PGS8Organische peroxiden: Opslag
PGS8:2021 versie 1.0 (Augustus 2021)
8

Organische peroxiden: Opslag

Richtlijn voor het veilig opslaan van organische peroxiden.

Versie

Deze PGS 8:2021 versie 1.0 (Augustus 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 8:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS- richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS nieuwe stijl – Risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario ́s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • de maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS- richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid)of
  • Brandbestrijding Omgevingsveiligheid ( brandpreventie)
  • Arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.

Arbeidsveiligheid

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.

Brand- en Rampenbestrijding

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In Bijlage W staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op 24 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020

De voorzitter van de Programmaraad,

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2 met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 Beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over organische peroxiden.
  • Hoofdstuk 3 Beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en de maatregelen.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Bij elke maatregel is aangegeven wat de wettelijke basis is voor de maatregel. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn gaat in op:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage C: Eisen aan opslagvoorzieningen;
  • Bijlage D: Interne veiligheidsafstanden;
  • Bijlage H.3: Inhoud noodplan organische peroxiden;
  • Bijlage H.4: Inhoud Actieplan opwarming organische peroxiden;
  • Bijlage P: Overzicht van organische peroxiden;
  • Bijlage T: Voor de verschillende opslagsituaties staat aangegeven welke maatregelen van toepassing zijn;
  • Bijlage V: Implementatietermijnen in bestaande situaties.

Om meteen met deze PGS aan de slag te gaan, kan worden gebruikgemaakt van de indeling van Bijlage T, samengevat weergegeven in afbeelding 1.

Afbeelding 1Indeling van Bijlage T: Meteen aan de slag aan de hand van de hoeveelheid opgeslagen organische peroxiden of het type opslagvoorziening (NB: Dit figuur wordt nog aangepast: Waar in de afbeelding U staat wordt T bedoeld.)

Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van het opslaan van organische peroxiden te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn

Deze PGS gaat over het opslaan van organische peroxiden. Hieronder vallen:

  • het opslaan van organische peroxiden in verpakkingen, doseervaten en opslagtanks;
  • het opslaan van organische peroxiden in opslagvoorzieningen en werkvoorraadruimten;
  • het uitvoeren van handelingen met organische peroxiden die in verband staan met het opslaan, zoals aanvoer, intern transport van verpakkingen en aftappen van organische peroxiden voor monstername of gebruik.

Onder organische peroxiden vallen ook samenstellingen, zoals mengsels, oplossingen, verdunningen, emulsies, vulmiddelen, suspensies en pasta’s met organische peroxiden.

Buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen:

  • de productie van organische peroxiden;
  • het gebruik van organische peroxiden in een productieproces;
  • organische peroxiden op de werkvloer als werkvoorraad, of in een procesinstallatie of reactor;
  • het opslaan van organische peroxiden in kleinverpakking (LQ), wanneer PGS 15 daarop van toepassing is (zie Bijlage F.8);
  • het opslaan van organische peroxiden van type A en type G.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in Hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage F bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS- richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Overgangstermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage U geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage V staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving organische peroxiden

2.1Over organische peroxiden

2.1.1Inleiding

Organische peroxiden zijn gevaarlijke stoffen. Bij het opslaan en het gebruik van organische peroxiden moet daarom rekening worden gehouden met de gevaaraspecten van deze stoffen. Het belangrijkste gevaar van organische peroxiden is ontleding, met mogelijk brand of explosie als gevolg. Ontleding kan plaatsvinden door verontreiniging of opwarming. Daarnaast zijn alle organische peroxiden brandbaar en sommige giftig, corrosief of milieugevaarlijk.

2.1.2Wat zijn organische peroxiden?

Organische peroxiden zijn organische stoffen met een (of meerdere) instabiele 'peroxide'-binding(en) in de moleculaire structuur.

De peroxide-binding bestaat uit twee zuurstofatomen naast elkaar [ -O-O- ]. Bij het breken van deze binding ontstaan radicalen die erg reactief zijn. Organische peroxiden worden toegepast als initiatoren voor verschillende chemische reacties. Een voorbeeld van zo'n reactie is de vulcanisatie van rubber of de productie van polyester.

Organische peroxiden zijn zeer reactief en thermisch instabiel. Dit betekent dat opwarming kan leiden tot ontleding van de organische peroxiden. Bij deze ontleding komt warmte vrij. Deze warmte kan verdere ontleding van het organisch peroxide versnellen.

Organische peroxiden kunnen verder ook:

  • explosief ontleden;
  • snel verbranden;
  • gevoelig zijn voor schokken of wrijving;
  • heftige reacties met andere stoffen aangaan;
  • giftig of corrosief zijn.

2.1.3Organische peroxiden en temperatuur

Alle organische peroxiden zijn thermisch instabiel en kunnen boven een bepaalde temperatuur langzaam of snel gaan ontleden. Sommige organische peroxiden ontleden bij omgevingstemperatuur. Voor deze producten geldt dat transport en opslag gekoeld moeten plaatsvinden.

Voor elk organisch peroxide zijn de volgende temperaturen belangrijk:

  • de temperatuur van zichzelf versnellende ontleding (SADT, Self Accelerating Decomposition Temperature). De SADT is de laagste omgevingstemperatuur waarbij de ontleding van een stof in verpakking zichzelf kan gaan versnellen;
  • de kritieke temperatuur (Te, Emergency Temperature). Boven deze temperatuur ontstaat er een noodsituatie en bestaat er een reëel gevaar dat ontleding plaatsvindt en uit de hand kan lopen;
  • de controletemperatuur (Tc, Control Temperature). Dit is de hoogste temperatuur waarbij opslag en transport veilig kunnen plaatsvinden.

De Tc en Te zijn afgeleid van de SADT. De SADT en, waar van toepassing, de Tc en de Te staan vermeld in het Veiligheidsinformatieblad (VIB of MSDS).

De temperatuur waarbij organische peroxiden moeten worden opgeslagen, is gelijk aan of lager dan de controletemperatuur. De voorgeschreven maximale opslagtemperatuur is gelijk aan de controletemperatuur (Tc) of 45 °C wanneer geen controletemperatuur vermeld is in Bijlage P. Voor sommige organische peroxiden geldt ook een minimale opslagtemperatuur om bijvoorbeeld stollen te voorkomen (zie het veiligheidsinformatieblad).

In Tabel 1 staat het verband tussen het type opslagmedium, SADT, controletemperatuur, kritieke temperatuur en maximale opslagtemperatuur.

Tabel 1Opslagmiddel, SADT, Tc, Te en opslagtemperatuur voor UN-nummers 3111 t/m 3120 ¹ (zie Bijlage P)

OpslagmiddelSADT aControletemperatuur TcKritieke temperatuur TeMaximale opslagtemperatuur
Enkelvoudige verpakking en IBC’s≤ 20 °C20 °C lager dan SADT10 °C lager dan SADTControletemperatuur
>20 °C en ≤ 35 °C15 °C lager dan SADT10 °C lager dan SADTControletemperatuur
>35 °C10 °C lager dan SADT5 °C lager dan SADTControletemperatuur
Opslagtanks≤ 45 °C10 °C lager dan SADT5 °C lager dan SADTControletemperatuur
a Voor de stof verpakt voor vervoer.

1 Voor UN-nummers 3101 t/m 3110 is de maximale opslagtemperatuur altijd 45 °C.

Van alle organische peroxiden moet op grond van het ADR en CLP de SADT worden vastgesteld. Met de SADT en het type verpakking of opslagmiddel kan worden afgeleid of temperatuurbeheersing bij transport of opslag nodig is. De UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of tests and Criteriageeft in hoofdstuk 28 aanwijzingen voor het bepalen van de SADT.

Bijlage P bevat een lijst met bekende organische peroxiden en samenstellingen daarvan zoals opgenomen in het ADR. Deze lijst bevat ook de waarden voor de Tc en Te.

2.1.4Ontleding en/of explosie van organische peroxiden

Ontleding

Bij temperaturen onder de SADT kunnen organische peroxiden langzaam ontleden in de verpakking. Beheersing van de temperatuur beperkt deze ontleding.

Door gasvormige ontledingsproducten kan drukopbouw in een verpakking ontstaan. Om te voorkomen dat dit gebeurt, worden diverse organische peroxiden verpakt in verpakkingen voorzien van een afsluitdop met ontluchting. Deze voorkomen dat verpakkingen kunnen opbollen of scheuren/barsten door de drukopbouw.

Wegloopreactie

Snelle ontleding van organische peroxiden (bij temperaturen boven de SADT) kan leiden tot wegloopreacties (‘run-away’-reacties). Hierbij loopt de ontleding uit de hand. De snelheid waarmee dit gebeurt, is afhankelijk van het soort organisch peroxide.

Het effect van de wegloopreactie is afhankelijk van de snelheid waarmee de temperatuur en de druk stijgen. Deze snelheden hangen af van het ontledingsgedrag en de concentratie. In geconcentreerde vorm kan bij veel organische peroxiden een heftige wegloopreactie optreden. Het effect van een wegloopreactie kan worden verminderd door het organisch peroxide te verdunnen of te mengen met bijvoorbeeld water, minerale olie of calciumcarbonaat.

Er kan geen wegloopreactie optreden zo lang alle ontwikkelde warmte uit het organisch peroxide wordt verwijderd. Dat kan door natuurlijke of geforceerde koeling.

Om een wegloopreactie te voorkomen moet de warmtebalans worden beheerst. De warmtebalans is het nettoresultaat van warmteontwikkeling en warmteafvoer. Deze warmtebalans hangt af van:

  • ontledingssnelheid van het organisch peroxide;
  • opgeslagen hoeveelheid;
  • opslagtemperatuur;
  • aard van de verpakking.

De ontledingssnelheid en de warmteproductie nemen sterk toe als het organische peroxide:

  • is of wordt verontreinigd door stoffen die kunnen reageren met het organische peroxide, zoals zware metalen, zuren, basen of versnellers,
  • wordt gebruikt of opgeslagen bij te hoge temperatuur, of
  • wordt blootgesteld aan open vuur of andere hittebronnen.

Een grotere verpakkingseenheid leidt tot een vermindering van warmteafvoer en een hogere opslagtemperatuur leidt tot toename van warmteontwikkeling.

Naast het soort organisch peroxide bepaalt ook de mate van opsluiting het effect van een wegloopreactie. In een plastic verpakking zal de vrijkomende warmte bij ontleding van het organisch peroxide de wand van de verpakking verzwakken. Daardoor zal de verpakking bij relatief lage druk scheuren.

Bij een metalen opslagvat loopt de druk veel verder op en zal bij onvoldoende afblaasmogelijkheid een hoge druk worden bereikt. Door drukopbouw zal het metalen vat heftig exploderen.

In beide gevallen komen hete brandbare dampen vrij die spontaan kunnen ontbranden. Ook kan de vrijgekomen dampwolk een gas- of dampexplosie teweegbrengen door spontane ontbranding of door contact met een externe ontstekingsbron.

Deflagratie en detonatie

Deflagratie en detonatie zijn vormen van explosieve ontleding van een stof. Het verschil is dat bij detonatie het reactiefront zich sneller voortplant dan de snelheid van het geluid. Dit resulteert in een schokgolf.

Deflagratie en detonatie kunnen al bij een betrekkelijk lage temperatuur optreden. Zij worden ingeleid door een warmtebron of door verontreiniging van het organische peroxide. Voorbeelden van warmtebronnen zijn warme oppervlakken, vonken en wrijving. Een gering aantal organische peroxiden is enigszins gevoelig voor ontsteking door schok. Gevoeligheid voor wrijving komt minder vaak voor.

2.1.5Brandbaarheid organische peroxiden

De brandbaarheid van organische peroxiden loopt uiteen; sommige ontbranden vrij gemakkelijk, terwijl andere zeer moeilijk ontbranden. De brandbaarheid van een organisch peroxide is vaak moeilijk vast te stellen. Dat komt bijvoorbeeld omdat voor het vaststellen van de brandbaarheid het vlampunt bepalend is. Maar het vlampunt is in veel gevallen beduidend hoger dan de temperatuur waarbij een organische peroxide ontleedt (SADT). Bij die ontleding komen vaak brandbare ontledingsproducten vrij. De brandbaarheid van het originele organische peroxide is dan niet meer vast te stellen, En is gelijk ook minder relevant: het brandgevaar is afkomstig van de ontledingsproducten. Deze kunnen samen met lucht een dampexplosieve atmosfeer vormen.

Een brand met vloeibare organische peroxiden breidt zich snel uit, omdat organische peroxide uit de bezwijkende verpakking lekt en zich verspreidt. De intensiteit van een brand is vrij hoog in vergelijking met andere brandbare vloeistoffen. Een brand met vaste organische peroxiden verspreidt zich minder snel, maar kan ook zeker hevig zijn.

Enkele organische peroxiden zijn vluchtig of hebben een laag vlampunt. Een voorbeeld is di-tert-butylperoxide (vlampunt 6 °C). Bij deze organische peroxiden kunnen dampen vrijkomen die met lucht een explosieve atmosfeer kunnen vormen.

2.1.6Gezondheidseffecten van organische peroxiden

Giftigheid

Organische peroxiden kunnen giftig zijn. De mate van giftigheid is meestal beperkt en hangt af van het soort organische peroxide. Sommige organische peroxiden zijn CMR- stoffen. CMR-stoffen zijn volgens Europese normen geclassificeerd als Carcinogeen (kankerverwekkend), Mutageen (induceert veranderingen in erfelijke eigenschappen) en/of Reproductietoxisch (schadelijk voor de voortplanting of het nageslacht). Dit betekent dat (langdurige) blootstelling aan deze specifieke organische peroxiden kan leiden tot gezondheidsschade. In de Arbowetgeving zijn specifieke eisen opgenomen voor het werken met kankerverwekkende en mutagene stoffen.

Giftigheid ontledingsproducten

Bijna alle organische peroxiden zijn samengesteld uit alifatische of aromatische koolwaterstofketens. In principe zijn alle ontledingsproducten in de vorm van koolwaterstoffen giftig.

De ontledingsproducten van organische peroxiden bestaan uit verzadigde, deels geoxideerde koolwaterstoffen (CnHm), of al dan niet deels geoxideerde koolstof (COx). De giftigheid van de ontledingsproducten van organische peroxiden is te vergelijken met de giftigheid van koolwaterstoffen met kleine ketenlengten.

Bijtend of irriterend

Organische peroxiden kunnen irriterend of bijtend zijn. Sommige tasten de huid en slijmvliezen aan en kunnen bij rechtstreeks contact de ogen ernstig beschadigen. Het inhaleren van de dampen van bepaalde organische peroxiden kan irritatie van de ademhalingswegen en de longen veroorzaken. Het inslikken van organische peroxiden kan aanleiding geven tot verbrandingen in mond, keel, slokdarm en maag.

Gevarenaanduidingen, H- en P-zinnen

De CLP-wetgeving schrijft voor dat organische peroxiden moeten zijn geclassificeerd en gelabeld. Een verpakking moet zijn voorzien van gevarenpictogrammen en signaalwoorden. Daarnaast moeten de H-zinnen (gevarenaanduiding, Hazard) en P-zinnen (voorzorgsmaatregelen, Precaution) op het etiket staan. Een overzicht van gevarenaanduidingen voor organische peroxiden staat in Bijlage N.

2.1.7Milieugevaarlijkheid organische peroxiden

De milieugevaarlijkheid van organische peroxiden is afhankelijk van de chemische stabiliteit van het organisch peroxide. Daarnaast kan ook het oplosmiddel dat gebruikt wordt voor verdunnen van organische peroxiden, milieugevaarlijk zijn. Omdat veel organische peroxiden in oplossing aanwezig zijn, is de mate van milieugevaarlijkheid te vergelijken met die van het gebruikte oplosmiddel. De mate van milieugevaarlijkheid van ontledingsproducten is vergelijkbaar met die van koolwaterstoffen met kleine ketenlengten.

Uitgangspunt bij het opslaan van organische peroxiden is dat het vrijkomen en verspreiden van organische peroxiden in het milieu moet worden voorkomen.

2.2Indeling organische peroxiden

2.2.1Algemeen

Het brandgevaar en de heftigheid van de ontleding die verschillende organische peroxiden kunnen opleveren, loopt erg uiteen. Bij vervoer, opslag en gebruik van organische peroxiden moet rekening worden gehouden met deze verschillen. Daarom zijn organische peroxiden in typen ingedeeld volgens de CLP-regelgeving. Deze indeling is alleen gebaseerd op heftigheid van ontleding.

Het type organische peroxide, in combinatie met de brandsnelheid, bepaalt de opslagclassificatie en de daaraan gekoppelde eisen aan de opslag. Een organisch peroxide heeft dus een typeaanduiding en een opslagclassificatie. Bij de CLP-indeling in type organische peroxiden gaat het om het effect van de ontleding. Bij de opslagclassificatiegroepen gaat het om de warmtestraling van een brand. Deze PGS gaat voor het opslaan van organische peroxiden uit van de indeling in opslaggroepen.

2.2.2Type-indeling volgens CLP-regelgeving

De type-indeling van organische peroxiden ligt vast in de CLP-verordening. Deze PGS gebruikt dezelfde type-indeling. De CLP-verordening maakt onderscheid in zeven typen organische peroxiden, type A t/m type G. In Tabel 2 staat een overzicht met de kenmerken per type.

Tabel 2Uitgangspunten voor type-indeling organische peroxiden op grond van de CLP-verordening

TypeKenmerken
AOrganische peroxiden die in de verpakking kunnen detoneren of snel explosief kunnen verbranden
BOrganische peroxiden met explosieve eigenschappen die in de verpakking niet kunnen detoneren of snel explosief kunnen verbranden, maar wel onder invloed van warmte in de verpakking kunnen ontploffen
COrganische peroxiden met explosieve eigenschappen die in de verpakking niet kunnen detoneren, snel explosief kunnen verbranden of onder invloed van warmte kunnen ontploffen
DOrganische peroxiden die bij laboratoriumproeven:
  • gedeeltelijk detoneren, niet snel explosief verbranden en bij verwarming onder opsluiting geen heftige reactie vertonen, of
  • in het geheel niet detoneren, langzaam explosief verbranden en bij verwarming onder opsluiting geen heftige reactie vertonen, of
  • in het geheel niet detoneren of explosief verbranden en bij verwarming onder opsluiting een matige reactie vertonen.
EOrganische peroxiden die bij laboratoriumproeven in het geheel niet detoneren of explosief verbranden en bij verwarming onder opsluiting een geringe of geen reactie vertonen
FOrganische peroxiden die bij laboratoriumproeven niet onder invloed van cavitatie detoneren, in het geheel niet explosief verbranden, een geringe of geen reactie vertonen bij verwarming onder opsluiting en een gering of geen explosief vermogen bezitten
G

Organische peroxiden die bij laboratoriumproeven niet onder invloed van cavitatie detoneren, in het geheel niet explosief verbranden, geen reactie vertonen bij verwarming onder opsluiting en geen explosief vermogen bezitten

Daarnaast geldt voor type G-organische peroxiden dat:

  • ze thermisch stabiel moeten zijn (SADT van 60 °C of hoger voor een verpakking van 50 kg)a en,
  • voor vloeibare mengsels, een verdunningsmiddel met een kookpunt van ten minste 150 °C voor desensibilisatie wordt gebruikt.

Is dit niet het geval? Dan is het een type F-organisch peroxide.

a De testmethode voor bepaling van de SADT staat beschreven in de UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria, onderdelen 28.1, 28.2, 28.3 en tabel 28.3.
Type A-organische peroxiden

Type A-organische peroxiden kunnen onder normale omstandigheden detoneren. Daarom mogen type A-organische peroxiden niet worden vervoerd. Deze PGS gaat uit van het opslaan van organische peroxiden in de transportverpakking. Daarom zijn de regels uit deze PGS niet van toepassing op het opslaan van type A-organische peroxiden. Het bevoegd gezag moet per geval bekijken of deze stoffen mogen worden opgeslagen. En zo ja, wat dan nodig is om dit veilig te doen. Opslaan van type A- organische peroxiden komt in de praktijk alleen voor op laboratoriumschaal. Enige uitzondering bestaat voor onderzoek en ontwikkeling en dan alleen in kleine hoeveelheden.

Type G-organische peroxiden

Type G-organische peroxiden zijn niet ingedeeld in ADR-klasse 5.2. Daarom is deze PGS niet van toepassing op deze stoffen. De type G-organische peroxiden kunnen afhankelijk van andere eigenschappen, zoals brandbaarheid, wel zijn ingedeeld in een andere ADR-klasse. Het opslaan van type G-organische peroxiden valt dan onder PGS 15 . Maar in alle gevallen mogen type G-organische peroxiden samen worden opgeslagen met andere organische peroxiden waarvoor deze PGS wel van toepassing is.

2.2.3Inhoud verpakkingen volgens transportwetgeving (ADR)

Naast de CLP-verordening zijn er vanuit wetgeving voor transport over de weg (ADR) regels voor verpakking van organische peroxiden. Het gaat onder meer om het soort en het materiaal van verpakkingen. Daarnaast bevat het ADR regels voor de maximuminhoud. Een overzicht hiervan staat in Tabel 3.

Tabel 3Type peroxide en maximuminhoud van verpakkingen op grond van het ADR ¹

Type organische peroxideMaximum inhoud van verpakkingen

VloeistofVaste stof
An.v.t. an.v.t. a
B30 l25 kg
C60 l50 kg
D60 l50 kg
E225 l b400 kg b, c
FIBC's en tanks dIBC d
Gn.v.t. en.v.t. e
¹: Paragraaf 4.1.7 van het ADR (2019).
a: Type A-organische peroxiden mogen niet worden vervoerd. Dit staat in onderdeel 2.2.52.2 van het ADR (2019).
b: 60 l voor jerrycans.
c: 200 kg voor kisten of dozen en 400 kg in samengestelde verpakkingen met buitenverpakkingen.
d: Volgens het ADR (2019) verpakkingsinstructie P520, en IBC520 (voor IBC’s) en T23 (2019) (voor tanks).
e: Type G-organische peroxiden vallen niet onder de bijzondere verpakkingsvoorschriften uit paragraaf 4.1.7 van het ADR (2019).

2.2.4UN-nummers

Alle organische peroxiden hebben een UN-nummer. Het UN-nummer is een getal van vier cijfers dat een gevaarlijke stof identificeert tijdens het transport. De stoffenlijst uit het ADR is ingedeeld naar oplopend UN-nummer.

Organische peroxiden krijgen een UN-nummer op basis van:

  • het type (A t/m G);
  • de fysische toestand (vast of vloeibaar/in oplossing);
  • de noodzaak van temperatuurcontrole.

Een overzicht van UN-nummers staat in Tabel 4.

Deze tabel is ongeschikt om vast te stellen of bij het opslaan van een organisch peroxide koeling noodzakelijk is. Gebruik daarvoor het overzicht van organische peroxiden in Bijlage P of Tabel 2.

Tabel 4UN-nummers van organische peroxiden

Type organische peroxide UN-nummer
Geen temperatuurcontrole Temperatuurcontrole
Vloeistof Vaste stof Vloeistof Vaste stof
A
B 3101 3102 3111 3112
C 3103 3104 3113 3114
D 3105 3106 3115 3116
E 3107 3108 3117 3118
F 3109 3110 3119 3120
G

2.2.5Opslaggroepen organische peroxiden

Inleiding

De gevaren van het opslaan van organische peroxiden hangen samen met het type peroxide en daarnaast de brandsnelheid. De combinatie van type peroxide en brandsnelheid is bepalend voor de manier waarop deze stoffen veilig kunnen worden opgeslagen. Daarom wordt in deze PGS elk organisch peroxide op basis van het type en de brandsnelheid ingedeeld in een opslaggroep.

PGS 8 onderscheidt vijf opslaggroepen. Van opslaggroep 1 voor de organische peroxiden met het grootste gevaar, tot opslaggroep 5 voor de organische peroxiden met het kleinste gevaar. Dit zijn de aanduidingen voor het gevaar per opslaggroep:

Tabel 5Omschrijving gevaar opslaggroepen

OpslaggroepOmschrijving gevaar
1Explosief a of snel brandend
2Zeer gevaarlijk of snel brandend
3Gevaarlijk of brand vergelijkbaar met oplosmiddelen
4Weinig gevaarlijk en niet of langzaam brandend
5Geen gevaar
a Explosief geeft aan dat enkele verpakkingen kunnen exploderen, maar dat er geen explosie van de totale massa optreedt.
Indeling in opslaggroepen

Tabel 6 geeft voor de verschillende brandsnelheden en typen organische peroxiden aan welke opslaggroep van toepassing is. Uitgangspunt bij de indeling is dat de organische peroxiden in de in Nederland wettelijk toegestane transportverpakking zit.

Brandsnelheid

De brandsnelheid bepaalt voor het grootste deel de warmtestraling van een peroxidebrand. Het begrip brandsnelheid wordt gedefinieerd als: de hoeveelheid per minuut verbrande stof in een stapel van 10 000 kg die door brand is omgeven. In Tabel 6 is dit aangegeven als ‘Grote schaal’. De brandsnelheid wordt voor elk organische peroxide met proeven vastgesteld. Deze proeven zijn beschreven in Bijlage E. Uitvoering van de proeven vindt plaats met organische peroxiden in de transportverpakking.

De brandsnelheid kan ook met hoeveelheden kleiner dan de transportverpakking worden bepaald. Dit staat beschreven in Bijlage E. In Tabel 6 is dit aangegeven met ‘Kleine schaal’.

Tabel 6Opslaggroepen op basis van type peroxide en brandsnelheid

Type peroxide Brandsnelheid a
Grote schaalb [kg/min] < 10 > 10 en < 60 > 60 en < 300 > 300
of of of of
Kleine schaal [kg/m2.min] Niet of moeizaam ontsteekbaar < 0,9 > 0,9 en > 9,0 > 9,0
Acn.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
B 1 1 1 1
C 2 2 2 1
D 3 3 2 1
E 4 3 2 1
F 4 3 2 1d
G 5 5 5d 5d

a: Is de brandsnelheid niet bekend? Verderop in dit hoofdstuk, onder ‘Nieuwe peroxiden – Brandsnelheid onbekend’, volgt uitleg over of het opslaan van deze stoffen wel of niet is toegelaten.

b: Van 10 000 kg organische peroxiden, gecorrigeerd voor stralingsrendement.

c : Opslaan van type A-organische peroxiden is niet toegelaten, ze mogen niet worden vervoerd. Dat is de reden dat ze buiten PGS 8 vallen.

d : Theoretische combinatie van type en brandsnelheid (komt in de praktijk niet voor).

Bijlage P bevat een lijst met de meest voorkomende organische peroxiden. Deze lijst is gebaseerd op de lijst uit het ADR. Voor de toepassing van deze PGS is de lijst voor elk organisch peroxide of samenstelling daarvan aangevuld met de opslaggroep. Het type peroxide staat niet in de lijst, maar dit is op te maken uit het UN-nummer. De brandsnelheid staat niet in de lijst. De opslaggroep is op basis van het type organische peroxide en de beschikbare brandsnelheden vastgesteld.

Wijzigingen in de lijst?

Er komen regelmatig nieuwe producten op de markt. Of er worden nieuwe proeven met bestaande producten uitgevoerd. Daarom moet deze lijst van tijd tot tijd worden bijgewerkt. Heeft u een verzoek om de lijst aan te passen of aan te vullen? U kunt daarvoor terecht bij het PGS-projectbureau (PGS@publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl ). Het PGS 8-team zal uw verzoek vervolgens behandelen.

Uitzonderingen op de indeling in opslaggroepen

Type G-organische peroxiden die ingedeeld zijn in een andere gevaarsklasse dan ADR-klasse 5.2 mogen wel samen opgeslagen worden met organische peroxiden uit ADR-klasse 5.2. Dit geldt bijvoorbeeld voor organische peroxiden die zijn ingedeeld als brandbare vaste stoffen uit ADR-klasse 4.1 of als milieugevaarlijk uit ADR- klasse 9. Ook type G-organische peroxiden die niet zijn ingedeeld als gevaarlijke stof, mogen samen met organische peroxiden uit ADR-klasse 5.2 worden opgeslagen.

Alifatische azonitrilverbindingen uit ADR-klasse 4.1 (zelfontledende stoffen) mogen samen met organische peroxiden worden opgeslagen. Deze azonitrilverbindingen worden voor sommige toepassingen samen gebruikt met organische peroxiden. Ze hebben eigenschappen die vergelijkbaar zijn met die van organische peroxiden.

Gaat het om organische peroxiden of samenstellingen daarvan waarvan de opslaggroep nog niet is vastgesteld? Hierna staat voor welke situaties opslag van deze stoffen is toegelaten. En als dat mag welke opslaggroep dan van toepassing is.

Kleine hoeveelheden (< 30 kg)

Over het algemeen gaat het bij opslag < 30 kg over monsters en kleine hoeveelheden organische peroxiden tot enkele liters in een verpakking (bijvoorbeeld vijfliter-cans) en samenstellingen met organische peroxiden. Is het type wel bekend, maar de opslaggroep niet, dan is opslag toegelaten. Maar alleen volgens de regels van opslaggroep 1. Een verpakking mag niet groter zijn dan 5 kg. Dit is om het risico zo klein mogelijk te houden.

Monsters

Monsters van nieuwe peroxiden of nieuwe samenstellingen hebben vaak nog geen type-indeling. Vervoer van monsters buiten het bedrijfsterrein is pas toegelaten als uit tests is gebleken dat ze op grond van het ADR zouden kunnen worden toegelaten. Monsters hebben vaak nog niet de definitieve samenstelling van het nieuwe product. De brandsnelheid is meestal nog niet bepaald. Daarom gelden de regels van opslaggroep 1 voor het opslaan van monsters.

Nieuwe peroxiden – Brandsnelheid onbekend

Het opslaan van nieuwe organische peroxiden waarvan het type bekend is, maar waarvan de brandsnelheid nog niet is bepaald, is niet toegelaten.

Gaat het om hoeveelheden minder dan 30 kilo voor het uitvoeren van testen, dan is opslag wel toegelaten. Maar alleen volgens de regels voor opslaggroep 1.

Verdunning van bekende peroxiden

Gaat het om een verdunning van een bestaand organisch peroxide (of mengsel van peroxiden) waarvan type en opslaggroep bekend zijn? Maar is de brandsnelheid van die nieuwe samenstelling nog niet bepaald? Dan moet opslag plaatsvinden volgens de opslaggroep die geldt voor het bestaande product. Neem in dit geval echter altijd eerst contact op met de leverancier, omdat verdunning kan leiden tot een lagere SADT.

Opslaggroep bekend maar nog niet op de lijst?

Gaat het om een organisch peroxide of samenstelling daarvan waarvan type en brandsnelheid bekend zijn? En is, al dan niet in overleg met uw leverancier een opslaggroep vastgesteld? Maar is die nog niet in de lijst van Bijlage P verwerkt? Neem dan contact op met de leverancier.

De leverancier moet bij het PGS-projectbureau een testrapport indienen waarin de brandsnelheid en de vastgestelde opslaggroep staan vermeld. Als er binnen een termijn van vier weken geen reactie is vanuit het PGS-projectbureau, kan het organische peroxide volgens de vastgestelde opslaggroep worden opgeslagen. Het PGS-projectbureau publiceert elke twee jaar een geactualiseerde lijst met organische peroxiden op de website.

Mengsels

Onder mengsels vallen samenstellingen van of met organische peroxiden die zijn ontstaan of gemaakt bij het bedrijf die de organische peroxiden toepast. Het zijn:

  • mengsels van organische peroxiden onderling,
  • mengsels van organische peroxiden met oplosmiddelen, of
  • andere mengsels, zoals een batch die voor inzet in productie (nog) niet de goede samenstelling heeft.

Bij mengsels van organische peroxiden zijn de effecten van ontleding en brand maximaal gelijk aan die van het organische peroxide met de strengste opslaggroep. Voor opslag van mengsels geldt dan ook de strengste opslaggroep. Maar er zijn ook mengsels waar de SADT van het mengsel lager is dan de SADT van de afzonderlijke componenten. Daarom staat in het ADR dat van mengsels ook de SADT moet worden bepaald. De opslaggroep in combinatie met de SADT bepaalt welke eisen er gelden voor het opslaan van deze mengsels.

Organische peroxiden met laag actief zuurstofgehalte

Er zijn organische peroxiden met een laag actief zuurstofgehalte. De fractie van de -O-O- structuur in de organische stof is dan laag. Dit kan bijvoorbeeld komen door verdunning. Stoffen met een laag actief zuurstofgehalte kunnen vallen onder opslaggroep 5. Maar alleen als de stof of formulering:

  • niet meer dan 1,0 % actief zuurstof bevat afkomstig van de organische peroxiden en niet meer dan 1,0 % waterstofperoxide bevat, of
  • niet meer dan 0,5 % actief zuurstof bevat afkomstig van de organische peroxiden en meer dan 1,0 % maar ten hoogste 7,0 % waterstofperoxide bevat.

Bijlage O beschrijft de berekening van het percentage actief zuurstof van een organisch peroxide.

2.2.6Beslisschema indeling organische peroxiden

Afbeelding 2 geeft een indeling van een organisch peroxide.

Afbeelding 2De indeling van een organisch peroxide

aAO < 1,0 %?

Organische peroxiden met laag actief zuurstofgehalte (AO):

  • niet meer dan 1,0 % actief zuurstof afkomstig van de organische peroxiden en niet meer dan 1,0 % waterstofperoxide
  • niet meer dan 0,5 % actief zuurstof afkomstig van de organische peroxiden en meer dan 1,0 % maar ten hoogste 7,0 % waterstofperoxide bevat.
bNeem contact op met het PGS Projectbureau

Gaat het om een organisch peroxide of samenstelling daarvan waarvan type en brandsnelheid bekend zijn? En is, al dan niet in overleg met uw leverancier, een opslaggroep vastgesteld, maar is die nog niet in de lijst van Bijlage P verwerkt? Neem dan contact op met de leverancier.

De leverancier moet bij het PGS Projectbureau een testrapport indienen waarin de brandsnelheid en de vastgestelde opslaggroep staan vermeld. Als er binnen een termijn van vier weken geen reactie is ontvangen van het PGS Projectbureau, kan het organische peroxide volgens de opslaggroep worden opgeslagen.

cSADT checkenEr zijn mengsels waar de SADT van het mengsel lager is dan de SADT van de afzonderlijke componenten. Daarom staat in het ADR dat van mengsels ook de SADT moet worden bepaald. De opslaggroep in combinatie met de SADT bepaalt welke eisen er gelden voor het opslaan van deze mengsels.

2.3Opslagsituaties

2.3.1Algemeen

Opslag van organische peroxiden vindt plaats in opslagplaatsen, doseervaten en opslagtanks. Daarnaast vindt tijdelijk opslag van werkvoorraden plaats in werkvoorraadruimten. Organische peroxiden op de werkvloer als werkvoorraad, in een procesinstallatie of reactor vallen buiten de werkingssfeer van deze PGS.

De indeling in opslagsituaties is afhankelijk van de opslaggroep van het organische peroxide, de hoeveelheid en de manier van opslaan.

Tabel 7 bevat een overzicht van de verschillende opslagsituaties. Situaties waarbij de mogelijke scenario's en gevolgen vergelijkbaar zijn, zijn gezamenlijk beoordeeld in de risicobenadering.

Tabel 7Toelichting opslagsituaties

Opslagsituatie Opslaggroep / Transport- classificatie Kenmerken
I [< 30 kg] 1, 2, 3 en 4
  • Komt voor in laboratoria of testopstellingen.
  • Opslag van monsters en verpakkingen van enkele liters.
II [< 150 kg] 1
  • Komt weinig voor.
  • Vrijstaande of uitpandige opslagvoorzieningen.
  • Gebruikers zijn vaak polyesterhars- en acrylaat- verwerkers.
  • Meeste gebruikers zullen opslaggroep 1, 2 en 3 bij elkaar opslaan.
2, 3 en 4
  • Brandsnelheid is kleiner dan van opslaggroep 1.
  • Effecten van ongecontroleerde ontleding zijn kleiner of gelijk aan opslaggroep 1.
  • Gebruikers zijn divers, vaak polyesterhars- verwerkers.
  • Opslag komt veel voor. De meeste peroxiden vallen in opslaggroep 2 t/m 5.
  • Meeste gebruikers zullen opslaggroep 1, 2 en 3 bij elkaar opslaan.
III [< 1 000 kg] 1
  • Gebruikers zijn vaak polyesterhars- en acrylaatverwerkers.
  • Komt weinig voor.
  • Vrijstaande opslagvoorzieningen.
2 en 3
  • Brandsnelheid is kleiner dan van opslaggroep 1.
  • Effecten van ongecontroleerde ontleding zijn kleiner of gelijk aan opslaggroep 1.
  • Gebruikers zijn divers.
  • Komt veel voor.
  • Vrijstaande of uitpandige opslagvoorzieningen.
4
  • Brandsnelheid is kleiner dan van opslaggroep 3.
  • Branden niet of branden vergelijkbaar met oplosmiddelen.
  • Effecten van ongecontroleerde ontleding zijn kleiner of gelijk aan opslaggroep 3.
  • Vooral emulsies.
  • Gebruikers zijn meestal kunststofproducenten.
  • Komt niet veel voor.
  • Vrijstaande of uitpandige opslagvoorzieningen.
IV [> 1 000 kg] 1, 2 en 3
  • Producenten met een opslag van 10-20 ton.
  • Gebruikers hebben opslag van enkele duizenden kilo's.
  • Ongeveer 10 % van het opgeslagen volume in Nederland valt in deze groep.
  • Komt veel voor.
  • Vrijstaande opslagvoorzieningen.
  • Meeste gebruikers zullen opslaggroep 1, 2 en 3 bij elkaar opslaan.
4
  • Brandsnelheid is kleiner dan van opslaggroep 3.
  • Branden niet of branden vergelijkbaar met langzaam brandende oplosmiddelen.
  • Effecten van ongecontroleerde ontleding zijn kleiner of gelijk aan opslaggroep 1, 2 en 3.
  • Producenten met een opslag van 10-20 ton.
  • Gebruikers hebben opslag van enkele duizenden kilo's.
  • Vooral emulsies. Deze zitten bij deze hoeveelheden meestal in opslagtanks of IBC’s. Of ze worden bij levering direct in doseervaten gedaan.
  • Komt niet heel vaak voor.
  • Vrijstaande of uitpandige opslagvoorzieningen.
Werkvoorraad- ruimte Alle opslaggroepen
  • Veel bedrijven hebben behalve een opslagvoorziening ook opslag van een werkvoorraad organische peroxiden dichter bij de werkvloer. Voor deze werkvoorraad moet een werkvoorraadruimte beschikbaar zijn. Uitgangspunt: een werkvoorraad is strikt noodzakelijk en mag niet meer dan 1 000 kg zijn.
  • Een werkvoorraadruimte is vergelijkbaar met een opslagvoorziening. Drie belangrijke verschillen zijn:
    1. in een werkvoorraadruimte mag worden afgetapt;
    2. bij een werkvoorraadruimte ontbreken veiligheidsafstanden, waardoor er strengere eisen voor de constructie gelden;
    3. een werkvoorraadruimte is een tussenopslag in het proces.
  • Inpandige, uitpandige of vrijstaande ruimte.
  • In PGS 8:2011 heet deze ruimte 'dagvoorraadruimte'.
Doseervaten Alle opslaggroepen
  • Organische peroxiden in doseervaten.
  • Metalen of kunststof vat, met een vulvoorziening en/of een aftapvoorziening.
  • Doseervaten worden gebruikt om veilige opslag en behandeling van vloeibare organische peroxiden makkelijker te maken. De afvoer vindt plaats met een pomp of zwaartekracht naar de verbruikslocatie.
  • Het doseervat is vaak in een aparte doseer- vatruimte ondergebracht. Deze ruimte kan inpandig of uitpandig zijn.
  • Vaak is het vat voorzien van een koelinstallatie in plaats van koeling van de ruimte.
Opslagtanks Type F
  • Organische peroxiden in opslagtanks. Dit komt alleen voor bij producenten en grotere bedrijven in de chemische industrie of kunststofindustrie.
  • Organische peroxiden van het type F.
  • Verdunde organische peroxiden en emulsies.

2.3.2Soorten opslagvoorzieningen

De eisen aan de ligging van deze opslagvoorzieningen zijn afhankelijk van de aard en hoeveelheid organische peroxiden. Uitgangspunt is dat opslagvoorzieningen voor meer dan 1 000 kg organische peroxiden vrijstaand zijn. Opslagvoorzieningen voor kleinere hoeveelheden organische peroxiden mogen in of aan een gebouw liggen.

Afbeelding 3 geeft een beeld van mogelijke opslagsituaties. Houd bij de keuze voor een locatie van een opslagvoorziening rekening met het volgende:

  • een nooddrukontlasting is bij voorkeur naar boven gericht;
  • aan de ontlastzijde van de nooddrukontlasting geldt een veiligheidsafstand;
  • de nooddrukontlasting van optie II op de bovenste verdieping mag zowel naar boven zijn gericht (dak), als naar opzij (door een buitenmuur);
  • optie III mag ook op de bovenste verdiepingsvloer, omdat hier de nooddrukontlasting naar boven gericht is, waardoor er bij brand geen belasting van een zijmuur van het gebouw of van een belendend gebouw optreedt.

Afbeelding 3 Mogelijke opslagsituaties

Legenda

I ≤ 30kg

II ≤ 150 kg

III ≤ 1000kg

IV >1000kg

R richting nooddrukontlasting

V veiligheidsafstand

2.3.3Organische peroxiden buiten werkingssfeer van PGS 8

Voor een aantal gevallen geldt dat deze buiten de werkingssfeer van deze PGS vallen. Het gaat om:

  • opslaan van organische peroxiden van opslaggroep 5;
  • werkvoorraden die op een werkvloer voor onmiddellijk gebruik klaarstaan;
  • organische peroxiden in procesvaten.
Opslaan van organische peroxiden van opslaggroep 5

Opslaggroep 5 gaat over type G-organische peroxiden. Die hebben geen ADR 5.2- classificatie en zijn vrijgesteld van de eisen van deze PGS. Opslag van type G- organische peroxiden mag wel samen met andere organische peroxiden plaatsvinden. Overigens kunnen type G-organische peroxiden wel in een andere ADR-klasse vallen. In dat geval kan PGS 15 van toepassing zijn.

Werkvoorraden die op een werkvloer voor onmiddellijk gebruik klaarstaan.

Werkvoorraden zijn verpakkingen met organische peroxiden die op de werkvloer nabij het productieproces aanwezig zijn en daar worden gebruikt. Het aanwezig zijn van verpakkingen met organische peroxiden op de werkvloer wordt niet beschouwd als opslag. Het is een onderdeel van het proces. Het valt daarom buiten het toepassingsgebied van PGS 8. Voor opslagen die vallen onder het Bal, geldt dat aanvullende maatregelen niet kunnen worden gevraagd. Voor vergunningplichtige situaties kan dat uiteraard wel.

Bijlage M bevat aandachtspunten voor het veilig aanwezig hebben van een werkvoorraad organische peroxiden.

Organische peroxiden in procesvaten

Procesvaten zijn vaten die onderdeel uitmaken van een procesinstallatie. In die vaten vinden de chemische omzettingen plaats waar de organische peroxiden een rol bij speelt. Het valt daarom buiten het toepassingsgebied van deze PGS.

2.3.4Organische peroxiden in opslagtanks

Het opslaan van organische peroxiden in opslagtanks komt in Nederland alleen voor bij producenten en enkele bedrijven in de chemische industrie en de kunststofindustrie. Het gaat om heel specifieke en vergunningplichtige opslagsituaties, waarvoor maatwerkvoorschriften nodig zijn. Het gaat om een beperkt aantal bedrijven. Daarom is de opslag van organische peroxiden in opslagtanks vooralsnog niet als opslagsituatie in de risicoanalyse meegenomen.

PGS 31 gaat over het opslaan van gevaarlijke stoffen in opslagtanks. In 2018 is het PGS 31-team gestart met de risicoanalyse. Daarbij zal het PGS 8-team betrokken zijn om de risicoanalyse voor organische peroxiden in opslagtanks uit te voeren. Daarom bevat deze versie van PGS 8 nog geen maatregelen voor opslagtanks.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is..

In deel C staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen, kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect..

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT- methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/ .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd. Bijlage Q.2 gaat in op risico's die buiten beschouwing zijn gebleven.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Toepassing PGS-scenario’s voor hogedrempelinrichtingen en ARIE-bedrijven

Voor de zogenoemde hogedrempelinrichtingen zoals gedefinieerd in het Bal en ARIE- bedrijven zoals gedefinieerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat de scenario’s die kunnen leiden tot het vrijkomen van een gevaarlijke stof, de installatiescenario’s, al zijn beschreven in een veiligheidsrapport volgens een vast stramien, zoals toegelicht in Bijlage H van PGS 6 of in een aanvullende risico- inventarisatie en -evaluatie (ARIE). Deze bedrijven hebben de scenario’s en de beheersmaatregelen daarmee afdoende beschreven om aan de verplichtingen van het Bal en het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen. Indien gewenst kunnen zij deze beschrijvingen ten grondslag leggen aan de onderbouwing van gelijkwaardige oplossingen.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 8

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 8 team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare opslagsituatie met organische peroxiden. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

In Bijlage Q.1 staat een overzicht van de verschillende opslagsituaties die in de risicoanalyse zijn beoordeeld. Met daarbij het maximale 'kale' risico. Het kale risico is de situatie waarin het scenario zich kan ontwikkelen zonder dat er maatregelen zijn genomen.

Uitgangspunten risicoanalyse van PGS 8

Bij het uitvoeren van de risicoanalyse zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Opslag van organische peroxiden vindt altijd plaats in een gebouw, kast of andere afsluitbare opslagvoorziening.
  • Verpakkingen met organische peroxiden zijn gesloten.
  • Organische peroxiden zijn opgeslagen in de originele transportverpakking.
  • Deuren van opslagvoorzieningen zijn dicht.
  • Vluchtdeuren en vluchtwegen voldoen aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
  • Opslagvoorzieningen voldoen aan de nieuwbouweisen van het Besluit bouwwerken leefomgeving en de arboregelgeving. Dit stelt de eisen aan brandwerendheid (WBDBO) van 60 min van buiten naar binnen. Vanwege het grotere veiligheidsrisico van binnen naar buiten geldt voor de brandwerendheid een eis van 60 min dan wel een brandwerendheid van 30 min met aanvullende eisen voor de veiligheidsafstand. Vanwege de binnen-naar-buiteneis kan de veiligheidsafstand van de gevel tot de erfgrens groter zijn dan de afstand die wordt vereist in het Besluit bouwwerken leefomgeving.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor het opslaan van organische peroxiden.

Daarbij is onderscheid gemaakt tussen de verschillende typen organische peroxiden en de verschillende typen opslagvoorzieningen:

  • opslagvoorziening met verpakkingen en IBC’s;
  • werkvoorraadruimten;
  • doseervaten in een doseervatruimte;
  • doseervaten op de werkvloer.

De scenario’s zijn verder onderverdeeld in categorieën van directe oorzaken:

  • technische oorzaken, zoals falen van koelinstallaties;
  • externe oorzaken, zoals uitval van nutsvoorzieningen of een brand in de omgeving van de opslag;
  • natuurlijke oorzaken, zoals een hittegolf of blikseminslag;
  • menselijke oorzaken, zoals bedieningsfouten of verkeerde handelingen met organische peroxiden.

In de risicoanalyse komen vergelijkbare scenario's meerdere keren voor. Het enige verschil is dan de aard van het gevolg. Bijvoorbeeld ‘Vallende verpakking met als gevolg persoonlijk letsel door blootstelling aan organische peroxiden’ en ‘Vallende verpakking met als gevolg explosie van damp ontledingsproducten’. Deze scenario's zijn in deze PGS samengevoegd.

Standaardverloop

De kern van alle scenario's die kunnen optreden bij het opslaan van organische peroxiden is dezelfde: ontleding van het peroxide door opwarming of verontreiniging. De ontwikkeling van de scenario's waarbij ontleding van organische peroxiden centraal staat, is in grote lijnen:

  • opwarming organische peroxiden door uitval koeling, hittegolf, brand of verontreiniging;
  • ontleding van organische peroxiden start of breidt zich uit;
  • de temperatuur loopt op;
  • verpakkingen gaan opbollen;
  • ontledingsgassen komen vrij: componenten daarvan kunnen met lucht een explosief mengsel vormen;
  • ontstaan van toxische ontledingsgassen;
  • smelten, verweken of scheuren van verpakkingen door opwarming;
  • thermische explosie van het organische peroxide;
  • mogelijke ontsteking ontledingsgassen, spontaan of via ontstekingsbronnen;
  • persoonlijk letsel en gezondheidsschade door blootstelling aan organische peroxiden, ontledingsgassen, brand of explosie;
  • mogelijk ontstaan van secundaire branden eerst de overige verpakkingen in de opslag, brand van het opslaggebouw en verdere escalatie afhankelijk van afstand tot omgeving.

Voor alle scenario's geldt dat de ernst van de gevolgen en effecten afhankelijk is van de aard en de hoeveelheid van de opgeslagen stoffen. De brandsnelheid loopt uiteen van erg hoog (opslaggroep 1) tot geen of zeer laag (opslaggroep 4).

Scenario's en koppeling aan doelen en maatregelen

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

Een overzicht van alle scenario's staat in Bijlage R.

4.2Scenario's opslagvoorzieningen met verpakkingen en IBC’s

Deze paragraaf bevat de scenario's voor opslagvoorzieningen met organische peroxiden in verpakking. Deze scenario's kunnen ook optreden in werkvoorraadruimten en ruimten met doseervaten.

Technische oorzaken
Externe oorzaken
Natuurlijke oorzaken
Menselijke oorzaken

4.3Scenario's werkvoorraadruimte

Voor een werkvoorraadruimte zijn de volgende aanvullende scenario's relevant.

Menselijke oorzaken

4.4Scenario's doseervaten

4.4.1Algemeen

Voor doseervaten zijn aanvullende scenario's relevant. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen doseervaten op een werkvloer en doseervaten in een daarvoor bestemde doseervatruimte.

4.4.2Doseervaten op de werkvloer

Technische oorzaken
Externe oorzaken
Natuurlijke oorzaken
Menselijke oorzaken

4.4.3Doseervaten in een daarvoor bestemde doseervatruimte

Technische oorzaken
Externe oorzaken
Natuurlijke oorzaken
Menselijke oorzaken

4.5Overige scenario's

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving

5.1Inleiding

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) en met brandpreventie(Brandpreventie en -mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en -gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met rampenbestrijding (Brand- of Rampenbestrijding).

In deel B staan eerst de doelen in Hoofdstuk 6 en daarna maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6 .

5.2Omgevingsveiligheid

5.2.1Algemeen

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit

Opslaan in opslagtanks en doseervaten

Artikel 3.24 van het Bal wijst opslaan van organische peroxiden in opslagtanks of verpakking die wordt gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen aan als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is een omgevingsvergunning nodig. Het Bal bevat voor opslaan van organische peroxiden in opslagtanks of verpakking die wordt gebruikt als opslagtank voor vloeistoffen geen regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid in Hoofdstuk 4. Er is dan ook geen algemene regel met de verplichting om te voldoen aan deze PGS-richtlijn. De maatregelen van deze PGS-richtlijn worden opgenomen in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wijst deze PGS-richtlijn aan als informatiedocument. Het bevoegd gezag moet bij het beoordelen van de aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit rekening houden met de PGS als informatiedocument.

5.2.3Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Opslaan in verpakking

Artikel 3.27 van het Bal wijst het opslaan van gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 5.2 in verpakking aan als een milieubelastende activiteit. Organische peroxiden vallen onder ADR-klasse 5.2. Het Bal geldt alleen als het gaat om het opslaan van 1 kg of meer organische peroxiden.

Paragraaf 4.99 van het Bal

Op grond van artikel 3.29 van het Bal moet bij het opslaan van organische peroxiden in verpakking worden voldaan aan de regels uit paragraaf 4.99 van het Bal. Paragraaf 4.99 van het Bal geldt alleen voor het opslaan in verpakking van niet meer dan 1 000 kg organische peroxiden van type C t/m F, waarvoor volgens het ADR geen temperatuurbeheersing nodig is. Voor alle andere situaties is er voor het opslaan van organische peroxiden een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig. Dit staat in artikel 3.28 van het Bal.

Paragraaf 4.99 van het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het opslaan van organische peroxiden, en verwijst direct naar PGS 8. Er is geen nadere specificering van welke delen uit PGS 8 van toepassing zijn. Er geldt wel een uitzondering voor organische peroxiden in LQ verpakkingen. Die mogen ook volgens PGS 15 worden opgeslagen. Dat staat in artikel 4.1019, lid 2 van het Bal.

Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.99 te voldoen moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om de maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en brandpreventie.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van paragraaf 4.99 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van paragraaf 4.99.

Paragraaf 4.99 van het Bal geldt niet voor het opslaan van organische peroxiden in verpakking waarvoor een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig is. Het bevoegd gezag neemt de regels voor het opslaan van organische peroxiden op in de omgevingsvergunning. Daarbij gebruikt het deze PGS-richtlijn.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te krijgen voor het toepassen van een gelijkwaardige maatregel. Er mag niet met de activiteit worden gestart voordat er toestemming is met een besluit van het bevoegd gezag.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (omgevingsveiligheid of brandpreventie )ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (arbeidsveiligheid ) of de Wet veiligheidsregio's ( rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. 5.2.4 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

Op grond van artikel 3.29 van het Bal moet bij het opslaan van organische peroxiden in verpakking worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.99 van het Bal. Maar alleen als er voor het opslaan geen omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig is.

In artikel 4.1019 van paragraaf 4.99 van het Bal staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Voor het deel van de milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig is en waarop de algemene regels van paragraaf 4.99 van het Bal niet van toepassing zijn, worden de maatregelen als voorschrift in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit opgenomen.

Omgevingsveiligheid/Bal:
Om aan artikel 4.1019 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

M1, M2, M3, M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, , M20, M21, M22, M23, M24, M25,M26, M27,M28, M29, M30, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, M44, M45, M46, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M56, M57, M58, M59, M60,M61 , M62, M63, M64, M65, M66, M67, M71, M72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87, M88, M89, M90, M91, M93, M94, M95, M102, M103, M104,M105, M106, M107, M108, M109, M110, M111, M112, M113.

5.2.4Externe veiligheidsafstanden

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van organische peroxiden zijn geen vaste externe veiligheidsafstanden vastgesteld. Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) kan het wel nodig zijn dat een externe veiligheidsafstand moet worden berekend.

Toelichting:

Dit is in theorie mogelijk als het gaat om het opslaan van meer dan 10 000 kg in een opslagplaats, en als het gaat om brandbare stoffen met bepaalde samenstelling. Zie Bkl bijlage VII, onder E5.

Bij het uitvoeren van de risicoanalyse en het opstellen van deze PGS-richtlijn is het uitgangspunt dat mogelijke gevolgen van een optredend scenario niet verder reiken dan de grens van de locatie van de activiteit. In dat geval zijn er geen externe veiligheidsafstanden.

5.2.5Omgevingsplan

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS- richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS- richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen gebruiken, bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan arbeidsveiligheid

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid:
Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen: M1,M2, M3, M5, M7, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22,M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, M44, M45, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M59, M60, M61, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M71, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95M96, M97, M98, M99, M100, M101, M102, M103, M104,M105, M106 , M107, M108, M109, M110, M111,M112, M113.

5.4Brand- en rampenbestrijding

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS- richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met rampenbestrijding.

Wet veiligheidsregio's
Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:M6, M8, M9, M10, M12, M33, M37, M56, M57, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M71, M72, M73, M74, M75, M88, M102

6Doelen

6.1Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig opslaan van organische peroxiden. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

De indeling van de doelen is gebaseerd op de verschillende situaties voor het opslaan van organische peroxiden. Het gaat om opslagvoorzieningen, werkvoorraadruimten en doseervaten. Daarnaast is er een aantal algemene doelen die voor alle opslagsituaties gelden.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

Een overzicht met alle doelen staat in Bijlage S.

6.2Doelen

6.2.1Algemene doelen

6.2.2Doelen opslagvoorziening

De doelen in deze paragraaf gaan over alle opslagvoorzieningen met organische peroxiden.

6.2.3Doelen doseervaten

Deze doelen zijn aanvullend op de doelen van de opslagvoorzieningen.

7Maatregelen

7.1Inleiding bij de maatregelen

Dit hoofdstuk bevat maatregelen voor het veilig opslaan van organische peroxiden. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in hoofdstuk 0. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in hoofdstuk 0.

Bij elke maatregel is met de markeringen omgevingsveiligheid, brandpreventie, arbeidsveiligheid en rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

omgevingsveiligheid Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

brandpreventie Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

arbeidsveiligheid Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet B

rampenbestrijding Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Toepassingsbereik maatregelen

Bij alle maatregelen staat voor welke opslagsituatie deze geldt. In Bijlage T staat voor de verschillende opslagsituaties aangegeven welke maatregelen van toepassing zijn.

Uitgangspunten

Sommige maatregelen zijn bij de risicoanalyse als uitgangspunt gehanteerd. Dit houdt in dat dit het startpunt was voor het vaststellen van de maatregelen die bij een scenario nodig zijn om het doel te behalen. Deze uitgangspunten staan in Paragraaf 9.3.

7.2Basisveiligheid

7.3Opslagvoorziening voor organische peroxiden

7.3.1Algemeen

7.3.2Uitvoering en ligging

Tabel 8Soort opslagvoorziening

HoeveelheidHoeveelheid

Soort opslag

Vrijstaand

Tegen gebouw

In gebouw grenzend aan buitenmuur of dak

In gebouw niet grenzend aan buitenmuur of dak

≤ 30 kg

Alle

Ja

Ja

Ja a

Ja a

≤ 150 kg

1

Ja

Ja

Nee b

Nee

2, 3 en 4

Ja

Ja

Ja a

Nee

≤ 1 000 kg

1

Ja

Nee

Nee

Nee

2, 3 en 4

Ja

Ja

Nee b

Nee

> 1 000 kg

Alle

Ja

Nee

Nee

Nee

a Voor deze situaties geldt dat ook opslag op een verdieping is toegelaten.

b Opslaan grenzend aan het dak mag wel, maar alleen als het dak onbrandbaar is volgens M12 (Opslagvoorziening – Dak onbrandbaar bij nooddrukontlasting).

7.3.3Bouwkundige maatregelen en voorzieningen

Brandwerendheid

7.3.4Verwarming

7.3.5Koeling

7.3.6Temperatuurmeting en alarmering

7.3.7Ventilatie en luchtcirculatie

7.3.8Nooddrukontlasting

7.3.9Toegankelijkheid

7.3.10Handelingen en werkzaamheden

7.3.11Opvang voor product, koelwater en bluswater

7.4Onderhoud, inspectie, documentatie en training

7.4.1Onderhouden en inspecteren

7.4.2Registreren en documenteren

7.4.3Opleiden en trainen

7.5Veiligheid

7.5.1Algemeen

7.5.2Interne veiligheidsafstanden

Een interne veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en plekken waar mensen kunnen verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken binnen de begrenzing van de locatie van de activiteit. Een interne veiligheidsafstand kan ook voorkomen dat een incident leidt tot een domino-effect buiten deze begrenzing.

7.5.3Brandveiligheid

Brandblusmiddelen
Brandbeveiliging

7.5.4Explosieveiligheid

Explosieveiligheid is een onderwerp dat aandacht vereist wanneer sprake is van de opslag en het toepassen van organische peroxiden. Daarom zijn er in deze PGS maatregelen opgenomen tegen explosie- en brandgevaar van organische peroxiden.

Hoewel organische peroxiden chemisch instabiele stoffen zijn en daardoor zijn uitgesloten van de rechtstreeks werkende regels over explosieve atmosferen van het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a), geldt dat niet voor de ontledingsgassen van organisch peroxiden. Deze vallen wél onder de rechtstreeks werkende regels voor explosieve atmosferen.

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex.

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones overeenkomstig tabel 9.

Tabel 10Tabel 9 — Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij installaties met organische peroxiden

Als gevolg van het vrijkomen van organische peroxiden kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Gevarenzone organische peroxiden

In M69 (Gevarenzone-indeling) staat dat voor een opslagvoorziening met organische peroxiden een gevarenzone-indeling nodig is. Organische peroxiden zelf zijn uitgesloten van de ATEX 153-richtlijn. Echter, de ontledingsgassen van organische peroxiden die kunnen vrijkomen in de opslagvoorziening, vallen wél onder de ATEX 153-richtlijn. Voor het maken van de gevarenzone-indeling kan wel worden gebruikgemaakt van ATEX 153 en de daarvan afgeleide documenten, zoals NPR 7910-1 en NPR 9710-2 en de niet-bindende gids bij de ATEX-richtlijn.

Met betrekking tot de gevaren van een damp- of gasexplosieve atmosfeer is het volgende van toepassing op organische peroxiden:

  • De meeste organische peroxiden hebben een vlampunt dat niet meetbaar is omdat het (ver) boven de temperatuur van zichzelf versnellende ontleding (SADT) ligt. Een dampexplosieve atmosfeer zal bij opslag en hanteringcondities niet optreden.
  • Bij het doseren of op een andere manier hanteren van vloeibare organische peroxiden met een laag vlampunt (beneden de SADT) zijn de gevaren vergelijkbaar met die van brandbare vloeistoffen.
  • Voor vaste organische peroxiden die aanleiding kunnen geven tot de vorming van een stofexplosieve atmosfeer, moeten dezelfde maatregelen worden genomen als voor andere vaste stoffen die een stofexplosieve atmosfeer kunnen vormen.
Explosieveilig materiaal en materieel: EX IIB T3

Algemeen

Organische peroxiden kunnen ontleden. Daarom staat in M67 (Explosieveiligheid – Materiaal en materieel) dat elektrische apparatuur in opslagvoorzieningen voor organische peroxiden explosieveilig moeten zijn. Het materiaal en materieel moeten voldoen aan de eisen voor groep II, categorie 3G (EX IIB T3), zie NPR 7910-1. Deze apparatuur is voorzien van een markering die voldoet aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

In NPR 7910-1 staat EX IIB T3 beknopt beschreven.

Wat zijn apparaten van groep II?

Apparaten van groep II zijn apparaten die zijn bedoeld voor bovengronds gebruik op plaatsen waar door een explosieve omgeving gevaar kan heersen. Apparaten van groep I zijn voor ondergronds gebruik, bijvoorbeeld in mijnen.

Wat is categorie 3G?

Categorie 3G omvat apparaten die zo zijn ontworpen dat zij overeenkomstig de door de fabrikant vastgestelde bedrijfsparameters kunnen werken en een normaal beschermingsniveau bieden. De apparaten van deze categorie zijn bestemd voor een omgeving waarin het weinig waarschijnlijk is dat er door de aanwezigheid van gas, damp, nevel of stof/lucht-mengsels ontploffingsgevaar heerst en waarin een dergelijk gevaar zich naar alle waarschijnlijkheid slechts zelden voordoet en kort duurt (gevarenzone 2). De apparaten van deze categorie waarborgen bij normaal bedrijf het vereiste veiligheidsniveau gericht op het voorkomen van voorzienbare ontstekingsbronnen.

Wat is EX IIB T3?

EX IIB T3 geeft aan dat het apparaat explosieveilig is uitgevoerd voor gassen/dampen uit gasgroep IIB (met een gemiddelde minimumontstekingsenergie) en temperatuurklasse T3 (een ontstekingstemperatuur hoger dan 200 °C).

7.5.5Noodplan, incidenten en calamiteiten

7.5.6Pictogrammen en aanwijzingen

7.6Bijzondere omstandigheden of activiteiten

7.6.1Doseervaten

Algemeen

Peroxidedoseervaten zijn in de meeste gevallen atmosferische vaten, maar kunnen ook onder druk bedreven worden. Voor drukvaten gelden M92 en M96, M97, M98, M99, M100 en M101. Die maatregelen zijn niet van toepassing voor atmosferische vaten, daarvoor gelden alleen M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87, M88, M89, M90, M91, M93, M94, M95, M102, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, M110, M111, M112 en M113.

Op alle arbeidsmiddelen, dus ook op doseervaten, is hoofdstuk 7 van het Arbeidsomstandighedenbesluit van toepassing. Dit besluit stelt eisen aan geschiktheid, deugdelijkheid en keuringen van arbeidsmiddelen, waaronder doseervaten. De keuring van atmosferische doseervaten wordt uitgevoerd door een deskundige.

Op drukapparatuur is echter specifieke wetgeving van toepassing: het Warenwetbesluit drukapparatuur. De toepassing van deze wetgeving wordt beschreven in het navolgende deel van deze paragraaf.

Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED)

Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een inwendige druk die hoger is dan de omgevingsdruk. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED) en luidt als volgt:

“ ‘drukapparatuur’ of ‘drukapparaten’: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, inclusief, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, steunconstructies, hijsogen.”

Drukapparatuur wordt onderverdeeld in:

  • drukvaten,
  • installatieleidingen,
  • veiligheidsappendages en
  • onder druk staande appendages.

Een enkelvoudig drukapparaat staat nooit op zichzelf, het wordt altijd geïntegreerd in een functioneel geheel. Dit wordt een samenstel genoemd. Een peroxidedoseerinstallatie bestaat uit verschillende componenten en is daarom ook een samenstel. De wet- en regelgeving voor het ontwerp van drukapparatuur geldt ook voor samenstellen.

Ontwerp

Drukapparatuur zijn arbeidsmiddelen met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden en in bedrijfstellen, het gebruiken en nadien wijzigen van drukapparatuur. Dit is in Nederland vastgelegd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen.

Bij de bouw van een peroxidedoseerinstallatie is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:

  • Wordt een peroxidedoseerinstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van een derde partij(een leverancier, een installateur enz.) die de peroxidedoseerinstallatie in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
  • Wordt de peroxidedoseerinstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.

De ontwerpeisen voor een peroxidedoseerinstallatie liggen vast in de Europese Richtlijn drukapparatuur (PED), voor installaties die na 29 mei 2009 in de handel zijn gebracht. Deze Richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of het samenstel moet hij vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse. De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:

  • gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, geëlimineerd of verkleind in het ontwerp;
  • er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd;
  • de gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en vermeld wordt of het nodig is dat er passende gevaar verminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik. Deze worden opgenomen in de gebruikershandleiding.

De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeen komen met de scenario’s die zijn beschreven in Hoofdstuk 4 van deze PGS.

De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat (de peroxidedoseerinstallatie) zijn vastgelegd in bijlage I van de Richtlijn drukapparatuur. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen en dat betekent onder andere dat:

  • peroxidedoseerinstallatie voldoende sterk is om de belastingen die verwacht kunnen worden (kracht, brand, hoge druk etc.) te weerstaan;
  • maatregelen zijn genomen om de peroxidedoseerinstallatie veilig te bedienen;
  • de doseerinstallatie zodanig is ontworpen dat deze veilig geïnspecteerd kan worden;
  • de doseerinstallatie veilig kan worden gevuld en geleegd;
  • passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) zijn aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, moet deze afblazen op een zodanige plaats dat daarbij geen gevaar voor personen kan optreden.

Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Voldoen aan een geharmoniseerde norm geeft het ‘vermoeden van overeenstemming’ met de essentiële eisen van de PED. Een fabrikant is niet verplicht een geharmoniseerde norm te volgen. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, zal hij moeten aantonen dat de peroxidedoseerinstallatie wel voldoet aan de essentiële eisen van de PED.

Door middel van het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat hij voldoet aan de essentiële eisen. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De mate van toezicht is afhankelijk van het risico. Een peroxidedoseerinstallatie is een samenstel die wordt ingedeeld in tabel 1 van de PED en valt in categorie III of IV, dit is de categorie met de grootste risico’s.

Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), moet déze CE-markering aanbrengen op de peroxidedoseerinstallatie. Op de peroxidedoseerinstallatie (het samenstel), hoeft slechts één CE-markering aangebracht te worden, dus niet één op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE-markering in het samenstel zijn opgenomen wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) en specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen enz.) op de kenplaat aangebracht worden.

Nadat de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen stelt de fabrikant een verklaring op dat de peroxidedoseerinstallatie voldoet aan de essentiële eisen. Verder stelt hij een technisch dossier samen. Dit dossier omvat ten minste:

  • een algemene beschrijving van de peroxidedoseerinstallatie;
  • ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
  • beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen,
  • een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
  • berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles;
  • testverslagen.

De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het is raadzaam om met de aanschaf van de doseerinstallatie te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.

Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met de peroxidedoseerinstallatie. Hierin staan de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven hoe de installatie veilig kan worden bedreven.

Voor installaties die vóór 29 november 1999 in de handel zijn gebracht golden destijds andere regels, veelal op basis van de Wet milieubeheer of de Stoomwet. Ook deze installaties dienden te voldoen aan wettelijke eisen maar het is niet mogelijk om in deze PGS een eenduidig antwoord te geven over deze regelgeving voor ‘oude’ installaties. Dit zal moeten blijken uit de documentatie (waaronder het logboek) van de installatie.

In de periode tussen 29 november 1999 en 29 mei 2002 gold een overzichtsperiode; de installatie mocht voldoen aan de PED maar mocht ook nog voldoen aan de wetgeving van voor 1999.

Gebruik

De wet (het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur maar ook aan de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van de gebruiker van de peroxidedoseerinstallatie. De gebruiker moet de peroxidedoseerinstallatie laten keuren voordat deze in gebruik wordt genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.

De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden, dit is geregeld in de Warenwetregeling drukapparatuur 2016. Verplichtingen die zijn opgenomen in een besluit worden vaak uitgewerkt in een regeling. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur ‘aangewezen’ die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Ook een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.

Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een deskundige.

Bij een peroxidedoseerinstallatie is een doseervat ‘aangewezen’ drukapparatuur als de druk P * volume V boven een bepaalde waarde is. Een leiding is ‘aangewezen’ boven een bepaalde druk en/of diameter. Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in een peroxidedoseerinstallatie ‘aangewezen’ drukapparatuur is:

  1. aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
  2. door de fabrikant te benaderen en wellicht staat het in de handleiding van de installatie of;
  3. door een NL-CBI te benaderen.

De ‘aangewezen’ drukapparatuur in de peroxidedoseerinstallatie moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de keuring voor ingebruikneming is vast te stellen of de peroxidedoseerinstallatie voldoet aan de Europese richtlijnen en veilig gebruikt kan worden. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI, deze geeft een verklaring van ingebruikneming af.

Het doel van de periodieke herkeuring is vast te stellen of de installatie nog veilig gebruikt kan worden. ‘Aangewezen’ drukapparatuur wordt elke vier jaar gekeurd door een NL-CBI, in bepaalde gevallen kan de NL-CBI een langere keuringstermijn vaststellen. Na de keuring wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. De keuring van niet aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een deskundige en ook deze stelt hiervan een rapportage op, dit is verplicht op basis van het Arbobesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaats vindt met de NL-CBI en de deskundige hoe de peroxidedoseerinstallatie in zijn geheel weer veilig gebruikt kan worden.

Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan de peroxidedoseerinstallatie is de verantwoordelijkheid van de gebruiker, daarbij is veelal toezicht vereist door een NL- CBI. Aangeraden wordt om voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, ook indien dit een ‘oude’ installatie van voor 2002 betreft, contact te zoeken met een NL- CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de ontwerpparameters op de kenplaat niet meer kloppen, de gebruiker wordt dan fabrikant. In dat geval moet er een EU-CBI hierbij betrokken worden. Regulier onderhoud aan de peroxidedoseerinstallatie moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de handleiding van de fabrikant.

  • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens de ‘oude’ PED 97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens de ‘nieuwe’ PED 2014/68/EU);
  • de gebruiksaanwijzing;
  • de verklaring van ingebruikneming;
  • de verklaring van herkeuring;
  • het aantekenblad;
  • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.

Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

De Inspectie-SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbowet (en het Arbobesluit) en de Warenwet (en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016). De verplichtingen uit deze wetten worden niet als maatregel opgenomen in deze PGS. In deze informatieve tekst worden de verplichtingen van de gebruiker samengevat. De verplichtingen in de Arbowet en de Warenwet en de onderliggende besluiten kunnen evenmin worden opgenomen in een omgevingsvergunning.

7.6.4Werkvoorraadruimte

7.6.4Logistiek

7.6.4Procedures

8Gelijkwaardige maatregelen

Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf voor een in deel B genoemde maatregel een alternatief wil toepassen, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Is een alternatief toegestaan?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?

Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.

Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?

Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
  • brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid)
  • rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding)
De wettelijke grondslag is arbeidsveiligheid

Deze maatregel heeft betrekking op de veiligheid van werknemers. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking vormen van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals bijvoorbeeld:

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
  • maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
  • maatregelen/verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, de Warenwetbesluiten drukapparatuur 2016, explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-reeks/deze PGS worden de arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet kan worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (DWW-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de gezondheid en veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Inspectie SZW getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor toepassen gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing hanteert de Inspectie SZW een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    1. de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    2. een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    3. het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen.
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen die moet treffen om de werknemers te beschermen.
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Inspectie SZW ligt.
  • De Inspectie SZW beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De wettelijke grondslag is omgevingsveiligheid of brandpreventie omgevingsveiligheid

Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet door het bedrijf de juiste procedure worden gevolgd. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking. Bij een niet-vergunningplichtige activiteit moet het gebruiken van een gelijkwaardig alternatief vier weken vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag. Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

Wettelijke grondslag is zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid / brandpreventie omgevingsveiligheid

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid /brandpreventie is, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor haar wetgevingsgebied gelden.

Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit de PGS is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS-richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang en het effect daarvan tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid (zie kader) is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

9Goede praktijken

9.1Persoonlijke beschermingsmiddelen

Personeel dat werkt met organische peroxiden, heeft beschikking over persoonlijke beschermingsmiddelen. Voor deze persoonlijke beschermingsmiddelen geldt het volgende:

  • Soort en hoeveelheid komen overeen met de risico-inventarisatie en -evaluatie.
  • Ze zijn schoon en goed onderhouden.
  • Ze zijn duidelijk zichtbaar, gemakkelijk bereikbaar en voor onmiddellijk gebruik beschikbaar.
  • Bij het opruimen van lekkages zijn bril, handschoenen en beschermende kleding noodzakelijk.
  • Bij stofvormige organische peroxiden is een stofmasker noodzakelijk.
  • Het personeel weet wanneer en hoe ze moeten worden gebruikt.

Ruimten met organische peroxiden zijn bij de toegang voorzien van signalering voor het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen. Voorbeelden van deze signalering zijn:

Afbeelding 11Veiligheidsbril

Afbeelding 12Stofmasker

9.2Werkvergunningen

Voor onderhoud of reparatie dat wordt uitgevoerd in een ruimte met organische peroxiden, behoort de uitvoerder over een werkvergunning te beschikken. Een verantwoordelijk persoon van het bedrijf waar de werkzaamheden worden uitgevoerd, geeft de vergunning pas af als de werkomstandigheden zijn gecontroleerd op veiligheid.

Neem in werkvergunningen het volgende op:

  • een omschrijving van de opdracht en de uit te voeren werkzaamheden;
  • een omschrijving van de werkomstandigheden;
  • een beschrijving van de veiligheidsmaatregelen en procedures ter voorkoming van en het omgaan met incidenten.

Geef een uitvoerder voor het begin van de werkzaamheden instructie. Ga in de instructie in op:

  • de inhoud van de werkvergunning;
  • de veiligheidsaspecten van organische peroxiden;
  • de procedures voor het voorkomen van en omgaan met incidenten.

9.3Uitgangspunten bij deze PGS

Algemeen

Bepaalde maatregelen zijn bij het opstellen van deze PGS-richtlijn als uitgangspunt gehanteerd. Dit was het startpunt voor het vaststellen van de maatregelen die bij een scenario nodig zijn om het doel te behalen. Om deze uitgangspunten niet uit het oog te verliezen zijn ze in deze paragraaf opgenomen.

Organische peroxiden – Bewaren in transportverpakking

Organische peroxiden worden opgeslagen in een transportverpakking die voldoet aan de regels voor transport uit het ADR. De etikettering voldoet aan de regels uit het ADR en de CLP-verordening.

Organische peroxiden – Roken en open vuur

Roken en open vuur zijn verboden:

  • in ruimten waar organische peroxiden zijn opgeslagen of worden gehanteerd;
  • binnen 1 m van een koelkast/vrieskist;
  • in de vrije ruimte van nooddrukontlastingen.
Opslagvoorziening – Stellingen

Verkeerd ontwerp, verkeerde montage of verkeerd gebruik van stellingen kan tot incidenten of calamiteiten met gevaarlijke stoffen en/of CMR-stoffen leiden. In de praktijk zijn vooral de stellingen voor de opslag van pallets, die worden bediend met heftrucks, het meest kritisch. NEN-EN 15512, met daarmee samenhangend NEN 5056, kan bij het ontwerp van palletstellingen worden gebruikt.

Opslagvoorziening – Toegankelijkheid

Opslagvoorzieningen voor meer dan 30 kg organische peroxiden zijn goed bereikbaar voor de brandweer en andere hulpdiensten.

Bijlage AAfkortingen en begrippenNormatief

Deze bijlage bevat een lijst met afkortingen en begrippen die in deze PGS voorkomen. Deze PGS sluit zo veel mogelijk aan bij de begrippen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en andere relevante wetten en regels. In de praktijk kunnen ook andere termen voorkomen. Daarom is in deze bijlage bij een aantal begrippen ook een alternatieve omschrijving gegeven, zodat duidelijk is wat met een bepaald begrip is bedoeld.

Begrip of afkorting

Betekenis

Alternatieve omschrijving

Aardgas

Voor aardgas sluit de PGS aan bij de definitie in de Gaswet. Die luidt: “stof die bij een temperatuur van 15 graden Celsius en bij een druk van 1,01325 bar in gasvormige toestand verkeert en in hoofdzaak bestaat uit methaan of een andere stof die vanwege haar eigenschappen aan methaan gelijkwaardig is.”

Actief zuurstofgehalte

Het relatieve aantal peroxy-groepen [ – O – O – ] in een organisch peroxidemolecuul

ADR

ADR staat voor Accord européen relatif au transport international de marchandises Dangereuses par Route.

Het is het Europese verdrag over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Afgewerkte olie

Afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit inzamelen afvalstoffen. Daar staat: “Elke soort minerale of synthetische smeerolie die ongeschikt is geworden voor het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk bestemd was, waaronder in elk geval worden begrepen gebruikte olie van verbrandingsmotoren en versnellingsbakken, alsmede smeerolie, olie voor turbines en hydraulische oliën.”

Afleverdruk

Druk in de tankinstallatie gemeten aan de uitgaande kant van de tankzuil

Afleverslang

Flexibele slang, inclusief de koppelingen en de vulaansluiting, die deel uitmaakt van de tankzuil waarmee brandstof wordt getankt

Tankslang

Slang

Afsluiter

Onderdeel van een installatie of leiding om de doorstroming te regelen De afsluiter regelt het helemaal of gedeeltelijk openen of sluiten van een doorstroomopening. Er zijn handbediende en op afstand gestuurde afsluiters. Er zijn ook afsluiters die dienen als noodstopvoorziening.

Arbeidshygiënische strategie

Zie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit

ARIE

Aanvullende Risico Inventarisatie & Evaluatie.

ATEX

ATmosphères EXplosibles Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

BBT

Beste beschikbare technieken Dit zijn de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen of te beperken.

Bedrijfsterrein

Terrein waarop deactiviteiten van het bedrijf plaatsvinden, begrensd door de erfgrens

Inrichting Perceel Terrein

Begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf. Maar kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

Erfgrens

Erfafscheiding

Erfscheiding

Perceelgrens

Kavelgrens

Terreingrens

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen Meestal is dit de gemeente of provincie.

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

Blustijd

In deze PGS geldt een blustijd van 15 min voor < 1000 kg organische peroxiden en 40 min voor > 1000 kg organische peroxiden.

BOb

Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH

Boil-off-gas

Vloeibaar gemaakt gas dat verdampt door het inlekken van warmte

Brandblusmiddel

Brandblusser of brandslanghaspel.

Brandblusser

Blustoestel

Brandblustoestel

Poederblusser

Blusser

Handblusser

Brandwerendheid

Brandwerendheid gaat over wanden of deuren of andere delen van een constructie. Het geeft aan hoe lang een deel van een constructie een brand kan tegenhouden. De brandwerendheid wordt uitgedrukt in aantal minuten. NEN 6069 beschrijft hoe de brandwerendheid wordt bepaald.

Breekkoppeling

Losbreekkoppeling
BRL

BeoordelingsRichtlijn

Brzo 2015

Besluit risico's zware ongevallen 2015

Paragraaf 4.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven).

Buitenlucht

Plaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie

Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig.

Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.

Buitenluchtsituatie

Cavitatie

Optreden van met name kleine luchtbelletjes in een vloeistof die kunnen ontstaan tijdens het transport (schudden) of tijdens de verwerking (roeren, pompen). Zulke kleine luchtbelletjes kunnen de vloeistof gevoeliger maken. Een gecaviteerde vloeistof kan onder invloed van een stoot of schok eerder exploderen dan een niet-gecaviteerde vloeistof.

CBI

Conformiteitsbeoordelingsinstantie

CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Inspectie SZW .

CLP

Classification, Labelling and Packaging

CLP wordt vaak gebruikt als afkorting van de CLP-verordening. Dat is de Europese verordening over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

CNG

Compressed Natural Gas

CNG is aardgas onder druk.

Conformiteitsverklaring

Verklaring van een fabrikant waarin staat dat het apparaat of de installatie is gemaakt volgens code uit het ontwerp

Een onafhankelijke partij (NOBO) heeft toezicht uitgevoerd op de productie.

Constructie

Vrijstaande opslagvoorziening die geen gebouw is, bijvoorbeeld een overkapping

Controletemperatuur (Tc)

Maximale, gecontroleerde temperatuur waarbij een organisch peroxide mag worden opgeslagen Deze temperatuur wordt afgeleid van de SADT (temperatuur van zichzelf versnellende ontleding).

Degene die de activiteit verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Beheerder,

Exploitant,

Operator

Detonatie

Een specifieke vorm van explosie

Bij een detonatie ontleedt reactief materiaal waarbij het reactiefront sneller dan de geluidsnelheid in het materiaal verplaatst. Voor deze ontleding is geen zuurstof nodig. De voortdrijvende kracht van het reactiefront is een schokgolf.

Dodemansknop

Knop die ervoor zorgt dat tanken van of verladen van organische peroxiden alléén kan plaatsvinden door het indrukken van deze knop

Domino-effect

Effect waarbij het falen van een gevarenbron leidt tot het falen van een andere gevarenbron en waarbij de (directe) gevolgen van het falen van de eerste gevarenbron kleiner zijn dan de gevolgen van het falen van het vervolgongeval

Doseervat

Vat dat wordt gebruikt voor toevoer van organische peroxide aan het reactievat of de verwerkingsapparatuur

Organische peroxiden in de originele transportverpakking (vaatjes en/of jerrycans al dan niet met een pomp) die op de werkvloer worden gebruikt, vallen niet onder het begrip doseervat. Een IBC kan wel als doseervat worden gebruikt als uit de RIE blijkt dat dit verantwoord kan.

Doseervatruimte

Ruimte specifiek bedoeld voor doseervaten met organische peroxiden

Aftappen uit transportverpakkingen is ook toegelaten in een doseervatruimte. Voor een doseervatruimte gelden specifieke eisen die in PGS 8 staan.

Effectafstand

Afstand die is vereist tussen de opslagplaats en omringende objecten

Veiligheidsafstand

EN

Europese Norm

Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:

– Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.

– Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.

– Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.

Erfgrens

Begrenzing van het terrein waarop de activiteiten van het bedrijf plaatsvinden

Euro-brandklasse

Europese indeling voor de brandbaarheid van bouwmaterialen

Er zijn zeven Euroklassen: A1, A2, B, C, D, E en F. Hierbij staat A1 voor onbrandbaar, F betekent uiterst brandbaar.

EX IIB T3

Aanduiding van de explosieveilige uitvoering van een apparaat

EX IIB T3 geeft aan dat het apparaat explosieveilig is uitgevoerd voor gassen/dampen uit gasgroep IIB (met een gemiddelde minimumontstekingsenergie) en temperatuurklasse T3 (een ontstekingstemperatuur hoger dan 200 °C).

Explosieve atmosfeer

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet-verbrande mengsel

Gebruiker volgens WBDA 2016

Degene die de installatie gebruikt

Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.

Gevarenzone 2

Plaats waar de aanwezigheid van een explosieve atmosfeer, bestaande uit een mengsel van brandbare stoffen in de vorm van gas, damp of nevel met lucht, onder normaal bedrijf niet waarschijnlijk is en waar, wanneer dit toch gebeurt, het verschijnsel van korte duur is

Gevarenzone-indeling

Indeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbobesluit

Dit ligt vast in ATEX. Het gaat hierbij om het gevaar voor ontploffing van een gas of ontploffing van een vaste stof.

Grenswaarde

Maximaal toegestane concentratie

HAZOP

HAZard and OPerability

De HAZOP-methode is een standaard methode voor het identificeren en evalueren van procesafwijkingen en het identificeren van gevaren en ongewenste situaties.

Storingsanalyse

HD-afleveren of Heavy Duty afleveren

HD-afleveren staat voor Heavy Duty-afleveren van LPG

Bij het HD-afleveren vindt het afleveren plaats met een vulsnelheid tussen de 80 l/min en 300 l/min. HD-afleveren wordt onder meer toegepast bij bussen. In andere situaties dan het HD-afleveren, bijvoorbeeld bij het afleveren van LPG aan personenwagens, is de vulsnelheid altijd kleiner dan 80 l/min.

Hogedrempelinrichting

Seveso-bedrijfsterrein waar een gevaarlijke stof in een grotere of gelijke hoeveelheid aanwezig is dan/als de genoemde waardes in de Seveso-richtlijn 2012/18/EU, zie Bal

Hulpverleningsdiensten

Politie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen

Hulpdiensten

H-zinnen

Zinnen die de aard van het gevaar aanduiden, zie Bijlage N

IBC

Intermediate Bulk Container

Een IBC wordt beschouwd als een verpakking. Het opslaan van organische peroxiden in een IBC valt ook onder deze PGS. In specifiek benoemde situaties kan een IBC ook worden gebruikt als doseervat.

IEC

International Electrotechnical Commission

Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.

IMDG-code

International Maritime Dangerous Goods-code Internationale code voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over zee.

In afwezigheid van personeel

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Onbemand,

Zonder direct toezicht,

Zonder aanwezigheid van personeel

Inpandige opslagvoorziening

Opslagvoorziening voor organische peroxiden die in een gebouw staat (zie figuur 3)

Integrale opslagvoorziening

Opslagvoorziening waar één of meer bouwdelen of scheidingsconstructies onderdeel zijn van een gebouw waar ook andere activiteiten plaatsvinden

Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken.

Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan,

Calamiteitenplan

Noodplan

Plan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken.

Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan,

Calamiteitenplan

Interne veiligheidsafstand

Minimumafstand bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken.

Deze interne veiligheidsafstand heeft geen relatie met afstanden in verband met explosieveiligheid als bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en is niet bedoeld om gebouwen en plekken te beschermen waar mensen werkzaam zijn.

ISO

International Organization for Standardization Internationale Organisatie voor Standaardisatie

ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale standaardisatieorganisaties in een groot aantal landen.

KvI

Keuring voor Ingebruikneming

LBM

Liquified BioMethane Vloeibaar gemaakt biomethaan

LEL

Onderste explosiegrens

Concentratie van brandbaar gas of brandbare damp in de lucht beneden welke de atmosfeer niet explosief is

LEL is de afkorting van de Engelse term Lower Explosive Limit.

LNG

Liquified Natural Gas

Vloeibaar gemaakt aardgas

Cryogeen, methaan

Losslang

Slang waarmee opslagtanks vanuit een tankwagen met brandstof worden gevuld

Vulslang

LPG-afleverinstallatie klaar voor gebruik

LPG-afleverinstallatie die in bedrijf is gesteld door het inschakelen van de elektrische installatiekast waardoor er spanning op de installatie komt te staan en deze gereed is voor het afleveren van product

LQ

Afkorting van Limited Quantities (gelimiteerde hoeveelheden)

Dit is een aanduiding voor verpakkingen met kleine hoeveelheden stoffen die samen in een doos of andere verpakking aanwezig zijn. Deze LQ-verpakkingen zijn te herkennen aan het LQ-etiket of het UN-nummer op de transportverpakking

Afbeelding 13

Afbeelding 14

Milieubelastende activiteit

In de Omgevingswet omschreven als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben

Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.

NEN

NEN staat voor NEderlandse Norm. NEN staat ook voor Stichting Koninklijk NEderlands Normalisatie-instituut. Dat instituut geeft NEN-normen uit.

NEN-EN

Europese norm (EN) die door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven

NEN-EN-IEC

Door IEC vastgestelde internationale norm

De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm

De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm

De norm is door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NOBO

NOtified Body

Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.

Nooddrukontlasting

Veiligheidsvoorziening (bijvoorbeeld deur, luik, paneel, veerveiligheid of breekplaat), die voorziet in de afvoer van overmatige hoeveelheden gassen en/of vloeistoffen, af te laten met voldoende capaciteit om de druk voldoende laag te houden.

Noodstopvoorziening

Voorziening die een apparaat, voertuig of installatie uitschakelt of stilzet of in een veilige toestand brengt.

Deze is bedoeld om bij een incident of calamiteit verdere escalatie te voorkomen.

Noodstop
NPR

Nederlandse Praktijkrichtlijn

Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) geeft NPR-publicaties uit. Een NPR is een informatieve praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.

NTA

Nederlandse Technische Afspraak

Dit is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat. Een NTA kan snel tot stand komen.

NVWA

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit

De NVWA bewaakt de veiligheid van voedsel en consumentenproducten, de gezondheid van dieren en planten, het dierenwelzijn en handhaaft de natuurwetgeving.

Onbrandbaar

Onbrandbaar bouwmateriaal of onbrandbare stoffen, materialen of producten

Het gaat bij onbrandbare bouwmaterialen om onbrandbaarheid volgens NEN 6064.

Ontleding

Chemische reactie waarbij een molecuul in twee of meer kleinere moleculen wordt gesplitst

OP

Organisch Peroxide

Opslaggroep

Onderverdeling van organische peroxiden in vijf groepen met het oog op gevaar bij opslag

Opslagtank

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Opslagreservoir

Reservoir

Tank

Opvangbassin

Bassin voor organische peroxiden en koel-/bluswater, ter voorkoming van uitbreiding van de brand en ter bescherming van het milieu

Opvangbak

Lekbak

Opvangvoorziening

Voorziening die is bedoeld voor het opvangen van vrijkomende organische peroxiden door morsen, lekkage of bezwijken van het doseervat

Een opvangvoorziening kan bijvoorbeeld een bak of een overmaats vat zijn.

Opvangbak

Lekbak

Organische peroxide

Organische stof met een O-O-peroxybinding in het molecuul

P-zinnen

Zinnen die de aard van de te nemen voorzorgsmaatregelen aanduiden, zie Bijlage N

PED

Pressure Equipment Directive

Richtlijn Drukapparatuur Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur

De PED-richtlijn beschrijft “essentiële veiligheidseisen” voor drukapparatuur. Het gaat om algemene veiligheid en bescherming tegen zowel persoonlijk letsel als materiële schade.

Onder de PED-richtlijn vallen alle producten en installaties met een druk die hoger is dan 50 kPa. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het WBDA 2016.

PRD

Praktijkregels voor Drukapparatuur

Deze praktijkregels bevatten uitleg over alle regels uit het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. De Technische Commissie van Drukapparatuur van NEN stelt deze praktijkregels op. De PRD zijn te verkrijgen via de website van de SDU .

QRA

Quantitative Risk Assessment/Analysis Kwantitatieve risicoanalyse

QRA is een rekenmethode om de externe risico’s van het gebruiken, vervoeren en opslaan van gevaarlijke stoffen inzichtelijk te maken. Voor het bepalen van de risico’s voor de externe veiligheid worden in een QRA zowel de kansen op als de effecten van incidenten met gevaarlijke stoffen in de berekening opgenomen.

Kwantitatieve risicoanalyse

REACH

Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen

Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. Het beschrijft waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Deze verordening geldt voor alle landen van de Europese Unie.

SADT

Temperatuur van zichzelf versnellende ontleding (Self Accelerating Decomposition Temperature)

Laagste temperatuur waarbij een organisch peroxide in verpakking een zichzelf versnellende ontleding kan starten.

SAE

Society for Automotive Engineering

SAE is een Amerikaans instituut voor deskundigen in de automotive-industrie. SAE stelt ook normen en standaarden op.

SAE J 517

Publicatie J 517 van de SAE – Hydraulic Hose

Deze norm geeft specificaties voor hydraulische slangen.

SAFETI-NL

Programma voor QRA-berekeningen

Het rekenprogramma SAFETI-NL berekent de risico’s voor de veiligheid van de leefomgeving van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen. Meer informatie over SAFETI staat op de website van het RIVM.

SBR

Stichting Bouwresearch

SBR was een kennisinstituut op het gebied van de bouw en gebouwinstallaties.

Seveso-bedrijfsterrein

Een of meer Seveso-installaties op een locatie die volledig wordt beheerd door diegene die het Seveso-bedrijfsterrein exploiteert, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten, zie Bal

Seveso-installatie

Technische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan, zie Bal

Seveso-hogedrempelinrichting

Seveso-bedrijfsterrein waar een gevaarlijke stof in een grotere hoeveelheid aanwezig is dan de hoge drempel Zie ook bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving.

SIL

Safety Integrity Level

SIL is een indicator voor het kwantificeren van risicoverlaging van systemen of processen van een installatie. De vereiste SIL-klasse hangt af van het oorspronkelijke risico dat intrinsiek verbonden is met de systemen of processen van de installatie. Zie NEN EN IEC 61508 of NEN-EN-IEC 61511.

SWIFT

Structured What If Technique

Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse

SZW

Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Er zijn het ministerie van SZW en de Inspectie SZW.

Tanken van brandstof

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Afleveren,

Brandstof tanken,

Benzine tanken

Tankzuil

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving: Samenbouw van onderdelen voor het tanken van brandstof. De leidingen die de brandstof aanvoeren vanuit de opslagtank, compressor of bufferopslag, horen hier ook bij.

Afleverzuil,

Afleverpomp,

Aflevertoestel,

Afleverinstallatie,

Benzinepomp,

Dispenser,

Pompzuil

Te

Kritieke temperatuur (Te, emergency temperature)

Temperatuur waarbij noodprocedures in werking moeten worden gezet. Deze temperatuur wordt afgeleid van de SADT.

Ten hoogste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Maximaal

Ten minste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Minstens,

Minimaal

Terugslagklep

Klep in een installatie die ervoor zorgt dat gassen of vloeistoffen niet kunnen terugstromen

Terugslag-voorziening

Type organische peroxide

Classificering van de organische peroxiden aan de hand van de verschillende eigenschappen van de organische peroxiden

Er is een indeling gemaakt in type A t/m G. Dit is uitgelegd in 2.2.2.

UEL

Bovenste explosiegrens

Concentratie van brandbaar gas of brandbare damp in de lucht boven welke de atmosfeer niet explosief is

UEL is de afkorting voor de term Upper Explosive Limit

Uitpandige opslagvoorziening

Opslagvoorziening voor organische peroxiden die tegen een ander gebouw aanstaat (zie figuur 3)

UPD

Uitgangspuntendocument

Het uitgangspuntendocument van een brandbeveiligingsinstallatie bevat alle bouwkundige, organisatorische en installatietechnische eisen voor de te beveiligen ruimten en locaties.

Veiligheidsafstand

Afstand die is vereist tussen de opslagplaats en omringende objecten

Effectafstand

VIB

Veiligheidsinformatieblad Een veiligheidsinformatieblad is een gestructureerd document met informatie over de risico's van een gevaarlijke stof of preparaat en aanbevelingen voor het veilig gebruik ervan. Het bevat alle eigenschappen van het product: van de gevaren en de chemische samenstelling tot informatie over beschermingsmiddelen, veilig gebruik, transport en afvoer.

Msds,

Sds,

Safety data sheet

Vlampunt

Laagste vloeistoftemperatuur waarbij onder zekere genormaliseerde omstandigheden uit een vloeistof dampen in een zodanige hoeveelheid worden afgegeven dat een brandbaar gasmengsel van damp en lucht kan worden gevormd

Deze temperatuur wordt onder standaard beproevingscondities bepaald.

VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VNO-NCW

Vereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).

Voldoet aan / Volgens / Zoals dat staat in

Overeenkomstig

Vrijstaande opslagvoorziening

Opslagvoorziening voor organische peroxiden die losstaat van gebouwen of opslagvoorzieningen (zie figuur 3)

VTH

Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

Vulaansluiting

Onderdeel van de afleverslang bij een tankzuil

De vulaansluiting zorgt voor een vaste verbinding van de afleverslang met het voertuig of vaartuig. Deze komt voor bij tanken van gasvormige brandstoffen.

Vulkoppeling

Vulpistool

Onderdeel van de afleverslang bij een tankzuil

Een vulpistool wordt gebruikt bij het tanken van benzine, diesel en andere vloeibare brandstoffen.

Vulpunt

Onderdeel van een installatie met een opslagtank

Het vullen van de opslagtank gebeurt via het vulpunt.

VvI

Verklaring van Ingebruikneming

Warmtestraling

Straling als gevolg van een brand aangegeven door een warmtestralingscontour op de omgeving in kW/m2.

Stralingsbelasting,Warmtestralings-belasting,

Warmtebelasting

WBDA 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

WBDBO

Weerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag

WBDBO gaat over een gebouw of scheidingsconstructie.

WBDBO is een eis voor de tijd die het gebouw of de scheidingsconstructie weerstand kan bieden tegen het doorslaan of overslaan van een brand. Dit kan gaan om van binnen naar buiten, en om van buiten naar binnen.

De brandwerendheid van scheidingsconstructies bepaalt de weerstand tegen branddoorslag. WBDBO kan worden bereikt met brandwerende constructies of met afstanden, of met een combinatie daarvan. Bij brandoverslag moet een berekening volgens NEN 6068 worden uitgevoerd.

Wegloopreactie (runaway reaction)

Reactie die onbeheersbaar versnelt en kan leiden tot een grote stijging van temperatuur en druk

In opgesloten toestand (zoals in een reactor of tank als de nooddrukontlasting onvoldoende capaciteit heeft) kan een wegloopreactie een fysische explosie tot gevolg hebben waarbij brokstukken worden weggeworpen.

Werkvoorraad

Organische peroxiden die op de werkvloer voor onmiddellijk gebruik gereed aanwezig zijn, zie ook Bijlage M

Dagvoorraadruimte

Opslagvoorziening voor het tijdelijk met een maximum van 72 h opslaan van organische peroxiden

In een dagvoorraadruimte is aftappen van organische peroxiden voor het productieproces toegelaten. Een dagvoorraadruimte ligt in de buurt van het productieproces.

Wvr

Wet veiligheidsregio's

Zichzelf versnellende ontleding

Ontledingsreactie die steeds sneller verloopt doordat er steeds meer warmte vrijkomt

Bijlage BNormen en bronnen

Bijlage B.1 is normatief. Bijlage B.2 is informatief.

B.1Normatieve documenten en normenNormatief

Deze bijlage bevat normen en andere documenten die zijn genoemd in de maatregelen en normatieve hoofdstukken en bijlagen. Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of een ander normdocument of specificatie waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze richtlijn luidde.

Norm met versie Titel
NEN 1010:2015 Elektrische installaties voor laagspanning – Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks
NEN 2559:2001 Onderhoud van draagbare blustoestellen
NEN 3011:2015 Veiligheidskleuren en -tekens in de werkomgeving en in de openbare ruimte
NEN 3140:2015 Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning
NEN 6060:2015 Brandveiligheid van grote brandcompartimenten
NEN 6063:2008 Bepaling van het brandgevaarlijk zijn van daken
NEN 6064:1991 Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen
NEN 6068:2016 Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten
NEN 6069:2016 Beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten
NEN 6079:2016 Brandveiligheid van grote brandcompartimenten – Risicobenadering
NEN-EN 2:1994 Brandklassen
NEN-EN 3:reeks Draagbare blustoestellen
NEN-EN 671-1:2012 Vaste brandblusinstallaties – Brandslangsystemen – Deel 1: Brandslanghaspels met vormvaste slang
NEN-EN 671-2 Vaste brandblusinstallaties – Brandslangsystemen – Deel 2: Brandslangsystemen met plat-oprolbare slang
NEN-EN 671-3 Vaste brandblusinstallaties – Brandslangsystemen – Deel 3: Onderhoud van brandslanghaspels met vormvaste slang en brandslangsystemen met plat-oprolbare slang
NEN-EN 1012-1:2010 Compressoren en vacuümpompen – Veiligheidseisen – Deel 1: Luchtcompressoren
NEN-EN 1012-2:1996 Compressoren en vacuümpompen – Veiligheidseisen – Deel 2: Vacuümpompen
NEN-EN 1012-3:2013 Compressoren en vacuümpompen – Veiligheidseisen – Deel 3: Procescompressoren
NEN-EN 1363-1:2012 Bepaling van de brandwerendheid – Deel 1: Algemene eisen
NEN-EN 12434:2000 Cryogene vaten – Slangen voor cryogene toepassing
NEN-EN 12845:2015+ NEN 1073:2018 Vaste brandblusinstallaties – Automatische sprinklerinstallaties – Ontwerp, installatie en onderhoud
NEN-EN 13501-1:2019Brandclassificatie van bouwproducten en bouwdelen –Deel 1: Classificatie op grond van resultaten van beproeving van het brandgedrag
NEN-EN 13766:2010 Thermoplastische meerlaagse (niet-gevulcaniseerde) slangen en slangassemblages voor het transport van vloeibaar petroleumgas en vloeibaar aardgas – Specificatie
NEN-EN 50402:2017 Elektrisch materieel voor de detectie en meting van brandbare of giftige gassen, dampen of zuurstof – Eisen aan de functionele veiligheid van vastbevestigde gasdetectiesystemen
NEN-EN-IEC 60079-10-1: 2015 Explosieve atmosferen – Deel 10-1: Classificatie van gebieden – Explosieve gasatmosferen
NEN-EN-IEC 60079-14:2014 Explosieve atmosferen – Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties
NEN-EN-IEC 60079-29-2: 2015 Explosieve atmosferen – Deel 29-2: Gas detectoren – Selectie, installatie, gebruik en onderhoud van detectoren van brandbare gassen en zuurstof
NEN-EN-IEC 60947-5-5:1998 Laagspanningsschakelaars – Deel 5-5: Stuurstroomkringen en schakelelementen – Elektrische noodstopinrichting met mechanische vergrendelingsfunctie
NEN-EN-IEC 61508:2010 Functionele veiligheid van elektrische/elektronische/programmeerbare elektronische systemen verbandhoudend met veiligheid
NEN-EN-IEC 61511:2003 Functionele veiligheid – Veiligheidssystemen voor de procesindustrie
NEN-EN-IEC 62305-1:2011 Bliksembeveiliging – Deel 1: Algemene principes
NEN-EN-IEC 62305-2:2012 Bliksembeveiliging – Deel 2: Risicomanagement
NEN-EN-IEC 62305-3:2011 Bliksembeveiliging – Deel 3: Fysieke schade aan objecten en letsel aan mens en dier
NEN-EN-IEC 62305-4:2011 Bliksembeveiliging – Deel 4: Elektrische en elektronische systemen in objecten
NEN-EN-ISO 13850:2015 Veiligheid van machines – Noodstopfunctie – Ontwerpbeginselen
NEN-EN-ISO 4126-1:2013 Veiligheidsvoorzieningen voor bescherming tegen ontoelaatbare overdruk – Deel 1: Veiligheidskleppen
NEN-EN-ISO 7010:2012 Grafische symbolen – Veiligheidskleuren en -tekens – Geregistreerde veiligheidstekens
NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012 Conformiteitsbeoordeling – Eisen voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren
NPR 1014:2009 Bliksembeveiliging – Leidraad bij de NEN-EN-IEC 62305- reeks
NPR 2578:2013 Beheer en onderhoud van LPG-, propaan- en butaaninstallaties
NPR 7910-1:2010 Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 1: Gasexplosiegevaar, gebaseerd opNEN-EN-IEC 60079-10-1:2009
NPR-CLC-IEC/TR 60079- 32-1:2015 Explosieve atmosferen – Deel 32-1: Richtlijnen voor elektrostatische risico's
API RP 2218:2013 Fireproofing Practices in Petroleum and Petrochemical Processing Plants
NFPA 13:2019 Standard for the Installation of Sprinkler Systems
NFPA 15:2017 Standard for Water Spray Fixed Systems for Fire Protection
NFPA 400:2019 Hazardous Materials Code
UL 1709:2017 Standard for Rapid Rise Fire Tests of Protection Materials for Structural Steel

B.2Informatieve documenten en bronnen

Nummer Titel Vindplaats
[1] ADR 2019 rijksoverheid.nl
[2] Arbeidsomstandighedenwet wetten.overheid.nl
[3] Arbeidsomstandighedenbesluit wetten.overheid.nl
[4] Arbeidsomstandighedenregeling wetten.overheid.nl

[5]

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl)

wetten.overheid.nl
[6] Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 wetten.overheid.nl
[7] Warenwetregeling drukapparatuur 2016 wetten.overheid.nl
[8]Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016 wetten.overheid.nl
[9] Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 wetten.overheid.nl
[10] Warenwetbesluit machines wetten.overheid.nl
[1 1] Wet veiligheidsregio's wetten.overheid.nl
[12] Besluit veiligheidsregio's wetten.overheid.nl
[13] Omgevingswet overheid.nl
[14] Omgevingsbesluit overheid.nl
[15] Besluit activiteiten leefomgeving overheid.nl
[16] Besluit bouwwerken leefomgeving overheid.nl
[17] Besluit kwaliteit leefomgeving overheid.nl
[18] Wet vervoer gevaarlijke stoffen wetten.overheid.nl
[19] Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen wetten.overheid.nl
[20] Handreiking Generieke Risicobenadering PGS Nieuwe stijl, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, versie 1.1 (maart 2017) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[21] PGS 2: Methods for the calculation of the physical effects, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 2 (1997/2005) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[22]

PGS 6: Aanwijzingen voor de implementatie van het BRZO 2015, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 6 – versie 1.0 (november 2016)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[23] PGS 8: Organische peroxiden – Opslag Richtlijn voor de arbeidsveilige, milieuveilige en brandveilige opslag van organische peroxiden, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 8 – versie 1.0 (december 2011) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[24] PGS 14: Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen – Handreiking bij de toepassing van opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 14 – versie 1.0 (oktober 2017) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[25] PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 15:2016 – versie 1.0 (september 2016) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[26]

PGS 29: Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 29 – versie 1.1 (december 2016)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[27] PGS 31: Overige vloeistoffen – Opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 31 – versie 1.1 (oktober 2018) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[28] Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen (VBB-systemen) – Handreiking voor het opstellen van een Uitgangspunten Document (UPD), Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen: UPD 2017 – versie 1.0 (juni 2017) Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen
[29] NEN 5056:2011, Niet-verrijdbare stalen opslagsystemen – Verstelbare palletstellingsystemen – Technische grondslagen voor het ontwerp – Afwijkingen van en aanvullingen opNEN-EN 15512:2009 NEN
[30]NEN-EN 15512:2009, Stalen opslagsystemen – Verstelbare pallet stellingsystemen – Principes voor constructief ontwerpen NEN
[31] NEN-EN-ISO 14001:2015, Milieumanagementsystemen – Eisen met richtlijnen voor gebruik NEN
[32] ISO 45001:2018, Managementsystemen voor gezond en veilig werken – Eisen met richtlijnen voor gebruik ISO 45001 vervangt de OHSAS 18001-norm. In 2021 is de vervanging definitief. NEN
[33] NTA 8620:2016, Specificatie van een veiligheidsmanagement-systeem voor risico's van zware ongevallen NEN
[34]Beoordelingsrichtlijn BRL- K901/03 2011-10-15voor het Kiwa procescertificaat voor ‘Regeling Erkenning Installateurs tanks en leidingen voor drukhoudende opslag van LPG, propaan, butaan, DME en aardgas (REIP)’ KIWA
[35] Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid, Brandweer Nederland, november 2012 Brandweer Nederland
[36] CCV-inspectieschema Brandbeveiliging Centrum voor criminaliteitspreventie en brandbeveiliging
[37] ATEX 114: Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersenEuropese Unie
[38] ATEX 153: Richtlijn 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopenEuropese Unie
[39] CLP-verordening (EG) 1272/2008 Europese Unie

[40]

Richtlijn 97/23/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 mei 1997 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende drukapparatuur

Europese Unie

[41]

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur

Europese Unie
[42] Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen Europese Unie
[43] UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods UNECE
[44] UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria UNECE
[45] BG-Vorschrift B4, Organische Peroxide – Unfallverhütungsvorschrift (BGV B4), uitgegeven door het Berufsgenossenschaft Rohstoffe und Chemische Industrie (2011) Berufsgenossenschaft Rohstoffe und Chemische Industrie
[46] Brandproeven met organische peroxiden in vergelijking met kruit, TNO Prins Maurits Laboratory, Report 4205, 11 augustus 1995 Niet openbaar
[47] Brandproeven met peroxyazijnzuur (40 %), TNO Prins Maurits Laboratory, Report M9434, 21 november 1979 Niet openbaar
[48] DIN 15146:2019, Paletten - Vierwege-Flachpaletten aus Holz; 800 mm × 600 mm DIN
[49] Sprengstofflager-Richtlinie: SprengLR 011 Richtlinie für das Zuordnen sonstiger explosionsgefährlicher Stoffe zu Lagergruppen (1981) Umwelt-online
[50] Thermal radiation hazards of organic peroxides, T.A. Roberts, R. Merrifield, S. Tharmalingan, G. Loss Prevention Process Ind., 1990, Vol. 3, April Journal of Loss Prevention in the Process industries

Bijlage CEisen aan opslagvoorzieningen

Bijlage C.1 en Bijlage C.2 zijn normatief. Bijlage C.3 is informatief.

C.1Scheidingswand tussen compartimentenNormatief

Het schema in Afbeelding 15 hoort bij M12 (Opslagvoorziening – Meerdere opslageenheden).

Afbeelding 15Figuur C.1 — Scheidingswand tussen compartimenten

Legenda

R richting nooddrukontlasting
S doorgetrokken scheidingswand

C.2Brandwerende gevel rondom nooddrukontlastingNormatief

Het schema in Afbeelding 16 hoort bij M9.

Afbeelding 16Brandwerende gevel rondom nooddrukontlasting

Legenda

R richting nooddrukontlasting
S brandwerende gevel

C.3Voorschriften voor opslagtanks tot 100 m³

C.3.1Algemeen

Opslag in tanks is toegelaten voor type F-organische peroxiden. De veiligheid van het organische peroxide in de tank behoort te worden aangetoond. Verdunningen van geconcentreerde organische peroxiden die door de gebruikers zelf zijn gemaakt, komen voor opslag in tanks in aanmerking, mits aangetoond is dat zij eigenschappen hebben die vergelijkbaar zijn met type F-peroxiden. Elke verandering in classificatie behoort op proeven te zijn gebaseerd, evenals bij de op de lijst voorkomende peroxiden. Verdere gegevens hierover kunnen worden verstrekt door de leverancier van het organische peroxide of door gespecialiseerde instituten.

Noodsituaties waarmee rekening behoort te worden gehouden, zijn de zelfversnellende ontleding van het organische peroxide en de situatie dat de tank door brand is omgeven (warmtebelasting zoals vastgelegd in de transportvoorschriften voor vervoer van organische peroxiden in tanks van 4.2.1.13 van Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen), zie Bijlage B.2).

Zowel voor drukopslag als atmosferische opslag worden in Bijlage C.3.2 aandachtspunten beschreven die voor de opslag van peroxiden van belang zijn. Deze aandachtspunten zijn aanvullend op het warenwetbesluit voor drukopslag. Voor atmosferische opslag gelden de aandachtspunten uit PGS 29 en PGS 31, tevens worden extra aandachtspunten voor de opslag van organische peroxiden benoemd.

1. Drukopslag

Voor drukopslag is het warenwetbesluit drukapparatuur van toepassing voor de installatie, inspectie en onderhoud waarbij de aandachtspunten van Bijlage C.3.2 voor de opslag van peroxiden worden aanbevolen.

2. Atmosferische opslag

De relevante aandachtspunten voor de atmosferische opslag van peroxiden van de typen F en G zijn deels gebaseerd op de PGS 31-voorschriften voor bovengrondse opslag in atmosferische tanks voor de ADR 3-gevaarsclassificatie.

Voor bestaande tanks gebouwd onder PGS 29-regime geldt dat deze moeten voldoen aan de voorschriften voor PGS-klasse 1- en PGS-klasse 2-opslag zoals beschreven in PGS 29.

C.3.2Extra aandachtspunten voor de opslag van organische peroxiden

Laden/lossen tankauto’s
  • Zelfbelading en/of lossing wordt afgeraden, tenzij dit wordt uitgevoerd door getraind personeel.
Ondergrondse of ingeterpte opslag
  • Voor ondergrondse opslag moet worden voldaan aan het WBDA, dan wel aan PGS 31. Roestvast stalen tanks en leidingen hoeven niet te zijn voorzien van kathodische bescherming.
Beveiliging
  • Geadviseerd wordt peroxideopslagtanks te voorzien van een nooddrukontlasting die bij een ontledingsreactie voorkomt dat de opslagtank explodeert.
    Toelichting:
    Scherfwerking en een drukgolf wordt hierdoor voorkomen.
  • De tank behoort een statische inwendige overdruk te kunnen weerstaan die hoger is dan de nooddrukontlasting. Dit voorschrift is niet van toepassing als er een HIPPS is geïnstalleerd. Zie volgende punt.
  • Als alternatief voor de nooddrukontlasting kan een zogenoemd High Integrity Pressure Protection System (HIPPS) worden toegepast. De beschikbaarheid en betrouwbaarheid van dit systeem wordt onderbouwd met toepassing van NEN-EN-IEC 61511.
Opvangvoorziening
  • Er behoort bij voorkeur een separate opvangvoorziening aanwezig te zijn met een inhoud van het werkvolume van de grootste tank vermeerdert met koelwater en bluswater van de aanwezige stationaire installaties, dan wel de mobiele brandbeheersingsvoorzieningen die zijn vereist.
    Toelichting:
    Het werkvolume wordt bepaald door het niveau waarbij de hoogniveau- alarmering wordt geactiveerd.
  • Bij de bepaling van de opvangcapaciteit behoort rekening te worden gehouden met het volume dat wordt ingenomen door andere elementen in de opvangvoorziening, zoals fundaties en andere opslagvoorzieningen. Als regenwater in een opvangvoorziening aanwezig kan zijn, behoort dit volume in mindering te worden gebracht op de beschikbare opvangcapaciteit.
  • De opvangvoorziening behoort voldoende sterk te zijn om weerstand te kunnen bieden aan de als gevolg van een lekkage optredende vloeistofdruk en het soort gevaarlijke vloeistof.
  • De opvangvoorziening behoort bestand te zijn tegen de optredende warmtestralingscontouren bij een plasbrand in de opvangvoorziening. Dit met een maximum van 2 h.
    Toelichting:
    De maximumtijd van 2 h is opgenomen vanwege de beperkte warmtebestendigheid van de afdichting van dilatatievoegen en hoekverbindingen.
  • De opvangvoorziening mag worden gecombineerd met de opvang van andere verenigbare stoffen.
    Toelichting:
    Als uit de betreffende msds onverenigbaarheid blijkt, mag de opvangvoorziening niet worden gedeeld.
  • Indien de opvangvoorziening op veilige afstand van de installaties is gesitueerd of is afgeschermd met een brandwerende constructie (geen escalatie van de tankputbrand mogelijk), kan een uitbrandscenario als beheersmaatregel worden gekozen.
Opslagtanks
  • De vullingsgraad van tanks behoort niet groter te zijn dan 90 %.
  • Een opslagtank voor de opslag van organische peroxiden behoort bij voorkeur uitpandig te zijn geplaatst. Echter, indien de tank inpandig is geplaatst, behoort voor atmosferische opslag de noodontlasting met de buitenlucht te zijn verbonden (voor drukopslag wordt dit vormgegeven op basis van het WBDA). De los-/laadvoorziening behoort aan de buitenzijde van de opslag en op veilige afstand van de noodontlasting te liggen.
  • De materialen waaruit de tank is samengesteld, behoren aantoonbaar verenigbaar te zijn met de organische peroxiden die met de tank in aanraking komen.
  • Een richtlijn voor de maximale inhoud van de tank is 100 m³.
  • De tank behoort volledig te worden geïsoleerd:
    • indien de SADT van het organische peroxide in de tank 55 °C is of lager, of
    • indien het isolatiemateriaal onbrandbaar is, bepaald volgens NEN 6064.
    • Toelichting:
      De SADT en dus de Tc en Te van organische peroxiden die zijn opgeslagen in tanks, verschilt van die van dezelfde organische peroxiden in (kleinere) verpakkingen.
  • De temperatuur van de tankinhoud behoort representatief te worden bewaakt door ten minste drie temperatuurmetingen waarvan:
    • twee onafhankelijke thermometers in de vloeistoffase zijn geplaatst. De alarmwaarde behoort niet hoger te zijn ingesteld dan de kritieke opslagtemperatuur, Te;
    • ten minste één thermometer in de dampfase is geplaatst met een ingestelde waarde op 50 °C of lager.
    • De melding bij overschrijding van de alarmwaarden behoort plaats te vinden naar een permanent bemande plaats.
  • Organische peroxiden met een Tc ≥ 30 °C hoeven niet actief te worden gekoeld, indien de buitenzijde van de opslagtank in wit of helder metaal is uitgevoerd, of onder een afdak is geplaatst dat directe aanstraling door de zon voorkomt.
  • De toevoer van warmte behoort te worden voorkomen.
  • Organische peroxiden met een Tc < 30 °C behoren actief te worden gekoeld. Voor de opslag van organische peroxiden in opslagtanks kan de actieve koeling worden uitgevoerd op een van de volgende manieren:
    • spiraalkoeling;
    • mantelkoeling;
    • koeling via circulatiesystemen;
    • reserve- of noodvoorzieningen in het geval van storingen van de koelinstallatie.
  • Voor het bepalen van afstanden behoren organische peroxiden opgeslagen in tanks (op basis van het volume) te worden beschouwd als opslaggroep 2.
  • In het geval van meerdere opslagtanks op één opslaglocatie geldt op basis van de mogelijke brandscenario’s een van de volgende aandachtspunten:
    1. De tanks zijn geïsoleerd met een materiaal dat volgens API RP 2218 / UL 1709 ten minste 60 min brandwerend is.
    2. Er bevinden zich buiten de tanks deluge-systemen (uitgevoerd volgens NFPA 15/NFPA 400) om de tanks tegen opwarming als gevolg van externe brand te beschermen en om voor extra koeling te zorgen.
    3. Een combinatie van 1) en 2).
Brandbestrijding

Bij opslag van organische peroxiden in een tank, behoort de tank te worden gezien als één verpakking die zelf niet kan branden. Met andere woorden: bij een brand is er, in vergelijking met de opslag van verpakkingen in een opslagvoorziening, geen risico dat door de brand andere verpakkingen betrokken raken, de brand groter wordt en het risico ontstaat dat de brand overslaat als er niet wordt geblust.

Op basis van dit gegeven wordt dan ook geadviseerd dat bij brand van organische peroxiden de brandweer de organische peroxiden gecontroleerd laat uitbranden. Hierbij behoort uiteraard te worden voorkomen dat de brand overslaat op andere objecten binnen de inrichting.

Hierbij gelden de volgende aandachtspunten:

  • ATEX is van toepassing voor de reguliere ontledingsproducten bij een reguliere opslag van organische peroxiden. De vastgemonteerde elektrische apparatuur binnen en direct rondom de opslagtank behoort te voldoen aan de eisen voor EX IIB T3 volgens het Warenwetbesluit explosieveilig materieel.
  • Indien noodzakelijk behoort een doelmatige bliksembeveiligingsinstallatie te zijn geplaatst.
    Toelichting:
    Om het risico van blikseminslag in de opslag van organische peroxiden te bepalen is een risicoanalyse volgens NEN-EN-IEC 62305-2:2012 noodzakelijk. Hieruit zal blijken of een bliksembeveiliging op de vrijstaande voorziening is vereist.

Bijlage DInterne veiligheidsafstandenNormatief

Deze bijlage is normatief.

D.1AlgemeenNormatief

Deze bijlage bevat informatie over interne veiligheidsafstanden. Deze afstanden zijn gebaseerd op de maatregelen in Hoofdstuk 7.

D.2InleidingNormatief

Uitgangspunt is dat het opslaan van organische peroxiden plaatsvindt in een dichte opslagvoorziening met voldoende brandwerendheid. En dat bij een brand met organische peroxiden deze opslagvoorziening niet wordt verplaatst. Dat betekent dat een brand beperkt blijft tot de opslagvoorziening zelf.

Voor grotere opgeslagen hoeveelheden zijn naast voldoende brandwerendheid ook veiligheidsafstanden vereist. Dit is noodzakelijk om andere gebouwen te beschermen tegen de warmtebelasting ten gevolge van een felle brand in de opslagvoorziening. Bovendien moet een opslagvoorziening zelf worden beschermd tegen een externe brand, aangezien een dergelijke brand tot ontleding en/of ontbranding van het organische peroxide kan leiden. In de regel zijn de afstanden om dit te voorkomen kleiner dan de afstanden die nodig zijn om andere gebouwen te beschermen tegen een brand in de opslagvoorziening van het organische peroxide.

Veiligheidsafstanden zijn vereist rondom een vrijstaande voorziening en vóór de nooddrukontlasting van een integrale voorziening als daar meer dan 150 kg is opgeslagen.

Geen afstand op basis van drukeffecten

Bij organische peroxiden van opslaggroep 1 kunnen naast brand ook nog explosies van de afzonderlijke verpakkingen optreden. Door het toepassen van op basis van de transportregelgeving (ADR) toegestane verpakkingen is het effect van explosies geringer dan de warmtestraling. De veiligheidsafstanden zijn daarom gebaseerd op warmtestraling in plaats van drukeffecten. Dit is vergelijkbaar met de aanpak in de Duitse wet- en regelgeving: BG-Vorschrift B4 (1 januari 2011).

Geen afstand op basis van dampexplosie

In theorie is bij het opslaan van organische peroxiden ook een dampexplosie mogelijk. Het scenario is dan dat bij ontleding van organische peroxiden brandbare gassen vrijkomen die in de lucht een explosief mengsel vormen. Bij aanwezigheid van een vonk of ontstekingsbron kan een dampexplosie optreden. Vervolgens kan het vlamfront daarvan via de nooddrukontlasting buiten de opslagvoorziening komen. Dit scenario wordt echter niet als realistisch gezien. Preventieve maatregelen als explosieveilig materiaal en materieel en ventilatie (gevarenzone 2) zorgen ervoor dat dit risico sterk is verlaagd. De veiligheidsafstanden zijn daarom alleen gebaseerd op de warmtestraling.

Geen externe veiligheidsafstanden

De veiligheidsafstanden zijn gebaseerd op de warmtestraling, en gelden tot objecten op het bedrijfsterrein en tot de erfgrens.

Het overlijdensrisico bij de gehanteerde grenswaarden voor de warmtestraling op de erfgrens (10 kW/m²) is bij een blootstellingsduur van maximaal 20 s zodanig klein dat als gevolg van het brandscenario geen plaatsgebonden risico van 10⁻⁶ per jaar buiten de begrenzing van het bedrijf aanwezig zal zijn. Dit betekent dat het niet nodig is externe veiligheidsafstanden aan te houden.

Bij aanstraling van gebouwen of installaties wordt bij de gehanteerde grenswaarden voorkomen dat domino-effecten kunnen optreden.

D.3WarmtestralingNormatief

Het bepalen van de veiligheidsafstanden voor opslagvoorzieningen voor organische peroxiden gaat uit van een brand in de opslagvoorziening en van de daarbij veroorzaakte warmtestraling. Daarbij is gebruikgemaakt van de technische gegevens over het gedrag van peroxidebranden.

De warmtestraling van brand in een opslagvoorziening voor organische peroxiden is afhankelijk van:

  • de brandsnelheid (opslaggroep) van het organische peroxide;
  • de opgeslagen hoeveelheid organische peroxide;
  • de veiligheidsmaatregelen in de opslagvoorziening.

D.4Grenswaarden warmtestralingNormatief

Voor het berekenen van de veiligheidsafstanden wordt uitgegaan van:

  • grenswaarden voor de maximaal toegestane warmtestraling op objecten;
  • aard en veiligheidsvoorzieningen van de blootgestelde objecten.

De grenswaarden zijn:

  • 3 kW/m² voor gebouwen en voorzieningen op het bedrijfsterrein waar over het algemeen mensen aan het werk zijn (A-objecten), bijvoorbeeld werkplaatsen, kantoren en controlekamers op het bedrijfsterrein;
  • 10 kW/m² voor de erfgrens en gebouwen of voorzieningen op het bedrijfsterrein waar niet permanent mensen aanwezig zijn (B-objecten), bijvoorbeeld andere opslagvoorzieningen.

D.5Veiligheidsafstanden gebaseerd op warmtestralingNormatief

De veiligheidsafstanden worden berekend op basis van warmtestraling en zijn afhankelijk van de opslaggroep en de totale opgeslagen hoeveelheid organische peroxiden van de opslaggroepen 1, 2 en 3. De hoeveelheid van de opslaggroepen 4 en 5 hoeft hierbij, gezien het geringe gevaar, niet te worden betrokken. De veiligheidsafstanden gelden voor opslagvoorzieningen of compartimenten daarvan zoals beschreven in 0 en moeten worden gemeten vanaf de nooddrukontlasting.

In tabel Tabel 12 zijn de afstanden weergegeven die zijn vereist voor opgeslagen hoeveelheden groter dan 150 kg. Tabel 12 geeft de afstand als functie van het vloeroppervlak, waarbij wordt aangenomen dat op 1 m2 vloeroppervlak 500 kg product wordt opgeslagen.

De afstand wordt berekend volgens formule (D.1):

D=c/8×m(1/3) (D.1)

met A = m / 500 geeft dit formule (D.2):

D=c×A1/3 (D.2)

waarin:

A is het vloeroppervlak [m2];

m is de totale massa [kg];

D is de veiligheidsafstand [m];

c is de constante waarde volgens tabel D.1.

De afstand moet zowel op basis van het vloeroppervlak als de totale hoeveelheid opgeslagen product worden bepaald. Van toepassing is de grootste afstand van deze twee berekeningen. Voor producten van opslaggroep 3 worden in Tabel 12 vaste afstanden gegeven, onafhankelijk van de massa en het vloeroppervlak. Voor de opslaggroepen 1 en 2 mag de afstand nooit kleiner zijn dan de vaste afstand van opslaggroep 3.

Wanneer organische peroxiden van verschillende opslaggroepen in één ruimte worden opgeslagen, moet voor de bepaling van effectafstanden worden uitgegaan van de organische peroxiden met de laagste opslaggroep (oftewel de grootste effectafstanden). Indien de hoeveelheid voor de opslaggroep met de grootste effectafstand kleiner of gelijk is aan 10 % van de gehele opgeslagen hoeveelheid, mag van deze regel worden afgeweken.

De veiligheidsafstanden voor opslagvoorzieningen van organische peroxiden van opslaggroep 1 zijn gebaseerd op een brandsnelheid (BR) van 1 200 kg/min (zie Bijlage E). Aangezien veel organische peroxiden uit opslaggroep 1 minder fel branden, kan voor deze organische peroxiden de afstand volgens formule (D.3) worden toegepast:

d=c×A1/3 ×√(BRc/1200) (D.3)

BRc kan worden verkregen uit de resultaten van de verbrandingstesten met verpakkingen, zie Bijlage E.

Tabel 12Tabel D.1 - Veiligheidsafstanden (in m) van opslagvoorzieningen naar andere objecten (gebaseerd op warmtestraling), uitgaande van een opslag van 500 kg product per m² vloeroppervlak

VeiligheidsvoorzieningOpslaggroep 1a
c × A1/3
Opslaggroep 2*
c × A1/3
Opslaggroep 3
Type A- objectenGEEN24 × A1/311 × A1/316
BEPERKT16 × A1/37 × A1/310
UITGEBREID11 × A1/34,5 × A1/35
Type B- objectenGEEN16 × A1/37 × A1/310
BEPERKT11 × A1/34,5 × A1/35
UITGEBREID7 × A1/33 × A1/30
a De minimale afstand voor de opslaggroepen 1 en 2 is altijd gelijk aan de vaste afstanden van opslaggroep 3.

De veiligheidsvoorzieningen in tabel Tabel 12 zijn als volgt:

GEEN:

De opslagvoorziening heeft geen voorzieningen anders dan de minimumvereisten:

  • een vloeistofkerende vloer/bassin.
BEPERKT:

De opslagvoorziening is voorzien van een beperkt aantal veiligheidsmaatregelen:

  • een vloeistofkerende vloer/bassin;
  • een van de brandbestrijdingsmethoden zoals beschreven in Bijlage J.7 of wanden die volgens NEN 6069 ten minste 60 min brandwerend zijn, behalve wanneer het de nooddrukontlasting betreft;
  • een nooddrukontlasting die volgens NEN 6069 ten minste 30 min brandwerend is.
UITGEBREID – niet in de richting van de ontlastopening:

De opslagvoorziening is voorzien van de volgende uitgebreide veiligheidsmaatregelen:

  • een vloeistofkerende vloer/bassin;
  • een van de brandbestrijdingsmethoden zoals beschreven in Bijlage J.7;
  • wanden die volgens NEN 6069 ten minste 60 min brandwerend zijn, behalve wanneer het de nooddrukontlasting betreft;
  • een nooddrukontlasting die volgens NEN 6069 ten minste 30 min brandwerend is.

Bovendien moet de opslagvoorziening een statische inwendige overdruk kunnen weerstaan die hoger is dan de openingsdruk van de nooddrukontlasting.

UITGEBREID – in de richting van de ontlastopening:

De opslagvoorziening is voorzien van uitgebreide veiligheidsmaatregelen:

  • als aangegeven voor UITGEBREID;
  • de naar de nooddrukontlasting gerichte wanden van het object dat aan gevaar blootstaat, zijn binnen de effectafstanden ten minste 60 min brandwerend volgens NEN 6069.

De in tabel Tabel 12 vermelde afstanden zijn in Afbeelding 20 en figuur Afbeelding 21 gegeven als functie van vloeroppervlak of hoeveelheid opgeslagen product. Een voorbeeld van de toepassing van deze regels is in figuur D.1 Afbeelding 17 gegeven.

Afbeelding 17Figuur D.1 — Effectafstanden (gebaseerd op warmtestraling) naar objecten van type A voor 10 000 kg organische peroxiden van opslaggroep 2 in een opslagvoorziening met uitgebreide veiligheidsvoorzieningen waarbij de deuren dienstdoen als nooddrukontlasting

Legenda

R richting nooddrukontlasting

Z veiligheidszone

Kenmerken opslag:

m 10 000 kg

A 20 m2

Zijkant en achterkant:

4,5 x A1/3 = 12 m

4,5 / 8 x m1/3 = 12 m

Voorkant:

7 x A1/3 = 19 m

7 / 8 x m1/3 = 19 m

In enkele gevallen kunnen de effectafstanden tot nul worden gereduceerd, bijvoorbeeld wanneer een brandwerende muur het object voldoende kan afschermen en het object aan bepaalde eisen voldoet. De vereiste voorzieningen zijn de volgende:

  • De brandwerende muur tussen de opslagvoorziening en het object dat aan gevaar blootstaat, moet 120 min, 90 min en 60 min brandwerend zijn volgens NEN 6069 voor organische peroxiden van respectievelijk opslaggroep 1, opslaggroep 2 en opslaggroep 3. Het brandwerende gedeelte van de muur moet zich verticaal uitstrekken tot het dak van het hoogste gebouw en horizontaal over een afstand gelijk aan de breedte van het object dat gevaar loopt. Een grotere afstand dan volgens tabel Tabel 12 bij de aanduiding UITGEBREID is echter niet vereist.
  • De getroffen maatregelen voor de opslagvoorziening voldoen aan de criteria voor UITGEBREID, met dien verstande dat een automatisch brandbestrijdingssysteem is geïnstalleerd.
  • Het dak van het gevaar lopende object binnen de veiligheidszone is ten minste 30 min brandwerend of de brandwerende muur is 50 cm hoger opgetrokken dan de dakrand om overslag te voorkomen.
  • Voor objecten van type A moet de nooddrukontlasting in tegengestelde richting van het gevaar lopende object zijn opgesteld.
  • Voor objecten van type B mag de nooddrukontlasting niet naar het in gevaar lopende object zijn gericht.

Toelichting:

Voor vermindering naar 0 m zijn moeilijk exacte richtlijnen aan te geven, omdat additionele veiligheidsvoorzieningen op de plaatselijke situatie moeten worden afgestemd in overleg tussen het bedrijf, het bevoegd gezag en eventueel experts. In plaats van een brandwerende muur is het ook mogelijk het object uit materiaal te vervaardigen dat aan dezelfde eisen voldoet. Voorbeelden hiervan staan in de figuren in Afbeelding 18 en Afbeelding 19.

Afbeelding 18Figuur D.2 — Voorbeeld 2 voor vermindering tot 0 m

Afbeelding 19Figuur D.3 — Voorbeeld 2 voor vermindering tot 0 m

Afbeelding 20Figuur D.4 — Effectafstanden voor opslaggroep 1

Afbeelding 21Figuur D.5 — Effectafstanden voor opslaggroep 2

Tabel 13Legenda bij de figuur D.4 in en figuur D.5 in

VeiligheidsvoorzieningGeenBeperktUitgebreid
Lijn AOBJ-A
Lijn BOBJ-BOBJ-A
Lijn COBJ-BOBJ-A
Lijn DOBJ-B

Bijlage EProeven brandsnelheid

Deze bijlage is informatief.

E.1Test ten behoeve van de indeling in opslaggroepen

Deze bijlage bevat de testmethoden die behoren te worden toegepast voor de bepaling van de brandsnelheid van 10 000 kg product. Bijlage E.2 beschrijft de 'grootschalige' proeven. Deze worden toegepast ter bepaling van de brandsnelheid van alle peroxidesamenstellingen. Bijlage E.3 beschrijft een 'kleinschalige' proef voor vloeibare peroxiden. Met uitzondering van grensgevallen kan op basis van de kleinschalige test de brandsnelheid op een schaal van 10 000 kg redelijk goed worden benaderd. Als het resultaat van de kleinschalige proef echter hoger is dan 9,0 kg/min.m², dan is een grootschalige proef nodig. Het resultaat van de grootschalige proef is doorslaggevend.

Elk van beide proeven kan worden gebruikt als basis voor de indeling in opslaggroepen. Echter, wanneer een brandsnelheid lager dan 1 200 kg/min wordt gebruikt voor de berekening van effectafstanden, behoort voor peroxiden van opslaggroep 1 alleen de grootschalige proef te worden toegepast.

E.2Bepaling van brandsnelheid door middel van grootschalige proefneming

E.2.1Testmethode

Inleiding

De brandsnelheid als bedoeld in Paragraaf 2.2.5 wordt gedefinieerd als de brandsnelheid van een massa van 10 000 kg. In de praktijk wordt deze brandsnelheid bepaald op basis van een stapel verpakkingen met een totale massa van ongeveer 500 kg. Naar het organisch peroxide en de organische peroxide in verpakking wordt verder verwezen als respectievelijk 'het organisch peroxide' en 'de verpakking'.

De proef behoort alleen te worden verricht als het organisch peroxide noch in de verpakking, noch in een stapel verpakkingen tot detonatie kan komen. De proef wordt verricht voor de bepaling van:

  • de wijze waarop de verpakkingen in een brand reageren;
  • het effect van de totale hoeveelheid beschikbare organisch peroxide op de brandsnelheid van de verpakkingen;
  • de mate van gevaar voor de onmiddellijke omgeving.

De proef behoort zodanig te worden uitgevoerd dat de meest ongunstige resultaten worden verkregen. Proeven behoren afzonderlijk te worden uitgevoerd op:

  • een, zes en tien verpakkingen, met een maximumtotaalgewicht van 500 kg en een maximum afzonderlijk gewicht van 25 kg;
  • een, drie en zes verpakkingen, met een maximumtotaalgewicht van 500 kg en verpakkingen variërend in gewicht van 25 kg tot 50 kg;
  • een of meer verpakkingen, tot een maximumgewicht van 500 kg, met verpakkingen van elk meer dan 50 kg.

Het aantal proeven en, waar nodig, de totale testmassa, behoort te worden verhoogd als de resultaten en de daarbij behorende risico's niet goed kunnen worden bepaald.

Zie ook Sprengstofflager-Richtlinie.

Testbeschrijving

De verpakkingen moeten op houten, waterpas geplaatste pallets staan, volgens DIN 15146. De pallets behoren in een (of twee, indien nodig) opvangbakken te staan. Een opvangbak behoort ten minste plaats te bieden aan één volledige pallet plus een speling van 10 cm rondom de pallet. Verder behoort het volume van de bak voldoende te zijn om de gehele inhoud organisch peroxide op te vangen.

Aan drie zijden van de brandhaard wordt een windscherm met een hoogte van 1,6 m opgetrokken. Onder en rondom de verpakkingen wordt ontvlambaar materiaal zodanig geplaatst dat het organisch peroxide zo snel en goed mogelijk tot ontbranding komt. De hoeveelheid en het type materiaal behoort zo te worden gekozen dat:

  • het geteste organische peroxide ook werkelijk tot ontbranding komt;
  • het proces van verbranding van het geteste organische peroxide nauwelijks wordt verhevigd.

Toelichting:

Een hoeveelheid van ongeveer 10 kg droge houtwol is doorgaans voldoende voor 200 kg hoog ontvlambaar organisch peroxide. Voor slecht ontbrandbare organische peroxiden kunnen dunne houten latten worden gebruikt, al dan niet gedrenkt in een vloeibaar mengsel van lichte stookolie (90 %) en lichte petroleum (10 %). De verpakkingen kunnen eveneens met ontvlambare vloeistof worden besprenkeld.

De stralingswarmte behoort tijdens de proef met behulp van de daarvoor bestemde apparatuur op ten minste drie plaatsen, elk op een andere afstand van de brandhaard, te worden gemeten. De afstanden behoren enerzijds voldoende groot te zijn en anderzijds weer niet zo groot te zijn dat de meetapparatuur niet in alle gevallen signalen kan opvangen.

Geschikte apparatuur voor het meten van straling zijn bijvoorbeeld thermokolommen die absolute signalen bepalen en die:

  • een lineaire gevoeligheid hebben van 0,5 mm tot 0,9 mm en daarbinnen met hoge precisie meten;
  • stralingseigenschappen bezitten die nauw overeenkomen met die van een 'black body';
  • een actief oppervlak hebben van ten minste 0,25 cm²;
  • een invalshoek hebben die op de detectieafstand de meting mogelijk maakt van de volledige vlam van het geteste organische peroxide;
  • een hoge hitte-ongevoeligheidsgraad hebben; dat wil zeggen zodanig gecompenseerd zijn dat het signaalniveau niet door veranderingen in de omgevingstemperatuur wordt beïnvloed;
  • een detectiebereik van stralingsniveaus hebben tussen 100 W/m² en 300 W/m², ofwel een gevoeligheid van ten minste 1 V/W;
  • een goede responstijd hebben, ofwel een responstijd minder dan 100 ms (tijd tot 63,2 % van de eindsignaalwaarde).

De signalen behoren continu te worden geregistreerd. Als startpunt van de ontbranding wordt gedefinieerd het moment waarop het geteste organische peroxide meetbaar begint te reageren. Het eind van de brand wordt afgelezen aan de geregistreerde stralingscurven. Dit punt wordt gekenmerkt door een afname van het stralingsniveau I (zoals veroorzaakt door de brand) tot minder dan 5 % van de geregistreerde maximumwaarde (lmax).

In de evaluatie behoort noch het effect van de restanten, noch dat van de brandende ontvlambare materialen, indien aanwezig, te worden betrokken.

De brandtijd π is de tijdsspanne tussen het startpunt en het eindpunt van de brand.

De brandsnelheid BR (kg/min) behoort voor elke geteste partij m(kg) en de bijbehorende verbrandingstijd π (min) te worden berekend volgens formule (E.1):

BR=m/Π (E.1)

De procentuele gemiddelde stralingsopbrengst h op een afstand van de brandhaard behoort te worden bepaald op basis van de gemeten stralingsniveaus en de theoretische maximumenergie.

De theoretische maximumenergie wordt berekend door vermenigvuldiging van de individuele massa van het geteste organische peroxide (kg) met de verbrandingswarmte (kJ/kg). De hoeveelheid energie die in de praktijk blijkt te worden overgebracht, wordt bepaald door integratie van het gebied onder de gemeten stralingscurve nadat die waar nodig is 'gladgestreken' en gecorrigeerd.

De gemiddelde vormfactor f waarmee tijdens de maximale brandintensiteit rekening behoort te worden gehouden, kan worden berekend met formule (E.2):

f=lrelevant/lcalculated (E.2)

Hiertoe wordt een grafiek gemaakt die het stralingsniveau (kW/m²) laat zien als een functie van tijd t (min). De totale stralingshoeveelheid wordt berekend door integratie van de gladgestreken en gecorrigeerde curve tot 1 % tot 5 % van de maximale stralingswarmte.

Irelevant wordt verkregen uit het maximum van de curve. Icalculated wordt berekend als gemiddelde stralingswaarde door het geïntegreerde gebied om te zetten tot een rechthoek die gedurende dezelfde tijdsspanne van gelijke afmeting blijft.

Testverslag

Het testverslag behoort de volgende gegevens te bevatten:

  • samenstelling van het geteste organische peroxide;
  • hoeveelheden per test gebruikte organische peroxide,
  • type en constructie van elke verpakking;
  • testopstelling en, in het bijzonder, type, hoeveelheden ontstekings- en initiatiematerialen, evenals gebruikte ontstekingsmiddelen;
  • testgeschiedenis, met name de periode tot aan de eerste waargenomen reactie van de organische peroxide (incubatietijd), tijdsduur en verbrandingsgedrag van de reacties zelf (belangrijkste verbrandingsstadium en volledige verbrandingstijd van het organisch peroxide), als ook volledige proces van conversie;
  • effect van de reactie op de omgeving;
  • diverse verbrandingssnelheden BR en de bijbehorende hoeveelheden organische peroxide m, inclusief een grafische voorstelling;
  • weersomstandigheden tijdens het testen;
  • stralingsniveaus zoals gemeten op de verschillende afstanden;
  • procentuele gemiddelde stralingsrendement hen de vormfactor f.

Het testverslag behoort verder afbeeldingen te bevatten van een verpakking en van de geteste stapel verpakkingen, en kopieën van de verslagen van de gemeten gegevens. In deze rapporten behoren ook de gegevens te zijn opgenomen die belangrijk zijn voor de interpretatie van de gemeten curves (het scheidend vermogen van het instrument, ijkingsfactoren, enz.).

E.2.2Indeling in een opslaggroep

In het algemeen wordt het organische peroxide ingedeeld bij de opslaggroep die correspondeert met de effecten gemeten in de proeven met het organische peroxide in verpakking. Met ervaringen met andere proeven of zelfs ongelukken kan echter eveneens rekening worden gehouden.

Organisch peroxide in verpakking kan niet worden ingedeeld in een opslaggroep als tijdens de verbrandingsperiode de inhoud van de verschillende verpakkingen nagenoeg tegelijk tot ontploffing komt. (In dat geval gaat het vermoedelijk om organische peroxiden van het type A).

Het organische peroxide in zijn standaardverpakking behoort te worden ingedeeld in opslaggroep 1 met een TODO! BRc-waarde van 1 200 kg/min als tijdens de proef aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

  1. De verpakkingen komen niet bijna tegelijk tot ontploffing in de zin zoals beschreven in de voorgaande alinea.
  2. Er vinden alleen individuele explosies plaats waarvan de frequentie tijdens een lange brandduur kan toenemen.
  3. De omgeving wordt in gevaar gebracht door in alle richtingen wegschietende fragmenten en vlammen.

Het organisch peroxide in verpakking kan worden ingedeeld in opslaggroep 2, 3, 4 of 5 als de verpakkingen:

  • niet nagenoeg tegelijk ontploffen;
  • niet tijdens de brand individueel ontploffingsgedrag vertonen zoals in de voorgaande alinea’s beschreven;
  • alleen meer of minder intensief verbranden;
  • in afzonderlijke delen uit de brandhaard kunnen wegschieten en ergens in de buurt daarvan terechtkomen.

De indeling in opslaggroepen 2, 3, 4 of 5 gebeurt naar brandsnelheid. Het daarbij gehanteerde criterium is de brandsnelheid BRc van een hoeveelheid organisch peroxide van 10 000 kg. De brandsnelheid BRc wordt op de volgende wijze berekend:

  • De gemeten brandsnelheden BR worden grafisch in beeld gebracht als een logaritmische functie van de organische-peroxidemassa m (In BR tegen In m).
  • De waargenomen testresultaten worden door middel van deze grafiek geëxtrapoleerd tot een ongecorrigeerde brandsnelheid BR10t voor een massa van 10 000 kg, door toepassing van formule (E.3):

BR ∝ m(2/3) (E.3)

De extrapolatie kan doorgaans het best plaatsvinden op basis van de grootste testhoeveelheden. De waarde BR10t behoort te worden gecorrigeerd tot de zuivere brandsnelheid voor een massa van 10 000 kg organisch peroxide (BRc) door middel van formule (E.4):

BRc = BR10t × Hv/33 500 × h/0,25 × f/2,78 (E.4)

waarin:

Hv is de verbrandingswarmte van het organisch peroxide (kJ/kg) (dat wil zeggen de reactie-enthalpie van de verbrandingsreactie);

BRc is de brandsnelheid, zie Paragraaf 2.2.5;

BRc wordt gebruikt voor het indelen in opslaggroepen, zie Tabel 6.

De indeling behoort te zijn goedgekeurd door de bevoegde instantie op basis van de testresultaten en kan uiteindelijk worden vermeld in de bijlage bij deze PGS.

E.3Kleinschalige laboratoriumproef

E.3.1Testmethode

Inleiding

De snelheid waarmee een vloeibaar peroxide verbrandt, wordt op laboratoriumschaal getest. De brandsnelheid wordt bepaald door meting van het gewichtsverlies van het brandende peroxidemonster als een functie van tijd. Tijdens het meten blijft het oppervlak dat brandt gelijk. Het quotiënt van de hoeveelheid product die per minuut verbrandt en de afmeting van het brandende oppervlak wordt gedefinieerd als de brandsnelheid (kg/m².min). Om de verbranding van een stapel verpakkingen met peroxiden te simuleren wordt het brandende oppervlak van het proefmonster in kleine segmenten verdeeld.

Testbeschrijving

De brandsnelheidsproef wordt uitgevoerd in een ondiepe glazen beker van Pyrex- of Duranglas.

De testbeker heeft een hoogte van 54 mm, een binnendoorsnede van 90 mm ± 2 mm, een wanddikte van 2,0 mm ± 1,0 mm en is thermisch geïsoleerd. De isolerende werking wordt verkregen door concentrische plaatsing van de testbeker in een tweede beker die een hoogte heeft van 65 mm en een doorsnede van 115 mm. De ruimte van 1 cm tussen de bodems en de cilindrische wanden van de twee bekers wordt opgevuld met steenwol. In de binnenste testbeker passen precies veertien rechtopstaande pyrexglazen ringen met een buitendoorsnede van 20 mm, een hoogte van 29 mm en een wanddikte van 1,8 mm ± 0,2 mm. Door de ringen, die aan beide uiteinden open zijn, wordt de inhoud van de testbeker in een aantal segmenten verdeeld (in totaal negentien) en wel zodanig dat de ruimte tussen de ringen niet meer dan 1 mm bedraagt (zie figuur E.1 in Afbeelding 22).

Afbeelding 22Figuur E.1 — Testopstelling brandsnelheid

Voor de meting van de gewichtsafname van het monster tijdens de test wordt een elektronische weegschaal gebruikt die verbonden is met een datalogger. Op deze manier kan de gewichtsafname op veilige afstand van de proefopstelling worden geregistreerd.

De weegschaal heeft de volgende technische specificaties:

  • standaardafwijking: 0,1 g;
  • lineariteit: 0,15 g;
  • maximumbereik: 1 000 g.

Een aluminium plaat van ongeveer 22 mm x 36 mm en een dikte van ongeveer 1,5 mm wordt op de weegschaal geplaatst om dit instrument te beschermen tegen brandschade. De meeste peroxiden zijn moeilijk tot ontbranding te brengen en een langdurig gebruik van een gasvlam zou de temperatuur van het monster verstoren. Daarom wordt een eenvoudige ontstekingslont gebruikt.

De lont, die ongeveer 6 cm lang is en 1 mm dik, bestaat uit vier glaswollen draden die aan het eind worden samengevoegd in een knoop. Gedrenkt in peroxide, kan de lont met een lucifer worden aangestoken. Alternatieve ontstekingen zijn mogelijk, waarbij een ongelijkmatige temperatuurverdeling van het monster behoort te worden vermeden.

De proef behoort te worden uitgevoerd in een ruimte die:

  • brandvrij is, ter voorkoming van uitbreiding van de brand;
  • bestand is tegen verscherving ter bescherming van mensen, voor het onwaarschijnlijke geval dat de glazen bekers tijdens de test springen;
  • minimaal 2 m hoog is, 0,5 m breed en 0,5 m diep is;
  • voorzien is van een afzuigventilator voor dampnevels en rook.

De testbeker wordt gevuld met 100 g peroxide. In de beker behoort het monster een temperatuur te hebben van Tc + 10 °C met een maximum van 25 °C.

De testbeker wordt geplaatst op een aluminiumplaat die op de weegschaal rust. De weegschaal en het meetinstrument worden ingesteld. Vervolgens wordt het ene uiteinde van de ontstekingslont gedeeltelijk in het monster gedoopt en aan het andere uiteinde met een lucifer aangestoken. Het vuur verbreidt zich vervolgens over het gehele oppervlak van de testbeker. De gewichtsafname van het brandende monster wordt geregistreerd. De test wordt in tweevoud uitgevoerd.

Behalve aan het begin en het eind van de brand zal het monster nagenoeg lineair in gewicht afnemen. De tijd die verstrijkt tussen 20 %- en 80 %-gewichtsafname wordt ontbrandingstijd genoemd. Evaluatie van de proef gebeurt op basis van de kortste ontbrandingstijd.

De brandsnelheid (BR) wordt berekend aan de hand van formule (E.5):

BR=(0,6 × m)/(t × A)

waarin:

m is de inweeg van 0,1 kg;

A is het oppervlak = 0,00636 m2 ± 0,00029 m2;

t is de verbrandingstijd = x min.

Testrapport

Het testrapport bevat ten minste de volgende gegevens:

  • beschrijving van de test en specificatie van de chemische samenstelling;
  • testtemperatuur;
  • geregistreerde ontbrandingstijd;
  • berekende brandsnelheid.

Aan het testrapport behoort een kopie van de uitdraai van het meetinstrument te worden gehecht waaruit kan worden opgemaakt of de brandsnelheid die verantwoordelijk is voor de gewichtsafname tussen 20% en 80 %, representatief is voor de geteste stof.

E.3.2Indeling in een opslaggroep

Organische peroxiden van typen D, E en F worden ingedeeld in opslaggroep 3 als de brandsnelheid lager is dan 0,9 kg/(min.m²).

Organische peroxiden van typen C, D, E en F worden ingedeeld in opslaggroep 2 als de brandsnelheid niet hoger is dan 9,0 kg/(min.m²).

Organische peroxiden van het type B worden ingedeeld in opslaggroep 1. Dit geldt in principe ook voor organische peroxiden van typen C, D, E en F als de brandsnelheid hoger dan of gelijk is aan 9,0 kg/min.m². Voor vloeibare peroxiden behoort in dat geval een grootschalige brandproef te worden uitgevoerd. Het resultaat van de grootschalige proef is dan doorslaggevend.

Bijlage FRelevante wet- en regelgeving

Deze bijlage is informatief.

F.1Inleiding

Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.

Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.

F.2Omgevingswet

De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.

Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het omgevingswetportaal. Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.

In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veel voorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met het oogmerk van bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.

Omgevingsregeling

In de Omgevingsregeling zijn onder andere de gegevens en bescheiden benoemd die bij een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt, zijn technische uitvoeringsvoorschriften gegeven voor milieubelastende activiteiten en zijn de rekenmethoden aangegeven die moeten worden toegepast bij het berekenen van het plaatsgebonden risico en de afstanden van de aandachtsgebieden. Ook zijn in de Omgevingsregeling de versies aangegeven van de normdocumenten waarnaar in de besluiten en in de Omgevingsregeling wordt verwezen.

Seveso

De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s voor een groot deel geïmplementeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid, als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie.

F.3Chemische stoffen

CLP

CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG) over indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor Classification, Labelling and Packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten deze worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermmaatregelen nodig zijn.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

REACH

REACH is een Europese verordening (EC 1907/2006 ) over de productie van en handel in chemische stoffen. Reach staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld!

F.4Arbeidsomstandigheden wetgeving

Arbeidsomstandighedenwet

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbobesluit.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen.

De Europese richtlijn die betrekking heeft op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen (1999/92/EU ), is geïmplementeerd in het Arbobesluit. Deze richtlijn wordt ook ATEX 153 genoemd.

Arbeidsomstandighedenregeling

In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.

Verordening persoonlijk beschermingsmiddelen

Deze Europese verordening bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425 ). De verordening heeft tot doel om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen en om het mogelijk te maken dat deze beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.

F.5Warenwet

Warenwet

De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker van dat product te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan essentiële gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

In het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) staan eisen voor drukapparatuur. In het WBDA 2016 is de Europese richtlijn voor drukapparatuur (2014/68/EU ) geïmplementeerd. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 staat onder andere wanneer keuring moet plaatsvinden.

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016

In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU ) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm

In het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm staan regels over het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm. In dit besluit is de Europese richtlijn (2014/29/EU ) voor drukvaten van eenvoudige vorm geïmplementeerd.

Warenwetbesluit machines

In het Warenwetbesluit machines staan regels over machines, waaronder veiligheid, keuring en certificering. In de Warenwetregeling machines staan nadere eisen.

F.6Wet veiligheidsregio's

Wet veiligheidsregio’s

De Wet veiligheidsregio’s beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.

Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Besluit veiligheidsregio's

In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.

F.7Vervoer

Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen en het ADR

De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:

  • vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, reservoirwagens);
  • chauffeurs (opleiding en training);
  • vervoersdocumenten;
  • verpakkingen en etikettering;
  • laden en lossen.

Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit de ADR.

De ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten de ADR in eigen wetgeving implementeren.

De ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.

Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid . Daar staat ook informatie over het ADR.

F.8Relatie met andere PGS-richtlijnen

PGS 15 – Opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen

PGS 15:2016 beschrijft de stand der techniek voor het brandveilig, milieuveilig en het arbeidsveilig opslaan van verpakte gevaarlijke stoffen.

Hoofdstuk 9 van PGS 15:2016 bevat richtlijnen voor de opslag van een beperkte hoeveelheid organische peroxiden. Het gaat om situaties waar organische peroxiden, samen met andere gevaarlijke stoffen in dezelfde opslagvoorziening aanwezig zijn.

Op grond van vs 9.1.1 van PGS 15:2016 is een maximale opslaghoeveelheid van

1 000 kg organische peroxiden per opslagvoorziening toegelaten. Deze uitzondering geldt alleen voor organische peroxiden die aan alle volgende punten voldoen:

  • organische peroxiden van het type C, D, E of F;
  • geen temperatuurbeheersing nodig;
  • verpakt in kleinverpakking (LQ).
PGS 14 – Vastopgestelde brandbeheersings- en brandblussystemen

PGS 14:2017 is de Handreiking bij de toepassing van opslag van gevaarlijke stoffen volgens PGS 15. Als voor een PGS 15-opslag een vast brandbestrijdingssysteem nodig is, behoort het bedrijf een Uitgangspuntendocument (UPD) op te stellen. Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van het systeem en omvat de uitgangspunten daarvoor.

Een vastopgesteld brandbestrijdingssysteem is een mogelijke voorziening voor opslagvoorzieningen met organische peroxiden. Maar áls er een vastopgesteld brandbestrijdingssysteem is, dan behoort hiervoor een UPD te zijn opgesteld.

PGS 31 – Overige vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties

PGS 31:2018 beschrijft de stand der techniek voor het opslaan van gevaarlijke stoffen in opslagtanks. Het gaat om alle vloeistoffen, met uitzondering van vloeibare brandstoffen. De voorschriften voor constructie, inspectie en onderhoud van opslagtanks uit PGS 31:2018 zijn van toepassing op opslagtanks voor organische peroxiden. Maar alleen als er in deze PGS 8 niet iets anders is bepaald. Want het kan noodzakelijk zijn om rekening te houden met de bijzondere gevaaraspecten van organische peroxiden.

Bijlage GArbeidsomstandighedenwetgeving

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbobesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)

Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie regeling (ARIE-regeling)

Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

In de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde, de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen als persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal.

Gevarenzone-indeling

De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/92/EG (ook wel bekend als ATEX 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar. De risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. Dit document bevat in ieder geval:

  • een nadere risicoanalyse;
  • een gevarenzone-indeling;
  • passende technische en organisatorische maatregelen; en
  • voorlichting van de werknemers.

Voor de gevarenzones verwijst artikel 3.5d, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar bijlage I van 1999/92/EG . Gevarenzones moeten zijn gemarkeerd. Dit staat in artikel 3.5d, lid 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

In Hoofdstuk 7 staat meer informatie over gevarenzones bij bedrijven met organische peroxiden.

Explosieveilig materiaal en materieel

De eisen voor explosieveilig materiaal en materieel staan in artikel 3.5 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hier wordt verwezen naar het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU ) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Elektrische en elektronische apparatuur in een gezoneerd gebied moeten explosieveilig zijn uitgevoerd. Deze apparatuur is voorzien van een EG- conformiteitsverklaring en een voorschrift waaruit blijkt dat het toegepaste materieel geschikt is voor toepassing in ruimten waar explosiegevaar kan heersen.

Elektrisch materieel dat aan de normen voor explosieveiligheid voldoet, is herkenbaar aan het ‘Ex’-teken in een regelmatige zeshoek. Mocht dit niet zichtbaar zijn, dan moet in het logboek een document aanwezig zijn waarin de leverancier verklaart dat het elektrisch materieel voldoet aan de gebruikelijke normen voor explosieveiligheid. Het gaat dan om een zogenoemde EG-verklaring van overeenstemming die vergezeld gaat van een CE-markering.

Bekabeling wordt gezien als een vaste elektrische verbinding, vrij van vonkvorming en is daarmee vrijgesteld van explosieveiligheidscriteria.

In Paragraaf 7.5.4 staat meer informatie over explosieveiligheid bij bedrijven met organische peroxiden.

Intern noodplan

Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zo veel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit. In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbeslui t staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.

Een intern noodplan bevat in ieder geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling.

In Bijlage H staat meer informatie over het interne noodplan voor bedrijven met organische peroxiden.

Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal.

Borden en pictogrammen

De werkgever is verplicht borden te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling. Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht.

Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (pictogram), de tekst en het kleurgebruik. In bijlage XVIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staat welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt.

In de CLP-verordening staan pictogrammen voor de aanduiding van gevaarseigenschappen van chemische stoffen.

Bijlage HNoodplan

H.1Noodplan

Voor de planning van noodsituaties behoort een bedrijf met meer dan 2 500 kg organische peroxiden een noodplan op te stellen. De inhoud van dit noodplan is gebaseerd op de identificatie en beoordeling van gevaren en de op grond hiervan getroffen maatregelen. Het noodplan bevat algemene onderwerpen die op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit nodig zijn. Deze staan in Bijlage H.2. Het noodplan bevat daarnaast gegevens over de specifieke aspecten van organische peroxiden. Deze staan in Bijlage H.3.

H.2Algemene onderwerpen in een noodplan

Een noodplan bevat in elk geval:

  • actuele plattegrond van het bedrijf;
  • voor voorzienbare omstandigheden of gebeurtenissen die een doorslaggevende rol kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of de gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen daarvan;
  • beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en veiligheidsmiddelen;
  • manier van alarmeren van personen binnen het bedrijf, waaronder het alarmsysteem, en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;
  • noodinstructie voor de risicovolle opslagen;
  • wijze van opvang/begidsing van de hulpdiensten;
  • organogram van de noodorganisatie;
  • naam en functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de persoon die belast is met de leiding en coördinatie van de maatregelen ter bestrijding van een ongeval binnen het bedrijf;
  • naam en functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe noodplan verantwoordelijke autoriteiten;
  • maatregelen ter beperking van het risico voor personen binnen het bedrijf of de inrichting, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;
  • regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor het in werking laten treden van het externe noodplan bij een ongeval, snel in te lichten, inlichtingen die onmiddellijk behoren te worden verstrekt en regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger inlichtingen wanneer deze beschikbaar komen;
  • regelingen om de werknemers op te leiden voor het vervullen van de taken die van hen worden verwacht, en indien nodig de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;
  • regelingen voor de verlening van steun aan externe bestrijdingsmaatregelen;
  • manier van waarschuwen van omwonenden.

H.3Specifieke onderwerpen voor organische peroxidenNormatief

Een noodplan houdt rekening met de specifieke gevaaraspecten van organische peroxiden. Deze zijn beschreven in Paragraaf 2.1. Het noodplan moet ook rekening houden met de scenario’s zoals omschreven in Hoofdstuk 4.

Het noodplan bevat in elk geval over de volgende informatie:

  • organisatorische en technische maatregelen in het geval van opwarming van organische peroxiden;
  • procedures voor het omgaan met opwarming van organische peroxiden door uitvallen koelinstallaties (Actieplan opwarming organische peroxiden, zie M75 en bijlage Bijlage H.4);
  • procedures voor het opruimen van gemorst of gelekt product;
  • procedure voor het omgaan met afgekeurd product, productieuitval en andere organische peroxiden met afwijkende samenstelling;
  • procedures voor ontruiming van de omgeving en alarmering van de hulpdiensten;
  • procedure voor ontvangst brandweer (zie M109);
  • de brandbestrijdingsstrategie (zie M65);
  • actuele gegevens over aard en hoeveelheid organische peroxiden (zie M5);
  • procedures voor training en opleiding van personeel.

Voor het noodplan voor organische peroxiden gelden de volgende aandachtspunten:

  • Is er brand in de buurt van een voorraad organische peroxiden? En is verplaatsen van die voorraad niet mogelijk? Koel de organische peroxiden dan met water.
  • Gaat het om een grote brand van organische peroxiden? Dan moeten de hulpdiensten zijn beschermd tegen mogelijke thermische explosies en plotseling vrijkomende stralen brandend peroxide. Personeel en brandblusapparatuur moeten op veilige afstand van de brand blijven.
  • Zorg na het blussen van een brand van organische peroxiden voor voldoende koeling met water. Daarmee wordt opnieuw ontbranden van niet-verbrande organische peroxiden voorkomen.
  • Op plaatsen met organische peroxiden moeten voorzieningen aanwezig zijn voor het grondig reinigen van huid en ogen.

De interne organisatie omvat in elk geval de organisatie van de bedrijfshulpverlening en het ontruimingsplan. Hieronder valt ook de opleiding van werknemers. Ook de coördinatie met en steun aan externe hulpdiensten is onderdeel van de interne organisatie.

H.4Actieplan opwarming organische peroxidenNormatief

M75 geeft aan dat er een Actieplan opwarming organische peroxiden moet zijn. Dit actieplan treedt in werking als organische peroxiden opwarmen, bijvoorbeeld door uitval van koelinstallaties. Het actieplan kan de volgende onderwerpen bevatten:

  • welke medewerkers bij alarm op de hoogte moeten worden gesteld;
  • temperatuurstijging per tijdseenheid die in het magazijn kan worden verwacht na het uitvallen van de koelinrichting;
  • waar en op welke wijze hulp kan worden verkregen bij de reparatie van het koelsysteem;
  • waar droogijs verkrijgbaar is om de temperatuur beneden een bepaald niveau te houden als het koelsysteem voor langere tijd buiten werking blijft;
  • of water als noodkoelmiddel kan worden gebruikt (bijvoorbeeld bij een opslagtemperatuur >15 °C);
  • of het mogelijk is bij stroomuitval over te schakelen op een noodstroomvoorziening en hoe daartoe moet worden gehandeld;
  • of het mogelijk is om organische peroxiden te verplaatsen naar een andere koelruimte, en waar deze faciliteit zich bevindt;
  • de procedure voor toegang tot de opslagvoorziening na herstel van de situatie (bijvoorbeeld met het oog op verhoogde ontvlambaarheid, zuurstofgebrek of giftigheid in de opslagvoorziening).

Bijlage IInhoud opleiding en training

Deze bijlage is informatief.

Personeel dat werkt met organische peroxiden, moet deskundig en getraind zijn. Onderwerpen die in een training aan bod kunnen komen, zijn:

  • algemene uitleg over risico's;
  • gevaareigenschappen peroxiden, zoals thermische stabiliteit, explosie-effecten, brandgedrag;
  • persoonlijke bescherming;
  • procedures voor opruimen van lekkages en morsingen;
  • procedures voor het schoonmaken van hulpmiddelen en gereedschap;
  • algemene omgangsregels, wat doe je niet en wat juist wel;
  • herkennen van problemen (zoals opbollende verpakkingen);
  • procedures voor omgaan met opbollende verpakkingen;
  • brandbestrijding en brandbestrijdingsstrategie;
  • eerste hulp;
  • inhoud noodplan;
  • training in het handelen volgens het noodplan;
  • veiligheidsinformatiebladen lezen;
  • opslageisen en verpakkingen van organische peroxiden controleren.

Bijlage JStrategie voor beheersen en bestrijden van brand

Deze bijlage is informatief.

J.1Algemeen

In M65 staat dat er een strategie voor beheersen en bestrijden van brand (brandbestrijdingsstrategie) moet zijn. Deze bijlage bevat aandachtspunten voor deze strategie.

J.2Inleiding

Een opslagplaats voor gevaarlijke stoffen valt bijna altijd onder de bouwtechnische voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Daarin staan ook eisen voor brandveiligheid. Maar deze eisen zijn meestal niet voldoende voor het veilig opslaan van gevaarlijke stoffen. Daarom zijn aanvullende eisen nodig.

De inzet van de brandweer bij incidenten met gevaarlijke stoffen brengt risico's met zich mee. Vanuit het oogpunt van veiligheid van hulpdiensten zijn er ook aanvullende eisen aan constructies nodig.

Deze PGS bevat deze aanvullende eisen. Een omgevingsvergunning of algemene regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen aangeven dat een bedrijf aan deze aanvullende eisen moet voldoen.

Het uitgangspunt van de maatregelen uit deze richtlijn is dat er bij brand een beheersbare situatie ontstaat.

Het bepalen van de vereiste weerstandswaarde tegen brand is in deze PGS gebaseerd op het verloop van de koolwaterstofkromme. Ondanks dat deze kromme geen ideale weergave is van een organisch-peroxidebrand, wordt deze gekenmerkt door een snellere temperatuuropbouw en een hogere maximumwaarde van de temperatuur dan die aangenomen in de standaard brandkromme. Er is tevens aangenomen dat de brandduur van organische peroxiden ten hoogste 30 min bedraagt.

J.3Algemene aandachtspunten

Neem in een brandbestrijdingsstrategie in elk geval de volgende onderwerpen op:

  • relatie met het noodplan, als dat er is;
  • beschrijving van brandbeveiligingsinstallaties;
  • plaatsen binnen het bedrijf waarvoor de brandbestrijdingsstrategie geldt;
  • aandachtspunten voor branden met organische peroxiden.

Belangrijk aandachtspunt voor de brandbestrijdingsstrategie is dat organische peroxiden geen zuurstof nodig hebben om te branden. De ontleding van organische peroxiden verloopt zonder zuurstof. De afscherming van zuurstof bij een brand met organische peroxiden heeft daarom geen effect.

J.4Bestrijden van een kleine brand

Het bestrijden van een kleine peroxidebrand kan met een brandblusser of een brandslanghaspel. Koolzuur, schuim, poeder en water zijn allemaal geschikt. Bij een beginnende brand of een brand van een dunne laag organische peroxide kan ook blusschuim worden gebruikt.

Binnen een afstand van 15 m van de ingang van een opslagplaats behoort een brandblusser of slanghaspel beschikbaar te zijn. Deze kunnen ook worden gebruikt bij een brand in de omgeving van een opslagplaats.

Zorg na het blussen van een brand van organische peroxiden voor voldoende koeling met water. Daarmee wordt opnieuw ontbranden van niet-verbrande organische peroxiden voorkomen.

J.5Bestrijden van een grote brand

Een grote peroxidebrand kan het best worden bestreden met veel water. Water blust het vuur en koelt het organisch peroxide. Met water is blussen vanaf een veilige afstand vaak mogelijk. Verder is gebruik van een waternevel zeer effectief.

Houd in de brandbestrijdingsstrategie rekening met het volgende:

  • Organische peroxiden worden bij voorkeur te geblust met veel water.
  • De brand kan ook worden geblust met poeder, maar herontsteking door de hoge temperatuur is waarschijnlijk.
  • Toepassing van schuim is niet geschikt.
  • In sommige gevallen kan ook worden overwogen de organische peroxiden uit te laten branden.
  • Bij een peroxidebrand ontstaat veel rook. Bij ontleding van organische peroxiden kan een giftige nevel of mist ontstaan. Deze kan ook brandbaar zijn.

J.6Bestrijden van een brand in de omgeving

Bij een brand in de omgeving van organische peroxiden is het belangrijkste aandachtspunt dat opwarming van organische peroxiden wordt voorkomen.

Neem daarvoor in de brandbestrijdingsstrategie de volgende acties op:

  • Zorg dat het gebouw kan worden gekoeld met water.
  • Breng indien mogelijk de organische peroxiden over naar een andere opslag.

J.7Relatie met noodplan

In er een noodplan? Dan staat daarin beschreven welke acties nodig zijn bij incidenten met organische peroxiden. Is er geen noodplan? Neem dan de volgende aandachtspunten op in de brandbestrijdingsstrategie:

  • Is er brand in de buurt van een voorraad organische peroxiden? En is verplaatsen van die voorraad niet mogelijk? Koel de organische peroxiden dan met water.
  • Gaat het om een grote brand van organische peroxiden? Dan behoren de hulpdiensten te zijn beschermd tegen mogelijke thermische explosies en plotseling vrijkomende stralen brandend peroxide. Personeel en brandblusapparatuur behoren op veilige afstand van de brand te blijven.
  • Zorg na het blussen van een brand van organische peroxiden voor voldoende koeling met water. Daarmee wordt opnieuw ontbranden van niet-verbrande organische peroxiden voorkomen.

Bijlage KKenmerken brandbestrijdingsinstallatiesNormatief

Deze bijlage is normatief.

K.1Automatische sprinklerNormatief

Kenmerken van een automatische sprinklerinstallatie:

  • brand gedetecteerd door temperatuur- of warmtesensoren;
  • na inwerkingstelling wordt alleen het oppervlak onder de sproeikop bestreken;
  • de capaciteit van het systeem is ten minste gelijk aan:
    • 10 l/min.m² voor opslag van peroxiden van opslaggroep 3;
    • 15 l/min.m² voor opslag van peroxiden van opslaggroep 2;
    • 20 l/min.m² voor opslag van peroxiden van opslaggroep 1.
  • het systeem voldoet aan NEN-EN 12845:2015+NEN 1073:2018 of NFPA 13.

K.2Automatische delugeNormatief

Kenmerken van een automatische deluge:

  • een brand moet ten minste worden gedetecteerd door temperatuur of warmte, waarbij bovendien van rookdetectie kan worden gebruikgemaakt;
  • na inwerkingstelling wordt het gehele vloeroppervlak van de opslagvoorziening bestreken;
  • de capaciteit van het systeem is ten minste gelijk aan:
    • 10 l/min.m² voor opslag van peroxiden van opslaggroep 3;
    • 15 l/min.m² voor opslag van peroxiden van opslaggroep 2;
    • 20 l/min.m² voor opslag van peroxiden van opslaggroep 1.
  • het systeem voldoet aan NFPA 15.

K.3(Lokale) brandweer met droog deluge-systeemNormatief

De brandweer moet binnen 6 min aanwezig zijn en over een tankautospuit beschikken en voldoende bemanning (oordeel brandweer). De pompcapaciteit en de watervoorziening moeten zijn afgestemd op de capaciteit van het te voeden blussysteem.