372Lithium-houdende energiedragers: Opslag

Richtlijn voor de veilige opslag van lithium-houdende energiedragers

PGS 37-2:2022 versie 0.1 (maart 2022)

Let op: dit is een ongecontroleerde versie. De PGS-beheerorganisatie is niet verantwoordelijk voor volledigheid en juistheid van deze versie. De versie die beschikbaar is op de website publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl is de enige geautoriseerde versie.

372Lithium-houdende energiedragers: Opslag

Richtlijn voor de veilige opslag van lithium-houdende energiedragers

Concept

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid ( Omgevingsveiligheid )of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (Rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en Rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Nederlandse Arbeidsinspectie, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In Bijlage J staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS-beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Nederlandse Arbeidsinspectie en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: [datum]

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: [datum]

De voorzitter van de programmaraad,

K. van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft hoofdstukken en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud normatief is. Als er niets bij staat, betekent het dat de tekst informatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Inleidende onderwerpen

De eerste vier hoofdstukken bevaten informatie over de veilige opslag van lithium-houdende energiedragers, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over de veilige opslag van lithium-houdende energiedragers
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Doelen en maatregelen

Hoofdstukken 5 t.m. 7 zijn normatief. Daarin staan het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Informatie bij implementatie

De overige hoofdstukken zijn informatief. Deze hoofdstukken geven extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in de normatieve hoofdstukken thuishoren, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Hoofdstuk 8 van deze richtlijn bevat informatie over gelijkwaardige maatregelen.

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in de hoofdstukken kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Als een hoofdstuk normatief staat dat aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage E; Eisen brandveiligheidskasten energiedragers
  • Bijlage I: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van opslag van lithium-houdende energiedragers te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

PGS 37-2 is van toepassing op de opslag van lithium-houdende energiedragers (cellen, batterijen of accu’s) zoals genoemd in tabel A van hoofdstuk 3.1 van het ADR.

Dit betreft de door de Verenigde Naties opgestelde ADR-indelingscodes zoals genoemd in Tabel 1.

Tabel 1Overzicht UN codes

UN-nummer

Omschrijving
UN 3171

Apparaat of voertuig met accuvoeding (bijvoorbeeld hoverboard)

UN 3166Voertuigen (hybride, combinatie li-ion batterij en verbrandingsmotor)
UN 3480Li-ion batterijen
UN 3481Li-ion batterijen verpakt bij of met apparatuur
UN 3090Li-metaal batterijen
UN 3091Li-metaal batterijen verpakt bij of met apparatuur
UN 3536

Lithiumbatterijen ingebouwd in laadeenheid (lithium-ion-batterijen of batterijen van metallisch lithium)

In Tabel 2 is per categorie energiedrager aangegeven vanaf welke ondergrens de PGS37-2 van toepassing is.

Tabel 2Ondergrenzen voor opslag energiedragers

Omschrijving

Ondergrens

Energiedragers conform de bijzondere bepaling 188 van het ADR of sectie 2 van het ICAO, dus:

  • Lithium ion batterijen van maximaal 100 Watt uur
  • Lithium ion cellen van maximaal 20 Watt uur
  • Lithium metaal batterijen met maximaal 2 gram metallisch lithium
  • Lithium metaal cellen met maximaal 1 gram metallisch lithium per cel
  • Hybride batterijen (lithium ion en lithium metaal) van maximaal 10 Watt uur en max 1,5 gram metallisch lithium.
1000 kg energiedragers per brandcompartiment
Energiedragers die niet vallen onder bovengenoemde groep

333 kg energiedragers per brandcompartiment

Beschadigde of defecte energiedragers

1 energiedrager

Energiedragers ten behoeve van recycling of eindverwerking

333 kg energiedragers per brandcompartiment

Opmerking: Deze hoevelheden zijn in lijn met de vervoerswetgeving (ADR).

Waar in deze PGS gesproken wordt over gewicht, dan betreft dit het brutogewicht van de energiedragers, dus inclusief gewicht van de behuizing maar exclusief het gewicht van het product waarin, waneer van toepassing, de energiedragers zijn verwerkt. Tevens geldt dat waar in deze PGS wordt gesproken over energiedragers dit zowel losse energiedragers betreft alsmede energiedragers vewerkt in producten.

Deze PGS-richtlijn is niet van toepassing op:

  • Werkvoorraad, wanneer een werkvoorraad uit meer dan één verpakkingseenheid bestaat, dan mag er buiten een opslagvoorziening een werkvoorraad staan voor de betreffende werkdag plus één reserve verpakkingseenheid. Voor inzamelpunten van retourstromen van energiedragers geldt voor de werkvoorraad ten hoogste één in gebruik zijnde UN-gekeurd inzamelmiddel en één volle UN-gekeurd inzamelmiddel. Echter opslag meer dan de werkvoorraad, opslag in de showroom of in voor publiek toegankelijke (verkoop)ruimtes valt wel onder het toepassingsgebied van deze PGS37-2 wanneer men boven de in Tabel 2 genoemde grenzen van 333, respectievelijk 1000 kilogram komt.
  • Stalling van voertuigen, werktuigen en tweewielers waarin lithium-houdende energiedragers zijn verwerkt. Dit betreft bijvoorbeeld voertuigen die voor reparatie door de eigenaar zijn aangeboden. Echter, het stallen langer dan een week van niet in gebruik zijnde (bijvoorbeeld tweedehands) voertuigen, werktuigen en fietsen in een brandcompartiment (loods of magazijn), die niet toegankelijk is voor het publiek, valt wel onder het toepassingsgebied van deze richtlijn indien men boven de in Tabel 2 genoemde grenzen van 333, respectievelijk 1000 kilogram komt.
  • Opladen van (grote hoeveelheden) energiedragers van elektrische fietsen of scooters bij bijvoorbeeld maaltijdbezorgers of deelscooter bedrijven. Dit laat onverlet dat, gezien het risico van een thermal runaway, aanbevolen wordt om de maatregelen van deze PGS richtlijn ook op deze activiteiten toe te passen.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.2.1Grote opslagvoorzieningen Normatief

In verband met het beheers- en bestrijdbaar zijn van branden vereisen grote opslagvoorzieningen, groter dan de maximale omvang uit Tabel 3 en niet vallende onder één van de typicals uit Paragraaf 2.2.2, speciale aandacht.

Tabel 3Maximale omvang brandcompartiment/opslagvoorziening

Omschrijving

Maximale omvang

Opslag van nieuwe, gebruikte, remanufactured en in gebruik zijnde energiedragers

brandcompartiment 2.500 m2 en 3000 ton

Afgedankte energiedragers ten behoeve recycling of eindverwerking

Brandcompartiment 300m2 en 300 ton

Deze grote opslagvoorzieningen vallen wel onder het toepassingsgebied van deze PGS maar maatwerk in de vorm van een vergunning is vereist.

NEN 6060 geeft in het kader van artikel 4.51 en artikel 6.16 van het Besluit bouwwerken leefomgeving een aantal maatregelpakketten waarmee brandcompartimenten die groter zijn dan de standaardprestatie-eis, kunnen voldoen aan de (functionele) eisen voor beperking van uitbreiding van brand en voor de toelaatbare loopafstand over vluchtroutes. Onder een groot brandcompartiment wordt verstaan: een brandcompartiment dat een grotere gebruiksoppervlakte heeft dan in de prestatie-eis in de van toepassing zijnde voorschriften van het Bouwbesluit 2012 is aangegeven.

Toepassing van deze norm levert onder voorwaarden, in vergelijking met de prestatie-eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving, grotere brandcompartimenten en/of grotere loopafstanden binnen subbrandcompartimenten, met eenzelfde veiligheidsniveau.

Op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving moet een gebouw (industriefunctie) zijn ingedeeld in brandcompartimenten met een maximale oppervlakte van 2.500 m2 (nieuwbouw) of 3.000 m2 (bestaande bouw). Het Besluit bouwwerken leefomgeving biedt, op basis van het gelijkwaardigheidsbeginsel in artikel 4.51 en artikel 6.16, de mogelijkheid om grote brandcompartimenten te realiseren. Hierbij moet aangetoond worden dat voldaan wordt aan de functionele eis uit het Besluit bouwwerken leefomgeving , waarin is gesteld dat de kans op een snelle uitbreiding van brand wordt beperkt.

Bestaande opslagvoorzieningen die groter zijn dan de maximale omvang zijn hiervoor vergund en gelden de overgangstermijnen vanuit Bijlage I. Voor nieuwbouw van grotere opslagvoorzieningen gelden alle maatregelen vanuit deze PGS voor het betreffende type energiedragers, respectievelijk typical 1d (Paragraaf 2.2.2.1.4), typical 1e (Paragraaf 2.2.2.1.5), typical 2a (Paragraaf 2.2.2.2.1), typical 2c (Paragraaf 2.2.2.2.3) en typical 3a (Paragraaf 2.2.2.3.1). Aangevuld met maatwerk waarvoor een risicoanalyse moet worden uitgevoerd met betrekking tot het beheers- en bestrijdbaar zijn van branden. De scenario’s, doelen en maatregelen kunnen hiervoor wel als uitgangspunt gebruikt worden.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

InHoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat inHoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage C bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. In Bijlage I staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de maatregelen uit deze PGS.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving lithium-houdende energiedragers

2.1Over lithium-houdende energiedragers

2.1.1Algemene informatie

Aan lithium-houdende energiedragers zijn diverse type gevaren verbonden, zoals:

  • Gevaren van het instabiel worden van de energiedrager
  • Gevaren van het vrijkomen van de elektrolyt
  • Elektrische gevaren

Deze PGS-richtlijn richt zich op de specifieke gevaren van de opslag van lithium-houdende energiedragers. De elektrische gevaren, zoals bijvoorbeeld externe kortsluiting of contact met spanning voerende delen, zijn reeds geregeld in andere wet- en regelgeving, en zijn alleen meegenomen voor zover zij een direct effect hebben op de lithium houdende energiedrager.

2.1.2Gevaren van lithium-houdende energiedragers

Het primaire gevaar verbonden aan de opslag van lithium-houdende energiedragers is het kunnen optreden van een zogeheten thermal runaway.

Een thermal runaway is een ongecontroleerde toename in temperatuur, als een gevolg van een grotere warmteproductie dan warmteafvoer. De temperatuurtoename is bij een thermal runaway het gevolg van een positief feedbackmechanisme. Hierbij leidt een toename in de temperatuur tot een toename van de reactiesnelheid en bijgevolg (in het geval van een exotherme reactie) tot een toename van de warmteproductie. Als deze extra warmte niet of niet snel genoeg afgevoerd kan worden, stijgt de temperatuur van het reactiemengsel, waardoor de reactiesnelheid en de warmteproductie verder toenemen.

Een thermal runaway reactie kan leiden tot een zeer snelle toename van de druk en de temperatuur en bijgevolg een explosie of brand van de energiedrager, waarbij zeer giftige pyrolyseproducten vrijkomen. Stoffen die kunnen vrijkomen zijn onder meer oplosmiddelen, koolmonoxide en HF (waterstoffluoride) waarbij in geval van blootstelling, afhankelijk van de concentraties, ernstige gezondheidseffecten kunnen optreden. Er kunnen overigens nog vele andere gevaarlijke stoffen vrijkomen die in de anode en kathode zijn verwerkt, afhankelijk van de hoogte van de temperatuur van de thermal runaway.

Bij het blussen ontstaat corrosief en giftig bluswater waarbij ingezet personeel van de brandweer, andere hulpverleners, omstanders en bewoners blootgesteld kunnen worden.

Een ander gevaar van de toepassing van lithium-houdende energiedragers is het vrijkomen van de elektrolyt in geval van beschadiging van de behuizing van de energiedrager. Stoffen die kunnen vrijkomen zijn oplosmiddelen en HF (waterstoffluoride) waarbij in geval van blootstelling, afhankelijk van de concentraties, ernstige gezondheidseffecten kunnen optreden, zie Bijlage F

2.2Over de opslagvoorziening

2.2.1Algemene beschrijving opslagvoorziening

In de PGS 37-2 zijn maatregelen opgenomen om de risico’s van de opslag van lithium-houdende energiedragers te beheersen. Hierbij is een onderscheid gemaakt naar de staat van de energiedragers die worden opgeslagen en het soort opslagvoorziening (omvang en type opslag), zie Tabel 4.

2.2.2Typicals

In Tabel 4 is aangegeven welke typicals binnen het toepassingsgebied van deze PGS-richtlijn worden onderscheiden.

Tabel 4Typicals opslag energiedragers

Status/aard van energiedragersKleine opslagvoorzieningMiddelgrote opslagvoorzieningGrote opslagvoorziening

Nieuwe, gebruikte, in gebruik zijnde, remanufactured (technisch nieuw) energiedragers

(basis) typical 1a: Opslagvoorziening met brandcompartiment ≤ 300 m2, opslag (Magazijn)

typical 2a: Opslagvoorziening met brandcompartiment > 300 m2 en ≤ 2.500 m2, opslag in stellingen en opgedeeld in vakken van max 300 m2

-

typical 1b: Showroom met brandcompartiment ≤ 300m2

typical 2b: Showroom met brandcompartiment >300 m2 en ≤ 2.500 m2

typical 3a: Showroom met brandcompartiment >2.500 m2 en ≤ 10.000 m2

typical 3b: Groot opslag terrein buiten ≥ 2500m2

Refurbished energiedragers

typical 1c: Opslagvoorziening met brandcompartiment ≤ 300 m2

typical 2c: Opslagvoorziening met brandcompartiment > 300 m2 en ≤ 2.500 m2, opslag in stellingen en opgedeeld in vakken van max 300 m2

-

Afgedankte energiedragers ten behoeve van recycling

typical 1d: Opslagvoorziening met brandcompartiment ≤ 300 m2

-

-

Afgedankte (kritische) energiedragers ten behoeve van eindverwerking

typical 1e: Opslagvoorziening met brandcompartiment ≤ 300 m2

-

-

In het kader van de risicobenadering is typical 1a geselecteerd als basis typical en de overige uitvoeringen als varianten hiervan (deltatypicals).

Opmerking: de getoonde foto’s van typicals zijn illustratief voor de betreffende typical en niet als voorbeeld van een correcte uitvoering.

2.2.2.1Typical 1 - Kleine Opslagvoorziening

Een opslagvoorziening uitgevoerd als brandcompartiment met een bruto vloeroppervlakte (BVO) tot en met 300 m2.

De opslag:

  • vindt plaats in stellingen; of
  • vindt plaats buiten stellingen in bulk, maximaal 2 pallets op elkaar, mits dat binnen de gebruiksvoorschriften van de verpakking is toegestaan;
  • kan inpandig of uitpandig zijn.

Binnen deze typical wordt de volgende onderverdeling naar type opslag en aard/status van energiedragers gemaakt:

  • Typical 1a – basis typical: nieuwe, gebruikte, remanufactured, in gebruik zijnde energiedragers
  • Typical 1b: kleine showroom
  • Typical 1c: refurbished energiedragers
  • Typical 1d: afgedankte energiedragers ten behoeve van recycling
  • Typical 1e: afgedankte (kritische) energiedragers ten behoeve van eindverwerking

2.2.2.1.1Typical 1a (basis typical) - nieuwe, gebruikte, remanufactured, in gebruik zijnde energiedragers

Opslag van nieuwe, gebruikte, remanufactured of in gebruik zijnde energiedragers. De energiedragers kunnen per stuk verpakt gereed voor uitgifte opgeslagen zijn in (legbord)stellingen of in omverpakking op een pallet in bulk of in magazijnstellingen.

Opmerking: Refurbished energiedragers vallen niet onder typical 1a, voor deze energiedragers zijn typical 1c en 2c van toepassing .

Afbeelding 1Voorbeeld magazijnopslag in stellingen

2.2.2.1.2Typical 1b - Kleine showroom

In afwijking van de basistypical, Paragraaf 2.2.2.1, betreft deze typical een showroom met nieuwe, gebruikte, remanufactured en in gebruik zijnde energiedragers, los of in producten, en is deze voor publiek toegankelijk. Tevens is de bruto vloeroppervlakte (BVO) van het brandcompartiment maximaal 300 m2.

Typische toepassing van deze delta typical is het voor de verkoop tentoonstellen of demonstreren van elektrische tweewielers, speelgoed, voertuigen, heftrucks, computers, huishoudelijke apparatuur e.d.

Afbeelding 2Kleine showroom

2.2.2.1.3Typical 1c - Kleine opslag refurbished energiedragers

In afwijking van de basistypical, Paragraaf 2.2.2.1, is deze typical specifiek van toepassing op refurbished energiedragers. Dergelijke energiedragers hebben een afwijkend risicoprofiel ten opzichte van nieuwe energiedragers.

Veel voorkomende toepassing van deze delta typical is voor de opslag van refurbished energiedragers die los (bijvoorbeeld automotive of fiets accu’s) of als onderdeel van een product (bijvoorbeeld lap-tops, tablets en mobiele telefoons) opgeslagen worden.

2.2.2.1.4Typical 1d - afgedankte energiedragers ten behoeve van recycling

Opslag van afgedankte energiedragers ten behoeve van recycling. De energiedragers worden opslagen in een uitpandige opslagvoorziening of inpandig in een ADR-goedgekeurde transportverpakking of inzamelmiddel of in een brandveiligheidsopslagkast/-kluis. Veel voorkomende toepassing van deze typical is als opslag bij inzameling van energiedragers van consumenten of bij een werkplaats (garagist, fietsbedrijf, werkplaats vorkheftruck).

2.2.2.1.5Typical 1e - afgedankte (kritische) energiedragers ten behoeve van eindverwerking

Opslag van afgedankte (kritische) energiedragers ten behoeve van eindverwerking. De energiedragers worden opgeslagen in een ADR-goedgekeurde transportverpakking of inzamelmiddel of in een brandveiligheidsopslagkast/-kluis.

Veel voorkomende toepassing van deze typical is als opslag bij inzameling van energiedragers van consumenten of bij een werkplaats (garagist, fietsbedrijf, werkplaats vorkheftruck).

2.2.2.2Typical 2 - Middelgrote opslagvoorziening

In afwijking van de basistypical, Paragraaf 2.2.2.1, betreft deze typical de met een bruto vloeroppervlakte (BVO) van het brandcompartiment groter dan 300 m2 en maximaal 2.500 m2, waarbij het brandcompartiment ingedeeld is in vakken van maximaal 300 m2.

Binnen deze typical wordt de volgende onderverdeling naar type opslag en aard/status van energiedragers gemaakt:

  • Typical 2a: Middelgrote opslag nieuwe, gebruikte, remanufactured, in gebruik zijnde energiedragers
  • Typical 2b: Middelgrote showroom
  • Typical 2c: Middelgrote opslag refurbished energiedragers
2.2.2.2.1Typical 2a - Middelgrote opslag nieuwe, gebruikte, remanufactured, in gebruik zijnde energiedragers

In afwijking van de basis typical, Paragraaf 2.2.2.1, betreft deze typical alleen de opslag van nieuwe, gebruikte, remanufactured en in gebruik zijnde energiedragers. Tevens is de bruto vloeroppervlakte (BVO) van het brandcompartiment groter dan 300 m2 en maximaal 2.500 m2, waarbij het brandcompartiment ingedeeld is in vakken van maximaal 300 m2.

De opslag:

  • vindt plaats in stellingen; of
  • vindt plaats buiten stellingen in bulk, maximaal 2 pallets op elkaar, mits dat binnen de gebruiksvoorschriften van de verpakking is toegestaan;
  • kan inpandig of uitpandig zijn.

Typische toepassing van deze delta typical is voor de opslag van voorraad dan wel groothandelsvoorraad.

2.2.2.2.2Typical 2b - Middelgrote showroom

In afwijking van typical 1b, Paragraaf 2.2.2.1.2, betreft deze typical een middelgrote showroom met een bruto vloeroppervlakte (BVO) brandcompartiment groter dan 300 m2 en maximaal 2.500 m2. Veel voorkomende toepassing van deze delta typical is het voor de verkoop tentoonstellen of demonstreren van elektrische tweewielers, speelgoed, voertuigen, heftrucks, computers, huishoudelijke apparatuur e.d.

Afbeelding 3Middelgrote showroom

2.2.2.2.3Typical 2c - Middelgrote opslag refurbished energiedragers

In afwijking van typical 1c, Paragraaf 2.2.2.1.3, betreft deze typical een middelgrote opslag met een brandcompartiment met een bruto vloeroppervlakte (BVO) groter dan 300 m2 en maximaal 2.500 m2.

Veel voorkomende toepassing van deze delta typical is voor de opslag van refurbished energiedragers die los (bijvoorbeeld automotive of fiets accu’s) of als onderdeel van een product (bijvoorbeeld lap-tops, tablets en mobiele telefoons) opgeslagen worden.

2.2.2.3Typical 3 - Grote opslagvoorziening

In afwijking van typical 2, Paragraaf 2.2.2.2.2, betreft deze typical een grote oplsagvoorziening met een brandcompartiment met een bruto vloeroppervlakte (BVO) groter dan 2.500 m2 en maximaal 10.000 m2.

Binnen deze typical wordt de volgende onderverdeling naar het type opslag gemaakt:

  • Typical 3a: Grote showroom
  • Typical 3b: Groot opslagterrein buiten
2.2.2.3.1Typical 3a - Grote showroom

In afwijking van typical 2b, Paragraaf 2.2.2.2.2, betreft deze typical een grote showroom met een brandcompartiment met een bruto vloeroppervlakte (BVO) groter dan 2.500 m2 en maximaal 10.000 m2. Typische toepassing van deze delta typical is het voor de verkoop tentoonstellen of demonstreren van elektrische tweewielers, speelgoed, voertuigen, heftrucks, computers, huishoudelijke apparatuur e.d.

Afbeelding 4Grote showroom

2.2.2.3.2Typical 3b - Groot opslagterrein

In afwijking van delta typical 3a is deze locatie buiten met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en niet direct voor publiek toegankelijk. Het betreft een opslag van producten waarin energiedragers zijn verwerkt waarbij het product zelf bedoeld is voor opslag in een buitensituatie (bijvoorbeeld auto’s, EOS’en).

Veel voorkomende toepassing van deze delta typical is de opslag van elektrische voertuigen met een totale accucapaciteit van meer dan 10 MWh.

Afbeelding 5Groot opslagterrein

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen voor goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 37-2

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt staat in de Handreiking generieke risicobenadering .

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 37-2-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare opslag van lithium-houdende energiedragers. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

Voor deze PGS is de BowTie methodiek gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s. De directe oorzaak categorieën vanuit de PGS 6 in combinatie met de gidswoorden vanuit de SWIFT-methode zijn toegepast voor een gestructureerde identificatie van potentiële oorzaakscenario’s.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor de opslag van lithium-houdende energiedragers. De scenario's zijn onderverdeeld in oorzaak- en gevolgscenario’s per typical.

De scenario's zijn onderverdeeld in: oorzaak- en gevolgscenario’s per typical. Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

In Bijlage H is per typical een BowTie opgenomen die de relatie tussen scenario's, doelen en maatregelen op een grafische manier weergeeft.

4.2Scenario’s van toepassing op typical 1a - Kleine opslagvoorziening met nieuwe, gebruikte, remanufactured of in gebruik zijnde energiedragers

4.2.1Oorzaakscenario's

4.2.2Gevolgscenario’s

4.3Scenario's bij typical 1b - Kleine showroom

Alle scenario’s van toepassing op typical 1a, Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op typical 1b. Er zijn geen aanvullende scenario’s gedefinieerd.

4.4Scenario's bij typical 1c en 2c - Kleine en middelgrote opslag refurbished energiedragers

Alle scenario’s van toepassing typical 1a, Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing typicals 1c en 2c. Er zijn geen aanvullende scenario’s gedefinieerd.

4.5Scenario’s bij typical 1d en 1e - Kleine opslagvoorziening met afgedankte energiedragers ten behoeve van recycling en ten behoeve van eindverwerking

Met uitzondering van scenario S1 Fabricagefout in energiedrager, zijn alle scenario’s van toepassing op typical 1a, Paragraaf 4.2, ook van toepassing de typicals 1d en 1e. Aanvullend is S15 als oorzaakscenario gedefinieerd voor typical 1d.

4.5.1Oorzaakscenario’s

4.6Scenario's bij typical 2a - Middelgrote opslagvoorziening

Alle scenario’s van toepassing op typical 1a, Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op typical 2a. Er zijn geen aanvullende scenario’s gedefinieerd.

4.7Scenario's bij typical 2b - Middelgrote showroom

Alle scenario’s van toepassing op typical 1a, Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op typical 2b. Er zijn geen aanvullende scenario’s gedefinieerd.

4.8Scenario's bij typical 3a - Grote showroom

Alle scenario’s van toepassing op typical 1a, Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op typical 3a. Er zijn geen aanvullende scenario’s gedefinieerd.

4.9Scenario's bij typical 3b - Groot opslag terrein buiten

Met uitzondering van scenario’s S4 Kortsluiting door water, S5 blikseminslag, S8 beschadiging energiedrager door vallen en S10 Beïnvloeding door andere stoffen zijn alle scenario’s van typical 1a, Paragraaf 4.2, ook van toepassing op typical 3b. Er zijn geen aanvullende scenario’s gedefinieerd.

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deze PGS beschrijft doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid en met Brandpreventie (Brandpreventie en -mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (Brand- of Rampenbestrijding).

Eerst zijn de doelen beschreven in Hoofdstuk 6 en daarna de maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en de maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6.

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Normatief

Het voornemen bestaat om PGS 37-2 aan te wijzen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving. In de aanloop daar naar toe zal in een notitie duidelijk worden beschreven op welke wijze bedrijfsleven en overheden gebruik kunnen maken van PGS 37-2 in de periode totdat PGS 37-2 is aangewezen in het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (Omgevingsveiligheid of Brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (Rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. Paragraaf 5.3 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Omgevingsveiligheid/Bal:

Om aan de eisen m.b.t. Omgevingsveiligheid te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

MW1, M2, M3, M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43,M45, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M68, M71, M72, M73, M74, M75

5.2.3Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor [activiteit deze PGS] zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in [paragraaf 4.x] van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor [activiteit deze PGS] zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

5.2.4Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Brandpreventie

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Nederlandse Arbeidsinspectie betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Nederlandse Arbeidsinspectie moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen, gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast wanneer deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de Nederlandse Arbeidsinspectie maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet .

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

MW1, M2, M4, M5, M6, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, MW44, M45, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M61, M62, MW67, M68, M71, M72, M73, M74, M75

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

Wet veiligheidsregio's

Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

MW1, M2, M4, M6, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M42, M45, M46, M47, M48, M49, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M68, M69, M70, M72, M73, M74, M75

6Doelen Normatief

6.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor de veilige opslag van lithium-houdende energiedragers. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen Normatief

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen Normatief

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de markeringen Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid en Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid: Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

Brandpreventie: Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

Arbeidsveiligheid: Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

Rampenbestrijding: Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Interne veiligheidsafstanden

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.2Basisveiligheid Normatief

7.3Opslagvoorziening voor opslag van lithium-houdende energiedragers Normatief

7.3.1Algemeen Normatief

7.3.2Bouwkundige maatregelen en voorzieningen Normatief

7.3.3Handelingen en werkzaamheden Normatief

7.3.4Overige aspecten van de opslagvoorziening Normatief

7.4Onderhoud, keuring, documentatie en training Normatief

7.4.1Onderhouden, repareren, keuren en inspecteren Normatief

7.4.2Registratie en documentatie Normatief

7.4.3Opleiden en trainen Normatief

7.5Veiligheid Normatief

7.5.1Algemeen Normatief

7.5.2Interne veiligheidsafstanden Normatief

Een interne veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en plekken waar mensen kunnen verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken binnen de begrenzing van de locatie van de activiteit. Een interne veiligheidsafstand kan ook voorkomen dat een incident leidt tot een domino-effect buiten deze begrenzing.

7.5.3Brandveiligheid Normatief

Detectie

Zie ook bijlage Bijlage G voor informatie met betrekking tot detectie in opslagvoorzieningen met lithium-houdende energiedragers.

Tabel 5Detectieniveaus en (vervolg)acties

Detectieniveau

ActieVervolgactie
10-20 ppmAutomatisch inschakelen alarmsysteem. Hoorbaar (>15 dBA boven achtergondniveau) en zichtbaar (knipperende lamp) signaal in opslagruimte en op centrale plaats (bijv. controlekamer, winkelruimte)Visuele inspectie opslagruimte, actie wanneer nodig (zie noodplan)
100 ppmHoorbaar en zichtbaar signaal in en bij toegang opslagruimte en op centrale plaats (bijv. controlekamer, winkelruimte)

Onmiddellijke evacuatie van aanwezigen. De opslagruimte mag niet worden betreden zonder adequate beschermingsmaatregelen lithium-houdende energiedragers

1200 ppmAutomatische doormelding naar

PAC

Brandblusmiddelen
Bluswatervoorziening
Brandbeveiligingsinstallatie

7.5.4Noodplan, incidenten en calamiteiten Normatief

7.5.5Pictogrammen en aanwijzingen Normatief

8Gelijkwaardige maatregelen

Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf voor een in Hoofdstuk 7 genoemde maatregel een alternatief wil toepassen, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Is een alternatief toegestaan?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?

Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.

Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?

Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
  • Brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).
De wettelijke grondslag is arbeidsveiligheid

Deze maatregel heeft betrekking op de veiligheid van werknemers. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking vormen van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals bijvoorbeeld:

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
  • maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
  • maatregelen/verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, de Warenwetbesluiten drukapparatuur 2016, explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-reeks/deze PGS worden de Arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet kan worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (DWW-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de gezondheid en veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Nederlandse Arbeidsinspectie getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor toepassen gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing hanteert de Nederlandse Arbeidsinspectie een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    1. de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    2. een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    3. het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen;
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen die moet treffen om de werknemers te beschermen .
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Nederlandse Arbeidsinspectie ligt.
  • De Nederlandse Arbeidsinspectie beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De wettelijke grondslag is omgevingsveiligheid of brandpreventie omgevingsveiligheid

Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet door het bedrijf de juiste procedure worden gevolgd. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking. Bij een niet-vergunningplichtige activiteit moet het gebruiken van een gelijkwaardig alternatief vier weken vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag. Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

Wettelijke grondslag is zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid / brandpreventie omgevingsveiligheid

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel Arbeidsveiligheid als Omgevingsveiligheid /Brandpreventieis, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor haar wetgevingsgebied gelden.

Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit de PGS is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS- richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang en het effect daarvan tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid (zie kader) is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

Bijlage AAfkortingen en begrippen Normatief

Deze bijlage bevat een lijst met afkortingen en begrippen die in deze PGS voorkomen. Deze PGS sluit zo veel mogelijk aan bij de begrippen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en andere relevante wetten en regels. In de praktijk kunnen ook andere termen voorkomen. Daarom is in deze bijlage bij een aantal begrippen ook een alternatieve omschrijving gegeven, zodat duidelijk is wat met een bepaald begrip is bedoeld.

Verwijder dee termen en definities die niet voorkomen in deze PGS

Bekijk deze tabel in een popup venster

Begrip of afkorting

Betekenis

Alternatieve omschrijving

ADN

ADN staat voor Accord européen relatif au transport des marchandises Dangereuses par voies de Navigation intérieures.

Het is het Europese verdrag over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren.

ADR

ADR staat voor Accord européen relatif au transport international de marchandises Dangereuses par Route.

Het is het Europese verdrag over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Arbeidshygiënische strategie

Zie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Arbo

Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving.

ARIE

Aanvullende Risico-Inventarisatie en -Evaluatie

Toelichting: Deze is van toepassing op bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen).

ATEX

ATmosphères EXplosibles.

Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

BatterijElke bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meer niet-oplaadbare of oplaadbare batterijcellen of groepen daarvan .Accu

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

BBT

BBT staat voor beste beschikbare technieken.

Dit zijn de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen of te beperken.

Begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf. Maar kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

Erfgrens

Erfafscheiding

Erfscheiding

Locatiegrens

Perceelgrens

Kavelgrens

Terreingrens

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen.

Meestal is dit de gemeente of provincie.

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BOb

Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH

BowTie

Visuele methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse waarbij afzonderlijke oorzaak- en gevolgscenario’s worden geïdentificeerd .

Vlinderdasmodel

Brandblusmiddel

Brandblusser of brandslanghaspel

Brandblusser

Blustoestel Brandblustoestel Poederblusser Blusser Handblusser
BrandblussysteemInstallatie van automatische sproeiers, schuimdistributiesystemen, brandweerslangen en/of draagbare brandblussers die zijn bedoeld voor het doven van vuren.

Brandkluis

Een zelfstandige betreedbare opslagvoorziening met inbraakwerende eigenschappen in een ruimte / binnen een ander compartiment voor de opslag van gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen.

Brandveiligheidsopslagkast

Kast in een brandcompartiment voor het opslaan en eventueel opladen van energiedragers zoals nader omschreven in Bijlage E van deze richtlijn

Brandkast, Brandveiligheidskast

Brandwerendheid

Brandwerendheid gaat over wanden of deuren of andere delen van een constructie. Het geeft aan hoe lang een deel van een constructie een brand kan tegenhouden. De brandwerendheid wordt uitgedrukt in aantal minuten. NEN 6069 beschrijft hoe de brandwerendheid wordt bepaald.

Brandwerendheid met betrekking tot de scheidende functie bepaald volgens NEN 6069

Brzo 2015

Besluit risico's zware ogevallen 2015

Buitenlucht

Plaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie.

Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig.

Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.

Buitenluchtsituatie

BVO

Bruto Vloer Oppervlak conform NEN 2580

Cel

De functionele basiseenheid in een batterij die wordt gevormd door elektroden,elektrolyt, een behuizing, aansluitingen en, indien van toepassing, separatoren, en die de actieve materialen bevat waarvan de reactie elektrische energie opwekt

.

Batterijcel, Accucel

CBI

Conformiteitsbeoordelingsinstantie

CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie.

CLP

Classification, Labelling and Packaging

CLP wordt vaak gebruikt als afkorting van de CLP-verordening. Dat is de Europese verordening over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

CMR

Carcinogene, Mutagene en Reprotoxische stoffen

Compartiment

Brandcompartiment als bedoeld in het Besluit bouwwerken leefomgeving: gedeelte van één of meer gebouwen bestemd als maximaal uitbreidingsgebied van brand.

Brandcompartiment

Conformiteitsverklaring

Verklaring van een fabrikant waarin staat dat het apparaat of de installatie is gemaakt volgens code uit het ontwerp Een onafhankelijke partij (Nobo) heeft toezicht uitgevoerd op de productie.

Degene die de activiteit verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Beheerder

Exploitant

Operator

Diep ontladen

Het volledig ontladen van een energiedrager ten behoeve van eindverwerking waarbij de energiedrager ontladen wordt tot onder het niveau waarbij deze nog veilig weer geladen kan worden

Domino-effect

Een effect waarbij het falen van een gevarenbron leidt tot het falen van een andere gevarenbron en waarbij de (directe) gevolgen van het falen van de eerste gevarenbron kleiner zijn dan de gevolgen van het falen van het vervolgongeval.

DWW-maatregel

Maatregel voortkomend uit Direct Werkende Wetgeving

Eindverwerking

Het verwerken en hergebruiken van materialen van energiedragers. Hierbij zijn de onderdelen van de energiedrager na verwerking niet meer als zodanig inzetbaar.

Elektrolyt

Chemische verbindingen die in een oplossing of in gesmolten toestand geheel of gedeeltelijk in ionen gesplitst zijn, waardoor de oplossing of vloeistof elektrische stroom kan geleiden.
EN

Europese Norm

Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:

  • Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.
  • Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.
  • Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.

Energiedrager

Met de energiedrager wordt de daadwerkelijke batterijcel bedoeld, daar waar de energie wordt opgeslagen. Bij een parallel schakeling van cellen geldt deze parallel schakeling ook als energiedrager, omdat deze schakeling zicht gedraagt als één cel. Primaire- of secundaire elektrochemische cel, Batterij

Explosieve atmosfeer

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel.

Gebruiker volgens WBDA 2016Degene die de installatie gebruikt.

Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.
Gevaarlijke stof (ADR)Stoffen en voorwerpen waarvan het vervoer volgens het ADR is verboden of slechts onder daarin opgenomen voorwaarden is toegestaan, dan wel stoffen, materialen en voorwerpen aangeduid in de IMDG-Code

.

Gevaarlijke stof (CLP)Stoffen die overeenkomstig EG-verordening op indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels als gevaarlijk worden ingedeeld op grond van de criteria voor enige fysische gevarenklasse of gezondheidsgevarenklasse.
Gevarenzone-indeling

Indeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbobesluit.

GrenswaardeMaximaal toegestane concentratie.

HAZOP

HAZard and OPerability

De HAZOP-methode is een standaard methode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen en het identificeren van gevaren en ongewenste situaties.

Storingsanalyse

Hogedrempelinrichting

Seveso-inrichting waar een gevaarlijke stof in een grotere of gelijke hoeveelheid aanwezig is dan/als de genoemde waardes in de Seveso-richtlijn 2012/18/EU, zie Bal.

ICAO

International Civil Aviation Organization

Organisatie van de Verenigde Naties die als doel heeft de principes en standaarden voor de internationale luchtvaart.

IEC

International Electrotechnical Commission

Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.

IMDG-code

International Maritime Dangerous Goods code

Internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee.

IMO

International Maritime Organization

IMO is een gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties die op internationaal niveau afspraken maakt tussen de deelnemende lidstaten om de scheepvaart zo veilig en milieuvriendelijk mogelijk te maken.

IMO
In afwezigheid van personeelUit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Onbemand

Zonder direct toezicht

Zonder aanwezigheid van personeel

Incident

Negatieve, onverwachte en onvoorziene gebeurtenis waarbij afhankelijk van het type en de ernst ervan het noodzakelijk kan zijn om melding te maken van de gebeurtenis en/of hulp(diensten) in te roepen.
Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken.

Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan

Calamiteitenplan

Interne veiligheidsafstand

Een interne veiligheidsafstand is een minimumafstand bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze interne veiligheidsafstand heeft geen relatie met afstanden in verband met explosieveiligheid als bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en is niet bedoeld om gebouwen en plekken te beschermen waar mensen werkzaam zijn.
IPO

Interprovinciaal overleg

ISO

International Organization for Standardization

Internationale Organisatie voor Standaardisatie ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale standaardisatieorganisaties in een groot aantal landen.

Koopmansgoederen

Handelsgoederen opgeslagen als stukgoed (geen bulkopslag), met uitzondering van gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen, bestrijdingsmiddelen en afvalstoffen.

Kritisch

Met kritische energiedragers wordt bedoelt dat deze mogelijk instabiel zijn en een verhoogd risico voor een thermal runway reactie hebben.
Laadeenheid

Laadeenheid ("cargo transport unit"): een voertuig, een wagen, een container, een tankcontainer, een transporttank of een MEGC.

Laadniveau

De beschikbare capaciteit in een energiedragers, uitgedrukt als percentage van de nominale capaciteit.

State of Charge (SOC)

Legbordstelling

Stellingkast die opgebouwd wordt door metalen of houten legborden. De legbordstelling bestaat uit verticale stijlen en horizontale legborden.

LEL

Onderste explosiegrens

Concentratie van brandbaar gas of brandbare damp in de lucht beneden welke de atmosfeer niet explosief is.

LEL is de afkorting van de Engelse term Lower Explosive Limit.

Milieubelastende activiteit

In de Omgevingswet omschreven activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.

MKB

Nederland

Organisatie van ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf (MKB).

NEN

NEN staat voor NEderlandse Norm.

NEN staat ook voor Stichting Koninklijk NEderlands Normalisatie-instituut. Dat instituut geeft NEN-normen uit.

NEN-ENEuropese norm (EN) die door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven.
NEN-EN-IEC

Door IEC vastgestelde internationele norm.

De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-ISO

Door ISO vastgestelde internationele norm.

De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm.

De norm is door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NOBO

NOtified Body

Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.

Noodplan

Overzicht van de door een bedrijfsorganisatie genomen maatregelen en voorzieningen om effecten van calamiteiten te minimaliseren en te bestrijden.
NPR

Nederlandse Praktijkrichtlijn

Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) geeft NPR-publicaties uit. Een NPR is een informatieve praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.

NTA

Nederlandse Technische Afspraak

Dit is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat. Een NTA kan snel tot stand komen.

Onbrandbaar

Onbrandbaar bouwmateriaal bepaald volgens NEN-EN 13501-1.

Onbrandbare stoffen

Stoffen die niet verbranden of niet voldoende ontvlambare gassen produceren voor zelfontbranding indien deze stoffen worden verhit bij een temperatuur van 750 °C, of een energetische waarde van 7,5 MJ/kg of minder hebben, of niet bij een brand betrokken kunnen raken.

Opslag

In deze PGS wordt onder opslag verstaan het bewaren van lithium-houdende energiedragers, al dan niet als onderdeel van een product.

Zie ook de termen opslagvoorziening en werkvoorraad.

Opslagvak

Afgebakend deel van de opslagvoorziening.

Toelichting: afbakening is over het algemeen middels belijning of afwijkende kleuren.

Opslagvoorziening

Vaste ruimte bestemd voor de opslag van lithium-houdende energiedragers uitgevoerd als een brandcompartiment conform Bouwbesluit (2012).

Opvangvoorziening

Opvangbak

Lekbak

PED

Pressure Equipment Directive

Richtlijn Drukapparatuur

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur.

De PED-richtlijn beschrijft “essentiële veiligheidseisen” voor drukapparatuur. Het gaat om algemene veiligheid en bescherming tegen zowel persoonlijk letsel als materiële schade.

Onder de PED-richtlijn vallen alle producten en installaties met een druk die hoger is dan 50 kPa. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het WBDA 2016.

PRD

Praktijkregels voor Drukapparatuur

Deze praktijkregels bevatten uitleg over alle regels uit het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. De Technische Commissie van Drukapparatuur van NEN stelt deze praktijkregels op. De PRD zijn te verkrijgen via de website van de SDU.

QRA

Quantitative Risk Assessment/Analysis

Kwantitatieve risicoanalyse

QRA is een rekenmethode om de externe risico’s van het gebruiken, vervoeren en opslaan van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. Voor het bepalen van de risico’s voor de externe veiligheid worden in een QRA zowel de kansen op als de effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen in de berekening opgenomen.

REACH

Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen

Reach is een Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. Het beschrijft waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Deze verordening geldt voor alle landen van de Europese Unie.

Recycling

Het inzetten van een energiedrager of onderdelen van een energiedrager voor hergebruik, zoals remanufacturing of refurbishing.
Refurbished

Er is sprake van refurbishing wanneer een defecte (eventueel afgedankte) lithium-houdende energiedrager opnieuw wordt samengesteld volgens de specificaties van de marktpartij die de reparatie uitvoert al dan niet met gebruikmaking van onderdelen van de originele fabrikant.

Remanufactured

Er is sprake van remanufacturing wanneer een defecte (eventueel afgedankte) lithium-houdende energiedrager opnieuw wordt samengesteld volgens de specificaties van, en met gebruikmaking van de onderdelen van de originele fabrikant.

Herproductie

RID

Regulations concerning the International Carriage of Dangerous Goods by Rail

Het is het Europese verdrag over het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor.

RisicoverhogendBijdragend aan de vuurbelasting.
RocketerenWegschieten van (cellen van) energiedragers die kunnen leiden tot domino-effecten.Wegschieten

SAFETI-NL

Programma voor QRA-berekeningen Het rekenprogramma SAFETI-NL berekent de risico’s voor de veiligheid van de leefomgeving van bedrijven met gevaarlijke stoffen. Meer informatie over SAFETI staat op de website van het RIVM.

SDS

Safety Data Sheet

Veiligheidsinformatieblad

VIB

Seveso-inrichtingEen of meer Seveso-installaties op een locatie die volledig wordt beheerd door diegene die de Seveso-inrichting exploiteert, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten, zie Bal.
Seveso-installatie

Technische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan, zie Bal.

ShowroomRuimte ten behoeve van het te koop aanbieden verkopen en of leveren van goederen waarbij er toegang is voor derden. Toonzaal

SIL

Safety Integrity Level SIL is een indicator voor het kwantificeren van risicoverlaging van systemen of processen van een installatie. De vereiste SIL-klasse hangt af van het oorspronkelijke risico dat intrinsiek verbonden is met de systemen of processen van de installatie. Zie NEN-EN-IEC 61508 of NEN-EN-IEC 61511.

Single Point of Failure (SPOF)Systeem waarbij de uitval van één component leidt tot het volledig buiten werking raken van het gehele systeem.

SWIFT

Structured What If Technique

Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse.

SZW

Ministerie Sociale Zaken en Werkgelegenheid

T90Responstijd van sensoren. Omdat de reactiecurve redelijk wordt uitgevlakt bij het benaderen van de uiteindelijke uitlezing, wordt de reactietijd dikwijls aangegeven in termen van tijd tot het bereiken van 90 procent van de uiteindelijke uitlezing. Daarom staat deze uitlezing bekend als de T90-waarde. Bij toepassing van een elektrochemische sensor ligt deze waarde doorgaans tussen 30 en 60 seconden. De minimale detectiegrenzen gaan van 0,02 tot 50 ppm, afhankelijk van het beoogde gastype.

Thermal runaway

Ongecontroleerde toename in temperatuur, als een gevolg van een grotere warmteproductie dan warmteafvoer.
Typical

Een typical is een vereenvoudigd voorbeeld van een activiteit, installatie of een onderdeel van een installatie.

De meest voorkomende verschijningsvorm betreft de basistypical. De (afwijkende) scenario’s kunnen dan als deltatypical (of ex-typical) apart worden onderzocht.

Ten hoogste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.Maximaal

Ten minste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.Minstens, Minimaal
UPD

Uitgangspuntendocument Het uitgangspuntendocument van een brandblussysteem bevat alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de te beveiligen ruimten en locaties.

Verpakkingseenheid

Een verpakking die is toegelaten voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, inclusief grote verpakking.

Toelichting: De standaardeenheid waarin artikelen bij elkaar zitten, zoals dozen, kratten, tonnen, containers, pallets of zakken waarin de goederen zijn verpak.

VIB

Veiligheidsinformatieblad

Een veiligheidsinformatieblad is een gestructureerd document met informatie over de risico's van een gevaarlijke stof of preparaat en aanbevelingen voor het veilig gebruik ervan. Het bevat alle eigenschappen van het product: van de gevaren en de chemische samenstelling tot informatie over beschermingsmiddelen, veilig gebruik, transport en afvoer.

MSDS

SDS

Safety data sheet
VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VNO-NCWVereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).
Voldoet aan / Volgens / Zoals dat staat inOvereenkomstig
VTH

Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

Vvl

Verklaring van Ingebruikneming

WBDA 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

WBDBO

Weerstand tegen BrandDoorslag en BrandOverslag

WBDBO gaat over een gebouw of scheidingsconstructie. WBDBO is een eis voor de tijd die het gebouw of de scheidingsconstructie weerstand kan bieden tegen het doorslaan of overslaan van een brand. Dit kan gaan om van binnen naar buiten, en om van buiten naar binnen. De brandwerendheid van scheidingsconstructies bepaalt de weerstand tegen branddoorslag. WBDBO kan worden bereikt met brandwerende constructies of met afstanden, of met een combinatie daarvan. Bij brandoverslag moet een berekening volgens NEN 6068 worden uitgevoerd.

Werkvoorraad

De voorraad lithium-houdende energiedragers die ten behoeve van de bedrijfsvoering/productie in een productieruimte/werkruimte uitgevoerd als brandcompartiment aanwezig is in hoeveelheden van ten hoogste één aangebroken verpakkingseenheid aanwezig, plus één reserve.

Voor inzamelpunten van retourstromen van energiedragers geldt voor de werkvoorraad ten hoogste één in gebruik zijnde UN-gekeurd inzamelmiddel en één volle UN-gekeurd inzamelmiddel.

Wvr

Wet veiligheidsregio's

Bijlage BNormen en bronnen

B.1Normatieve documenten en normen Normatief

Deze bijlage is normatief.

Deze bijlage bevat normen en andere documenten die zijn genoemd in de maatregelen. Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief wijzigings- of correctiebladen zoals die op het moment van de publicatie van deze richtlijn luidde.

Bekijk deze tabel in een popup venster

Norm met versie

Titel

NEN 1010:2020

Elektrische installaties voor laagspanning – Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks

NEN 2535: 2017

Brandveiligheid van gebouwen - Brandmeldinstallaties

NEN 2559:2001+C1:2004 en A4:2017

Onderhoud van draagbare blustoestellen

NEN 2580:2007

Oppervlakten en inhouden van gebouwen – Termen, definities en bepalingsmethoden

NEN 2654-1+C1:2018

Beheer, controle en onderhoud van brandbeveiligingsinstallaties - Deel 1: Brandmeldinstallaties

NEN 3011:2021

Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte

NEN 3140:2015+A3:2019

Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning

NEN 5056:2011

Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen – Verstelbare palletstellingsystemen – Technische grondslagen voor het ontwerp – Afwijkingen van en aanvullingen op NEN EN 15512:2009

NEN 6060:2015+A1:2018

Brandveiligheid van grote brandcompartimenten

NEN 6063:2019

Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken

NEN 6068:2020

Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten

NEN 6069:2021 Ontw.

Beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten

NEN 6079+C1:2016

Brandveiligheid van grote brandcompartimenten – Risicobenadering

NEN-EN 2:1994+A1:2004

Brandklassen

NEN-EN 3-7:2004+A1:2007

Draagbare blustoestellen – Deel 7: Eigenschappen, prestatie-eisen en beproevingsmethoden

NEN-EN 13501-1:2019

Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen - Deel 1: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van het brandgedrag

NEN-EN 1363-1:2020

Bepaling van de brandwerendheid – Deel 1: Algemene eisen

NEN-EN 15512: 2009

Steel static storage systems - Adjustable pallet racking systems - Principles for structural design

NEN-EN 15620: 2021

Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen - Verstelbare palletstellingen - Toleranties, vervormingen en veiligheidsafstanden

NEN-EN 50402:2017

Elektrisch materieel voor de detectie en meting van brandbare of giftige gassen, dampen of zuurstof – Eisen aan de functionele veiligheid van vastbevestigde gasdetectiesystemen

NEN-EN-IEC 60079-10-1: 2021

Explosieve atmosferen – Deel 10-1: Classificatie van gebieden – Explosieve gasatmosferen

NEN-EN-IEC 60079-14:2014+C1:2016

Explosieve atmosferen – Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties

NEN-EN-IEC 60079-29-2: 2015

Explosieve atmosferen – Deel 29-2: Gas detectoren – Selectie, installatie, gebruik en onderhoud van detectoren van brandbare gassen en zuurstof

NEN-EN-IEC 60947-5-5:1998+A2:2017

Laagspanningsschakelaars – Deel 5-5: Stuurstroomkringen en schakelelementen – Elektrische noodstopinrichting met mechanische vergrendelingsfunctie

NEN-EN-IEC 61508:2010

Functionele veiligheid van elektrische/elektronische/programmeerbare elektronische systemen verbandhoudend met veiligheid

NEN-EN-IEC 61511 serie: 2017

Functionele veiligheid – Veiligheidssystemen voor de procesindustrie

NEN-EN-IEC 62305-1:2011

Bliksembeveiliging – Deel 1: Algemene principes

NEN-EN-IEC 62305-2:2012

Bliksembeveiliging – Deel 2: Risicomanagement

NEN-EN-IEC 62305-3:2011

Bliksembeveiliging – Deel 3: Fysieke schade aan objecten en letsel aan mens en dier

NEN-EN-IEC 62305-4:2011+C11:2016

Bliksembeveiliging – Deel 4: Elektrische en elektronische systemen in objecten

NEN-EN-IEC 62561 serie

Systeemonderdelen voor bliksembeveiliging (LPSC)

NEN-EN-ISO 13850:2015

Veiligheid van machines – Noodstopfunctie – Ontwerpbeginselen

NEN-EN-ISO 14001:2015

Milieumanagementsystemen – Eisen met richtlijnen voor gebruik

NEN-EN-ISO 4126-1:2013+A2:2019

Veiligheidsvoorzieningen voor bescherming tegen ontoelaatbare overdruk – Deel 1: Veiligheidskleppen

NEN-EN-ISO 7010:2012 met aanvullingen

Grafische symbolen – Veiligheidskleuren en -tekens – Geregistreerde veiligheidstekens

NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012

Conformiteitsbeoordeling – Eisen voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren

NPR 1014:2009

Bliksembeveiliging – Leidraad bij de NEN-EN-IEC 62305- reeks

NPR 7910-1:2020

Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 1: Gasexplosiegevaar, gebaseerd op NEN EN IEC 60079-10-1:2009

B.2Informatieve documenten en bronnen

Tabel 6Informatieve documenten en bronnen

Bekijk deze tabel in een popup venster

Nummer

Titel

Vindplaats

[1]

Arbeidsomstandighedenwet

wetten.overheid.nl

[2]

Arbeidsomstandighedenbesluitwetten.overheid.nl

[3]

Arbeidsomstandighedenregelingwetten.overheid.nl

[4]

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016wetten.overheid.nl

[5]

Warenwetbesluit machineswetten.overheid.nl

[6]

Wet veiligheidsregio'swetten.overheid.nl

[7]

Besluit veiligheidsregio'swetten.overheid.nl

[8]

Omgevingswet

overheid.nl

[9]

Omgevingsbesluit

overheid.nl

[10]

Besluit activiteiten leefomgevingoverheid.nl

[11]

Besluit bouwwerken leefomgevingoverheid.nl

[12]

Besluit kwaliteit leefomgevingoverheid.nl

[13]

Wet vervoer gevaarlijke stoffenwetten.overheid.nl

[14]

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffenwetten.overheid.nl

[15]

Handreiking Generieke Risicobenadering PGS Nieuwe stijl, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, versie 1.1 (maart 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[16]

Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid, Brandweer Nederland, november 2012

Brandweer Nederland

[17]

Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen (VBB-systemen) – Handreiking voor het opstellen van een Uitgangspunten Document (UPD), Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen: UPD 2017 versie 1.0 (juni 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[18]

PGS 14: Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen – Handreiking bij de toepassing van opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 14 – versie 1.0 (oktober 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[19]

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 15: 2021 versie 1.0

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[20]

ISO 45001:2018, Managementsystemen voor gezond en veilig werken – Eisen met richtlijnen voor gebruik ISO 45001 vervangt de OHSAS 18001-norm. In 2021 is de vervanging definitief.

NEN

[21]

Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

Europese Unie

[22]

Detectiemiddelen bij brand met li-ion batterijen, 2019RIVM

[23]

Analysis of Li-Ion Battery Gases Vented in an Inert Atmosphere Thermal Test Chamber, 4 september 2019

MDPI

[24]

Considerations for ESS Fire Safety”, rapportnr. OAPUS301WIKO(PP151894, versie 4, 9 februari 2017

DNVGL

[25]

Toxic fluoride gas emissions from lithium-ion battery fires, 30 augustus 2017

Scientific Reports

Bijlage CRelevante wet- en regelgeving

C.1Inleiding

Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.

Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.

C.2Omgevingswet

De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.

Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het omgevingswetportaal. Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.

In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veel voorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met het oogmerk van bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.

Omgevingsregeling

In de Omgevingsregeling zijn onder andere de gegevens en bescheiden benoemd die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt, zijn technische uitvoeringsvoorschriften gegeven voor milieubelastende activiteiten en zijn de rekenmethoden aangegeven die moeten worden toegepast bij het berekenen van het plaatsgebonden risico en de afstanden van de aandachtsgebieden. Ook zijn in de Omgevingsregeling de versies aangegeven van de normdocumenten waarnaar in de besluiten en in de Omgevingsregeling wordt verwezen.

Seveso

De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG ) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s voor een groot deel geïmplementeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid, als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie.

C.3Chemische stoffen

CLP

CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG ) over indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor Classification, Labelling and Packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten deze worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermmaatregelen nodig zijn.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

REACH

REACH is een Europese verordening (EC 1907/2006 ) over de productie van en handel in chemische stoffen. Reach staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

C.4Arbeidsomstandighedenwetgeving

Arbeidsomstandighedenwet

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbobesluit.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

[De Europese richtlijn die betrekking heeft op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen (1999/92/EU ), is geïmplementeerd in het Arbobesluit. Deze richtlijn wordt ook ATEX 153 genoemd.

Arbeidsomstandighedenregeling

In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.

Verordening persoonlijk beschermingsmiddelen

Deze Europese verordening bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425 ). De verordening heeft tot doel om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen en om het mogelijk te maken dat deze beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.] [

C.5Warenwet

Warenwet

De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker van dat product te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan essentiële gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.

C.6Wet veiligheidsregio's

Wet veiligheidsregio’s

De Wet veiligheidsregio’s beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.

Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Besluit veiligheidsregio's

In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.

C.7Vervoer

Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de ADR

De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:

  • vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, reservoirwagens);
  • chauffeurs (opleiding en training);
  • vervoersdocumenten;
  • verpakkingen en etikettering;
  • laden en lossen.

Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit de ADR.

De ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten de ADR in eigen wetgeving implementeren.

De ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.

Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid . Daar staat ook informatie over de ADR.

Bijlage DArbeidsomstandighedenwetgeving

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbobesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)

Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie-regeling (ARIE-regeling)

Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

In de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde, de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen als persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

[Gevarenzone-indeling]

De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/92/EG (ook wel bekend als ATEX 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar. De risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. Dit document bevat in elk geval:

  • een nadere risicoanalyse;
  • een gevarenzone-indeling;
  • passende technische en organisatorische maatregelen;
  • voorlichting van de werknemers.

Voor de gevarenzones verwijst artikel 3.5d, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar bijlage I van 1999/92/EG . Gevarenzones moeten zijn gemarkeerd. Dit staat in artikel 3.5d, lid 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit]

Explosieveilig materiaal en materieel

De eisen voor explosieveilig materiaal en materieel staan in artikel 3.5 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hier wordt verwezen naar het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Elektrische en elektronische apparatuur in een gezoneerd gebied moeten explosieveilig zijn uitgevoerd. Deze apparatuur is voorzien van een EG-conformiteitsverklaring en een voorschrift waaruit blijkt dat het toegepaste materieel geschikt is voor toepassing in ruimten waar explosiegevaar kan heersen.

Elektrisch materieel dat aan de normen voor explosieveiligheid voldoet, is herkenbaar aan het ‘Ex’-teken in een regelmatige zeshoek. Mocht dit niet zichtbaar zijn, dan moet in het logboek een document aanwezig zijn waarin de leverancier verklaart dat het elektrisch materieel voldoet aan de gebruikelijke normen voor explosieveiligheid. Het gaat dan om een zogenoemde EG-verklaring van overeenstemming die vergezeld gaat van een CE-markering.

Bekabeling wordt gezien als een vaste elektrische verbinding, vrij van vonkvorming en is daarmee vrijgesteld van explosieveiligheidscriteria].

Intern noodplan

Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zo veel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit . In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.

Een intern noodplan bevat in elk geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling.

Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal.

Borden en pictogrammen

De werkgever is verplicht borden te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling . Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht.

Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (pictogram), de tekst en het kleurgebruik. In bijlage XVIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staat welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt.

In de CLP-verordening staan pictogrammen voor de aanduiding van gevaarseigenschappen van chemische stoffen.

Bijlage EEisen brandveiligheidskasten energiedragers Normatief

In deze bijlage worden de eisen aan brandveiligheidsopslagkasten beschreven die uitsluitend zijn bedoeld voor het opslaan (en eventueel opladen) van lithium-houdende energiedragers.

Het betreft opslagvoorzieningen van staal die als compleet systeem vanuit de fabriek worden geleverd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen kasten met een inhoud tot maximaal 333 kg aan lithium-houdende energiedragers en kasten met een grotere inhoud. In dat laatste geval wordt hierna gesproken over een kluis. Aangezien deze richtlijn alleen geldt voor de opslag van lithium-houdende energiedragers vanaf 333 kg is deze richtlijn niet van toepassing op plaatsing van een enkele kast of kasten wanneer er onder deze grenzen gebleven wordt. Dit laat onverlet dat het zeer wenselijk is om in dat geval toch aansluiting te zoeken bij de eisen in deze bijlage.

Een brandveiligheidsopslag

Een kast met een inhoud tot maximaal 333 kg aan lithium-houdende energiedragers is bij voorkeur op de begane grond geplaatst. Bij plaatsing van meerdere kasten op een verdieping mogen deze alleen in gescheiden brandcompartimenten met een WBDBO van tenminste 60 minuten zijn geplaatst. Een brandveiligheidskast mag niet in of nabij een vluchtweg zijn geplaatst. De temperatuur in de kast zelf kan in geval van brand 180 oC bereiken. Een energiedrager faalt bij 60 oC waardoor deze altijd mee gaat doen in geval van een brand nabij de brandveiligheidskast.

Aangezien de norm NEN-EN 14470-1:2004 alleen geldtvoor de opslag van brandbare vloeistoffen waarbij de kast geen grote inhoud heeft dan 1 m3 is deze niet direct niet van toepassing. Dit laat onverlet dat delen van deze norm, op grond van deze bijlage gebruikt kunnen worden. In dat verband zijn de voorschriften uit paragraaf 5.2 (Deuren) en paragraaf 5.4 (Ventilatie) onverkort van toepassing.

Een brandveiligheidskast moet een WBDBO hebben van 60 minuten. Dit geldt van binnen naar buiten. Wanneer in de kast lithium-houdende energiedragers worden opgeladen, moet de brandveiligheidskast een WBDBO hebben van 90 minuten.

De brandweerstandscapaciteit van de kast moet worden onderzocht door middel van een typetest. Deze test wordt uitgevoerd door verhitting van de brandveiligheidskast in een oven conform de temperatuur – tijdscurve zoals beschreven in 5.1.1 van de norm NEN-EN 1363-1 en meting van de temperatuurstijging binnenin de kast. De brandveiligheidskast moet dan geclassificeerd worden conform de tijd dat de interieurtemperatuur niet verder meer stijgt dan 180 K, gemeten op welk meetpunt dan ook, bij een aanvangstemperatuur van 20 (± 5)oC.

Het opladen van lithium-houdende energiedragers is alleen toegestaan in een brandveiligheidskast met een maximale capaciteit van 333 kg. De elektrische configuratie is getest en gecertificeerd conform de norm NEN 3140. De brandveiligheidskast is doelmatig geaard en voorzien van een aardlekschakelaar. Het elektrisch aansluiten en loskoppelen van lithium-houdende energiedragers in de brandveiligheidskast mag alleen door ter zake deskundig personeel plaatsvinden.

Voor het opladen van lithium-houdende energiedragers bij een totale capaciteit van meer dan 333 kg geldt ten aanzien van de kluis maatwerk. Energiedragers die niet in ADR verpakking zitten in brandveiligheidskasten moeten zo worden opgeslagen dat warmteverspreiding wordt voorkomen. Dit kan door of voldoende vrije ruimte onderling of een fysieke scheiding die de warmteverspreiding tegen houdt. Energiedragers in ADR-verpakking mogen wel gestapeld worden.

Een brandveiligheidskast moet verplaatsbaar zijn (bijvoorbeeld om de kast na een calamiteit naar buiten te transporteren). De brandveiligheidskast moet op een stabiele vlakke vloer zijn geplaatst.

Opmerking: Dit betekent dat de brandveiligheidskast op pootjes moet staan of op een andere wijze vrij van de vloer staat en met een pompwagen weggereden kan worden. De onderzijde mag zijn afgewerkt met een plint mits deze op eenvoudige wijze is te verwijderen.

De brandveiligheidskast moet goed bereikbaar zijn. De kast moet aangesloten zijn op een ventilatiekanaal, rechtstreeks naar buiten, met een veerklep (om gassen naar buiten af te voeren en zuurstoftoevoer te blokkeren). Het luchtkanaal moet dubbelwandig zijn. Het afvoerkanaal mag geen afbreuk doen aan de WBDBO van het brandcompartiment waarin die is geplaatst.

De legborden in een brandveiligheidskast zijn zodanig aangebracht dat, bij het onverhoopt vrijkomen van rook en/of giftige gassen, deze doelmatig op de buitenlucht kunnen worden afgevoerd, ongeacht de plaats van de lithium-houdende energiedragers in de brandveiligheidskast.

De legborden zijn bestand tegen het gewicht van de daarop geplaatste energiedragers.

De brandveiligheidskast is voorzien van een automatische brandmeldinstallatie. Aan de buitenzijde van de opslagvoorziening moet een flitslicht aanwezig zijn dat afgaat wanneer in de betreffende kast een melder afgaat.

Een brandveiligheidskluis is voorzien van een geschikt automatisch blussysteem of een Storz-koppeling waarbij er toch een mogelijkheid bestaat om zo'n unit vol water of schuim te zetten. De kluis moet voldoende waterdicht zijn uitgevoerd om het uitstromen van water bij gesloten deur(en) te voorkomen.

Opmerking: Wat betreft brandveiligheidskasten met een aerosol blusmiddel: In een kleine besloten ruimte werkt een aerosolblusser negatief katalytisch op vlammen en wordt hiermee de grootste hittebron weggenomen. Aerosol heeft alleen effect als het een 'exposed' vuur is en blust anders alléén de verpakking. Het heeft dan geen effect op de thermal runway. De brandweer zal moeten komen om de energiedragers na te blussen (koelen) aangezien een aerosol geen koelende werking heeft. Echter, blijven toxische en explosieve gassen zich wel ophopen in de kast. Aerosolen zijn pas vanaf bepaalde (blijvende) concentraties in staat om explosies te voorkomen. Laat staan dat na het afgaan van de aerosolblusser het middel na enige tijd neerslaat en dus niet meer effectief is. Zonder afzuiging in de kast geeft dit een risico voor de brandweer wanneer ze deze open maken. De afzuiging moet ATEX uitgevoerd worden om te voorkomen dat explosieve dampen van de energiedragers in de afzuiging exploderen.

Wanneer aanwezig moeten opladers van lithium-houdende energiedragers en spanningsbronnen in de brandveiligheidskast worden afgeschakeld in geval van een calamiteit. De schakeling moet aan de buitenzijde dan wel in de directe nabijheid van de brandveiligheidskast zijn aangebracht. Aanvullend kan de oplaadinstallatie op een centrale plaats worden uitgeschakeld.

In de brandveiligheidsopslagkast of -kluis is een thermokoppel aanwezig waarbij aan de buitenkant van de kast de temperatuur af te lezen is.

In de brandveiligheidsopslagkast of -kluis is detectie aanwezig in de vorm van thermische detectie en optische detectie. De brandveiligheidskluis is tegen weersinvloeden beschermd (zon, regen, bliksem).

Aan de buitenkant van een brandveiligheidsopslagkast of -kluis zijn de pictogrammen als bedoeld in M75 aangebracht.

Bijlage FChemische verbindingen en vrijkomende pyrolyseproducten (onder andere) bij thermal runaway reactie in lithium-houdende energiedragers

Opmerking: Deze bijlage bevat veel voorkomende producten en stoffen ter illustratie.

Algemeen

Lithium-houdende energiedragers bestaan in de basis uit twee elektroden (de anode en de kathode) en een elektrolyt. Dat is een chemische substantie waarin lithiumionen van de ene naar de andere kant stromen. Bij de huidige energiedragers gaat het elektrolyt bij het laden en ontladen langzaam maar zeker kapot. Bij dat proces hopen zich op het grensvlak van het elektrolyt en de elektroden afvalproducten op, die er na verloop van tijd voor zorgen dat de batterij frequenter opgeladen moet worden.

Momenteel worden in commerciële energiedragers vooral carbonaten als elektrolyt gebruikt. Dat zijn chemische verbindingen met koolstof (grafiet) en zuurstof.

Om de energiedichtheid van de huidige batterijen te vergroten, is het gebruik van een anode met een veel hogere dichtheid aan lithium-ionen noodzakelijk (lithiummetaal). Een dergelijke anode, in combinatie met de traditionele elektrolyten, zorgt echter voor veel verval. Er zijn nieuwe elektrolyten in ontwikkeling die de degradatie van de energiedrager tegengaan.

Nanotechnologie doet ook zijn intrede in de wereld van de lithium-houdende energiedragers. Bij lage oplaadcapaciteiten (SOC) is een stabiele stroom gewaarborgd. De kans op een thermal runaway is veel lager dan bij de gangbare metaaloxide batterijen.

De komende jaren zullen nieuwe (solid state) energiedragers op de markt komen, maar omdat de exacte chemische samenstelling(en) nog niet bekend is, zijn deze nog niet meegenomen in het de beschrijving van de vrijkomende pyrolyseproducten.

Chemische verbindingen elektroden lithium-houdende energiedrager

In de elektrode van de lithium-houdende energiedrager wordt het bindmiddel Polyvinylideenfluoride (PVDF) gebruikt. Het is een niet-polair polymeer in poedervorm en wordt gekenmerkt door een sterke oxidatieweerstand en goede thermische stabiliteit (CAS-nr. 24937-79-9, molecuulformule C2H2F2).

Het wordt gemengd met de stof n-methyl-2-pyrrolidon (NMP). NMP heeft een geharmoniseerde indeling als giftig voor de voortplanting (reproductietoxische stof categorie 1B) en is ook een irriterende stof voor de luchtwegen, huid en ogen. In Europa valt NMP onder beperking 71 van bijlage XVII bij REACH (CAS-nr. 872-50-4, molecuulformule C5H9NO).

Lithiumhexafluorfosfaat (LiPF6) wordt wegens de goede oplosbaarheid in apolaire oplosmiddelen gebruikt in energiedragers. Oplossingen van lithiumhexafluorfosfaat in propyleencarbonaat en 1,2-dimethoxyethaan dienen als elektrolyt in lithium-houdende energiedragers. De stof wordt gesynthetiseerd door reactie van fosforpentachloride met lithiumchloride en waterstoffluoride: PCl5 + LiCl + 6HF → LiPF6 + HCl (waterstofchloride, zoutzuur in waterige oplossing).

Als lithiumhexafluorfosfaat met water reageert, ontstaat de stof fosforylfluoride (POF3) waarvan de toxiciteit niet bekend is: LiPF6 + H2O → LiF + POF3 + 2HF.

Lithium-ijzer-fosfaat energiedrager

Hieronder een weergave van de chemische reacties voor een lithium-ijzer-fosfaat batterij (LFP batterij) met carbonaten als elektrolyt (CAS-nummer: 15365-14-7 ).

  • kathode: LiFePO4 ⟶ FePO4 + Li++e−
  • anode: Li+ + C6 + e− ⟶ LiC6
Vrijkomende pyrolyseproducten (onder andere) bij thermal runaway reactie in lithium-houdende energiedragers

Genoemde waarden in onderstaande tabel zijn gemiddelden en afhankelijk van type energiedrager dat is betrokken (uit verschillende studies tot 2020). N.b. Als elementen (zoals Fluoride) voorkomen in verschillende verbindingen, moet je niet uitgaan van de maximale waarde.

Bovengenoemde stoffen kunnen in vochtige condities reageren tot:

  • Waterstoffluoride ⟶ Fluorwaterstofzuur
  • Lithiumoxide ⟶ Lithiumhydroxide
  • Zwaarmetaaloxides ⟶ Zwaarmetaalhydroxides
  • Waterstofchloride ⟶ Zoutzuur
  • Zwaveldioxide ⟶ Zwavel(ig)zuur
  • Fosfortrioxide ⟶ Fosforzuur

Ook andere verbindingen en reacties zijn mogelijk.

Bijlage GDetectie in opslagvoorziening lithium-houdende energiedragers

Inleiding

Het elektrolyt van lithium-houdende energiedragers bevat organische oplosmiddelen zoals dimethylcarbonaat. Bij verbranding komt er ook CO (koolmonoxide) en CO2 vrij. De concentraties CO en CO2 blijken bij brandproeven vele malen hoger te zijn dan HF en HCl. De gassen CO en CO2 kunnen daarom worden toegepast als tracer voor andere gevaarlijke stoffen.

De samenstelling uit lucht op zeeniveau bij een temperatuur van 15 °C bestaat voornamelijk uit stikstof (78% N2) en zuurstof (21% O2). Er zijn ook sporen van waterstof aanwezig (0,00005 % H2).

Er zijn verschillende typen gasdetectiesensoren op de markt. Het risico op blootstelling aan toxische gassen wordt vooral bewaakt door elektrochemische sensoren. Het zijn zeer gevoelige en kleine elektrochemische fabriekjes waarbinnen in een kleine hoeveelheid elektrolyt vastgesteld wordt of de omgevingslucht giftig is of niet.

Een infrarood sensor kan alleen diatomische gasmoleculen detecteren en is daarom ongeschikt voor de detectie van enkelvoudig waterstof. Een katalytische sensor kan wel waterstof detecteren maar heeft niet de voorkeur.

Specificaties CO-detectie

Voor industriële toepassingen wordt een meetbereik van 5 meter aangehouden. Per 21 augustus 2018 is de wettelijke grenswaarde van een aantal gassen in Bijlage XIII van de Arbeidsomstandig-hedenregeling aangepast in verband met de implementatie van de Europese richtlijn 2017/164 (Stcrt. 2018, 41167).

De grenswaarde van koolmonoxide (CO) is aangepast van 28 mg/m3 naar 23 mg/m3. Omgerekend, van 25 ppm naar 20 ppm. De verscherping geldt met ingang van 2021.

De monitoring in een opslagvoorziening is gericht op het tijdig detecteren van een ongewoon voorval waarbij de lithium-houdende energiedrager faalt. Tijdige detectie van het vrijkomen van giftige gassen, alvorens een thermal runaway kan optreden, is het doel.

De alarmering moet bij zeer lage concentraties CO in werking treden. De sensor moet daarom zeer lage concentraties kunnen meten. De reactietijd van de sensor is daarbij ook van groot belang.

De reactietijd van een CO-sensor is, onder normale omstandigheden, ongeveer 20 seconden.

In verhouding tot het volume van de opslagvoorziening (basis typical betreft een ruimte met een bruto vloeroppervlak van 300 m2 en een vrije hoogte van 6 m) is sprake van een geringe hoeveelheid (volumetrisch) giftig gas. Het aanbrengen van sensoren aan het plafond gaat niet voor tijdige detectie zorgdragen. Er zal per stelling en op elk van de lagen, een CO-sensor moeten zijn aangebracht.

Een compleet lineair gedrag van een sensor wil zeggen dat bij een verdubbeling van de gasconcen-tratie ook het elektrische signaal aan de meetelektrode twee keer zo hoog wordt, over het gehele meetbereik. Deze situatie is eerder uitzondering dan regel, en de absolute gevoeligheid en de ‘response’ kunnen zelfs per individuele sensor verschillen.

Stationaire elektrochemische sensoren hebben daarom een eigen EEPROM (een herprogrammeer-bare geheugenchip) die alle relevante data van de betreffende sensor bevat en ervoor zorgt dat het ‘uitwendig gedrag’ uniform en gestandaardiseerd is.

Specificaties HF-detectie

Het toepassen van sensoren voor de detectie van waterstoffluoride (HF) is niet zonder uitdagingen. Het meetbereik ligt doorgaans tussen 0 en 30 ppm. De laagste concentratie HF waarbij de sensor reageert, is circa 0,5 ppm (LDL = Lowest Detection Limit). De reactietijd is langer dan van een CO sensor (T90 van 50 seconden).

Een HF sensor is zeer onderhoudsgevoelig. Het elektrolyt in de sensor moet worden bijgevuld. De frequentie is afhankelijk van de atmosferische condities. In de opslagvoorziening zullen de condities in het algemeen goed zijn zodat het bijvullen en ijken éénmaal in de 6 maanden zal volstaan. De levensduur is theoretisch voor deze sensor onbeperkt.

De sensor is van het open type en is daardoor gevoelig voor uitdroging. Het vocht uit het elektroliet verdampt gemakkelijker en dus sneller dan een gesloten sensor en zal vaker moeten worden bijgevuld. Wanneer het elektroliet wordt vernieuwd, heb je theoretisch weer een nieuwe sensor.

Het toepassen van HF sensoren heeft dan ook niet de voorkeur.

Uit proeven door het RIVM blijkt dat de gemeten concentratie HF in een ruimte veel lager is dan men zou verwachten op basis van de verwachte emissies uit de lithium-houdende energiedragers. HF is een reactief gas dat reageert met de omgeving waar het mee in aanraking komt. Het bindt zich onder andere aan de rookgassen waardoor het minder makkelijk wordt gedetecteerd.

Er zijn echter grote verschillen tussen de verschillende lithium-houdende energiedragers. Dit laat onverlet dat er wel relatief hoge concentraties fluorzouten (F+) vrij kunnen komen.

Kruisgevoeligheid

Sensoren zijn altijd kruisgevoelig voor andere gassen. De mate van kruisgevoeligheid is afhankelijk van het type sensor en de fabrikant. Elk fabrikant stelt daarom specifieke kruisgevoeligheidstabellen beschikbaar. Het is daarom essentieel dat de juiste tabel wordt gehanteerd.

Zet je twee identieke sensoren van eenzelfde fabrikant naast elkaar dan zullen ze bij een bepaalde concentratie ´kruisgevoelig´ gas zelden eenzelfde uitlezing geven. Voor elektrochemische sensoren die op dezelfde wijze zijn gekalibreerd zal de aanwijzing op hetzelfde kruisgevoelige gas overigens niet veel verschillen. Voor bijvoorbeeld infrarood detectoren is dit een heel ander verhaal.

Bij aanwezigheid van 0,1 Vol% (= 1000 ppm) waterstof kan een CO sensor een reactie geven tussen 90 ppm en 600 ppm, afhankelijk van de gehanteerde sensor. De resultaten zijn bovendien zelden lineair. Het is niet omdat een CO sensor 90 ppm geeft, bij een concentratie van 1000 ppm waterstof, dat bij een 50% lagere concentratie waterttof de weergegeven CO-concentratie ook gehalveerd is.

De keuze van de sensor is dus zeer bepalend voor de verwachte uitkomsten. Dit moet nauw met de leverancier worden bepaald.

Het aantal gassen waarbij de kruisgevoeligheid is getest, verschilt per fabrikant. Een sensor kan dus zeer wel kruisgevoelig zijn voor een gas die niet in de tabel staat. Een uitgebreide tabel geeft in ieder geval aan dat de fabrikant een grote reeks testen in het laboratorium heeft verricht.

Sommige fabrikanten bieden de mogelijkheid om de sensoren van een selectief filter te voorzien. Hiermee wordt de kruisgevoeligheid aanzienlijk teruggebracht. Het filter heeft geen effect op de kruisgevoeligheid van waterstof. Het filter reageert met de omgevingslucht en verliest daardoor geleidelijk aan gevoeligheid.

Of het filter voor de kruisgevoeligheid van waterstof effect heeft, moet per type CO-sensor worden geverifiëerd. In een selectief filter zijn chemicaliën aanwezig die reageren met een bepaald (kruisgevoelig) gas. Wanneer dit gas aawezig is zal de chemische component in het filter reageren met dit gas en daardoor dus afnemen. De juiste interval van vervanging van een selectief filter is applicatie afhankelijk.

In een magazijn omgeving is het vervangen van alle filters omslachtig en tijdrovend. Dit verhoogt de kans op gebrekkig onderhoud.

Het wordt dan ook niet aanbevolen om de kruisgevoeligheid voor het detecteren van CO in te perken.

Eisen gasdetectie

Sensoren en overige meet- en regelapparatuur voor de detectie van koolmonoxide voldoen aan de norm NEN-EN 50402, Elektrisch materieel voor de detectie en meting van brandbare of giftige gassen, dampen of zuurstof - Eisen aan de functionele veiligheid van vastbevestigde gasdetectie-systemen.

Deze norm is gericht aan de fabrikant van de apparatuur.

Ten aanzien van de elektromagnetische compatibiliteit gelden de volgende normen:

  • NEN-EN 50270, Elektromagnetische compatibiliteit - Elektrisch materieel voor de detectie en meting van brandbare gassen, giftige gassen of zuurstof (Electromagnetic compatibility - Electrical apparatus for the detection and measurement of combustible gases, toxic gases or oxygen). Er is een nieuwe versie in voorbereiding.
  • NEN-EN 50271, Elektrisch materieel voor de detectie en meting van brandbare gassen, giftige gassen of zuurstof - Eisen voor en beproevingen van toestellen die gebruikmaken van programmatuur en digitale technieken (Electrical apparatus for the detection and measurement of combustible gases, toxic gases or oxygen - Requirements and tests for apparatus using software and/or digital technologies)

Stroom- en signaleringskabels tussen de verschillende onderdelen van de beveiligingsketen moeten voldoen aan de norm NEN 8012 voor zover deze onderdelen (sensoren en de centrale) in gescheiden ruimten zijn opgesteld. Uitgangspunt is het functioneel behoud van de veiligheidsketen in geval van een brand in de opslagvoorziening.

De CO-sensoren zijn zodanig in de stellingen geplaatst dat bij het plaatsen en uitnemen van pallets deze niet beschadigd kunnen raken.

Afbeelding 6Plaatsing CO-sensoren stelling (bron: NEN-EN 15620:2008)

Daarnaast moeten de sensoren goed bereikbaar zijn vanwege onderhoud en vervanging.

De CO-sensoren zijn aangesloten op een modulair en uitbreidbaar analyse- en besturingssysteem. Omwille van beschikbaarheid en betrouwbaarheid moet de architectuur van het systeem een SPOF (single point of failure) uitsluiten. De modules zijn gekoppeld aan een grafische interface waarmee de plaats waar een verhoogde CO-concentratie binnen een stelling is gemeten, direct is af te lezen.

De grafische interface is direct toegankelijk in de nabijheid van de opslagvoorziening. De grafische interface mag ook op een centrale plek in het bedrijf zijn geplaatst wanneer de betreffende ruimte 24/7 is bezet.

Bij een gemeten CO-concentratie van meer dan 20 ppm treedt een akoestische signalering in de opslagvoorziening in werking.

Het magazijnpersoneel en de medewerkers van de controlekamer (wanneer aanwezig) zijn geïnstrueerd hoe te handelen in geval van een alarmering als gevolg van een verhoogde CO-concentratie in de opslagvoorziening.

Toelichting: Het doel van het detectiesysteem is het tijdig signaleren van een falende energiedrager zodat snel ingegrepen kan worden (verwijderen energiedrager of pallet uit de stelling). Aangezien koolmonoxide niet zintuigelijk is waar te nemen, is het in een magazijn met veel stellingen essentieel om het incident snel te lokaliseren. De grafische interface biedt de mogelijkheid om direct naar de bron van het ongewone voorval te gaan.

Montage CO-sensoren

Bij toepassing van een straddle-stapelaar moet rekening gehouden worden met een vrije ruimte aan de zijkanten van de stelling. Dit zorgt er automatisch voor dat de pallet op enige afstand van de staanders in de stelling wordt geplaatst. Dit biedt de mogelijkheid om een CO-sensor te plaatsen zonder dat daarvoor extra beschermende maatregelen nodig zijn.

Wanneer ter hoogte van de verticale dragers de stellingen open zijn, kunnen de CO-sensoren alternerend per stellingcompartiment worden aangebracht. Bij gesloten zijwanden kan uit kostenoverwegingen de CO-sensor in het midden geplaatst worden. Er moeten dan maatregelen worden getroffen om schade aan de sensor te voorkomen.

In geval van een gerobotiseerd magazijn zijn geen aanvullende beschermende maatregelen noodzakelijk, vooropgesteld dat de sensoren buiten het bereik van de pallets zijn gemonteerd.

Bijlage HBowTies risicobenadering

Per typical is de relaties tussen scenario's, doelen en maatregelen grafisch weergegeven middels een BowTie.

Opmerking: Om in te zoomen, rechtermuis en selecteer Abeelding openen in apart tabblad.

Afbeelding 7BowTie - Typical 1a

Afbeelding 8BowTie - Typical 1b

Afbeelding 9BowTie - Typical 1c

Afbeelding 10BowTie - Typical 1d

Afbeelding 11BowTie - Typical 1e

Afbeelding 12BowTie - Typical 2a

Afbeelding 13BowTie - Typical 2b

Afbeelding 14BowTie - Typical 2c

Afbeelding 15BowTie - Typical 3a

Afbeelding 16BowTie - Typical 3b

Bijlage IImplementatietermijnen in bestaande situaties Normatief

Deze bijlage is normatief

Inleiding

Deze bijlage bevat implementatietermijnen voor bestaande situaties. Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze termijnen vastgesteld.

Deze PGS-richtlijn beschrijft de stand van de techniek. Het kan dus voorkomen dat een nieuwe versie van een PGS-richtlijn nieuwe of aangescherpte maatregelen bevat. Deze maatregelen moeten worden getroffen door degene die de activiteit verricht. Het kan voor bestaande situaties onredelijk zijn om te eisen dat deze nieuwe maatregelen onmiddellijk worden getroffen. Daarom bevat deze PGS-richtlijn voor bestaande situaties een implementatietermijn.

Is er voor de activiteit uit deze PGS-richtlijn een omgevingsvergunning? Dan bepaalt het bevoegd gezag vanaf welk moment de maatregelen worden overgenomen in de vergunning. Het bevoegd gezag kan de implementatietermijn in deze PGS gebruiken als richtsnoer.

Voor maatregelen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers is het aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen volgens de stand van de wetenschap en techniek. Het toezicht op de naleving en juiste invulling van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwetgeving voor de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid van de Nederlandse Arbeidsinspectie. De Nederlandse Arbeidsinspectie gebruikt daarbij de implementatietermijnen uit deze PGS-richtlijn. Deze termijnen kunnen ook in een beleidsregel worden opgenomen.

In Tabel 7 is aangegeven op welke wijze de in Tabel 8 opgenomen termijnen tot stand zijn gekomen en kan worden gebruikt bij het vaststellen van implementatietermijnen in individuele gevallen.

Tabel 7Uitgangspunten implementatietermijnen

Aard van de maatregel

Veiligheidsurgentie niveau

Standaard termijn

Operationeel/organisatorisch

Normaal

0-1 jaar

Hoog

0-3 maanden

Onderhoud

-

0-1 jaar

Randapparatuur

Normaal

0-2 jaarA

Hoog

0-3 maandenA

(Proces)installatie

Normaal

0-5 jaarA

Hoog

0-2 jaarA

Bouwkundig

Normaal

0-10 jaarB

Hoog

0-2 jaarC

  1. In beginsel wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de reguliere onderhoudsstops, waardoor verlenging van de maximumtermijn kan worden overwogen.
  2. 10 jaar is alleen van toepassing in bijzondere situaties.
  3. Bij hoge urgentie is de implementatietermijn maximaal 2 jaar, tenzij het bedrijf kan aantonen dat de aanpassing niet binnen 2 jaar mogelijk is.
Implementatietermijnen door het BOb vastgesteld

In deze bijlage zijn implementatietermijnen opgenomen voor bestaande opslagvoorzieningen voor lithium-houdende energiedragers.

De implementatietermijnen zijn richtinggevend en moeten per individueel geval worden afgestemd op de tijd die nodig is om een maatregel te treffen, (bouw)vergund te krijgen en te financieren. Zo zal een hoge urgentie voor het verbeteren van de veiligheid en/of een hoge veiligheidswinst vragen om een kortere implementatietermijn.

Tabel 8Implementatietermijnen door het BOb vastgesteld

Bekijk deze tabel in een popup venster

Maatregelnummer

Onderwerp

Termijn (jaar)

M2

Regels voor omgaan met energiedragers

3 maanden
M3

Verwarmingsinstallatie

1 jaar

M4

Veiligheidsstudie (semi) geautomatiseerde systemen

3 maanden
M5

Draagconstructie - eisen bij brand

5 jaar

M6

Compartimentering

5 jaar

M7

Brandwerendheid - WBDBO

5 jaar

M8

Brandwerendheid - brandmuur, brandscherm of keerwand

5 jaar

M9

Criteria brandwerendheid

5 jaar

M10

Materialen toegepast in constructie

5 jaar

M11

Plaatsing energiedragers

3 maanden
M12

Bescherming tegen weersinvloeden

3 maanden
M13

Hemelwaterafvoer

2 jaar

M14

Bliksembeveiliging

2 jaar

M15

Onderdelen bliksembeveiliging

2 jaar
M16

Bliksembeveiliging - energiedragers aangesloten op een oplaadvoorziening

2 jaar
M17

Ingangscontrole

3 maanden
M18

Ingangscontrole - gebruikte en.of beschadigde/defectie energiedrager

3 maanden
M19

Ingangscontrole - refurbished energiedrager

3 maanden
M20

Pallets deugdelijk

3 maanden
M21

Nieuw en ongebruikte energiedragers - opslag in ADR-verpakking

3 maanden
M22

Maximale opslaghoogte

3 maanden

M23

Onderlinge afstanden elektrische tweewielers

3 maanden

M24

Nieuwe en ongebruikte energiedragers - opslag overpakte energiedragers

3 maanden

M25

Opslagcondities

3 maanden

M26

Opslag stabiele gebruikte en/of beschadigde/defecte energiedragers

3 maanden
M27Opslag stabiele gebruikte en/of beschadigde/defecte energiedragers - aanvullend

2 jaar

M28

Opslag instabiele beschadigde of defecte energiedragers

3 maanden
M29

Opslag energiedragers in combinatie met andere goederen

3 maanden
M30Opslag energiedragers in combinatie met andere goederen

- showroom

3 maanden
M31

Monitoren energiedragers

3 maanden
M32

Laden energiedragers

3 maanden
M33

Maatregelen tijdens diepontladen - energiedrager ten behoeve van eindverwerking

3 maanden
M34

Maximale energiedragercapaciteit tijdens diepontladen

3 maanden
M35

Laden energiedragers in showroom

3 maanden
M36

Afstand tijdens laden in showroom

3 maanden
M37

Geschiktheid stelling

3 maanden
M38

Maximale omvang opslagvak

3 maanden
M39

Reparatie beschadigde stelling

3 maanden

M40

Jaarlijkse stellinginspectie

3 maanden
M41

Keuring en controle -schema

3 maanden
M42

Registratie en documentatie

3 maanden
M43

Registratiesysteem - energiedragers

3 maanden
MW44

Personeel - training en opleiding

3 maanden
M45

Deskundig personeel

3 maanden
M46

Instructie personeel

2 jaar

M47

Opleiding bestuurders transportmiddelen

3 maanden
M48

Aanrijdbeveiliging stelling

2 jaar

M49

Niet toegankelijk voor onbevoegden

3 maanden
M50

Veiligheidsafstanden - buiten opslag

5 jaar

M51

Hitte detectie

1 jaar

M52

Branddetectie

3 maanden
M53

CO en H2 detectie

1 jaar
M54

Alarmeringssysteem

2 jaar

M55

Branddetectie stelling

1 jaar
M56

Brandblusmiddelen - voldoende en beschikbaar