7Vaste minerale anorganische meststoffen - Opslag

Richtlijn voor de veilige opslag van vaste minerale anorganische meststoffen

Versie

Deze PGS 7:2022 versie 1.0 (februari 2022) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 7:2020 versie 0.2 (april 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wjizgingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen, de PGS Nieuw Stijl. Een PGS Nieuw Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuw Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS- richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) of brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie)
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid) en
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (Rampenbestrijding)

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en Rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In bijlage H staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS-beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS-beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS-beheerorganisatie. De governance van de PGS-beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen.

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 3 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020

De voorzitter van de programmaraad,

K. van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2 met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over de opslag van vaste minerale anorganische meststoffen.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen.
  • Bijlage B: Normatieve documenten en normen. Bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij.
  • Bijlage G: Implementatietermijnen in bestaande situaties
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van opslag van vaste minerale anorganische meststoffen te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

PGS 7 is van toepassing op de opslag van vaste minerale anorganische meststoffen. Deze meststoffen zijn ingedeeld in de Groepen 1.1 t/m 4 (zie verder Hoofdstuk 2). De richtlijn is van toepassing op bedrijven die de hoeveelheden in Tabel 1 overschrijden. Het gaat daarbij om hoeveelheden per locatie waar de activiteit plaatsvindt, niet per opslagvoorziening.

Tabel 1Toepassingsgebied PGS 7

Groep

Toepassingsgebied PGS 7 (hoeveelheid per locatie van de activiteit)

1

Vanaf 250 ton a

2

Vanaf 50 ton

3

Vanaf 50 kg

4

Vanaf 50 kg

a Het totaal van Groep 1.1, Groep 1.2 en Groep 1.3

In PGS 15 , de richtlijn voor verpakte gevaarlijke stoffen, zijn minerale anorganische meststoffen uitgezonderd.

PGS 7 gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio's.

In staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage F geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage G staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving van de opslag van vaste minerale anorganische meststoffen

2.1Algemene informatie over vaste minerale anorganische meststoffen

Vaste minerale anorganische meststoffen worden in de Nederlandse agrarische sector veelvuldig gebruikt. Een belangrijke meststof daarbij is kalkammonsalpeter. Op vrijwel alle agrarische bedrijven kan deze meststof worden aangetroffen. Daarnaast wordt veelvuldig gebruikgemaakt van ureum, fosfaathoudende meststoffen en kaliumhoudende meststoffen zoals kaliumchloride.

Met ‘meststoffen’ worden in deze PGS vaste minerale anorganische meststoffen bedoeld.

In grotere hoeveelheden zijn meststoffen aanwezig bij leveranciers van agrarische bedrijven (de meststoffenhandelaren). Deze betrekken de meststoffen weer van de groothandel, die de meststoffen inkoopt van producenten en importeurs. In Nederland zijn enkele meststoffenproducenten en ‘blenders’ actief.

Levering aan de meststoffenhandelaren en groothandel vindt frequent per schip plaats. Kleine partijen (qua volume) worden soms via wegtransport geleverd.

Aflevering van meststoffen aan de eindgebruiker vindt plaats via wegtransport. Over het algemeen wordt gebruikgemaakt van vaste transporteurs. De meststoffenhandel beschikt naar schatting gezamenlijk over ongeveer driehonderd opslagloodsen (zie ook Tabel 2).

De totale afzet van de verschillende groepen (zie ) stikstofhoudende meststoffen in Nederland bedroeg in 2014-2015 circa 220 000 ton stikstof (N).

Groep 1-meststoffen zijn de meest toegepaste meststoffen in de landbouw. Circa 65 % van de totaal in Nederland gebruikte hoeveelheid is kalkammonsalpeter (bevat 27 % N als ammoniumnitraat, plus dolomiet als vulstof), een meststof van Groep 1.2.

Groep 2-meststoffen worden vooral gebruikt in de potgrondindustrie voor de boomkwekerij en in toenemende mate in de glastuinbouw, vollegrondsgroententeelt en bloembollenteelt.

Groep 3-meststoffen worden in Nederland uitsluitend geproduceerd ten behoeve van de export. Deze meststoffen worden niet in de Nederlandse landbouw toegepast. De opslag ervan vindt plaats op de productielocaties. Slechts een kleine hoeveelheid meststoffen wordt door enkele bedrijven opgeslagen als grondstof bij de productie van andere meststoffen.

Groep 4-meststoffen worden in Nederland niet geproduceerd. Slechts bij enkele bedrijven worden Groep 4-meststoffen als grondstof gebruikt bij de productie van specifieke meststoffen. Producten in Groep 4 worden uitsluitend in verpakte vorm opgeslagen.

Tabel 2 geeft een overzicht van het aantal bedrijven in Nederland dat meststoffen produceert, in voorraad heeft, dan wel bewerkt.

Tabel 2Aantal bedrijven in Nederland dat meststoffen produceert, in voorraad heeft en/of bewerkt

Type bedrijfActiviteitenGroep (zie 2.4)Geschat aantal bedrijven
ProductiebedrijvenProductie1, 2, 3 en 4Circa 5
BlendersProductie

1 en 2

Circa 15
Overslag- en verwerkingsbedrijvenBulkopslag, opslag zakgoed en ‘big bags’, verpakken1, 2, 3 en 4

5 – 10

Groep 4: ≤ 5

Groothandel

Bulkopslag, opslag zakgoed en ‘big bags’, verpakken

1 en 25 – 10
MeststoffenhandelBulkopslag, opslag zakgoed en ‘big bags’1 en 2Circa 250 – 280

2.2Verschillende opslagvormen

Opslag van meststoffen kan zowel in bulk als verpakt plaatsvinden. Onder bulk wordt verstaan 'los gestort'. Onder verpakte meststoffen wordt verstaan zakken en ‘big bags’.

Voor de opslag van meststoffen wordt gebruikgemaakt van silo’s, kapschuren en loodsen. Product in verpakking wordt ook in de open lucht opgeslagen.

Silo's kunnen zijn opgebouwd uit staal, beton, glasvezelversterkte kunststof (polyester). Het gebruik van kunststof (polyester) silo's heeft als groot voordeel dat het corrosievast is. Dergelijke silo’s worden veel toegepast als tussen- of eindopslag bij productie- en transportprocessen.

2.3Indeling minerale anorganische meststoffen

2.3.1Verschijningsvormen

Tot de categorie 'N-, NP-, NPK-, NK- en PK-meststoffen' (N is stikstof, P is fosfor en K is kalium) worden de meststoffen gerekend die één of meer primaire elementen bevatten als werkzame stof. Deze anorganische minerale meststoffen worden veelal op zodanige wijze fabrieksmatig geproduceerd dat elke mestkorrel de werkzame stof in een constante verhouding bevat. Er bestaan ook ‘blends’ waarbij de genoemde meststoffen worden gemengd en niet elke korrel dezelfde samenstelling heeft.

De formule van 'N-, NP-, NPK-, NK- en PK-meststoffen' wordt aangegeven in de volgorde stikstof (N), fosfaat (P) en kalium (K). In sommige gevallen bevatten deze meststoffen naast de primaire nutriënten ook secundaire nutriënten (bijvoorbeeld zwavel, calcium, magnesium, natrium) of micronutriënten (bijvoorbeeld ijzer, boor, mangaan, zink, koper, molybdeen), of de meststoffen bevatten enkel secundaire en/of micronutriënten. De minerale anorganische meststoffen worden in verschillende vormen aangeboden, namelijk in gegranuleerde, geprilde, gecompacteerde of kristallijne vorm.

2.3.2Indeling

In PGS 7 is bij de indeling van de vaste minerale anorganische meststoffen en de definiëring van gevaarlijke stof aangesloten bij de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. De classificatie van gevaarlijke stoffen vindt plaats volgens de UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods. Model Regulations (2017) . Dezelfde classificatie is overgenomen in de diverse regelgevingen voor wat betreft de verschillende transportmodes (zoals onder andere het ADR RID, ADN en IMO). De gevaarseigenschappen van een meststof worden getoetst aan de hand van de vorm waarin de meststof voorkomt. De UN-classificatie is te vinden op de verpakking voor de verpakte meststoffen en op het meegeleverde veiligheidsinformatieblad.

De meeste minerale anorganische meststoffen zijn niet als gevaarlijk geclassificeerd en hebben daarom geen UN-classificatienummer toegekend gekregen.

In Afbeelding 1 is weergegeven hoe alle meststoffen kunnen worden ingedeeld in groepen op basis van aanwezigheid van nitraat, UN-classificatie en karakteristieke kenmerken.  

Afbeelding 1Stroomschema groepenindeling

2.4Beschrijving van de groepen

Afhankelijk van de specifieke risico’s van de verschillende soorten meststoffen zijn technische en technisch-organisatorische maatregelen en voorzieningen nodig om de risico’s te beperken en te beheersen. Daarom zijn in PGS 7 de meststoffen op basis van kenmerkende eigenschappen in vier hoofdgroepen ingedeeld.

Groep 1

Groep 1.1

Tot Groep 1.1 behoren onder andere anorganische meststoffen van het type ammoniumsulfaat (AS), diammoniumfosfaat (DAP), triplesuperfosfaat (TSP), kaliumchloride en kaliumsulfaat. Groep 1.1 bevat anorganische (minerale) meststoffen die niet nitraathoudend zijn. Ook ureum behoort tot Groep 1.1.

Groep 1.2

Tot Groep 1.2 behoren veruit de meeste meststoffen. Hiertoe worden meststoffen gerekend als kalksalpeter (dubbelzout), kalkammonsalpeter (KAS), NPK-, NP-, NS- meststoffen (op basis van calciumsulfaat) en ammoniumsulfaat-nitraat (ASN). Groep 1.2 bevat anorganische (minerale) meststoffen die nitraathoudend zijn.

Groep 1.3

Tot Groep 1.3 behoren UN-geclassificeerde minerale meststoffen die overeenkomstig de geldende criteria als oxiderende stof worden geclassificeerd (UN-klasse 5.1). In tabel 3 worden de huidige UN-nummers genoemd. Hieronder vallen de nitraathoudende minerale meststoffen, zoals kaliumnitraat en natriumnitraat.

Groep 2

Tot Groep 2 behoren minerale meststoffen met UN-nummer 2071. Deze stoffen zijn ingedeeld in UN-klasse 9 (diverse gevaarlijke stoffen).

Deze klasse is van toepassing op gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen (een gemengde/samengestelde meststof bevat ammoniumnitraat met fosfaat en/of kalium) die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding volgens de VN-goottest (zie Manual of Tests and Criteria, Part III, sub-section 38.2, 2015 ) en met een gehalte ammoniumnitraat van:

  • tussen de 45 en 70 gewichtsprocent en die in totaal niet meer dan 0,4 % aan brandbare/organische stoffen bevatten of die voldoen aan de voorschriften van Verordening EU 2019/1009 van het Europees Parlement en de Raad van 5 juni 2019 inzake meststoffen;
  • minder dan 45 gewichtsprocent en een onbeperkte hoeveelheid brandbare stoffen.

De Groepen 1 en 2 kunnen (net als de Groepen 3 en 4) ook zijn geclassificeerd als bijtend (UN-klasse 8) en/of worden gekenmerkt als milieugevaarlijk voor transport (meestal UN-klasse 9).

Groep 3

Tot Groep 3 behoren UN-geclassificeerde minerale meststoffen die overeenkomstig de geldende criteria als oxiderende stof worden geclassificeerd (UN-klasse 5.1), met UN-nummer 1942 of 2067, die wel in overeenstemming zijn met de eisen gesteld in Verordening (EU) nr. 2019/1009. Indien de meststof in overeenstemming is met deze verordening, is de meststof niet gevoelig voor detonatie, overeenkomstig de test in bijlage III,2 van deze verordening.

Groep 4

Tot Groep 4 behoren ammoniumnitraathoudende producten die volgens de geldende criteria als oxiderende stof worden geclassificeerd (UN-klasse 5.1) met UN nummer 1942 of 2067, maar die niet in overeenstemming zijn met de eisen gesteld in Verordening (EU) nr. 2019/1009. Indien de meststof niet in overeenstemming is met deze verordening, is de meststof gevoelig voor detonatie. Dit betekent echter niet dat deze producten de eigenschappen van UN-klasse 1 vertonen. Ze zijn niet als explosief geclassificeerd. Groep 4-meststoffen hebben de intrinsieke eigenschap gevoelig te zijn voor detonatie onder de voorwaarden zoals beschreven in Verordening (EU) 2019/1009. Om het product als dusdanig tot detonatie te brengen zijn echter verschillende randvoorwaarden nodig, waaronder een secundair explosief, waar normaliter niet aan wordt voldaan bij reguliere opslag.

2.5Gevaarseigenschappen van de groepen meststoffen

2.5.1Algemeen

In Tabel 3 zijn de gevaarseigenschappen van de verschillende groepen meststoffen samengevat weergegeven. In Paragraaf 2.5.2 t/m Paragraaf 2.5.11 zijn deze gevaarseigenschappen nader toegelicht.

Tabel 3Globaal overzicht van de gevaarseigenschappen van de groepen meststoffen

Gevaarseigenschappen

Indeling groepen

1.1

1.2

1.3

2

3

4

Brandbaar a

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Bij blootstelling aan externe hittebron afgifte giftige gassen b

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ondersteuning brand door afgifte O2 (oxiderend)

Nee

Beperkt

Ja

Beperkt

Ja

Ja

Deflagratie c

Nee

Nee

Nee

Ja

Nee

Nee

Detoneerbaar

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee d

Ja d

Zelfopwarming e

Geen risico

Geen risico

Geen risico

Beperkt risico

Geen risico

Geen risico

Milieugevaarlijk f

De toevoeging van bepaalde componenten kan leiden tot kenmerk ‘milieugevaarlijk’.

Nee

Nee

Bijtend g

De toevoeging van bepaalde componenten kan leiden tot classificatie ‘bijtend/corrosief’.

Nee

Nee

Nee

Specifiek UN-nummer

UN 1759 **

**

UN 1454

UN 1477

UN 1479

UN 1486

UN 1498

UN 1499

UN 3084

UN 3085

**

UN 2071 **

UN 1942

UN 2067

**

Legenda ** huidig bekende lijst van UN-nummers. Mogelijk kunnen er in de toekomst meer UN-nummers worden toegevoegd of gewijzigd.

a Brandbare stof: een stof die met lucht van normale samenstelling en druk onder vuurverschijnselen blijft reageren, nadat de bron die de ontsteking heeft veroorzaakt, is weggenomen.

b Naast de giftige componenten van het brandende materiaal (meststoffen zijn immers niet brandbaar) zullen er afhankelijk van de blootgestelde meststof voornamelijk NH3, NOx en HCl als giftige componenten ontstaan bij ontleding.

c Deflagratie = langzame zelf-onderhoudende ontleding zonder vuurverschijnselen (maar wel met rook), zie ook Paragraaf 2.5.5.

d Onder de voorgeschreven proefcondities van Verordening (EU) nr. 2019/1009.

e Zie Paragraaf 2.5.3.

f Zie Paragraaf 2.5.9.

g Zie Paragraaf 2.5.10.

2.5.2Blootstelling aan een hittebron

De vaste minerale anorganische meststoffen zijn zelf niet brandbaar. Het grootste risico van opslag van meststoffen ligt in het feit dat bij verhitting, al dan niet in aanwezigheid van brandbaar materiaal, de anorganische meststoffen kunnen gaan ontleden onder vorming van vooral NH3 en NOx. Dit verschijnsel kan zich voordoen bij alle groepen meststoffen. Daarom is het belangrijk om maatregelen te treffen om hittebronnen en de aanwezigheid van brandbare stoffen te voorkomen.

In het stroomdiagram in Afbeelding 2 zijn de brandgevaarseigenschappen van de verschillende groepen meststoffen samengevat. Per meststoffengroep is aangegeven wat het effect van een brand op de meststof is, wat het gevolg is en welke calamiteitenbeheersingsmaatregelen en brandbestrijdingsmaatregelen kunnen worden getroffen.

Afbeelding 2Brandgevaaraspecten van de verschillende groepen meststoffen

2.5.3Zelfopwarming

Zelfopwarming vindt plaats als de warmteontwikkeling in de meststof groter is dan de warmteafgifte naar de omgeving. Bij meststoffen van Groep 2 kan zelfopwarming van de meststoffen direct na het productieproces plaatsvinden, meestal ten gevolge van nareactie of herkristallisatie. Door deze reacties kan de temperatuur van de meststof tijdelijk wat oplopen. Dit fenomeen zal zich dan ook niet voordoen in bedrijven waar geen productie plaatsvindt, met uitzondering van opslagvoorzieningen waarin het product direct na productie wordt geplaatst.

2.5.4Oxiderende eigenschappen (meststoffen geclassificeerd als UN-klasse 5.1)

Meststoffen die geclassificeerd zijn als oxiderende stof (voorbeelden: ammoniumnitraat met meer dan 33,5 % stikstof, kaliumnitraat en natriumnitraat), kunnen een eenmaal ontstane externe brand bevorderen door afgifte van zuurstof in de aanwezigheid van brandbare materialen. Meststoffen die als zodanig zijn geclassificeerd, bevinden zich in de Groepen 1.3, 3 en 4.

Vergeleken met andere oxiderende stoffen, waarvoor bijvoorbeeld opslageisen in PGS 15 zijn geregeld, zijn meststoffen stabiel (vast en onbrandbaar). De meststoffen zullen zonder warmtebron geen verbranding van andere stoffen veroorzaken. Om die reden zijn minder vergaande maatregelen nodig voor de opslag van oxiderende meststoffen.

2.5.5Deflagratie (meststoffen geclassificeerd onder UN-nummer 2071)

Deflagratie is langzame zelf-onderhoudende ontleding zonder vuurverschijnselen (maar wel met rook). Deflagratie kan uitsluitend optreden bij meststoffen van Groep 2. Een deflagratie begint niet vanzelf. Voor de start van een deflagratie is een externe hittebron noodzakelijk. De deflagratie begint op een punt waar de temperatuur voldoende hoog is om de exotherme voortschrijdende reactie op gang te brengen. De hiervoor nodige warmte wordt in vrijwel alle gevallen van buiten toegevoerd, bijvoorbeeld door een looplamp, vuurgevaarlijke werkzaamheden (onder andere lassen, branden), een externe brand of door zelfopwarming. De snelheid waarmee de reactiezone zich in deze nitraathoudende meststoffen verplaatst, is normaliter (veel) kleiner dan 1 m/h. Bij nitraathoudende meststoffen blijft de temperatuur in de reactiezone vrij laag, zodat bij deflagratie geen zichtbare vuurverschijnselen optreden. Wel worden dampen en gassen gevormd. Een aantal van deze gassen (zoals nitreuze gassen) is schadelijk voor de gezondheid. Deflagratie treedt op zonder toevoer van zuurstof van buiten; nitraat is de interne zuurstofleverancier. Het is geen normale verbranding, ook al lijkt het er qua rookontwikkeling sterk op.

Deze meststoffen worden voor vervoer geclassificeerd als UN-klasse 9. De deflagratietest is beschreven in de UN Recommendations on the Transport of Dangerous Goods: Manual of Tests and Criteria (2015) .

Het niet herkennen van een deflagratie heeft al vaak geleid tot een verkeerde bestrijding. Een normale brand kan worden gesmoord door afsluiting van de lucht, bijvoorbeeld door ramen dicht te houden of koolzuur toe te voeren. Dit heeft echter geen enkel effect op een deflagratie. Gericht koelen van de ‘hot spot’, eventueel met behulp van een victor-lans (zie Bijlage C), heeft wel effect.

2.5.6Detonatie (meststoffen geclassificeerd onder UN-nummer 2067 en UN nummer 1942)

Uitsluitend meststoffen van Groep 4 hebben een zekere gevoeligheid voor detonatie. Dit hangt samen met de relatief geringe reactiviteit van ammoniumnitraat. Deze meststoffen voldoen niet aan de eisen gesteld in Verordening (EU) nr. 2019/1009.

Alleen onder verzwarende omstandigheden neemt de reactiviteit van ammoniumnitraat toe en kan uiteindelijk een detonatie optreden voor meststoffen van Groep 3 en Groep 4. Onder verzwarende omstandigheden wordt verstaan: een situatie bij een intense langdurige brand waarbij een substantiële contaminatie met niet-compatibele (zie Paragraaf 2.5.11) of brandbare materialen optreedt. Mogelijke opsluiting van het product kan ook bijdragen aan een verhoogd risico. Bij naleving van PGS 7 kunnen de verzwarende omstandigheden om tot een dergelijke detonatie te komen, niet voorkomen.

Bij verzwarende omstandigheden zal ammoniumnitraat in de vorm van fijn poeder het meest gevoelig zijn voor detonatie. Het minst gevoelig zijn de niet-poreuze ‘prills’ en ‘granules’ met een hoge stortdichtheid.

De gevolgen van detonaties van industriële producten zijn vergelijkbaar met die van echte explosieven. Bijna alle rampen door explosies van ammoniumnitraathoudende meststoffen zijn het resultaat van detonaties (Toulouse, Oppau, Brest, Texas City, West (Texas).

Ammoniumnitraat wordt hoofdzakelijk geproduceerd voor de toepassing als meststof. Hiertoe worden speciaal inert gemaakte, niet-poreuze korrels ('high density') vervaardigd die in deze vorm niet kunnen detoneren in de door de EG voor deze producten voorgeschreven buisproef. Deze buisproef is een van de zwaarste testmethoden op dit gebied (Verordening (EU) nr. 2019/1009).

Uitsluitend meststoffen die in overeenstemming zijn met de eisen gesteld in deze verordening, kunnen als EU-meststof op de markt worden gebracht. Meststoffen van Groep 4 (die niet in overeenstemming zijn met de eisen) worden alleen als grondstof voor de productie van meststoffen gebruikt. In Nederland vindt geen productie van meststoffen van Groep 4 plaats.

Een scenario waarbij meststoffen in een verkeerde groep worden ingedeeld, bijvoorbeeld door een verkeerde labeling (‘meststof Groep 4 krijgt een etiket behorende bij een meststof Groep 3’), wordt niet reëel geacht. De etikettering van meststoffen wordt goed beheerst. PGS 7 behandelt de opslag, dus er is al sprake geweest van vervoer (er vindt geen productie van Groep 4 in Nederland plaats). Uitgangspunt is dat er wordt voldaan aan de ADR-regelgeving. De indeling voor vervoer alsmede het vervoer zelf, voldoet aan de UN-vervoersregelgeving. De UN nummers van PGS 7 beslaan UN-klasse 5.1 (oxiderende stoffen).

De UN-nummers 2067 en 1942 behoren tot klasse 5.1 (oxiderende stoffen). Dit betekent dat andere UN-testen in het geval van twijfel al zijn uitgevoerd om er zeker van te zijn dat de stoffen niet tot UN-klasse 1 (explosieve stoffen) behoren.

2.5.7Fysische explosie

Als stikstofhoudende meststoffen worden verhit, behoren de ontstane gassen te worden afgevoerd. Als de gassen niet worden afgevoerd, kan de constructie exploderen door de drukopbouw. Dit kan voorkomen bij opsluiting in een holle ruimte, zoals een pijp of andere holle constructiedelen van een apparaat, waarin zich meststoffen hebben verzameld. Uitwendige verwarming, bijvoorbeeld door lassen, kan aanleiding geven tot dit verschijnsel als de nodige voorzorgsmaatregelen niet worden genomen.

2.5.8Stofexplosie

Testen hebben uitgewezen dat stofexplosies met mengsels van meststoffen (bijvoorbeeld ammoniumnitraat) met lucht niet mogelijk zijn. Ook ten aanzien van ureumstof in lucht kan worden gesteld dat dit geen aanleiding geeft tot het fenomeen van stofexplosie. Zie Guidance for the storage, handling and transportation of solid mineral fertilizers, Fertilizers Europe, 2007

2.5.9Milieugevaarlijk

Sommige meststoffen worden als milieugevaarlijk gekenmerkt ten gevolge van additieven. Over het algemeen is aan deze meststoffen een kleine hoeveelheid van een sporenelement (bijvoorbeeld koper, mangaan en zink) of een mengsel van sporenelementen toegevoegd. Details over de stoffen die deze classificatie bepalen en hun mogelijk effect op het milieu, kunnen worden gevonden in het veiligheidsinformatieblad van deze stoffen.

2.5.10Bijtend

Sommige meststoffen (UN 3084 en UN 3085) worden als bijtend gekenmerkt doordat een substantiële hoeveelheid van een bijtende stof (bijvoorbeeld de verzurende stof ureumfosfaat) is toegevoegd. Details over de stoffen die deze classificatie veroorzaken en hun mogelijk effect, kunnen worden gevonden in het veiligheidsinformatieblad. Sommige bijtende meststoffen zijn erg hygroscopisch (trekken water aan), wat het bijtende effect kan versterken.

2.5.11Compatibiliteit

Verschillende meststoffen kunnen met elkaar in contact komen, bijvoorbeeld met opzet door 'blenden' of per ongeluk door morsen. In sommige gevallen kan hierdoor een risicovolle situatie ontstaan of wordt een kwalitatief minderwaardig product geproduceerd. Dit treedt vooral op als de meststoffen niet-compatibel zijn. Een van de volgende situaties kan ontstaan als meststof in contact komt met andere meststoffen of mestproducten:

  1. Er gebeurt niets, er is geen additioneel risico.
  2. Er gebeurt visueel niets, maar er kan toch een additioneel risico zijn. Bijvoorbeeld als KAS en AS met elkaar worden gemengd, kan een geclassificeerde of zelfs een onveilige meststof ontstaan.
  3. Er kan een chemische reactie optreden. Bijvoorbeeld het mengen van single/triple superfosfaat met ureum vormt plakkerig ureumfosfaat.
  4. Er treedt een interactie met ongewenst effect op. Bijvoorbeeld door het mengen van KAS en Ureum wordt water aangetrokken en ontstaat een ‘slurry’.

Ook vanuit het productkwaliteitsoogmerk is het een goede gewoonte om ongewenst mengen of verontreinigen (contamineren) altijd te voorkomen. Door contaminatie in combinatie met andere factoren, bijvoorbeeld brand, kunnen gevaarlijke situaties ontstaan die altijd behoren te worden voorkomen. Komen toch ongewenst verschillende producten bij elkaar, dan behoren deze zo spoedig mogelijk op een veilige en verantwoorde wijze te worden verwerkt of gescheiden. Als scheiden niet mogelijk of niet praktisch is, dan wordt geadviseerd om het gecontamineerde deel van de meststof met voldoende inert materiaal, zoals zand, water of dolomiet, te verdunnen. Het verzamelen of bij elkaar voegen van verschillende soorten niet-conforme meststoffen, om bijvoorbeeld te verwerken of af te voeren, kan potentieel gevaarlijk zijn en wordt daarom afgeraden. In sommige gevallen mag dit product zelfs niet worden vervoerd omdat het als onveilige meststof is geclassificeerd.

Orde en netheid zijn belangrijk voor de opslag van meststoffen. Het is een goede gewoonte om de hoeveelheid van gemorst of stukgereden product zoveel mogelijk te voorkomen en nooit bij een ander product of andere meststof te voegen. Er kan een potentieel gevaarlijk mengsel ontstaan, ook al is dit een kleine hoeveelheid. Dit wordt dan gezien als een gecontamineerd product en wordt op een vergelijkbare wijze verwerkt of gescheiden.

Opmerking:

Een overzicht van compatibiliteit tussen meststoffen is beschikbaar in de Guidance for compatibility of fertilizer blending materials, Fertilizers Europe, 2014 .

2.5.12CMR (Carcinogeen, Mutageen, Reproductie toxisch)-geclassificeerde meststoffen

Onder de meststof-sporenelementen zijn een aantal boorhoudende verbindingen, zoals bijvoorbeeld boorzuur, geclassificeerd als CMR. Deze CMR-stoffen of hun CMR-geclassificeerde mengsels worden alleen in verpakte vorm opgeslagen. Gezien het feit dat deze meststoffen verpakt zijn, is de blootstelling minimaal tijdens opslag.

De juiste veiligheidsbladen zijn beschikbaar en de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen om eventueel gemorst product adequaat te kunnen aanpakken, zie M72 (Training personeel).

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

In Hoofdstuk 9 staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Bij de evaluatie van de risico’s voor deze PGS 7 is het model van Fine & Kinney gebruikt, waarbij het risico wordt bepaald op basis van blootstelling, effect en waarschijnlijkheid. Dit veel gebruikte model houdt rekening met hoe vaak een gevaarlijke situatie optreedt (blootstelling), het effect en de waarschijnlijkheid van het incident.

Risicobenadering PGS 7

De volgende kanttekeningen moeten worden geplaatst bij de bepaling van de risico’s zoals de PGS 7-werkgroep die heeft uitgevoerd.

Nederland kent een lange geschiedenis van regelgeving en voorschriften met betrekking tot de opslag van nitraathoudende meststoffen. In 1967 kwam de eerste richtlijn voor de opslag en transport van meststoffen, de CPR 1 (Nitraathoudende meststoffen, vervoer en opslag), gereed. De aanleiding hiervoor was een ontleding in een loods met nitraathoudende mengmest in 1963 en in 1965 de ontleding aan boord van het m.s. Sophocles.

Deze lange historie van regelgeving heeft ongetwijfeld positief bijgedragen tot het uitblijven van zware incidenten in Nederland met nitraathoudende meststoffen.

Daarnaast behoort te worden opgemerkt dat in Nederland meststoffen met een lager ammoniumnitraatgehalte worden gebruikt. Voor toepassing in de landbouw van ammoniumnitraat in Nederland wordt een maximum van 27 % N (als AN) gebruikt. Dit in tegenstelling tot het buitenland, bijvoorbeeld Frankrijk en Engeland, waar dit veel vaker 33,5 % (als AN) kan bedragen. Tevens worden in Nederland geen meststoffen van Groep 4 geproduceerd.

Verdere kanttekeningen van de PGS 7-werkgroep:

  • Bij het bepalen van geloofwaardige scenario’s die van toepassing zijn voor de Nederlandse situatie, zijn ook enkele scenario’s meegenomen die niet specifiek voor meststoffen zijn, maar meer te maken hebben met het hanteren van producten in bulkopslag in het algemeen.
  • Daarnaast is meegenomen dat er ook (nitraathoudende) meststoffen uit het buitenland kunnen komen.
  • De huidige stand der techniek is als uitgangspunt genomen en daardoor zijn alle scenario’s die zijn uitgewerkt – inclusief de scenario’s die in Hoofdstuk 4 zijn opgenomen – volgens het model van Fine & Kinney gecategoriseerd als ‘laag risico’.
  • Wanneer wordt voldaan aan de genoemde maatregelen inHoofdstuk 7, dan zijn de specifieke risico’s dusdanig laag dat er kan worden gesproken van een verantwoord laag risicoprofiel.
Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden in de regel niet in een PGS-richtlijn behandeld. In deze PGS is dat wel het geval, zie de twee kanttekeningen in de vorige paragraaf. Ook aan laag risico-scenario’s die niet in deze PGS staan beschreven, moet een bedrijf aandacht besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Toepassing PGS-scenario’s voor hogedrempelinrichtingen en ARIE-bedrijven

Voor de zogenoemde hogedrempelinrichtingen zoals gedefinieerd in het Bal en ARIE-bedrijven zoals gedefinieerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat de scenario’s die kunnen leiden tot het vrijkomen van een gevaarlijke stof, de installatiescenario’s, al zijn beschreven in een veiligheidsrapport volgens een vast stramien, zoals toegelicht in bijlage H van PGS 6 of in een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE). Deze bedrijven hebben de scenario’s en de beheersmaatregelen daarmee afdoende beschreven om aan de verplichtingen van het Bal en het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen. Indien gewenst kunnen zij deze beschrijvingen ten grondslag leggen aan de onderbouwing van gelijkwaardige oplossingen.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 7

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 7-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare opslag van minerale anorganische meststoffen (zie ook Paragraaf 3.1). De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario’s voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor opslag van minerale anorganische meststoffen.

De scenario's zijn onderverdeeld in: brand, contaminatie, opsluiting, stapeling en gebruik keerwanden, en misbruik.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

Voor een goed begrip van de scenario’s is het van belang kennis te nemen van de gevaarseigenschappen van meststoffen zoals beschreven in Paragraaf 2.5.

4.2Scenario’s met betrekking tot brand

4.3Scenario's met betrekking tot contaminatie

4.4Scenario's met betrekking tot opsluiting

4.5Scenario's met betrekking tot stapeling en gebruik van keerwanden

4.6Scenario's met betrekking tot misbruik

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deze PGS beschrijft doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) en met Brandpreventie (Brandpreventie en mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (Brand- of Rampenbestrijding).

De doelen staan in Hoofdstuk 6 en de maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en de maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6.

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Normatief

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen in paragraaf 4.1021 van het Bal. In deze paragraaf staat dat bij het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van 4.1021 van het Bal te voldoen moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van paragraaf 4.1021 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van paragraaf 4.1021 van het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat - met het oog op het waarborgen van de veiligheid - moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen, die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (Omgevingsveiligheid of Brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's ( Rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. 5.2.3 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

In artikel 3.36 van het Bal is het opslaan van vaste minerale anorganische meststoffen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze activiteit is een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig als meer dan 100 000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van Groep 2 van PGS 7 of 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van Groep 3 of Groep 4 van PGS 7 wordt opgeslagen. Op grond van artikel 3.38 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.100 als ten hoogste 100 000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van Groep 2 of ten hoogste 50 kg vaste minerale anorganische meststoffen van Groep 3 of Groep 4 van PGS 7 wordt opgeslagen. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Voor het deel van de milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig is en waarop de algemene regels van paragraaf 4.100 niet van toepassing zijn, worden de maatregelen als voorschrift in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit opgenomen.

Omgevingsveiligheid/Bal
Om aan artikel 4.1021 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

Alle maatregelen zijn van toepassing met uitzondering van: M37, M38, M39, MW68, MW69 enM95

5.2.3Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van meer dan 100 000 kg vaste minerale anorganische meststoffen van Groep 2 van PGS 7 zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Voor deze activiteit wordt in B.4 voor het plaatsgebonden risico een vaste afstand van 60 m vereist vanaf de opslagvoorziening. Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

5.2.4Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Brandpreventie .

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus . Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen gebruiken, bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan de markeringen Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

Alle maatregelen zijn van toepassing met uitzondering van: M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M21, M50, M52, M53, M54, M55, M56, M63, M64, M65, M66,M74, M75, M80, M84, M85, M86, M87, M88, M89, M90, M113.

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

Wet veiligheidsregio's

Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

De volgende maatregelen zijn van toepassing: M40, M62, M64, M65, M84, M85, M86, M92, M93, M94, M109, M110, M111 en M113

6Doelen Normatief

6.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig opslaan van minerale anorganische meststoffen. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen Normatief

6.2.1Doelen met betrekking tot brand Normatief

6.2.2Doelen met betrekking tot contaminatie Normatief

6.2.3Doelen met betrekking tot opsluiting Normatief

6.2.4Doelen met betrekking tot stapeling en gebruik van keerwanden Normatief

6.2.5Doelen met betrekking tot misbruik Normatief

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen Normatief

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen inHoofdstuk 6 .

Bij elke maatregel is met markeringen Omgevingsveiligheid , Brandpreventie, Arbeidsveiligheid en Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid: Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet.

Brandpreventie: Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer).

Arbeidsveiligheid: Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet.

Rampenbestrijding: Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's.

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Maatregelen zijn zo concreet mogelijk geformuleerd, met het oog op naleefbaarheid en handhaafbaarheid. Bij een aantal maatregelen is, om een goed veiligheidsniveau te borgen, het gebruik van kwalitatieve termen als periodiek, effectief, doelmatig, enz. niet te vermijden, omdat de invulling ervan per inrichting verschillend kan zijn. Bij interpretatievraagstukken over deze begrippen kan worden gebruikgemaakt van wat bijvoorbeeld is vastgelegd in onderhouds- en servicecontracten, NEN-normen, brancherichtlijnen en dergelijke. Op deze wijze kan het bevoegd gezag of het bedrijf invulling aan deze begrippen geven. In het toezicht kan indien nodig op de zorgplicht worden teruggevallen.

De paragrafen met maatregelen zijn onderverdeeld naar de gevaarscategorieën (Groep 1 t/m 4) van de meststoffen. Voor alle groepen meststoffen zijn dezelfde basismaatregelen van toepassing. Vervolgens gelden per groep additionele maatregelen. Voor een hoger groepsnummer zijn dus ook de maatregelen van alle eerdere paragrafen van toepassing. Dit ‘stapelmodel’ is in Afbeelding 17 weergegeven.

Afbeelding 17Stapelmodel maatregelen PGS 7

Minimum veiligheidsafstanden

In deze PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.2Basismaatregelen voor het opslaan van meststoffen van Groep 1.1 Normatief

7.2.1Algemeen Normatief

De in deze paragraaf opgenomen maatregelen gelden voor alle groepen vaste minerale anorganische meststoffen.

Maximaal toegelaten hoeveelheden

Tabel 4 en Tabel 5 bevatten een overzicht van de maximaal toegelaten hoeveelheden meststoffen in bulk en in verpakking.

  • Groepsindeling van de meststoffen is weergegeven in [Bestemming ontbreekt]. De groepen zijn in Paragraaf 2.4 beschreven.
  • Onder een kapschuur wordt hier verstaan een opslagvoorziening, al dan niet voorzien van een overhangende dakconstructie, waarvan ten hoogste drie zijden volledig gesloten zijn.
  • Onder een loods wordt hier verstaan een opslagvoorziening met dakconstructie waarvan alle vier de zijden gesloten zijn of gesloten kunnen worden.
  • Onder eenheid wordt verstaan een aaneengesloten hoop gestort of gezakt product die aan alle zijden door voldoende brandwerende wanden is omgeven. Als een voldoende brandwerende wand kan worden aangemerkt een aaneengesloten hoop of stapel van inert product of een vrije ruimte van ten minste 2,5 m en die onder alle omstandigheden kan worden gehandhaafd. Dit begrip van brandwerende wand mag slechts worden gehanteerd indien de inrichting van het gebouw zodanig is dat overslag van brand binnen het gebouw uitgesloten kan worden geacht. Indien deze voorwaarde is vervuld, kan dus in één gebouw een aantal eenheden worden opgeslagen onder dezelfde voorwaarden als één eenheid. Is dit niet het geval, dan moet de hoeveelheid per gebouw tot één eenheid beperkt blijven. Bij grotere eenheden en hoeveelheden zal ad hoc moeten worden bezien of nog additionele maatregelen zullen worden genomen, voornamelijk op het gebied van de brandpreventie en -bestrijding, mede in verband met de ligging van het opslaggebouw ten aanzien van de belendingen en de omgeving.

Tabel 4Opslag in bulk per locatie waar de activiteit plaatsvindt

Bekijk deze tabel in een popup venster

Gebouwd volgens:

Niet volgens PGS 7

7.2 Basismaat- regelen Groep 1.1

7.3 Aanvullende maatregelen Groep 1.2 en/of 1.3

7.4 Aanvullende maatregelen Groep 2

7.5 Aanvullende maatregelen Groep 3

7.6 Aanvullende maatregelen Groep 4

Groep

121.11.2, 1.32121231231

2

3

4

Silo

< 250 t< 50 t< 1 000 t< 100 t< 100 t< 100 t< 100 t< 100 t< 100 t< 100 t< 100 t*

Kap-schuur

< 250 t*< 1 000 t******

*

*

*

Loods

< 250 t< 50 t< 1 000 t< 100 t< 100 t

Eenheden van < 5 000 t Totaal ∞

Maatwerk

Eenheden van < 5 000 t Totaal ∞

Eenheden van < 1 500 t Totaal max. 6 000 t

Eenheden van < 5 000 t Totaal ∞

Eenheden van < 1 500 t Totaal max. 6 000 t

Grootte eenheden afhankelijk van onderlinge afstanden.

Totaal < 500 t

Legenda

∞ onbeperkt toegelaten

* niet toegelaten

Tabel 5Opslag in verpakking per locatie waar de activiteit plaatsvindt

Bekijk deze tabel in een popup venster

Gebouwd volgens:

Niet volgens PGS 7

7.2 Basismaatregelen Groep 1.1

7.3 Aan-vullende maatregelen Groep 1.2 en/of 1.3

7.4 Aanvullende maatregelen Groep 2

7.5 Aanvullende maatregelen Groep 3

7.6 Aanvullende maatregelen Groep 4

Groep

121.11.2, 1.3212

1

2

3

1

2

3

1

2

3

4

Opslag in de open lucht

< 250 t< 50 t< 1 000 t< 100 t< 100 t

Eenheden van < 3 000 t Totaal ∞

Maatwerk

Eenheden van < 3 000 t Totaal ∞

Eenheden van < 2 500 t Totaal ∞

Eenheden van < 3 000 t Totaal ∞

Eenheden van < 2 500 t Totaal ∞

Grootte eenheden afhankelijk van onderlinge afstanden.

Totaal < 2 500 t

Kap-schuur

< 250 t< 50 t< 1 000 t< 100 t< 100 t

Eenheden van < 3000 t Totaal ∞

*

Eenheden van < 3 000 t Totaal ∞

*

*

*

*

Loods

< 250 t< 50 t< 1 000 t

Eenheden < 50 t

Totaal < 100 t

Eenheden < 50 t

Totaal < 100 t

Eenheden van < 3000 t Totaal ∞

Maatwerk

Eenheden van < 3 000 t Totaal ∞

Eenheden van < 2 500 t Totaal max. 10 000 t

Eenheden van < 5 000 t Totaal ∞

Eenheden van < 2 500 t Totaal max. 10 000 t

Grootte eenheden afhankelijk van onderlinge afstanden.

Totaal < 2 500 t

Legenda

∞ onbeperkt toegelaten

* niet toegelaten

7.2.2Bouwkundige maatregelen en voorzieningen Normatief

Brandwerendheid van afstanden

Gelijkwaardigheid tussen brandwerende eisen en afstanden (voor zowel inpandig als uitpandig) zijn weergegeven in Tabel 6.

Tabel 6Brandwerendheid van afstanden

WBDBO

60 min30 min

0 min

Aan te houden afstand tot begrenzing van de locatie of brandbaar object

0 m

5 m10 m

Toelichting:

Voor een uitpandige opslag geldt dat de WBDBO van 60 min ook kan worden behaald met afstand:

  • Indien de afstand van de opslagvoorziening tot de begrenzing van de locatie, tot een ander bouwwerk dat tot de locatie van de activiteit behoort, of tot andere brandbare objecten minder dan 5 m bedraagt, dan behoort de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening ten minste 60 min te bedragen. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in deze constructie behoren geen afbreuk te doen aan de vereiste brandwerendheid.
  • Indien de afstand van de opslagvoorziening tot de begrenzing van de locatie, tot een ander bouwwerk dat tot de locatie van de activiteit behoort, of tot andere brandbare objecten ten minste 5 m bedraagt, dan behoort de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie van de opslagvoorziening ten minste 30 min te bedragen. Deuren, ventilatieopeningen, leidingdoorvoeren of rookluiken in deze constructie behoren geen afbreuk te doen aan de vereiste brandwerendheid.
  • Indien de afstand van de opslagvoorziening tot de begrenzing van de locatie, tot een ander bouwwerk dat tot de locatie van de activiteit behoort, of tot andere brandbare objecten ten minste 10 m bedraagt, dan is ten aanzien van de brandwerendheid van de wanden, het dak en de draagconstructie geen eis van toepassing.
  • Binnen deze afstanden vinden geen opslag van brandbare stoffen dan wel brandgevaarlijke activiteiten (met uitzondering van laad- en losactiviteiten ten behoeve van de opslagvoorziening) plaats die een brand kunnen veroorzaken of waarlangs een brand zich kan voortplanten naar de opslagvoorziening.

Toelichting:

Het doel van deze voorschriften is het voorkomen van branduitbreiding, zowel vanuit de opgeslagen stoffen naar brandbare objecten in de omgeving als omgekeerd vanuit de omgeving (ook open buitenruimten) naar de opgeslagen stoffen. Uitgangspunt is dat de opslag wordt gezien als een brandwerende doos met daarin de opgeslagen gevaarlijke stoffen. Dit kan worden bereikt als het opslaggebouw de vereiste brandwerendheid bezit (weerstand tegen branddoorslag, het WBD-deel van de WBDBO). Indien dit gebouw niet, of deels niet, de vereiste brandwerendheid bezit, kan de afstandseis uitkomst bieden (weerstand tegen brandoverslag, het WBO-deel van de WBDBO). Dan behoort er wél een voldoende brede strook (vrij van brandbare materialen) op eigen terrein te worden aangehouden tussen enerzijds het opslaggebouw en anderzijds de erfgrens en brandbare gebouwen op het eigen terrein. De breedte van die strook hangt af van de brandwerendheid van het opslaggebouw.

Een variant is een opslag van stoffen tegen de gevel van een gebouw, mits deze gevel een brandwerendheid heeft van ten minste 60 min over de gehele hoogte boven de opgeslagen stoffen en ten minste 2 m aan weerszijden van de opgeslagen stoffen. Daarbij behoort gevaar van aanstraling van de opgeslagen stoffen naar de omgeving en vice versa ook te worden voorkomen door hetzij bouwkundige voorzieningen, hetzij afstand, hetzij een combinatie van beide. Indien aan de zijkanten niet aan de afstandseisen en/of aan de bovenkant niet aan een brandwerendheid van 60 min kan worden voldaan, dan kan worden gekozen voor zijmuren respectievelijk een dak van voldoende afmetingen. Dit houdt in dat deze moeten uitsteken vóór de opgeslagen stoffen. Deze constructie, ook wel ‘bushokje’ genoemd, heeft dan minimaal één open zijde waarvoor de genoemde afstandseis geldt waarbinnen zich geen stralingsbronnen (of brandbare objecten) van enige betekenis mogen bevinden.

Ook moet er voldoende afstand zijn tussen het opslaggebouw en brandbare materialen, olie en/of (licht) ontvlambare, brandbare en brandonderhoudende vloeistoffen op het buitenterrein. Ook hier kan het ‘bushokje’ als alternatief dienen.

7.2.3Opslag en werkzaamheden Normatief

7.2.4Gebruik werktuigen en installaties Normatief

7.2.5Onderhoud en inspectie Normatief

7.2.6Veilig gebruik van keerwanden Normatief

7.2.7Verkoopruimten en verzending van samengestelde vrachten Normatief

7.2.8Lekkages, gemorst product en niet-conform product Normatief

7.2.9Misbruik Normatief

7.2.10Noodplan en melding van incidenten Normatief

7.2.11Brandbestrijdingsmaatregelen en bereikbaarheid Normatief

7.2.12Training en opleiding Normatief

7.3Aanvullende maatregelen voor het opslaan van meststoffen van Groep 1.2 of Groep 1.3 Normatief

7.3.1Algemeen Normatief

7.3.2Bouwkundige maatregelen en voorzieningen Normatief

7.3.3Gebruik werktuigen en installaties Normatief

7.3.4Werkzaamheden Normatief

7.4Aanvullende maatregelen voor het opslaan van meststoffen van Groep 2 Normatief

7.4.1Algemeen Normatief

7.4.2Bouwkundige maatregelen en voorzieningen Normatief

7.4.3Opslag  Normatief

7.4.4Gebruik werktuigen en installaties Normatief

7.4.5Brandbestrijdingsmaatregelen en bereikbaarheid Normatief

7.4.6Training en opleiding Normatief

7.5Aanvullende maatregelen voor het opslaan van Groep 3 Normatief

7.5.1Algemeen Normatief

7.5.2Bouwkundige maatregelen en voorzieningen Normatief

7.5.3Opslag en werkzaamheden Normatief

7.5.4Brandbestrijdingsmaatregelen en bereikbaarheid Normatief

7.6Aanvullende maatregelen voor het opslaan van Groep 4 Normatief

7.6.1Algemeen Normatief

7.6.2Brandbestrijdingsmaatregelen en bereikbaarheid Normatief