PGS29Brandbare vloeistoffen - Opslag
PGS 29:2021 versie 1.0 (augustus 2021)
29

Brandbare vloeistoffen - Opslag

Richtlijn voor de veilige bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks

Versie

Deze PGS 29:2021 versie 1.0 (Augustus 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 29:2021 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid;
  • Arbeidsveiligheid;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding .

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.

Arbeidsveiligheid

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.

Brand- en Rampenbestrijding

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In Bijlage L staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 24 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020.

De voorzitter van de Programmaraad

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over de veilige bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage H: Overvulbeveiliging;
  • Bijlage I: Beleidskader bestrijding plasbrand in tankputten PGS 29: Uitwerking voorzieningen- en maatregelenniveau;
  • Bijlage K: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van de bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn

1.2.1Algemeen

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op het opslaan van brandbare vloeistoffen in ten minste één bovengrondse verticale cilindrische houder waarvan de tankbodem op een fundering rust. Deze richtlijn is van toepassing gedurende alle levensfasen (ontwerpen, bouwen, gebruiken en slopen) van de tank en bijbehorende installaties.

Het betreft tanks onder atmosferische druk voor brandbare vloeistoffen van de PGS- klassen klasse 0, klasse 1, klasse 2 en klasse 3 en voor verwarmde stoffen van PGS- klasse 4 Stoffen die bij een temperatuur gelijk aan of hoger dan hun vlampunt worden opgeslagen, moeten worden behandeld als een stof van klasse 1.

Toelichting klasse 0:

Dit betreft een gedeelte van de vloeistoffen van PGS-klasse 0, namelijk stoffen van klasse 0 waarvan de ‘true vapour pressure’ (TVP) lager is dan 8,62 x 104N/m2 (862 mbar). Aan deze vloeistoffen van klasse 0 worden extra eisen gesteld en deze moeten worden behandeld (met name op het gebied van brandveiligheid) als een vloeistof van klasse 1.

Voor brandbare vloeistoffen die ook tot een andere gevarencategorie behoren, bijvoorbeeld instabiele, acuut toxische, carcinogene, mutagene, reproductie toxische (CMR), schadelijke, bijtende en/of verbranding bevorderende stoffen, kunnen andere of aanvullende eisen gelden die per geval in de omgevingsvergunningen moeten worden vastgelegd.

Deze richtlijn is ook van toepassing voor tanks waar handelingen of bewerkingen plaatsvinden die (kunnen) leiden tot een verandering van de samenstelling van de desbetreffende vloeistof, zoals bijvoorbeeld gebeurt bij het butaniseren of het toevoegen/mengen van additieven.

Deze richtlijn is in beginsel ook van toepassing op procestanks, bijvoorbeeld buffertanks en mengtanks. Voor procestanks zal in het algemeen maatwerk noodzakelijk zijn.

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op tanks met een maximumdiameter van 90 m en een maximumhoogte van 23 m. Deze hoogte betreft de hoogte tot het dak, de goothoogte. Voor tanks die hoger en/of groter zijn, kunnen andere of aanvullende eisen gelden die per geval in de omgevingsvergunningen moeten worden vastgelegd.

Voor tanks met een capaciteit kleiner dan of gelijk aan 150 m3 zijn in principe de richtlijnen PGS 30 (Vloeibare brandstoffen – Bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties) en PGS 31 (Overige gevaarlijke vloeistoffen – Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties) van toepassing. Op deze tanks is in beginsel deze richtlijn niet van toepassing.

Deze richtlijn kan in overleg met het bevoegd gezag en de desbetreffende veiligheidsregio worden toegepast op tanks met een inhoud van kleiner dan of gelijk aan 150 m3 die volgens PGS 29 zijn of worden geconstrueerd en bestemd zijn voor vloeistoffen binnen het gedefinieerde toepassingsgebied. De tankdefinitie uit PGS 29 is daarbij bepalend (bovengrondse verticale cilindrische houder waarvan de tankbodem op een fundering rust).

In het kader van het beheersbaar en bestrijdbaar zijn van branden en toxische plassen mag de maximale opslagcapaciteit van tanks in een tankput niet groter zijn dan de waarden in Tabel 1:

Tabel 1Maximale opslagcapaciteit in een tankput

Aantal en type tanks in een tankput

Maximale opslagcapaciteit in de tankput

Een tank in een tankput

Geen beperking

Twee of meer tanks met een uitwendig drijvend dak in een tankput

120000 m3

Twee of meer tanks met een vast dak in een tankput

60000 m3

Bestaande installaties die groter zijn dan de maximale opslagcapaciteit van Tabel 1, zijn hiervoor vergund. Nieuwbouw van grotere opslagen vereist maatwerk waarvoor een risicoanalyse moet worden uitgevoerd met betrekking tot het beheers- en bestrijdbaar zijn van branden en toxische plassen.

Deze PGS-richtlijn is niet van toepassing op:

  • door druk en/of door koeling vloeibaar gemaakte gassen, bijvoorbeeld propaan en butaan;
  • niet-brandbare vloeistoffen. Tanks met een drijflaag van brandbare vloeistoffen van klasse 1, klasse 2 of klasse 3 vallen dus wel onder de richtlijn. Bij beperkte drijflagen kan het bedrijf aan de overheid voorstellen dat bepaalde scenario’s niet voor kunnen komen;
  • brandbare vloeistoffen met een vlampunt van meer dan 100 oC, mits de temperatuur van de vloeistof ten minste 5 oC onder het vlampunt blijft voor enkelvoudige stoffen en 15 oC onder het vlampunt blijft voor mengsels.

Van de 15 oC marge voor mengsels kan gemotiveerd worden afgeweken.

1.2.2Uitzondering voor activiteiten

Er komen veelvuldig complexe tankopslaginstallaties voor waar tevens andere activiteiten plaatsvinden dan tankopslag en de daarbij behorende overslag. Voorbeelden daarvan zijn:

  • opslag in andere tanks dan die waarop deze richtlijn betrekking heeft, zoals tanks voor de opslag van tot vloeistof verdichte gassen, ondergrondse tanks, horizontale tanks en kleinere tanks;
  • opslag van vaten en stukgoed;
  • productieprocessen;
  • activiteiten waarop andere richtlijnen van toepassing zijn.

Deze richtlijn heeft in beginsel slechts betrekking op het gedeelte van de installatie waar de opslag van vloeistoffen en de daarmee verbonden activiteiten zoals overslag en verpompen plaatsvinden. In complexe gevallen kan twijfel ontstaan welke richtlijnen of normen voor welke onderdelen van toepassing zijn. In dergelijke situaties maakt de exploitant een keuze uit de te implementeren best beschikbare technieken en overtuigt hij het bevoegd gezag van de doelmatigheid van deze best beschikbare technieken. Vervolgens stelt het bevoegd gezag de best beschikbare technieken vast in de omgevingsvergunning.

De richtlijn is tevens niet van toepassing op het transport van brandbare vloeistoffen die onder de vervoersregelgeving vallen. Als de transportleiding buiten het terrein van de installatie is, dan zijn het BAL en het Bkl van toepassing.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS- richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

Overige regelgeving

Stoffen moeten zodanig worden opgeslagen dat de emissies naar de lucht voldoen aan de BBT-conclusies uit de BAT reference documents (BREF) Emissions from Storage en andere van toepassing zijnde BREF’s. Dit betekent ten minste voldoen aan de minimalisatieverplichting voor ‘substances of very high concern’ en een emissiereductie voor VOS. Emissiereductie kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door toepassing van dampverwerking en/of drijvende daken met efficiënte ‘seals’.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage J geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage K staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

1.6Bestaande versus nieuwe installaties

Wanneer het bevoegd gezag voor de Omgevingswet voornemens is om de PGS- maatregelen op te nemen in de vergunning, kan een bedrijf voor specifieke situaties aan het bevoegd gezag voor de Omgevingswet een verzoek doen af te wijken van (een) in deze PGS-richtlijn opgenomen maatregel (c.q. maatregelen). In Hoofdstuk 8 staat beschreven of maatwerk mogelijk is, onder andere in relatie tot de wettelijke grondslag, en de criteria die daaraan worden gesteld. Het bedrijf behoort dan onder andere aannemelijk te maken/onderbouwen dat er voor de specifieke situatie andere, kosteneffectievere maatregelen mogelijk zijn om de benoemde veiligheidsdoelen te kunnen realiseren. Ook kan het zijn dat voor de specifieke situatie de voorgeschreven maatregel(en) niet nodig zijn omdat het scenario waarop deze maatregel is gebaseerd, zich in de betreffende specifieke situatie in de praktijk niet voordoet.

Voorstellen voor afwijkingen van voorgeschreven maatregelen behoren te allen tijden te voldoen aan het gestelde in Hoofdstuk 8, deugdelijk worden onderbouwd en ook behoort te worden aangetoond dat de (hoge) kosten voor het treffen van de maatregel (c.q. maatregelen) niet in verhouding staan tot de te bereiken (beperkte) veiligheidswinst (kosteneffectiviteit). Ook zal behoren te worden aangetoond dat met de voorgestelde alternatieve maatregelen de beoogde veiligheidsdoelen en gelijkwaardige bescherming van het milieu kunnen worden gehaald.

Het bevoegd gezag voor de Omgevingswet beoordeelt conform Hoofdstuk 8 uiteindelijk of de door het bedrijf gedane voorstellen redelijk en deugdelijk zijn.

2Beschrijving brandbare vloeistoffen en tankopslaginstallaties

2.1Over brandbare vloeistoffen

2.1.1Algemene informatie brandbare vloeistoffen

Onder brandbare vloeistoffen wordt verstaan een vloeistof waaruit onder alle voorzienbare bedrijfsomstandigheden een brandbare damp of brandbare nevel kan vrijkomen (NPR 7910-1).

2.1.2Gevaren van brandbare vloeistoffen

Het opslaan van brandbare vloeistoffen brengt gevaren met zich mee. Incidenten met brandbare vloeistoffen kunnen grote gevolgen hebben, zowel binnen de tankopslaginstallaties (interne veiligheid) als buiten de tankopslaginstallatie (externe veiligheid).

Brandgevaar

Afhankelijk van de classificatie van de brandbare vloeistof bestaat er een kans op ontsteking van brandbare vloeistoffen zowel in de installatie als buiten de installatie. Afhankelijk van het scenario kan dit resulteren in verschillende brandscenario’s, zoals tankbrand, ‘rim seal’-brand, plasbrand in de tankput en plasbrand. Afhankelijk van de situatie kan een escalatie optreden naar naburige tanks, installaties of gebouwen.

Explosiegevaar

Naast brandgevaar bestaat er voor bepaalde type brandbare vloeistoffen onder bepaalde condities de kans op het ontstaan van een zodanig brandbare dampwolk dat bij ontsteking zich een damp/gaswolkexplosie kan voordoen. Deze zogenoemde Vapor Cloud Explosion (VCE) heeft een directe impact door de schokgolf en het vlamfront maar kan ook leiden tot een significante escalatie naar naburige tanks, installaties of gebouwen.

Effecten op het milieu

Wanneer brandbare vloeistoffen vrijkomen, kunnen ze afhankelijk van de locatie schade toebrengen aan het milieu in de vorm van verontreiniging van bodem, lucht of oppervlaktewater.

Effecten op de mens

Naast het primaire risico van brand/explosiegevaar kunnen brandbare vloeistoffen ook tot een andere gevarencategorie behoren. Brandbare vloeistoffen kunnen bijvoorbeeld ook giftig, carcinogeen, mutageen, reproductie toxisch, schadelijk en/of bijtend zijn. Blootstelling aan deze stoffen kan gevaarlijk zijn voor de mens.

2.2Over tankopslaginstallaties

2.2.1Algemene beschrijving tankopslaginstallaties

In deze paragraaf wordt een omschrijving gegeven van tankopslaginstallaties. Globaal bestaat een installatie voor tankopslag uit de volgende onderdelen:

  • opslagtank;
  • productleidingen voor het verpompen van het product van en naar de tank;
  • laad-/losinstallatie voor verlading van en naar zee- en binnenvaartschepen, tankwagens en spoorketelwagens.

In Afbeelding 1 is een schematische weergave gegeven van eentankopslaginstallatie en de bijbehorende installatieonderdelen.

Afbeelding 1Schematische weergave voorbeeld tankopslaginstallatie

Ter bepaling en beoordeling van de relevante risico’s zijn voor de tankopslaginstallaties ‘typicals’ gedefinieerd. Een ‘typical’ is een vereenvoudigde weergave van een activiteit, installatie of een onderdeel van een installatie.

Het doel van de typicals is om de meest voorkomende tankopslaginstallaties te beschrijven en voor deze installaties de risico’s en daarbij behorende doelen en maatregelen te bepalen.

Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de verschillende tank-typicals, zoals beschreven in Paragraaf 2.2.2, en de typicals voor overige installatieonderdelen, zoals beschreven in Paragraaf 2.2.3.

Voor opslagtanks die niet vallen onder één van de tank-typicals maar die wel vallen binnen het toepassingsbereik van de richtlijn zoals beschreven in Paragraaf 1.2, is maatwerk vereist.

2.2.2Tank-typicals

Tanks hebben de functie om in opslagcapaciteit te voorzien voor transport, aflevering of handelsdoeleinden, of als tussenopslag binnen een productieproces. In de tanks worden geen nieuwe stoffen geproduceerd met hulp van chemische reacties.

Wel kunnen in tanks door mengen, roeren en verwarmen (mengsels van) stoffen op afleverspecificatie worden gebracht of door sedimentatie of stratificatie mengsels worden gescheiden.

In het toepassingsgebied van deze richtlijn zijn vier soorten tanks te onderscheiden.

  1. vastdaktank;
  2. vastdaktank met een inwendig drijvend dak;
  3. tank met een uitwendig drijvend dak;
  4. tank met een drijvend dak voorzien van een geodetisch dak.

In het kader van de risicobenadering is de vastdaktank geselecteerd als basis-typical en de overige uitvoeringen als zogenoemde delta-typicals.

Basis-typical vastdaktank

De vastdaktank, zie Afbeelding 2, is de basis-typical die als uitgangspunt is genomen voor de risicobenadering en de bepaling van de relevante scenario’s zoals beschreven in Hoofdstuk 3.

Afbeelding 2Basis-typical vastdaktank

Definitie basis-typical: Tank met een vast dak (conisch of koepelvormig), al of niet met ondersteuningsconstructie voor de dakplaten en voorzien van open ‘vents’ of druk- /vacuümventielen. De wand en het dak bepalen samen de stijfheid.

Delta-typicals

De delta-typicals, zie Afbeelding 3, Afbeelding 4 en Afbeelding 5, zijn andere, veel voorkomende uitvoeringen van atmosferische verticale cilindrische tanks. In de risicobenadering zoals beschreven in Hoofdstuk 3 is per delta-typical aangegeven wat de afwijkende scenario’s zijn ten opzichte van de basis-typical.

Delta-typical vastdaktank met een inwendig drijvend dak

Afbeelding 3Vastdaktank met een inwendig drijvend dak

Definitie typical: Tank met een vast dak zoals bij een basis-typical en voorzien van een inwendig drijvend dak (‘internal floating roof tank’) en voorzien van open ‘vents’ of druk-/vacuümventielen.

Delta-typical tank met een uitwendig drijvend dak

Afbeelding 4Tank met uitwendig drijvend dak

Definitie typical: Tanks met een uitwendig drijvend dak (‘external floating roof tank’). De stijfheid van de tank wordt bepaald door de wand.

Delta-typical tank met een drijvend dak voorzien van een geodetisch dak

Afbeelding 5Tank met een drijvend dak voorzien van een geodetisch dak

Definitie typical: Tanks met een zelfdragend dak gebaseerd op een geodetische vormgeving, voorzien van een drijvend dak. De stijfheid van de tank wordt bepaald door de wandconstructie. Tussen tankwand en het geodetisch dak moet voldoende vrije ventilatie zijn overeenkomstig Appendix G van API 650:2014. Zonder vrije ventilatie behoort deze tank als een vastdaktank te worden beschouwd.

2.2.3typicals overige installatieonderdelen

Productleidingen

Productieleidingen betreffen alle leidingen voor het verpompen van het product van en naar de opslagtanks vanuit:

  • andere tanks;
  • procesinstallatie;
  • waterzijdige laad-/losinstallatie (zeeschepen, binnenvaartschepen);
  • landzijdige laad-/losinstallatie (tankwagen, spoorketelwagon);
  • externe buisleidingen.

Onder deze typical vallen ook installatieonderdelen benodigd voor het verpompen van het product, zoals pompen (inclusief pompplaatsen en pompputten) en koppelbakken.

Laden en lossen

Laden en lossen betreft de installatieonderdelen benodigd voor het laden en lossen aan de waterzijde (zee- en binnenvaartschepen) en aan de landzijde (tankwagen en railwagon), inclusief de laad- en losplaatsen waar de verlading plaatsvindt.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen, kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT- methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/ .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden in de regel niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Een uitzondering is het laag risico-scenario met betrekking tot externe belasting door wind (S11). Ook aan laag risico-scenario’s die niet in deze PGS staan beschreven, moet een bedrijf aandacht besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Toepassing PGS-scenario’s voor hogedrempelinrichtingen en ARIE-bedrijven

Voor de zogenoemde hogedrempelinrichtingen zoals gedefinieerd in het Bal en ARIE- bedrijven zoals gedefinieerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat de scenario’s die kunnen leiden tot het vrijkomen van een gevaarlijke stof, de installatiescenario’s, al zijn beschreven in een veiligheidsrapport volgens een vast stramien, zoals toegelicht in bijlage H van PGS 6 of in een aanvullende risico- inventarisatie en -evaluatie (ARIE). Deze bedrijven hebben de scenario’s en de beheersmaatregelen daarmee afdoende beschreven om aan de verplichtingen van het Bal en het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen. Indien gewenst kunnen zij deze beschrijvingen ten grondslag leggen aan de onderbouwing van gelijkwaardige oplossingen.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 29

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt, staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 29-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare tankopslaginstallatie. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

Voor deze PGS is de BowTie-methodiek gebruikt om onderscheid te kunnen maken tussen oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s. De categorieën van directe oorzaken vanuit PGS 6 in combinatie met de gidswoorden vanuit de SWIFT-methode zijn toegepast voor een gestructureerde identificatie van potentiële oorzaakscenario’s.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor de veilige bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks.

De scenario's zijn per typical onderverdeeld in oorzaakscenario’s en gevolgscenario’s, waarbij de oorzaakscenario’s op hun beurt zijn onderverdeeld in categorieën van directe oorzaken (zoals benoemd in de PGS 6): corrosie, erosie, externe belasting, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke fouten tijdens gebruik en wijziging of onderhoud.

Voor de directe oorzaken erosie, trillingen en lage temperatuur zijn geen scenario’s geïdentificeerd die, volgens de werkwijze zoals beschreven in de Handreiking generieke risicobenadering, beoordeeld zijn als relevant voor PGS 29.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

De maatregelen die genoemd staan in een scenario, zijn gerelateerd aan dat scenario. Echter, een scenario kan van toepassing zijn op meerdere typicals. De diverse typicals en de bijbehorende maatregelen staan apart genoemd. De genoemde doelen zijn wel van toepassing op alle typicals. Bij de doelen zelf is wel aangegeven voor welke typical de bijbehorende maatregelen van toepassing zijn.

4.2Scenario’s basis-typical vastdaktank

4.2.1Oorzaakscenario’s

4.2.2Gevolgscenario's

4.3Scenario’s van toepassing op delta-typical vastdaktank met een inwendig drijvend dak

4.3.1Algemeen

Alle scenario’s van de basis-typical, zie Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing voor de typical van een vastdaktank met een inwendig drijvend dak met uitzondering van S3, S4, S7, S8 en S17.

Aanvullend zijn in Paragraaf 4.3 de scenario’s geïdentificeerd voor de typical van een vastdaktank met een inwendig drijvend dak.

4.3.2Oorzaakscenario’s

4.3.3Gevolgscenario’s

4.4Scenario’s van toepassing op delta-typical tank met een uitwendig drijvend dak

4.4.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical vastdaktank, zie Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op de typical van een tank met een uitwendig drijvend dak:

  • S1 – overvullen;
  • S9 – corrosie;
  • S10 – externe belasting (zetting);
  • S13 – menselijk handeling (open verbindingen met de buitenlucht);
  • S14 – menselijk handelen (handelingen door onbevoegden);
  • S15 – menselijk handelen (verkeerd oplijnen);
  • S18 – dampwolk-/gaswolkexplosie;
  • S20 – escalatie naar naastgelegen tanks;
  • S21 – escalatie naar overige installaties/gebouwen;
  • S22 – emissie naar het milieu van het vrijgekomen product.

De volgende scenario’s van de delta-typical vastdaktank met een inwendig drijvend dak, zie Paragraaf 4.3, zijn ook van toepassing op de delta-typical tank met een uitwendig drijvend dak:

  • S24 – overdruk/hoge temperatuur (externe aanstraling) – alleen ‘rim seal’-brand, niet ‘full surface’-brand;
  • S25 – overdruk (statische oplading) – alleen ‘rim seal’-brand, niet ‘full surface’-brand;
  • S26 – categorie: overdruk (blikseminslag) – alleen ‘rim seal’-brand, niet ‘full surface’-brand;
  • S27 – omklappen seal door overdruk – alleen ‘rim seal’-brand, niet ‘full surface’-brand;
  • S29 – degradatie (corrosie) van drijvend dak waardoor het dak zinkt/scheef zakt – alleen ‘rim seal’-brand, niet ‘full surface’-brand;
  • S30 – ‘rim seal’-brand – alleen ‘rim seal’-brand, niet ‘full surface’-brand;
  • S31 – escalatie ‘rim seal’-brand naar ‘full surface’-tankbrand.

Toelichting bij S25, S27, S29 en S30:

Voor tanks met een uitwendig drijvend dak met detectie in of boven de ‘rim seal’ (M134) en een stationair blussysteem dat voldoet aan NFPA 11 (M98) is S31 niet van toepassing en mag bij de genoemde scenario’s worden uitgegaan van het geldende referentiescenario van een ‘rim seal’-brand. Voor tanks die hier niet aan voldoen, is S31 wel van toepassing en wordt bij de genoemde scenario’s uitgegaan van het geldende referentiescenario van een ‘full surface’-tankbrand.

Aanvullend zijn in Paragraaf 4.4.2 de scenario’s gedefinieerd voor de delta-typical van tank met een uitwendig drijvend dak.

4.4.2Oorzaakscenario’s

4.5Scenario’s van toepassing op de delta-typical tank met een drijvend dak voorzien van een geodetisch dak

Alle scenario’s van de delta-typical tank met een uitwendig drijvend dak, zie Paragraaf 4.4, zijn ook van toepassing voor de delta-typical van een tank met drijvend dak voorzien van een geodetisch dak met uitzondering van de volgende scenario’s:

S26 – overdruk (blikseminslag);

S34 – externe belasting (overbelasting van het dak door water).

4.6Scenario’s van toepassing op de typical productleidingen

4.6.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical vastdaktank, zie Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op de typical productleidingen:

  • S13 – menselijk handeling (open verbindingen met de buitenlucht);
  • S14 – menselijk handelen (handelingen door onbevoegden);
  • S15 – menselijk handelen (verkeerd oplijnen);
  • S19 – acuut toxische wolk;
  • S20 – escalatie naar naastgelegen tanks;
  • S21 – escalatie naar andere installatiedelen of gebouwen;
  • S22 – emissie naar het milieu van het vrijgekomen product.

Aanvullend zijn in Paragraaf 4.6.2 de scenario’s geïdentificeerd voor de typical productleidingen.

4.6.2Oorzaakscenario’s

4.7Scenario’s van toepassing op de typical laden en lossen (waterzijde en landzijde)

4.7.1Algemeen

De volgende scenario’s van de basis-typical vastdaktank, zie Paragraaf 4.2, zijn ook van toepassing op de typical laden en lossen:

  • S13 – menselijk handeling (open verbindingen met de buitenlucht);
  • S14 – menselijk handelen (handelingen door onbevoegden);
  • S15 – menselijk handelen (verkeerd oplijnen);
  • S19 – acuut toxische wolk;
  • S20 – escalatie naar naastgelegen tanks;
  • S21 – escalatie naar andere installatiedelen of gebouwen;
  • S22 – emissie naar het milieu van het vrijgekomen product.

De volgende scenario’s van de typical productleidingen, zie Paragraaf 4.6, zijn ook van toepassing op de typical laden en lossen:

  • S37 – menselijk handelen (beschadiging en/of falen van slangen en laad- en losarmen);
  • S38 – plasbrand (terrein, leidingsleuf, pompput, pompplaats, koppelbak, laad- en losplaats).

Aanvullend zijn in 4.7.2 de scenario’s geïdentificeerd voor de typical laden en lossen:

4.7.2Oorzaakscenario’s

4.8Scenario’s van toepassing op specifieke activiteiten

4.8.1Algemeen

Aanvullend op de scenario’s voor de tank-typicals zijn scenario’s vastgesteld gerelateerd aan specifieke activiteiten die kunnen plaatsvinden in opslagtanks.

4.8.2Oorzaakscenario’s

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving

5.1Inleiding

Dit deel van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met omgevingsveiligheid en met brandpreventie;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en -gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met arbeidsveiligheid;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met rampenbestrijding.

In Hoofdstuk 6 staan de doelen en daarna maatregelen in hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6.

5.2Omgevingsveiligheid

5.2.1Algemeen

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit

Artikel 3.25 van het Bal wijst het opslaan van vloeibare brandstoffen in bovengrondse opslagtanks als de opslagtank een inhoud heeft van meer dan 150 m3 aan als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is een omgevingsvergunning nodig. Het Bal bevat voor het opslaan van vloeibare brandstoffen in bovengrondse opslagtanks als de opslagtank een inhoud heeft van meer dan 150 m3 geen regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid in hoofdstuk 4. Er is dan ook geen algemene regel met de verplichting om te voldoen aan deze PGS-richtlijn. De maatregelen van deze PGS-richtlijn worden opgenomen in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijst deze PGS-richtlijn aan als informatiedocument. Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit rekening houden met de PGS als informatiedocument.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te krijgen voor het toepassen van een gelijkwaardige maatregel. Er mag niet met de activiteit worden gestart voordat er toestemming is met een besluit van het bevoegd gezag.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet omgevingsveiligheid of brandpreventie ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving arbeidsveiligheid of de Wet veiligheidsregio's rampenbestrijding de wettelijke grondslag is voor de maatregel. 5.2.3 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal
Omgevingsveiligheidomgevingsveiligheid

Om aan de omgevingswet te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

Alle maatregelen zijn van toepassing met uitzondering van M165

5.2.3Externe veiligheidsafstanden

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van vloeibare brandstoffen in bovengrondse opslagtanks als de opslagtank een inhoud heeft van meer dan 150 m3 zijn geen veiligheidsafstanden opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.2.4Omgevingsplan

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk (brandpreventie).

5.3Arbeidsveiligheid

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit , een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling . Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

De PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de maatregelen die opgenomen zijn in de beleidsregel bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit hoofdstuk 8. De Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen indien er geen of onvoldoende maatregelen genomen zijn door de werkgever om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet .

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

Alle maatregelen zijn van toepassing met uitzondering van M17.

5.4Brand- en rampenbestrijding

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl.

Wet veiligheidsregio's

Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

MM3 t/m M5, M7 t/m M16, M21, M22 M66, M69, gehele Paragraaf 7.7, M187.

6Doelen

6.1Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor de veilige bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

Bij elk doel is aangegeven:

  • de van toepassing zijnde scenario’s uit Hoofdstuk 4 waarbij het doel hoort;
  • vetgedrukt de primaire maatregelen als onderscheid ten opzichte van de secundaire maatregelen. Hierbij zijn primaire maatregelen zogenoemde sturende voorschriften (bijvoorbeeld: Aanwezig zijn van een onafhankelijke overvulbeveiliging) en zijn secundaire maatregelen ondersteunend hieraan (bijvoorbeeld: Testen van deze overvulbeveiliging);
  • of de maatregel van toepassing is op een specifieke typical (bijvoorbeeld typical vastdaktank) of generiek van toepassing is voor alle typicals (bijvoorbeeld alle tank-typicals).

6.2Doelen

7MaatregelenNormatief

7.1Inleiding bij de maatregelenNormatief

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met het label omgevingsveiligheid, brandpreventie, arbeidsveiligheid, rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid:

Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet.

Brandpreventie:

Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer).

Arbeidsveiligheid:

Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet.

Rampenbestrijding:

Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's.

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

7.2DrukapparatuurNormatief

Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED) Een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank is drukapparatuur. Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een inwendige druk die hoger is dan de omgevingsdruk. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED) en luidt als volgt:

‘drukapparatuur’ of ‘drukapparaten’: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, inclusief, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, steunconstructies, hijsogen.’

Drukapparatuur wordt onderverdeeld in:

  • drukvaten,
  • installatieleidingen,
  • veiligheidsappendages en
  • onder druk staande appendages.

Een enkelvoudig drukapparaat staat nooit op zichzelf, het wordt altijd geïntegreerd in een functioneel geheel. Dit wordt een samenstel genoemd. Een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank bestaat uit verschillende componenten en is daarom ook een samenstel. De wet- en regelgeving voor het ontwerp van drukapparatuur geldt ook voor samenstellen.

Ontwerp

Drukapparatuur is een arbeidsmiddel met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken, maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden en in bedrijf stellen, het gebruiken en nadien wijzigen van drukapparatuur. Dit is in Nederland vastgelegd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen.

Bij de bouw van een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:

  • Wordt een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van een derde partij (een leverancier, een installateur, enz.) die een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
  • Wordt een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker, dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten, maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.

De ontwerpeisen voor een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank liggen vast in de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED). Deze richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of het samenstel moet hij vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse. De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:

  • Gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, geëlimineerd of verkleind in het ontwerp.
  • Er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd.
  • De gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en vermeld wordt of het nodig is dat er passende gevaarverminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik ervan. Deze maatregelen worden opgenomen in de gebruikershandleiding.

De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeenkomen met de scenario’s die zijn beschreven in Hoofdstuk 4 van deze PGS.

De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat (drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank), zijn vastgelegd in bijlage I van de Richtlijn Drukapparatuur. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen en dat betekent onder andere dat:

  • een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank voldoende sterk is om de belastingen die kunnen worden verwacht (kracht, brand, hogedruk, enz.) te weerstaan;
  • maatregelen zijn genomen om een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank veilig te bedienen;
  • een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank zodanig is ontworpen dat deze veilig kan worden geïnspecteerd;
  • een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank veilig kan worden gevuld en geleegd;
  • passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) zijn aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, moet deze afblazen op een zodanige plaats dat daarbij geen gevaar voor personen kan optreden.

Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Dit is echter niet verplicht. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, zal hij moeten aantonen dat een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank wel voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de praktijk blijkt het overgrote deel van een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank volgens de geharmoniseerde normen te worden gebouwd.

Door middel van het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat hij voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.

Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), moet déze CE-markering aanbrengen op een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank. Op een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank (het samenstel) hoeft slechts één CE-markering te worden aangebracht, dus niet één op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE- markering in het samenstel zijn opgenomen, wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) en specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen, enz.), op de kenplaat worden aangebracht.

Nadat de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen, stelt de fabrikant een verklaring van overeenstemming op. Dit is een verklaring dat een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank voldoet aan de essentiële eisen van de van toepassing zijnde productrichtlijnen. Verder stelt hij een technisch dossier samen. Dit dossier omvat ten minste:

  • een algemene beschrijving van een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank;
  • ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
  • beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen;
  • een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
  • berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles;
  • testverslagen.

De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het is raadzaam om met de aanschaf van een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.

Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank. Hierin staan de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven hoe de installatie veilig kan worden bedreven.

Gebruik

De wet (het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur, maar ook aan de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker van een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank om hieraan te voldoen. De gebruiker moet een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank laten keuren voordat deze in gebruik wordt genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.

De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden. Dit is geregeld in de Warenwetregeling drukapparatuur 2016. Verplichtingen die zijn opgenomen in een besluit, worden vaak uitgewerkt in een regeling. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur ‘aangewezen’ die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Ook een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.

Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een deskundige.

Bij een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank zijn de vaten ‘aangewezen’ drukapparatuur als de druk P · volume V boven een bepaalde waarde is. Een leiding is ‘aangewezen’ boven een bepaalde druk en/of diameter. Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank ‘aangewezen’ drukapparatuur is:

  • aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
  • door de fabrikant te benaderen; wellicht staat het in de handleiding van de installatie;
  • door een NL-CBI te benaderen.

De ‘aangewezen’ drukapparatuur in een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de Keuring voor Ingebruikneming is vast te stellen of een

drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank voldoet aan de Europese richtlijnen en veilig kan worden gebruikt. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI; deze geeft een verklaring van ingebruikneming af.

Het doel van de periodieke herkeuring is vast te stellen of de installatie nog veilig kan worden gebruikt. ‘Aangewezen’ drukapparatuur wordt elke vier jaar gekeurd door een NL-CBI. Hiervoor wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. De keuring van niet- aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een deskundige en ook deze stelt hiervan een rapportage op. Dit is verplicht op basis van het Arbobesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaatsvindt met de NL-CBI en de deskundige over hoe een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank in zijn geheel weer veilig kan worden gebruikt.

Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank is de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Daarbij is veelal toezicht vereist door een NL-CBI. Voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, wordt aangeraden om contact te zoeken met een NL-CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de gegevens op de kenplaat niet meer kloppen. In dat geval moet een EU-CBI hierbij worden betrokken. Regulier onderhoud aan een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de handleiding van de fabrikant.

Zolang een drukhoudend verwarmingselement in een opslagtank in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker de volgende documenten:

  • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens de ‘oude’ PED 97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens de ‘nieuwe’ PED 2014/68/EU);
  • de gebruiksaanwijzing;
  • de verklaring van ingebruikneming;
  • de verklaring van herkeuring;
  • het aantekenblad;
  • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.

Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

De Inspectie-SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbowet (en het Arbobesluit) en de Warenwet (en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016). De verplichtingen uit deze wetten worden niet als maatregel opgenomen in deze PGS. In deze informatieve tekst worden de verplichtingen van de gebruiker samengevat. De verplichtingen in de Arbowet en de Warenwet en de onderliggende besluiten kunnen evenmin worden opgenomen in een omgevingsvergunning.

7.3Explosieve atmosferenNormatief

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten. Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 3rd edition – May 20202;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex.

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones volgens tabel 2.

Tabel 2Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3-apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij installaties voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks

Als gevolg van het vrijkomen van brandbare vloeistoffen kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Interne afstanden/minimumafstanden

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.4BasisveiligheidNormatief

7.5TerreininrichtingNormatief

7.5.1Algemene EisenNormatief

7.5.2Onderlinge afstanden bij nieuwbouwNormatief

7.5.3TankputtenNormatief

Een tankput bestaat uit diverse onderdelen, waarvan voorbeelden zijn opgenomen in Afbeelding 6.

Afbeelding 6Dwarsdoorsnede van een tankput (voorbeeld)

7.6Ontwerp en inspectie van tanks, leidingen en tankuitrustingNormatief

7.6.1InleidingNormatief

In Paragraaf 7.6 worden de eisen beschreven die gedurende de gehele levensfase aan de (re)constructie en installatie van tanks en toebehoren worden gesteld. Deze paragraaf bevat tevens de eisen met betrekking tot periodieke keuring en controle, onderhoud en de benodigde registratiedocumentatie hiervan.

7.6.2Tankontwerp en reconstructieNormatief

Algemene constructie-eisen en berekeningsgrondslagen

Nieuw te bouwen tanks moeten voldoen aan het Bbl, dat verwijst naar de Eurocodes. Voor stalen tanks is onder andere NEN-EN 1993-4-2 van toepassing.

Opmerking 1:

NEN-EN 1993-4-2 wordt gebruikt in combinatie met NEN-EN 1990, NEN-EN 1991-4 en andere delen van NEN-EN 1991-reeks, in combinatie met NEN-EN 1993-1-6. Dit is terug te lezen op pagina 6 van NEN-EN 1993-4-2:2007 onder het kopje “Additional information specific to EN 1993-4-2”.

In NEN-EN 1993-4-2 wordt de aanname gedaan dat fabricage en bouw minimaal in overeenstemming gebeuren met NEN-EN 14015 en NEN-EN 1090. Voor afwijkingen is goedkeuring vereist van een onafhankelijk deskundige instantie.

Opmerking 2:

Deze aanname staat in 1.3 ‘Assumptions’ van NEN-EN 1993-4-2:2007: “In addition to the general assumptions of EN 1990 the following assumption applies: Fabrication and erection complies with EN 1090, EN 14015 and 14620 as appropriate.”

7.6.3TankuitrustingNormatief

Overvulbeveiliging

7.6.4Beveiliging tegen elektrostatische oplading en blikseminslag in elektrische installatiesNormatief

7.6.5Productleidingen en productafsluitersNormatief

7.6.6TankinspectieNormatief

In deze paragraaf wordt beschreven aan welke eisen een tankinspectie moet voldoen. Het betreft zowel een tankinspectie van nieuwbouw als een tankinspectie voor de gebruiksfase. Uitgangspunt is onafhankelijk toezicht (door een ODI, zie Bijlage A). De overheid is van mening dat de kwaliteit van dit onafhankelijk toezicht moet worden geborgd door accreditatie/certificatie. Hiervoor zal de wet moeten worden aangepast. In Bijlage F zijn inspectie- en onderhoudsprogramma’s op basis van TBI en RBI ter informatie verder uitgewerkt.

7.7Incidentbeheersing en -bestrijdingNormatief

7.7.1AlgemeenNormatief

Het benodigde niveau van brandveiligheid is afhankelijk van:

  • de risico's van de tankopslaginstallatie;
  • de kwetsbaarheid van haar omgeving;
  • de (operationele) mogelijkheden van de veiligheidsregio/bedrijfsbrandweer.

Indien nodig kan het bestuur van de desbetreffende veiligheidsregio aanvullende maatregelen adviseren die verdergaan dan deze richtlijn.

Toelichting:

Alleen voor risico’s in en om een tankopslaginstallatie die schade kunnen veroorzaken aan personen en gebouwen buiten de desbetreffende tankopslaginstallatie, kan het bestuur van de veiligheidsregio aan het bevoegd gezag adviseren om nadere maatregelen op te leggen. Hierbij behoort de basisbrandweerzorg in acht te worden genomen, al dan niet aangevuld met de bestrijdingsmogelijkheden van de bedrijfsbrandweer.

Beleidsuitgangspunten voor de aanpak van plasbrand in de tankputscenario’s

De overheidspartijen beschouwen plasbranden in een tankput voor opslagtanks waarin brandbare vloeistoffen zijn opgeslagen, als reële en geloofwaardige scenario’s. Zowel bedrijven als overheden moeten hier rekening mee houden.

Er is een Beleidskader bestrijding plasbrand in tankputten PGS 29 (zie Bijlage I) opgesteld, waarmee invulling kan worden gegeven aan het vaststellen van het benodigde voorzieningenniveau in relatie tot de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet veiligheidsregio’s.

Het beleidskader is richtinggevend voor maatwerkpakketten per bedrijf en vormt een integraal onderdeel van PGS 29. Het beleidskader is uitsluitend bedoeld voor tankopslaginstallaties die activiteiten benoemd in PGS 29 uitvoeren en gaat uitsluitend uit van plasbrandscenario’s in tankputten met tanks met een vast dak voor de opslag van klasse 1- en/of klasse 2-producten, in overeenstemming met M103 (Hoeveelheid water – Maximaal brandend oppervlak).

In het beleidskader is bepaald dat van de vijf scenario’s beschreven in de Handleiding Risicoberekeningen Bevi, scenario B (het vrijkomen van de inhoud van een tank in 10 min) het meest relevante en maatgevende scenario is. Scenario A (instantaan vrijkomen van de gehele inhoud van een tank) is een hypothetisch scenario dat relevant is voor externe veiligheidsmodellen (QRA’s). Voor de inzet van repressieve maatregelen kan dit scenario buiten beschouwing worden gelaten, aangezien noch bedrijfsleven noch overheid zich op de gevolgen hiervan kan voorbereiden. Scenario’s C t/m E bieden de mogelijkheid tot de inzet van beheersmaatregelen, zijn daarom gunstiger scenario’s dan scenario B en zijn voor het beleidskader daarom niet maatgevend. De beheers- en bestrijdingsmaatregelen voor de scenario’s C t/m E moeten wel worden opgenomen in de omgevingsvergunning en worden beoordeeld in het kader van artikel 31 Wet veiligheidsregio’s en hoofdstuk 7 van het Besluit veiligheidsregio’s (bedrijfsbrandweer).

In het beleidskader wordt uitgegaan van het aanwezig zijn van doeltreffende blusvoorzieningen, waarbij (semi-)stationaire en mobiele blusvoorzieningen in beginsel als gelijkwaardig worden beschouwd.

De volgende maatregelen hebben of kunnen een relatie hebben met plasbranden in een tankput: M4; M8; M10; M12; M13; M14; M15; M120; M122; M101; M102; M103; M104; M105; M119; M121; M123; M124; M125; M127; M128; M131; M140; M141; M142; M145; M146; M148; M150 en M153.

In samenhang met enkele van deze maatregelen bieden M156 (Samenwerking – Hoeveelheid schuimvormend middel) en M157 (Samenwerking – Schuimvormend middel logistiek plan) de mogelijkheid tot een samenwerkingsverband.

7.7.2BrandbestrijdingsvoorzieningenNormatief

Gelijkwaardigheid brandbeveiligingssystemen

In Paragraaf 7.7 worden voor het ontwerp en de aanleg van brandbeveiligingssytemen voor tanks, tankputten, laad- en losplaatsen en pompputten normatieve referentiekaders gehanteerd in onder andere NFPA-codes (wat gedaan moet worden) en standaarden (hoe het gedaan moet worden), zoals bijvoorbeeld NFPA 30 (code) en NFPA 11 (standaard).

Er kunnen in de praktijk afwijkende situaties optreden waarbij het toepassen van maatwerk voor het ontwerp en de aanleg van brandbeveiligingssystemen noodzakelijk zijn om het gewenste niveau van beveiliging te kunnen borgen. Een proces dat voor het aantonen van de gelijkwaardigheid kan worden gehanteerd, is beschreven in de publicatie SFPE Engineering Guide To Performance-Based Fire Protection. Bijlage G beschrijft het proces van Performance-Based Fire Protection in het kort.

Voor het aantonen van gelijkwaardigheid kan ook worden gebruikgemaakt van een door het bevoegd gezag in afstemming met de desbetreffende veiligheidsregio vooraf geaccordeerde methode.