperaturen;
  • het vrijkomen van (gevaarlijke) gassen, electrolyten en metalen delen;
  • vaak een zeer felle vuurzee.

Een brand van een batterij is lastig te blussen omdat het proces blijft doorgaan. Een thermal runaway vraagt om langdurige koeling. Een thermal runaway kan ook ontstaan in een laadpaal met een ingebouwde batterijopslag.

Als een thermal runaway op korte afstand van een installatie voor een andere energiedrager ontstaat, kan dit escalatie tot gevolg hebben. Zie scenario S2.

Ondersteunende activiteiten

Bij een multi-energiestation kunnen ondersteunde activiteiten plaatsvinden. Deze ondersteunende activiteiten zijn niet specifiek voor afleverinstallaties en daarom niet beoordeeld in de risico-analyse. Een voorbeeld van een ondersteunende activiteit is een opslagtank van vloeibare stikstof of kooldioxide. Vloeibare stikstof wordt gebruikt voor koeling; kooldioxide voor het schoonblazen van leidingen. Voor een dergelijke opslagtank geldt PGS 9. Voor de oplaadvoorziening kan een energieopslagsysteem (EOS) aanwezig zijn. Hiervoor geldt PGS 37. Deze PGS-richtlijnen voorzien in maatregelen om risico's te voorkomen, ook als de activiteiten plaatsvinden bij een multi-energiestation.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • 'good housekeeping', dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. 'Good housekeeping' is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt van uitgegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen voor goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dat een bedrijf bovenstaande maatregelen toepast.

In de afzonderlijke PGS-richtlijnen staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Hiervoor staan geen maatregelen in deze PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt;
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan gelden voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van de opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode wordt vaak gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability. Ook wordt voor de risicobenadering de BowTie-methode gebruikt in combinatie met SWIFT of HAZOP voor de scenario-identificatie.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS-website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/.

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Zo is een bedrijf onder andere op grond van de Arbeidsomstandighedenwet gehouden om een risico inventarisatie en -evaluatie uit te voeren en hier een passend plan van aanpak voor te maken. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

De volgende scenario's zijn beoordeeld als scenario's met een laag risico:

  • lekkage van meerdere brandstoffen tegelijk;
  • externe brand;
  • aanrijden van meerdere afleverinstallaties tegelijk;
  • effect op een afleverzuil van een thermal runaway bij opladen.
Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Naast de eerder genoemde RIE-plicht vanuit de Arbeidsomstandighedenwet zijn bedrijven bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (Wbda 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Voor scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Aanpak risicobenadering PGS 38

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 38-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatief gangbaar multi-energiestation en heeft tot een aantal nader te onderzoeken scenario’s geleid. Deze vormen de basis van de PGS-richtlijn en zijn vastgelegd in Hoofdstuk 4.

De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven. Voor de risicobenadering is alleen gekeken naar scenario’s als gevolg van de onderlinge interacties door het aanbieden van meerdere energiedragers binnen een station.

Voor deze PGS-richtlijn is de BowTie-methodiek gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s. De categorieën van directe oorzaken vanuit PGS 6 in combinatie met de gidswoorden vanuit de SWIFT-methode zijn toegepast voor een gestructureerde identificatie van potentiële oorzaakscenario’s. In Paragraaf 3.3 staan de ongewenste gebeurtenissen gedefinieerd voor deze PGS-richtlijn. Deze ongewenste gebeurtenissen zijn het middelpunt van de vlinderdas in de gebruikte BowTie-methode. Zie ook het risicodiagram.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans op en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruik gemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, is in overleg met betrokken experts bekeken welke maatregelen toegepast worden of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert;
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS-richtlijn moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

3.3Ongewenste gebeurtenissen

Deze paragraaf beschrijft de ongewenste gebeurtenissen die tijdens de risicobeoordeling zijn bepaald voor deze PGS-richtlijn. De ongewenste gebeurtenissen geven voor een gedefinieerde situatie (activiteit, type opslagvoorziening of deel van een installatie) de structuur weer van de scenario’s. Het risicodiagram is een visuele weergave van de ongewenste gebeurtenis en de gerelateerde scenario’s, doelen.

OG1

Ongewenste gebeurtenis met meerdere energiedragers

Toelichting

Een multi-energiestation is een station met afleverinstallaties van verschillende energiedragers, waaronder ook een oplaadvoorziening. Het gaat om een combinatie van brandstoffen bedoeld in PGS 16, 28 en 30 (zoals benzine, diesel, HVO en LPG) en PGS 25, 33.1 en 35 (CNG, LNG en waterstof). Zie ook Paragraaf 2.1.

Scenario's
S1S2S3S4S5S6S7

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor multi-energiestations. De scenario's zijn onderverdeeld in: scenario's bij opslag, vullen, afleveren en onderhoud. Er zijn oorzaakscenario's en gevolgscenario's. De oorzaakscenario's staan per activiteit in de paragrafen 4.2, 4.3 en 4.4. De gevolgscenario's zijn hetzelfde bij alle activiteiten en staan in paragraaf 4.5.

Elk scenario staat in een groen kader en heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Deze doelen zijn weergegeven als D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

4.2Oorzaakscenario's bij opslag

In deze paragraaf staan de oorzaakscenario's bij opslag. Het gaat hier om basisoorzaken (bedreigingen) die leiden tot ongewenste gebeurtenissen.. Deze gebeurtenissen kunnen weer verdere gevolgen hebben. Dit zijn de gevolgscenario's. De gevolgscenario's bij opslag staan in paragraaf 4.5.

S1

Koude-effect op onderdelen van een andere installatie door cryogene lekkage

Door een lekkage van een cryogene vloeistof worden installaties van andere energiedragers aangetast door het koude-effect.

Potentiële gevolgen:

  • aantasting van de integriteit van de installatie;
  • impact op de werking van sensoren;
  • mogelijke lekkage in de toekomst.
Toelichting

LNG is een cryogene vloeistof. De installaties voor LNG zijn hiervoor geschikt. Installaties voor andere energiedragers zijn hier niet voor ontworpen. Bij een lekkage kan degradatie van materialen optreden (bros worden) of kunnen aanwezige sensoren niet meer goed werken.

Doelen
D1
S2

Thermal runaway tijdens elektrisch laden voertuig of werktuig of door ingebouwde batterijopslag in de laadpaal

Tijdens het laden van een elektrisch voertuig of werktuig ontstaat een thermal runaway gevolgd door een brand. Of er ontstaat een thermal runaway in de laadpaal met ingebouwde batterijopslag. Door de brand ontstaat een warmtebelasting op een bovengrondse opslag van een energiedrager.

Potentiële gevolgen:

  • falen van één meerdere afleverinstallaties;
  • falen van één of meerdere opslagen van energiedragers;
  • escalatie van de brand naar meerdere energiedragers.
Doelen
D2
S3

Escalatie tussen opslagen van verschillende energiedragers

Er is een incident, bijvoorbeeld brand, bij de opslag van één van de energiedragers dat escaleert naar de opslag van de andere energiedrager.

Potentiële gevolgen:

  • meerdere opslagen betrokken bij een incident.
Doelen
D2

4.3Oorzaakscenario's bij vullen van de opslag

In deze paragraaf staan de oorzaakscenario's bij vullen van de opslag. Het gaat hier om basisoorzaken (bedreigingen) die leiden tot ongewenste gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen kunnen weer verdere gevolgen hebben. Dit zijn de gevolgscenario's. De gevolgscenario's bij vullen staan in paragraaf 4.5.

S4

Gelijktijdig vullen van opslagen van verschillende energiedragers

Tijdens het gelijktijdig vullen van opslagen van verschillende energiedragers ontstaat een incident bij een tankwagen dat escaleert naar een andere tankwagen.

Potentiële gevolgen:

  • escalatie omdat er meerdere tankwagens betrokken zijn bij een incident.
Toelichting

Het gaat hier om tankwagens die tijdelijk aanwezig zijn om een opslag te vullen. Niet om een tankwagen die aanwezig is als opslag van een energiedrager en wordt gebruikt als opslagtank.

Doelen
D2

4.4Oorzaakscenario's bij onderhoud

In deze paragraaf staan de oorzaakscenario's bij onderhoud. Het gaat hier om basisoorzaken (bedreigingen) die leiden tot ongewenste gebeurtenissen. Deze gebeurtenissen kunnen weer verdere gevolgen hebben. Dit zijn de gevolgscenario's. De gevolgscenario's bij onderhoud staan in paragraaf 4.5.

S5

Tegelijk of ondeskundig uitvoeren van werkzaamheden

Tijdens onderhoud, reparatie, vervanging, aanleg van een afleverinstallatie, vulpunt of opslag komt de integriteit van de installatie van één van de andere energiedragers in het geding. Dit komt door het tegelijk uitvoeren van werkzaamheden aan verschillende installaties of ondeskundig uitvoeren van werkzaamheden aan één installatie.

Potentiële gevolgen:

  • persoonlijk letsel;
  • vrijkomen van product;
  • bij ontsteking brand en explosie.
Toelichting

Voorbeelden van dit scenario zijn:

  • werkzaamheden aan de verkeerde installatie;
  • werkzaamheden aan een installatie terwijl andere installaties nog in gebruik zijn;
  • graafwerkzaamheden waarbij de andere installatie wordt geraakt;
  • hijsen of transport waarbij de andere installatie wordt geraakt;
  • testen van een installatie die ook gebruikt wordt voor een andere energiedrager, zoals detectie of noodstop;
  • veiligheidsvoorzieningen zijn uitgeschakeld vanwege onderhoud.
Doelen
D3

4.5Gevolgscenario's voor de hele activiteit

Voor alle oorzaakscenario's die in paragraaf 4.2, 4.3 en 4.4 staan, zijn er gevolgscenario's. Als bij vullen, opslag of onderhoud één van de beschreven scenario's zich voordoet, kan dit verdere gevolgen hebben. Deze gevolgscenario's staan hieronder.

S6

Brand of explosie

  • brand of explosie bij incidenten bij opslag, zie S1, S2 en S3;
  • brand of explosie bij incidenten met vullen, zie S4;
  • brand of explosie door onderhoud aan de installatie, zie scenario S5.

Potentiële gevolgen:

Beveiligingssystemen van afzonderlijke energiedragers of de oplaadvoorziening treden in werking, maar hebben alleen effect op één installatie. Door het ontbreken van een koppeling tussen de beveiligingssystemen treedt escalatie op (zie S7).

Doelen
D5D6D7
S7

Escalatie van brand of explosie

Het gaat om escalatie van brand of explosie op het station door:

  • incidenten bij opslag, zie S1, S2 en S3;
  • incidenten met vullen, zie S4;
  • werkzaamheden aan de installatie, zie scenario S5.

Potentiële gevolgen:

Brand of explosie bij een onderdeel van de installatie leidt tot falen van een onderdeel van een andere installatie. Dit kan leiden tot grotere effecten dan het falen van afzonderlijke installaties.

Doelen
D2D4

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deze PGS-richtlijn beschrijft doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • omgevingsveiligheid: het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • arbeidsveiligheid: het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van acute blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • brandbestrijding en rampenbestrijding: het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding en het borgen van de veiligheid van de incidentbestrijders.

Er wordt zo zorgvuldig mogelijk gezorgd in een PGS-richtlijn dat bij navolging van de maatregelen niet in strijd wordt gehandeld met wet- en regelgeving. Het is echter niet zo dat een PGS-richtlijn uitputtend is in het opnemen van wettelijke verplichtingen. Het is altijd van belang de van toepassing zijnde wetgeving voor de desbetreffende activiteit te controleren.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid en met Brandpreventie (brandpreventie en -mitigatie omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (brand- of rampenbestrijding).

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In het Bal kan omschreven zijn dat een vergunningplicht of algemene regels gelden voor de activiteit.

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van de milieubelastende activiteit van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen voor zo ver passend binnen het toepassingsbereik van het Bal. In de Omgevingsregeling is terug te vinden welke versie van de PGS-richtlijn is aangestuurd. Voor vergunningplichtige activiteiten bepaalt het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) welke informatiedocumenten betrokken moeten worden als informatiedocument. Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit rekening houden met het informatiedocument.

Tussen het moment van vaststellen van de PGS-richtlijn door het BOb en opname in de rijksregels kan een periode zijn gelegen. Hoe hiermee om te gaan in deze periode is te vinden op de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): Vooruitlopen op toekomstige PGS-richtlijnen. Deze systematiek geldt voor bestaande richtlijnen die gewijzigd zijn én voor nieuwe richtlijnen waarvoor mogelijk een herziening van het Bal nodig is. Voor het overzicht van de juridische status van de PGS-richtlijn zie de website van het Informatiepunt Leefomgeving (IPLO): Overzicht PGS-richtlijnen. Het stelsel van de Omgevingswet biedt mogelijkheid om bij maatwerkvoorschrift of gelijkwaardige maatregel af te wijken.

5.2.2Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Voor het tanken van energiedragers staan de veiligheidsafstanden in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het gaat in het Bkl om de volgende afstanden:

  • afstand voor het plaatsgebonden risico;
  • afstand tot aandachtsgebieden.

Een overzicht van deze veiligheidsafstanden staat in tabel 1. Deze tabel is gebaseerd op het Bkl op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen. Alleen bij het tanken van LNG is een berekening nodig. Voor de overige energiedragers zijn er vaste afstanden. Bij een multi-energiestation moet in elk geval worden voldaan aan alle individuele afstanden.

Tabel 1Overzicht externe veiligheidsafstanden

LPG

CNG

Waterstof

LNG

Vindplaats bijlage VII Bkl

Onderdeel A onder 1a

Onderdeel A onder 2

Onderdeel B onder 5

onderdeel E onder 10

Plaatsgebonden risico

verwijzing naar de afstanden in tabel 4.472c Bal

verwijzing naar de afstanden in tabel 4.484 Bal

30 m vanaf de tussenopslag bij aanvoer via een buisleiding of productie op locatie

25 m vanaf het vulpunt bij aanvoer met tanks

te berekenen afstand

Brandaandachtsgebied

60 m vanaf het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en pomp en het aansluitpunt

-

55 m vanaf de opslagtank

50 - 200 m vanaf het vulpunt (zie tabel E.10 Bkl)

Explosieaandachtsgebied

160 m vanaf het vulpunt en de bovengrondse opslagtank

-

-

-

Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor het tanken van LPG en CNG staan er veiligheidsafstanden in het Besluit activiteiten leefomgeving. De afstanden staan in tabel 4.472c voor LPG en in tabel 4.484 voor CNG. Deze afstanden gelden tot de terreingrens, tenzij dat:

  • niet mogelijk is vanwege de geringe omvang van de locatie, de bouwwerken die aanwezig zijn op die locatie of andere fysieke belemmeringen;
  • nadelige invloed heeft op de veiligheid en gezondheid van werknemers of bezoekers;
  • de bedrijfsvoering ernstig belemmert;
  • ertoe leidt dat niet kan worden voldaan aan de interne afstanden in de PGS-richtlijn.

In die gevallen geldt de afstand niet tot de terreingrens, maar tot beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties.

Bij de melding moeten de X- en Y-coördinaten van onderdelen van de installatie worden vermeld. Het bevoegd gezag kan dan toetsen of aan de afstanden wordt voldaan.

5.2.3Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van acute blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Nederlandse arbeidsinspectie betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Paragraaf 8.1. Eventueel kan de Nederlandse Arbeidsinspectie maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 van de Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

6Doelen Normatief

6.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig tanken van energiedragers. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel is herkenbaar aan een paars kader en heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen Normatief

D1

Behouden van de integriteit van de gehele installatie na lekkage van cryogene vloeistof

Toelichting

Door het koude-effect na lekkage van cryogene vloeistof kan de integriteit van omliggende installaties aangetast worden. Dit kan leiden tot mogelijk falen in de toekomst.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
Maatregelen
M1
D2

Voorkomen van escalatie

Toelichting

Voorkomen dat een incident bij een onderdeel in het multi-energiestation escaleert naar een ander onderdeel in het multi-energiestation of naar de omgeving.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheidBrandpreventie
Maatregelen
M2M3M5
D3

Voorkomen dat gelijktijdige werkzaamheden aan de installatie leiden tot calamiteiten

Toelichting

Het uitvoeren van werkzaamheden aan installaties van verschillende energiedragers tegelijk kan leiden tot calamiteiten. Vooral als dit gebeurt door verschillende bedrijven die niet op de hoogte zijn van elkaars werkzaamheden.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
Maatregelen
M6M7M13
D4

Op een veilige manier tegelijk afblazen

Toelichting

Het gaat om situaties waarbij afblaasvoorzieningen bij elkaar zijn geplaatst. Bij het tegelijk afblazen kan escalatie optreden van de ene naar de andere energiedrager. Dit kan gebeuren bij afblaasvoorzieningen die zijn uitgevoerd met een fakkel, maar ook door ontsteking van een gaswolk bij een afblaasvoorziening.

Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
Maatregelen
M8
D5

Voldoende en juiste brandbestrijdingsvoorzieningen

Toelichting

Het doel is te borgen dat er voldoende brandbestrijdingsvoorzieningen aanwezig zijn, vanwege de combinatie van verschillende energiedragers om in geval van een incident een escalatie te kunnen voorkomen en het incident te kunnen bestrijden.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheidBrandpreventie
Maatregelen
M9M10M11
D6

Voorbereid zijn op noodsituaties vanwege meerdere exploitanten

Toelichting

Op een multi-energiestation kan het zijn dat er meerdere exploitanten zijn van de verschillende installaties en van een winkel of horecavoorziening bij het station. Omdat een incident bij een installatie een effect kan hebben op een andere installatie, is vooraf afstemming nodig tussen de verschillende exploitanten.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
Maatregelen
M12
D7

Veiligstellen van het station bij een noodsituatie

Toelichting

Bij een incident op een multi-energiestation moet de noodstopvoorziening het gehele station kunnen uitschakelen. Omdat een incident bij een installatie een effect kan hebben op een andere installatie, is het belangrijk dat de noodstopvoorziening is gebaseerd op de aanwezigheid van meerdere energiedragers.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
Maatregelen
M4

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen Normatief

Dit hoofdstuk bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de markeringen Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid en Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

  • Omgevingsveiligheid: maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet;
  • Brandpreventie: maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol veiligheidsregio/brandweer);
  • Arbeidsveiligheid: maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet;
  • Rampenbestrijding: maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's.

De maatregelen staan in een blauw kader, tenzij een maatregel vergelijkbaar is met direct geldende eisen uit andere wetgeving, deze zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Interne veiligheidsafstanden

In deze PGS-richtlijn staan minimumafstanden. Deze zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS-voorziening naar andere installatieonderdelen, bouwwerken, opslagen en mensen (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Naast de minimumafstanden in deze PGS-richtlijn kunnen er ook afstanden zijn op grond van de arbeidsomstandighedenwetgeving. Deze afstanden kunnen groter zijn.

Vanwege brand- en explosieveiligheid zijn er afstanden nodig voor de veiligheid van werknemers. Die afstanden staan in het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan de afstanden in deze PGS-richtlijn.

7.2Maatregelen Normatief

M1

Controle andere installatie op aantasting integriteit na lekkage cryogene vloeistof

Na een lekkage met cryogene vloeistof worden omliggende installaties beoordeeld op aantasting door koude-effecten vanwege de cryogene vloeistof.

Toelichting

Door het koude-effect kan de integriteit van omliggende installaties aangetast worden. Bijvoorbeeld brosse breuk of het verstoppen van leidingen door condenseren of bevriezen. Bij het ontwerp van deze installaties zal meestal geen rekening zijn gehouden met dit koude-effect. Na lekkage moet dan ook met zekerheid vastgesteld worden dat de integriteit niet is aangetast. Dit om mogelijk falen in de toekomst te voorkomen.

Om vast te stellen of de integriteit van drukapparatuur is aangetast, kan een beoordeling nodig zijn door een NL-CBI conform het Wbda 2016 of door een deskundige conform artikel 7.4a lid 3 van het Arbobesluit.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
M2

Veiligheidsafstand elektrisch laden

De afstand tussen een opstelplaats van een voertuig of een werktuig bij een laadpunt voor elektrisch laden is minimaal 10 m vanaf de grens van de opstelplaats tot een bovengrondse opslag van een andere energiedrager.

De afstand van 10 m geldt ook vanaf een laadpaal met ingebouwde batterijopslag.

Toelichting

Voor de warmtestraling bij een thermal runaway is geen onderbouwing op basis van warmtestraling beschikbaar. Deze afstand is bepaald op basis van 'expert judgement' van Brandweer Nederland. De afstand geldt niet voor een tankwagen die tijdelijk aanwezig is om een opslag te vullen. Als een tankwagen aanwezig is als opslag, dan geldt de afstand wel.

Deze maatregel geldt ook voor laadvoorzieningen voor trucks.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG. En als het gaat om een station met een bovengrondse LPG-tank.

Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M3

Interne veiligheidsafstanden

De afstand tussen opslagen van LNG, CNG en waterstof is minimaal 3 m. Alleen als het gaat om een opslag van waterstof van 1 000 bar is de afstand 3,5 m tussen deze opslag van waterstof en een opslag van LNG of CNG.

De afstand tussen een vulpunt van waterstof en de opslag van LNG of CNG is:

  • 5 m als het gaat om het vullen met een tankwagen met waterstof op 200 bar;
  • 8 m als het gaat om het vullen met een tankwagen met waterstof op 500 bar.

De afstand tussen een vulpunt van LNG en de opslag van waterstof of CNG is minimaal 15 m.

De afstanden gelden vanaf het dichtstbijzijnde onderdeel van de installatie als de opslag en installatie één geheel vormen.

Toelichting

Deze afstanden zijn opgenomen om domino-effect te voorkomen. Het domino-effect is dat het falen van één installatie met gevaarlijke stoffen kan leiden tot het falen van een andere installatie met gevaarlijke stoffen. Dit effect wordt beperkt door het aanhouden van minimale afstanden tussen installaties. De afstanden zijn gebaseerd op de afstanden in de individuele PGS-richtlijnen. In bijlage C staat hierover meer informatie.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
Omgevingsveiligheid
M4

Koppelen noodstopvoorzieningen

Noodstopvoorzieningen van verschillende energiedragers zijn aan elkaar gekoppeld als de afstand tussen afleverzuilen en installatieonderdelen van verschillende energiedragers minder is dan 25 m. Als de noodstop wordt geactiveerd wordt het gehele multi-energiestation uitgeschakeld. De toevoer van alle energiedragers en het opladen wordt gestopt en alle technische installaties gaan in de ‘veilige stand’.

Het vrijgeven van de installaties gebeurt op de wijze zoals in de PGS-richtlijn voor de betreffende energiedrager staat.

Toelichting

In de individuele PGS-richtlijnen staan eisen voor noodstopvoorzieningen. Het koppelen van deze afzonderlijke noodstopvoorzieningen is noodzakelijk, omdat een incident bij een installatieonderdeel van de ene energiedrager invloed kan hebben op de veilige werking van een installatieonderdeel van een andere energiedrager. Ook kan er onduidelijkheid zijn of ontstaan als er meerdere noodstoppen aanwezig zijn die verschillende onderdelen uitschakelen. Op een aflevereiland mogen de noodstoppen van verschillende energiedragers gecombineerd en samengevoegd worden in één noodstop.

Een koppeling is niet nodig als de afstand tussen een installatieonderdeel waar de noodstop wordt geactiveerd op meer dan 25 m afstand zit van een installatieonderdeel van een andere energiedrager. Als er andere redenen zijn waarom een koppeling niet nodig is, dan kan hiervoor een onderbouwd verzoek voor maatwerk bij het bevoegd gezag worden ingediend.

Meer informatie over het koppelen van noodstopvoorzieningen staat in paragraaf 4.4 van CEN-CENELEC Guide 38.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG en als het gaat om een station met een bovengrondse LPG-tank.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheidBrandpreventie
M5

Risico's gelijktijdig lossen verschillende tankwagens

Het lossen van een tankwagen mag niet gelijktijdig plaatsvinden met het lossen van een andere tankwagen, tenzij de tankwagen zich op meer dan 25 m afstand bevindt van de andere tankwagen.

Dit geldt niet voor het gelijktijdig lossen van uitsluitend benzine en diesel.

Toelichting

Aan deze maatregel kan worden voldaan door technische maatregelen, zoals:

  • het combineren van de opstelplaatsen voor de tankwagens zodat gelijktijdig lossen onmogelijk is;
  • het terrein zo in te delen dat er maar één tankwagen op de opstelplaats past;
  • de opstelplaatsen voor de tankwagen op een afstand van minimaal 25 m van elkaar te plaatsen.

Als het mogelijk is om gelijktijdig te lossen binnen een afstand van 25 m, dan zijn organisatorische maatregelen noodzakelijk. Bijvoorbeeld vrijgave van een vulpunt door de operator na controle. Dit om te borgen dat er niet gelijktijdig wordt gelost. Met maatwerk kan het bevoegd gezag aanvullende eisen stellen.

De minimumafstand is gebaseerd op de afstand voor gelijktijdig lossen in PGS 16 en PGS 33. In beide PGS-richtlijnen staat dat gelijktijdig lossen niet mag met andere motorbrandstoffen. Met deze maatregel (M5) is geregeld dat dit geldt voor alle energiedragers, behalve dan voor het gelijktijdig lossen van benzine en diesel.

Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M6

Afstemming werkzaamheden aan de installatie

In geval van meerdere exploitanten is een protocol aanwezig waarin de verantwoordelijkheid voor de coördinatie van werkzaamheden aan de installatie is vastgelegd.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
M7

Risicoanalyse bij gelijktijdige werkzaamheden

Minimaal één week voordat gelijktijdige werkzaamheden aan installatieonderdelen van verschillende energiedragers worden uitgevoerd, wordt een risicoanalyse opgesteld.

In deze risicoanalyse staat in elk geval:

  • een beoordeling van de mogelijke onderlinge effecten en veiligheidsrisico's;
  • welke maatregelen worden genomen om de veiligheid te waarborgen.

De werkzaamheden worden uitgevoerd overeenkomstig de risicoanalyse. De risicoanalyse is beschikbaar tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden.

De risicoanalyses worden ten minste één jaar bewaard.

Toelichting

In de risicoanalyse wordt geanalyseerd welke risico's er zijn als er gelijktijdig werkzaamheden worden uitgevoerd aan installatieonderdelen voor verschillende energiedragers. Het gaat om risico's voor de omgeving en risico's voor degene die de activiteiten uitvoert, personeel en bezoekers. In de risicoanalyse staan de maatregelen die genomen worden om de veiligheid te waarborgen.

De risicoanalyse is beschikbaar op papier of digitaal.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
M8

Voorkomen negatief effect door ontsteking bij een afblaasvoorziening

Een afblaasvoorziening is zo uitgevoerd dat deze, als deze ontstoken kan worden door een al ontstoken afblaasvoorziening of fakkel, de vlam niet naar binnen trekt.

Toelichting

Het op één plek combineren van de afzonderlijke afblaasvoorzieningen van verschillende installaties voor het afleveren van energiedragers, levert geen aanvullend risico op.

Er is wel een aanvullend risico als een afblaasvoorziening is uitgevoerd met een fakkel of als er een fakkel kan ontstaan (ontsteking). Tijdens het tegelijk afblazen kan dan escalatie optreden van de ene naar een andere energiedrager doordat een vlam via de afblaasvoorziening naar binnen wordt getrokken.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M9

Bereikbaarheid brandkranen

Brandkranen binnen de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, liggen op een plek waar de blusvoertuigen de brandkranen tot op een afstand van 15 m goed kunnen benaderen.

Toelichting

De afstand van 15 m is gebaseerd op de handreiking 'Bluswatervoorziening en bereikbaarheid' van Brandweer Nederland. Onderhoud en controle van brandkranen is de verantwoordelijkheid van degene die de activiteiten verricht, en valt onder de zorgplicht van het Besluit activiteiten leefomgeving. Mogelijk kunnen afspraken worden gemaakt met het waterleidingbedrijf.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M10

Capaciteit bluswatervoorziening

De capaciteit van de bluswatervoorziening is afgestemd op de aard van de activiteiten en de ligging van het station.

Toelichting

De bluswatervoorziening is afhankelijk van de aard, omvang en ligging van het station en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen. In overleg met het bevoegd gezag en de brandweer wordt bepaald of een bluswatervoorziening nodig is. En wat de capaciteit moet zijn. Dit gebeurt al op basis van elke individuele PGS-richtlijn. Voor een multi-energiestation moet beoordeeld worden of vanwege de combinatie van energiedragers extra bluswatercapaciteit nodig is.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidBrandpreventie
M11

Gebruik brandblussers voor meerdere energiedragers

Het gebruik van een draagbare brandblusser voor meerdere energiedragers is toegestaan als is voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Op het station zijn voldoende brandblusmiddelen aanwezig die geschikt zijn voor de bestrijding van een beginnende brand.
  • Op een aflevereiland met meerdere energiedragers is binnen 5 m een poederblusser aanwezig met een inhoud van ten minste 9 kg.
  • Brandblusmiddelen zijn voor onmiddellijk gebruik beschikbaar en kunnen onbelemmerd worden bereikt.

Draagbare brandblusmiddelen worden onderhouden volgens NEN 2559.

Toelichting

Een beginnende brand is bijvoorbeeld een prullenbakbrand, brand van remschijven of een brandende sigaret. Het gaat niet om het blussen van energiedragers. Als er in de individuele PGS-richtlijnen verschil is in eisen voor de brandblusser, geldt bij een multi-energiestation de strengste eis.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheidBrandpreventie
M12

Afstemming noodplannen

Het noodplan wordt minimaal eenmaal per drie jaar afgestemd met de verschillende exploitanten van het station. Afstemming is verder in elk geval nodig in de volgende situaties:

  • start van de activiteiten;
  • wijzigingen in het noodplan of de alarmopvolging;
  • ingrijpende wijzigingen op het terrein van het multi-energiestation.

De afstemming omvat in elk geval:

  • afspraken voor het melden en alarmeren van noodsituaties;
  • de handelingen bij noodsituaties;
  • afspraken en informatie over de 24-uurs bereikbaarheid van deskundigen;
  • beschikbaarheid van informatie voor de hulpdiensten.

Aangetoond wordt wanneer, hoe en met wie dit is afgestemd.

Toelichting

De afstemming is niet nodig als het beheer van het station bijéénexploitant ligt. Voor de driejaarlijkse afstemming is aangesloten bij het Arbeidsomstandighedenbesluit. In het Arbeidsomstandighedenbesluit staat dat een intern noodplan ten minste eenmaal per drie jaar moet worden beproefd, geëvalueerd en zo nodig gewijzigd.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid
M13

Procedure veiligstellen installatieonderdelen bij werkzaamheden

Een procedure voor het veiligstellen van installatieonderdelen bij werkzaamheden is aanwezig. In de procedure staat in elk geval:

  • een beoordeling van de risico's van het uitschakelen van onderdelen van de ene installatie voor onderdelen van de installaties van de andere energiedragers;
  • een beschrijving van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;
  • de wijze van registratie van werkzaamheden;
  • de herkenbaarheid van uitgeschakelde installatieonderdelen voor werknemers.

Er wordt gewerkt volgens deze procedure.

Toelichting

Het gaat hier om werkzaamheden bij een onderdeel van een installatie die van invloed kunnen zijn op onderdelen van een installatie voor een andere energiedrager. Er moet een procedure zijn waarin is beschreven wanneer welke installatieonderdelen moeten zijn veiliggesteld. Met veiligstellen wordt bedoeld dat de toevoer van energiedragers en het opladen wordt gestopt en technische installaties in de ‘veilige stand’ gaan.

Van toepassing op

Deze maatregel geldt alleen als het gaat om een station met waterstof, CNG of LNG.

Grondslag
OmgevingsveiligheidArbeidsveiligheid

8Gelijkwaardige maatregelen

8.1Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf een alternatief wil toepassen voor een in Hoofdstuk 7 genoemde maatregel, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?

Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.

Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?

Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
  • Brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).

8.2De wettelijke grondslag is arbeidsveiligheid

Deze maatregel heeft betrekking op de veiligheid van werknemers. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking vormen van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals :

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen; maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
  • maatregelen en verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016, het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 en het Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-rreeks worden de arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet kan worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (directwerkende wetgeving-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Nederlandse Arbeidsinspectie getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor toepassen gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing van gelijkwaardigheid hanteert de Nederlandse Arbeidsinspectie een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    1. de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    2. een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    3. het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen;
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen die moet treffen om de werknemers te beschermen.
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie ligt.
  • De Nederlandse Arbeidsinspectie beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.

8.3De wettelijke grondslag is omgevingsveiligheid of brandpreventie omgevingsveiligheid

Een maatregel met grondslag omgevingsveiligheid of brandpreventie omgevingsveiligheidis beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet door het bedrijf de juiste procedure worden gevolgd. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking. Bij een niet-vergunningplichtige activiteit moet het gebruiken van een gelijkwaardig alternatief vier weken vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag. Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

8.4Wettelijke grondslag is zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid en brandpreventie omgevingsveiligheid

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid enbrandpreventieis, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor haar wetgevingsgebied gelden.

8.5Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit deze PGS-richtlijn is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS-richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Wat is het effect van de alternatieve maatregel op andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid (zie kader) is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

Bijlage AAfkortingen en begrippen Normatief

Deze bijlage bevat een lijst met afkortingen en begrippen die in deze PGS-richtlijn voorkomen. Deze PGS-richtlijn sluit zo veel mogelijk aan bij de begrippen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en andere relevante wetten en regels. In de praktijk kunnen ook andere termen voorkomen. Daarom is in deze bijlage bij een aantal begrippen ook een alternatieve omschrijving gegeven, zodat duidelijk is wat met een bepaald begrip is bedoeld.

Bekijk deze tabel in een popup venster

Begrip of afkorting

Betekenis

Alternatieve omschrijving

Aardgas

Voor aardgas sluit de PGS-richtlijn aan bij de definitie in artikel 1 van de Gaswet.

Aardgas dat bij een temperatuur van 15 °C en bij een druk van 1,013 25 bar in gasvormige toestand verkeert en in hoofdzaak bestaat uit methaan of een andere stof die vanwege haar eigenschappen aan methaan gelijkwaardig is.

Aandachtsgebied

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen.

Er zijn drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtstgebied, gifwolkaandachtsgebied.

Arbeidshygiënische strategie

Zie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Alternatieve brandstoffen

Uit het Besluit infrastructuur alternatieve brandstoffen.

Arbo

Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving

ATEX

Atmosphères Explosibles.

Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

BBT

BBT staat voor beste beschikbare technieken.

Dit zijn de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen of te beperken.

Bedrijfsterrein

Terrein waarop de activiteiten van het bedrijf plaatsvinden, begrensd door de erfgrens.

Inrichting, Perceel, Terrein

Begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf. Maar kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

Erfgrens

Erfafscheiding

Erfscheiding

Perceelgrens

Kavelgrens

Terreingrens

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen.

Meestal is dit de gemeente of provincie.

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BOb

Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH

Brandaandachtsgebied

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Brandbare stof

Stof die met lucht van normale samenstelling en druk onder vuurverschijnselen blijft reageren, nadat de bron die de ontsteking heeft veroorzaakt, is weggenomen.

Brandblusmiddel

Brandblusser of brandslanghaspel

Brandblusser

Blustoestel

Brandblustoestel

Poederblusser

Handblusser

Brandstof

Fossiele en alternatieve brandstoffen of energiebronnen

CNG

Compressed Natural Gas. CNG is aardgas onder druk.

Degene die de activiteit verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Beheerder

Exploitant

Operator

Domino-effect

Een effect waarbij het falen van een gevarenbron leidt tot het falen van een andere gevarenbron en waarbij de (directe) gevolgen van het falen van de eerste gevarenbron kleiner zijn dan de gevolgen van het falen van het vervolgongeval.
EN

Europese Norm

Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:

Energiedrager

Energie gebruikt in mobiliteit, zoals benzine, diesel, HVO, LPG, LNG, CNG, waterstof en oplaadvoorziening.

Brandstoffen

Elektriciteit

Explosieaandachtsgebied

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Explosieve atmosfeer

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel.

Exploitant

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving: degene die de activiteit verricht.

Beheerder

Eigenaar

Gebruiker

Gebruiker volgens Wbda 2016

Degene die de installatie gebruikt.

Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.

Gevaarlijke stof (ADR)

Stoffen en voorwerpen waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de IMDG-code.

Gevaarlijke stof (CLP)Stoffen die overeenkomstig EG-verordening op indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk worden ingedeeld op grond van de criteria voor enige fysische gevarenklasse of gezondheidsgevarenklasse.
Gevarenzone-indeling

Indeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbobesluit.

HAZOP

Hazard and Operability

De HAZOP-methode is een standaard methode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen en het identificeren van gevaren en ongewenste situaties.

Storingsanalyse

Hulpverleningsdiensten

Politie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen.

Hulpdiensten

HVO

Hydrotreated vegetable oil

Duurzame diesel

Blauwe diesel

Hernieuwbare diesel

In afwezigheid van personeelUit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Onbemand

Zonder direct toezicht

Zonder aanwezigheid van personeel

Incident

Negatieve, onverwachte en onvoorziene gebeurtenis waarbij afhankelijk van het type en de ernst ervan het noodzakelijk kan zijn om melding te maken van de gebeurtenis en/of hulp(diensten) in te roepen.
Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken.

Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan

Calamiteitenplan

Interne veiligheidsafstand

Een interne veiligheidsafstand is een minimumafstand bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS-voorziening naar een installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze interne veiligheidsafstand heeft geen relatie met afstanden in verband met explosieveiligheid als bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en is niet bedoeld om gebouwen en plekken te beschermen waar mensen werkzaam zijn.
IPO

Interprovinciaal overleg

ISO

International Organization for Standardization

Internationale Organisatie voor Standaardisatie ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale standaardisatieorganisaties in een groot aantal landen.

LEL

Onderste explosiegrens

Concentratie van brandbaar gas of brandbare damp in de lucht beneden welke de atmosfeer niet explosief is.

LEL is de afkorting van de Engelse term lower explosive limit.

LNG

Liquified natural gas Vloeibaar gemaakt aardgas

LPG

Liquefied petroleum gas

Mengsel bestaande uit hoofdzakelijk propaan en propeen, butanen en butenen.

Milieubelastende activiteit

In de Omgevingswet omschreven activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS-richtlijn zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.

MKB

Midden- en kleinbedrijf Nederland

NEN

NEN staat voor Nederlandse Norm.

NEN staat ook voor Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut. Dit instituut geeft NEN-normen uit.

NEN-EN

Europese norm (EN) die door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-IEC

Door IEC vastgestelde internationele norm.

De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-ISO

Door ISO vastgestelde internationele norm.

De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm.

De norm is door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NL - CBI

Een in Nederland aangewezen conformiteitsbeoordelingsinstantie (CBI) voor beoordelingen van producten in de gebruiksfase.

Noodstopvoorziening

Voorziening die een apparaat, voertuig of installatie uitschakelt of stilzet of in een veilige toestand brengt.

Deze voorziening is bedoeld om bij een incident of calamiteit verdere escalatie te voorkomen.

Noodstop

Noodplan

Overzicht van de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om effecten van calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.

Oplaadvoorziening

Een aansluiting voor het opladen van een elektrisch voertuig of werktuig.

Oplaadpunt

Laadvoorziening

Laadpunt

Opslagtank

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voorziening voor het opslaan van gas of vloeistof, met uitzondering van een verpakking, tankcontainer of ladingtank van een bunkerstation.

Opslagreservoir

Reservoir

Tank

Tankwagen gebruikt als opslagvoorziening

Plaatsgebonden risico

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit.

Seveso-inrichting

Een of meer Seveso-installaties op een locatie die volledig wordt beheerd door diegene die de Seveso-inrichting exploiteert, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteite (zie Bal).

SWIFT

Structured What If Technique

Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse.

SZW

Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Tanken van brandstof

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afleveren

Brandstof tanken

Tankwagen

Voertuig voor vervoer van energiedragers die ook als opslag kan worden gebruikt.

Batterijwagen

Tubetrailer

Ten hoogste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Maximaal

Ten minste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Minstens, Minimaal

Thermal runaway

Het thermisch 'op hol slaan' van een batterij. Een proces waarbij de temperatuur in de batterij zo hoog wordt dat de omstandigheden veranderen wat voor nog hogere temperaturen zorgt.

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VNO-NCW

Vereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).

Voldoet aan / Volgens / Zoals dat staat in

Overeenkomstig

VTH

Vergunningverlening, toezicht en handhaving

Vulpunt

Onderdeel van een installatie met een opslagtank. Het vullen van de opslagtank gebeurt via het vulpunt.

Warmtestraling

Stralingsbelasting Warmtestralingsbelasting Warmtebelasting

WBDA 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

Wvr

Wet veiligheidsregio's

Bijlage BNormen en bronnen

B.1Normatieve documenten en normen Normatief

Deze bijlage bevat normen en andere documenten die zijn genoemd in de maatregelen. Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief wijzigings- of correctiebladen zoals die op het moment van de publicatie van deze richtlijn luidde.

Norm met versie

Titel

Vindplaats

NEN 2559:2001

Onderhoud van draagbare blustoestellen

NEN.nl

B.2Informatieve documenten en bronnen

Nummer

Titel

Vindplaats

1

ADR 2019

rijksoverheid.nl

2

Arbeidsomstandighedenwet

wetten.overheid.nl

3

Arbeidsomstandighedenbesluitwetten.overheid.nl

4

Arbeidsomstandighedenregelingwetten.overheid.nl

5

Wet veiligheidsregio'swetten.overheid.nl

6

Besluit veiligheidsregio'swetten.overheid.nl

7

Omgevingswet

Omgevingsbesluit

Besluit activiteiten leefomgeving

Besluit bouwwerken leefomgeving

Besluit kwaliteit leefomgeving

iplo.nl

8

Handreiking Generieke Risicobenadering PGS Nieuw Stijl, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, versie 1.1 (03-17)Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

9

Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid, Brandweer Nederland, november 2012Brandweer Nederland

10

CEN-CENELEC GUIDE 38, Guide for multifuel stations, Edition 1, 2021-10

Europese Unie

11

Interne en externe afstanden voor multi-fuel tankstations, RIVM-briefrapport 2021-0010

RIVM

12

Kennisdocument veiligheid Multi-fuel tanksations, Programma Impuls Omgevingsveiligheid (IOV), Versie 29 januari 2021

Ministerie IenW

13

Multi Fuel Tankstations, Effecten op Basisnet, 3 december 2020

Panteia

14

Veiligheidsaspecten van multifuel tankstations, Instituut Fysieke Veiligheid, 12 januari 2021

NIPV

15

Kennisbundel multifueltankstations, Instituut Fysieke Veiligheid, 22 februari 2022

NIPV

Bijlage CInterne veiligheidsafstanden Normatief

Deze bijlage bevat informatie over interne veiligheidsafstanden.

Het falen van één installatie met gevaarlijke stoffen kan leiden tot het falen van een naburige installatie met gevaarlijke stoffen. Dit wordt een domino-effect genoemd. Door het hanteren van minimale afstanden tussen installaties, wordt de kans op domino-effecten beperkt. Deze minimale afstanden wordt aangeduid als ‘interne veiligheidsafstanden’.

In de individuele PGS-richtlijnen voor het afleveren van brandstoffen staan interne afstanden tot de begrenzing van het terrein, de afleverzuil, vulpunt, opstelplaats tankwagen, opslag en gebouwen binnen de begrenzing, zoals een tankshop. De uitgangspunten voor de interne veiligheidsafstanden zijn:

  • een warmtestraling van maximaal 10 kW/m2 tot onderdelen van de installatie;
  • een warmtestraling van maximaal 35 kW/m2 voor een dubbelwandige vacuüm met perliet geïsoleerde LNG-tank;
  • een warmtestraling van 3 kW/m2 tot de terreingrens.

In het RIVM-rapport 'Interne en externe afstanden voor multi-fuel stations'staat dat als is voldaan aan de interne veiligheidsafstanden in de individuele PGS-richtlijnen dit voldoende is voor een multi-energiestation. Door de PGS 38-team is beoordeeld dat het nodig is om aanvullend minimumafstanden in deze PGS-richtlijn op te nemen vanwege multi-energie. Deze beoordeling staat hieronder. In onderstaande afbeelding staan de afstanden uit deze PGS. Deze gelden aanvullend op de afstanden uit de individuele PGS-richtlijnen.

Afbeelding 2Interne veiligheidsafstanden multi-energie

Oplaadvoorziening

Voor een oplaadvoorziening tot een opslag van brandstoffen is een afstand opgenomen in deze PGS-richtlijn (zie maatregel M2).

Afleverzuilen

Tussen afleverzuilen van de verschillende energiedragers zijn er geen aanvullende afstanden nodig. Ook niet vanaf de afleverzuil tot onderdelen van de installatie van andere energiedragers. Dit omdat het onbedoeld vrijkomen van gevaarlijke stoffen uit een afleverzuil is beperkt tot de in de afleverzuil aanwezige gevaarlijke stoffen. Het maximale volume dat kan uitstromen is klein. Daarnaast zitten er in de afleverzuilen hittesensoren. Deze sensoren zullen in geval van brand de toevoer van gevaarlijke stoffen naar de afleverzuil onderbreken. De aanvoer van gevaarlijke stoffen naar de afleverzuilen gaat via ondergrondse leidingen. Deze kunnen daarom niet blootgesteld worden aan de effecten van een brand. In geval van een brand op het station kunnen de afleverinstallaties met de noodstop uitgeschakeld en veilig gesteld worden. Deze maatregelen zijn geborgd in de individuele PGS-richtlijnen.

Installatie en de opslag van energiedragers

De opslag van energiedragers gebeurt zowel bovengronds als ondergronds. De opslag van vloeibare brandstoffen gebeurt ondergronds. De opslag van LPG gebeurt meestal ondergronds. Er zijn nog enkele bestaande bovengrondse LPG-tanks. De opslag van waterstof en LNG gebeurt meestal bovengronds. Vaak zijn de opslag en installatie één geheel. Bij CNG gaat het alleen om een bufferopslag.

Voor LPG staan er in PGS 16 afstanden tot een opslag van gevaarlijke stoffen. Dit zijn ook opslagen van andere energiedragers, waaronder LNG en waterstof. Hiervoor is geen aanvullende afstand nodig in deze PGS. Een afstand tussen een opslag LNG of waterstof tot een opslag van vloeibare brandstoffen is niet nodig omdat de opslag van vloeibare brandstoffen ondergronds is.

In PGS 33-1 respectievelijk PGS 35 staan voor LNG en waterstof afstanden tot kwetsbare objecten. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een opslag geen kwetsbaar object. Daarom staan deze afstanden in deze PGS-richtlijn (zie maatregel M3). De afstand tussen een opslag van LNG en een opslag van waterstof moet 3,5 m (waterstof bepalend) zijn voor een waterstofopslag van 1 000 bar en 3 m voor een opslag van waterstof van 450 bar (LNG bepalend). Dit geldt ook voor de situaties waarbij de installatie samen met de opslag één geheel vormt.

Voor CNG staat er in PGS 25 een afstand van 5 m vanaf de bufferopslag tot een afleverzuil of vulpunt van vloeibare brandstoffen. Voor de afstand tot de opslag van waterstof of LNG geldt 3 m op basis van een warmtestralingslast van 10 kW/m2 (zie de afstand tot de grens van de locatie in PGS 25).

Vulpunt en opstelplaats tankwagen

Het vullen van een opslag is de bepalende risicobron bij tankstations. Voor het tegelijkertijd vullen van verschillende brandstoffen geldt een afstand van 25 m. Deze afstand volgt uit maatregel in deze PGS-richtlijn. Voor LPG staat in PGS 16 een afstand van 15 m tussen een opstelplaats en installaties van onderdelen van andere energiedragers of 7,5 m als er een brandmuur is. Hiervoor is geen aanvullende afstand nodig in deze PGS.

In PGS 33-1 respectievelijk PGS 35 staan voor LNG en waterstof afstanden vanaf het vulpunt tot kwetsbare objecten. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving is een opslag geen kwetsbaar object. Daarom staan deze afstanden in deze PGS-richtlijn (zie maatregel M3). Voor LNG gaat het om een afstand van 15 m. Voor waterstof gaat om een afstand van 5 m of 8 m afhankelijk van de druk van de batterijwagen. Voor CNG staat er in PGS 25 een afstand van 5 m vanaf de bufferopslag tot een vulpunt van vloeibare brandstoffen. Met de afstanden voor LNG en waterstof in maatregel M3 wordt automatisch voldaan aan een afstand van 5 m tussen de bufferopslag van CNG tot een vulpunt van LNG of waterstof.

Bijlage DRelevante wet- en regelgeving

D.1Inleiding

Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.

Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.

D.2Omgevingswet

De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.

Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het Informatiepunt Leefomgeving. Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.

In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veelvoorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met het oogmerk van bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.

Omgevingsregeling

In de Omgevingsregeling zijn onder andere de gegevens en bescheiden benoemd die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt, zijn technische uitvoeringsvoorschriften gegeven voor milieubelastende activiteiten en zijn de rekenmethoden aangegeven die moeten worden toegepast bij het berekenen van het plaatsgebonden risico en de afstanden van de aandachtsgebieden. Ook zijn in de Omgevingsregeling de versies aangegeven van de normdocumenten waarnaar in de besluiten en in de Omgevingsregeling wordt verwezen.

Seveso

De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s voor een groot deel geïmplementeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid, als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie.

D.3Chemische stoffen

CLP

CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG) over indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor classification, labelling and packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten deze worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermmaatregelen nodig zijn.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

REACH

REACH is een Europese verordening (EC 1907/2006) over de productie van en handel in chemische stoffen. Reach staat voor registratie, evaluatie, autorisatie en restrictie van chemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

D.4Arbeidsomstandighedenwetgeving

Arbeidsomstandighedenwet

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbobesluit.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

De Europese richtlijn die betrekking heeft op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen (1999/92/EU), is geïmplementeerd in het Arbobesluit. Deze richtlijn wordt ook ATEX 153 genoemd.

Arbeidomstandighedenregeling

In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.

Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen

De Europese Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425). De verordening heeft tot doel om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen en om het mogelijk te maken dat deze beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.

D.5Warenwet

De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker van dat product te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan essentiële gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.

D.6Wet veiligheidsregio's

Wet veiligheidsregio’s

De Wet veiligheidsregio’s beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.

Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Besluit veiligheidsregio's

In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.

D.7Vervoer

Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de ADR

De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:

  • vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, reservoirwagens);
  • chauffeurs (opleiding en training);
  • vervoersdocumenten;
  • verpakkingen en etikettering;
  • laden en lossen.

Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit de ADR.

De ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten de ADR in eigen wetgeving implementeren.

De ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.

Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid. Daar staat ook informatie over de ADR.

Bijlage EArbeidsomstandighedenwetgeving

Deze bijlage is informatief

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbeidsomstandighedenbesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)

Elk bedrijf met personeel moet v (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie-regeling (ARIE-regeling)

Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten volgens het Arbobesluit een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

In de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde, de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen als persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Gevarenzone-indeling

De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn1999/92/EG (ook wel bekend als ATEX 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar. De risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. Dit document bevat in elk geval:

  • een nadere risicoanalyse;
  • een gevarenzone-indeling;
  • passende technische en organisatorische maatregelen;
  • voorlichting van de werknemers.

Voor de gevarenzones verwijst artikel 3.5d, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar bijlage I van 1999/92/EG. Gevarenzones moeten zijn gemarkeerd. Dit staat in artikel 3.5d, lid 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit]

Explosieveilig materiaal en materieel

De eisen voor explosieveilig materiaal en materieel staan in artikel 3.5e onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hier wordt verwezen naar het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Elektrische en elektronische apparatuur in een gezoneerd gebied moeten explosieveilig zijn uitgevoerd. Deze apparatuur is voorzien van een EG-conformiteitsverklaring en een voorschrift waaruit blijkt dat het toegepaste materieel geschikt is voor toepassing in ruimten waar explosiegevaar kan heersen.

Elektrisch materieel dat aan de normen voor explosieveiligheid voldoet, is herkenbaar aan het ‘Ex’-teken in een regelmatige zeshoek. Mocht dit niet zichtbaar zijn, dan moet volgens ATEX 114 in het logboek een document aanwezig zijn waarin de leverancier verklaart dat het elektrisch materieel voldoet aan de gebruikelijke normen voor explosieveiligheid. Het gaat dan om een zogenoemde EG-verklaring van overeenstemming die vergezeld gaat van een CE-markering.

Bekabeling wordt gezien als een vaste elektrische verbinding, vrij van vonkvorming en is daarmee vrijgesteld van explosieveiligheidscriteria.

Intern noodplan

Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zo veel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.

Een intern noodplan bevat in elk geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal.

Borden en veiligheidssymbolen

De werkgever is verplicht borden te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. Artikel 8.2 van de Arbeidsomstandighedenregeling schrijft voor waar veiligheidssignalering verplicht is. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht.In bijlage XVIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staat welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt.

Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (pictogram), de tekst en het kleurgebruik. In Nederland beschrijft NEN 3011 welke veiligheidstekens in welke situatie in de werkomgeving en in de openbare ruimte moeten worden gebruikt. Voor de meeste veiligheidstekens wordt verwezen naar NEN-EN-ISO 7010 waarvan het actuele totaaloverzicht is te zien op Online Browsing Platform (OBP) (iso.org).

Artikel 8.12, 8.13 en 8.14 van de Arbeidsomstandighedenregeling beschrijft de eisen voor veiligheidssignalering op leidingen en tanks.De wetgever schrijft voor gevaarlijke stoffen voor dat bij opslag en in leidingen en tanks de GHS-pictogrammen aangeduid dienen te worden. Dit mag ook door de ISO-waarschuwingssymbolen worden vervangen of aangevuld. In de CLP-verordening staan de GHS-pictogrammen voor de aanduiding van statische gevaarseigenschappen van chemische stoffen. Deze verordening is beoogd voor etikettering en verpakking en voorziet niet in alle risico’s met stoffen in een proces, en daarom niet volledig aan het doel van de Arbeidsomstandighedenregeling.

In NEN-EN-ISO 20560-1 en NEN-ISO 20560-2 is de veiligheidssignalering van leidingen en tanks uitgewerkt. NEN-ISO 20560-2 beschrijft voor opslagtanks de veiligheidsinformatie (symbolen/pictogrammen, tekstinformatie, NFPA-diamant en UN-nummer).

Bijlage FImplementatietermijnen in bestaande situaties Normatief

Inleiding

Deze bijlage bevat implementatietermijnen voor bestaande situaties. Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze termijnen vastgesteld. De implementatietermijnen zijn ingegaan op de datum van vaststelling in de Omgevingsregeling van de 1.0 versie. De 1.1 versie heeft hier geen invloed op.

Deze PGS-richtlijn beschrijft de stand van de techniek. Het kan dus voorkomen dat een nieuwe PGS-richtlijn nieuwe of aangescherpte maatregelen bevat voor bestaande situaties. Deze maatregelen moeten worden getroffen door degene die de activiteit verricht. Het kan voor bestaande situaties onredelijk zijn om te eisen dat deze nieuwe maatregelen onmiddellijk worden getroffen. Daarom bevat deze PGS-richtlijn voor bestaande situaties een implementatietermijn.

Is er voor de activiteit uit deze PGS-richtlijn een omgevingsvergunning? Dan bepaalt het bevoegd gezag vanaf welk moment de maatregelen worden overgenomen in de vergunning. Het bevoegd gezag kan de implementatietermijn in deze PGS-richtlijn gebruiken als richtlijn.

Voor maatregelen voor de veiligheid van werknemers is het aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen volgens de stand van de wetenschap en techniek. Het toezicht op de naleving en juiste invulling van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwetgeving voor de veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid van de Nederlandse Arbeidsinspectie. De Nederlandse Arbeidsinspectie gebruikt daarbij de implementatietermijnen uit deze PGS-richtlijn als richtlijn.

Tabel 2Implementatietermijnen door het BOb vastgesteld

Maatregelnr.

Onderwerp

Aard maatregel

Termijn

M1

Controle andere installatie op aantasting integriteit na lekkage cryogene vloeistof

operationeel

0-3 mnd

M2

Veiligheidsafstand elektrisch laden

terreinindeling

0-10 jaar

M3

Interne veiligheidsafstanden

terreinindeling

0-2 jaar

M4

Koppelen noodstopvoorzieningen

procesinstallatie

0-2 jaar

M5

Risico's gelijktijdig lossen verschillende tankwagens

terreinindeling

0-3 mnd

M6

Afstemming werkzaamheden aan de installatie

operationeel

0-3 mnd

M7

Risicoanalyse bij gelijktijdige werkzaamheden

operationeel

0-3 mnd

M8

Voorkomen negatief effect door ontsteking bij een afblaasvoorziening

procesinstallatie

0-2 jaar

M9

Bereikbaarheid brandkranen

terreinindeling

0-1 jaar

M10

Capaciteit bluswatervoorziening

randapparatuur

0-1 jaar

M11

Gebruik brandblussers voor meerdere energiedragers

operationeel

0-3 mnd

M12

Afstemming noodplannen

operationeel

0-3 mnd

M13

Procedure veiligstellen installatieonderdelen bij werkzaamheden

operationeel

0-3 mnd

Bijlage GSamenstelling PGS 38-team

Tabel 3Samenstelling PGS 38-team

Bekijk deze tabel in een popup venster

Naam

Organisatie

Rol

Ruud van Beekveld

Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant (ODZOB)

Lid namens bevoegd gezag (vergunningverlening)

Robin Geijer

TotalEnergies Marketing Nederland namens Vereniging Energie voor Mobiliteit en Industrie (VEMOBIN)

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Frans Geurts

Kenniscentrum Infomil

Lid namens Kenniscentrum Infomil

Wim van Gorsel

Belangenvereniging tankstations (BETA)

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Lisanne Henneveld

Belangenvereniging tankstations (BETA)

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Leon Hermans

Kenniscentrum Infomil

Lid namens Kenniscentrum Infomil

Jan-Paul Kerkhof

B.P. Kerkhof en zoon namens BOVAG

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Remko Koers

Omgevingsdienst Friesland (FUMO)

Lid namens bevoegd gezag (toezicht/handhaving)

Kees de Kraker

Nederlandse Arbeidsinspectie

Lid namens de Nederlandse Arbeidsinspectie

Arno Mensink

Nederlandse Arbeidsinspectie

Lid namens de Nederlandse Arbeidsinspectie

Stefan Musch

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (ODNZKG)

Lid namens bevoegd gezag (vergunningverlening)

Jamie Mutsaerts

Veiligheidsregio Gelderland-Zuid namens Brandweer Nederland

Lid namens bevoegd gezag (Brandweer-Nederland / Veiligheidsregio’s)

Bart Slot

Veiligheidsregio Twente namens Brandweer Nederland

Lid namens bevoegd gezag (Brandweer-Nederland / Veiligheidsregio’s)

Erik Stern

BOVAG

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Wim Schouten

NOVE

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Luc Vijgen

DCMR Milieudienst Rijnmond

Lid namens bevoegd gezag (toezicht/handhaving)

Susan de Vree

GP Groot namens NOVE

Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)

Martijn ten Bloemendal

Omgevingsdienst Midden-Holland, namens NEN

Voorzitter

Alwin van Aggelen

A-Risc, namens NEN

Facilitator, deskundige risicobenadering

Frences van de Ven

Zelfstandig milieuadviseur namens NEN

Tekstschrijver

Sui Wan

NEN

Projectleider