PGS28Vloeibare brandstoffen in ondergrondse installaties en aflevertoestellen
PGS 28: 2021 versie 1.0 (Augustus 2021)
28

Vloeibare brandstoffen in ondergrondse installaties en aflevertoestellen

Richtlijn voor het veilig opslaan en afleveren van vloeibare brandstoffen in/vanuit ondergrondse tanks en voor het veilig verwijderen van ondergrondse opslagtanks

Versie

Deze PGS 28:2021 versie 1.0 (Augustus 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 28:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl. Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl - risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
PGS 28 Nieuwe Stijl

PGS 28 is geactualiseerd in het kader van de omzetting van de PGS naar de nieuwe stijl. Deze nieuwe stijl is onder andere ingegeven door de introductie van de nieuwe Omgevingswet en een door te voeren kwaliteitsslag waarbij de onderbouwing, door middel van een risicobenadering, van de voorgeschreven maatregelen veel duidelijker wordt. In tegenstelling tot PGS 28:2011 bevat deze PGS geen bodembeschermingsmaatregelen meer. De bodembeschermingsmaatregelen volgen uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en staan deels benoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ten opzichte van PGS 28:2011 is veranderd dat bij het afleveren van diesel een vastzetmechanisme op het vulpistool is toegelaten, mits het vulpistool en vastzetmechanisme voldoen aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (ATEX 114). Handmatige peilsystemen worden uitgefaseerd en vervangen door een elektronisch systeem. Afleverslangen moeten worden voorzien van een breekkoppeling die voldoet aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (ATEX 114). Opslagtanks met een vullingsgraad van 98 % worden uitgefaseerd. De maximale vullingsgraad volgens deze PGS is 97 %. Als onder verpomping de opslagtank wordt gevuld, zijn aanvullende maatregelen nodig.

Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en Rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In Bijlage I staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 3 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020

De voorzitter van de Programmaraad,

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.1, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.1 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over het onderwerp het veilig opslaan en afleveren van vloeibare brandstoffen in/vanuit ondergrondse tanks en voor het veilig verwijderen van ondergrondse opslagtanks.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Doel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage C: Interne veiligheidsafstanden;
  • Bijlage H: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Toepassingsbereik van de richtlijnNormatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op de drukloze, ondergrondse opslag van vloeibare brandstoffen en/of minerale olieproducten behorende tot ADR-klasse 3, verpakkingsgroep (VG) II en III, bijvoorbeeld benzine, ethanol, kerosine (petroleum) en diesel, in één of meer opslagtanks met een opslagcapaciteit van ten hoogste 150 m3 per opslagtank, evenals op de hieraan gekoppelde aflevertoestellen voor kleinschalige en grootschalige aflevering.

Toelichting 1: Er is sprake van grootschalige aflevering bij een jaarlijkse doorzet van minimaal 25 m3. Er is sprake van kleinschalige aflevering bij een jaarlijkse doorzet van maximaal 25 m3.

Toelichting 2: Op vloeibare brandstoffen en/of minerale olieproducten behorende tot het toepassingsgebied van PGS 28 kan ook PGS 31 van toepassing zijn, indien de toepassing overeenkomt met de beschrijving van het toepassingsgebied van PGS 31.

Toelichting 3: In de ADR-classificatie staat klasse 3 voor brandbare vloeistoffen. Binnen klasse 3 kent de ADR-classificatie drie verpakkingsgroepen die een verdeling aangeven op basis van de mate van gevaar:

  • Verpakkingsgroep 1 bevat stoffen die groot gevaar opleveren.
  • Verpakkingsgroep 2 bevat stoffen die een middelmatig gevaar opleveren.
  • Verpakkingsgroep 3 bevat stoffen die een gering gevaar opleveren.

De indeling in de verschillende verpakkingsgroepen is voor ADR-klasse 3 gebaseerd op het beginkookpunt en het vlampunt. In tabel 1 is de indeling over de verschillende verpakkingsgroepen weergegeven.

Tabel 1Indeling over de verschillende verpakkingsgroepen

Verpakkingsgroep

Vlampunt

Beginkookpunt

I

-

≤ 35 °C

II

< 23 °C

> 35 °C

III

≥ 23 °C en ≤ 60 °C

> 35 °C

In aanvulling op tabel 1 worden dieselolie, gasolie of lichte stookolie, met inbegrip van synthetisch vervaardigde producten met een vlampunt tussen 60 °C en 100 °C, eveneens geclassificeerd als ADR-klasse 3-stoffen. Een meer gedetailleerde en volledige beschrijving van de klasse-indelingen is terug te vinden in het ADR .

In deze richtlijn zijn eveneens voorschriften opgenomen die speciaal zijn gericht op het veilige dagelijks gebruik van de mobiele aflevertoestellen voor mengsmering. Hieronder worden onder andere verstaan de constructie-eisen aan deze toestellen en de gebruiksvoorschriften, zoals het vullen van de opslagtank en het afleveren van de mengsmering.

Toelichting 4:

De mobiele aflevertoestellen voor mengsmering betreffen bovengrondse installaties. Omdat deze installaties vaak voorkomen op tankstations voor het wegverkeer is ervoor gekozen de voorschriften onder te brengen in PGS 28. De aflevering van andere brandstoffen uit mobiele aflevertoestellen staat beschreven in PGS 30 .

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.2Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van de opslag en aflevering van vloeibare brandstoffen in/vanuit ondergrondse tanks en de risico’s van het verwijderen van ondergrondse opslagtanks te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage G geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage H staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving installatie vloeibare brandstoffen

2.1Over vloeibare brandstoffen

2.1.1Algemene informatie

Deze PGS is hoofdzakelijk geschreven voor tankstations en brandstofverkooppunten. Er zijn echter ook andere situaties waarin PGS 28 kan worden toegepast. Deze atypische situaties staan benoemd in Paragraaf 2.2.3, Paragraaf 2.2.4, Paragraaf 2.2.5, Paragraaf 2.2.6, Paragraaf 2.2.7, Paragraaf 2.2.8, Paragraaf 2.2.9, Paragraaf 2.2.10 en Paragraaf 2.2.11. PGS 28 gaat over de opslag van en activiteiten met vloeibare brandstoffen behorende tot ADR-klasse 3, VG II en III. In de praktijk is PGS 28 voornamelijk van toepassing voor de vloeibare brandstoffen benzine volgens NEN-EN 228 en diesel volgens NEN EN 590. In het vervolg van deze PGS wordt bij ‘benzine’ benzine volgens NEN EN 228 bedoeld en bij ‘diesel’ diesel volgens NEN EN 590. PGS 28 kan echter ook worden toegepast bij de opslag van en activiteiten met andere vloeibare brandstoffen behorend tot ADR-klasse 3, VG II en III, bijvoorbeeld ethanol (VG II) of kerosine (VG III).

2.1.2Gevaren van vloeibare brandstoffen

Vloeibare brandstoffen zijn brandbaar door de damplaag die zich boven de vloeistof vormt. Benzine heeft in vergelijking tot diesel een hogere dampspanning en een lager kookpunt, is vluchtiger en geeft bij ‘normale’ omgevingstemperaturen brandbare damp af. Om te kunnen branden is naast een ontstekingsbron ook een juiste verhouding van zuurstof en brandstof nodig.

De gevaren van benzine zijn op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terechtkomt (H304), kan genetische afwijkingen veroorzaken (H340) en kan kankerverwekkend zijn (H350).

Andere gevaren van benzine op grond van de CLP-verordening zijn de volgende:

  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten.
  • De stof is een extreem brandbare vloeistof en damp.
  • De stof wordt ervan verdacht de vruchtbaarheid of het ongeboren kind te beschadigen.
  • De stof veroorzaakt huidirritatie en kan slaperigheid en duizeligheid veroorzaken.

Het gevaar van kerosine (petroleum) is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terechtkomt (H304).

Andere gevaren van kerosine (petroleum) op grond van de CLP-verordening zijn de volgende:

  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten.
  • De stof is een brandbare vloeistof en damp.
  • De stof veroorzaakt huidirritatie en kan slaperigheid en duizeligheid veroorzaken.

Het gevaar van ethanol is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof is een licht ontvlambare vloeistof en damp.

Andere gevaren van ethanol op grond van de CLP-verordening zijn de volgende:

  • De stof kan schade veroorzaken aan organen.
  • De stof is giftig wanneer deze wordt ingeslikt.
  • De stof is giftig wanneer deze in contact komt met de huid.
  • De stof is giftig wanneer deze wordt ingeademd.
  • De stof veroorzaakt ernstig oogletsel.
  • De stof veroorzaakt huidirritatie.

Het gevaar van diesel is op grond van de CLP-verordening als volgt: de stof wordt ervan verdacht kankerverwekkend te zijn (H351).

Andere gevaren van diesel op grond van de CLP-verordening zijn de volgende:

  • De stof kan fataal zijn wanneer deze wordt ingeslikt en in de luchtwegen terechtkomt.
  • De stof is giftig voor waterfauna en -flora met langdurige effecten.
  • De stof is schadelijk wanneer deze wordt ingeademd.
  • De stof kan schade veroorzaken aan organen door langdurige of herhaalde blootstelling.
  • De stof is een brandbare vloeistof en damp.
  • De stof veroorzaakt huidirritatie.

In de afgelopen decennia is de samenstelling van benzine en diesel gewijzigd. Aan benzine wordt geen ‘lood’ meer toegevoegd en uit diesel wordt nagenoeg alle zwavel gehaald. Tevens is er een verplichting gekomen om biobrandstoffen bij te mengen, in een steeds hoger percentage (tot 10 % of 15 % in 2020). Bij benzine is dit veelal ethanol, verkregen uit mais en tarwe, en bij diesel FAME (‘fatty acid methyl ester’) en/of HVO (‘hydrotreated vegetable oils’), verkregen uit gebruikt frituurvet en kool-/raapzaad.

Inademen damp

De vluchtige organische componenten (waaronder benzeen) zijn het schadelijkst voor de gezondheid. Deze stoffen komen voornamelijk voor in benzine, wat resulteert in de relatief hoge dampspanning. De meeste tankstations moeten zijn uitgerust met dampretourvoorzieningen fase I en fase II. Deze voorzieningen beperken de damp die vrijkomt bij het vullen van de opslagtank en het afleveren.

2.2Over de tankinstallatie voor vloeibare brandstoffen

2.2.1Algemene beschrijving

Afbeelding 1Tankinstallatie voor vloeibare brandstoffen

2.2.2Enkelvoudige ondergrondse tankinstallatie op tankstation (typische situatie)

De typische situatie betreft de enkelvoudige enkelwandige of dubbelwandige tankinstallatie ten behoeve van aflevering aan het wegverkeer met een maximuminhoud van 150 m3. In de meeste gevallen is dit een stalen ondergrondse opslagtank, waarbij via een afleverpomp de vloeibare brandstof uit de opslagtank wordt gezogen. De ondergrondse metalen delen zijn voorzien van kathodische bescherming tegen corrosie van buitenaf. Daarnaast zijn er bij de ondergrondse tankinstallaties grondwaterpeilbuizen geplaatst, die periodiek worden bemonsterd. Bij een lek in het ondergrondse leidingsysteem zal in de meeste gevallen of (grond)water naar binnen worden gezogen of zal de zuigpomp lucht aanzuigen, waardoor de pomp geen product geeft en dus het probleem wordt ontdekt, en het risico op milieuschade laag is. De ondergrondse opslagtank wordt gevuld vanuit een tankwagen, waarbij in de meeste gevallen de vloeibare brandstof onder vrij verval vanuit de tankwagen middels een losslang via de ondergrondse vulleiding in de ondergrondse opslagtank stroomt.

2.2.3Mobiele installaties voor mengsmering (atypische situatie)

Een mobiele installatie voor mengsmering is een uitzondering op de regel dat benzineopslagtanks bij tankstations altijd onder de grond liggen. Mobiele installaties voor mengsmering zijn opslagtankjes van maximaal 100 l op wielen, voorzien van een aflevermogelijkheid om bijvoorbeeld bromfietsen te voorzien van zogenoemde tweetact-benzine of mengsmering.

Extra gevaren ten opzichte van de onder Paragraaf 2.2.2 genoemde installatie is het feit dat bij deze installaties de brandstofvoorraad bovengronds staat en mobiel is. Dat betekent dat er een verhoogd gevaar is voor aanrijding, lekkages en het omvallen van de mobiele installatie, waarbij benzine kan vrijkomen.

2.2.4Onbemande tankinstallatie (atypische situatie)

Ten aanzien van de installatie is een onbemande tankinstallatie gelijk aan de installatie genoemd in Paragraaf 2.2.2. Het enige verschil is het ontbreken van (direct) toezicht. Om die reden moet een noodstopvoorziening op of nabij de tankzuilen aanwezig zijn, alsook temperatuurgevoelige elementen die bij brand de elektriciteitsvoorziening van de brandstofpomp afsluiten. Bij calamiteiten is er geen opgeleid persoon aanwezig om direct adequaat in te grijpen. Door middel van alarmering via de noodstopvoorziening worden op afstand personen gealarmeerd. Deze moeten actie ondernemen voor alarmopvolging.

2.2.5Tankinstallaties in grondwaterbeschermingsgebieden (atypische situatie)

In het geval van incidenten en calamiteiten zijn de gevolgen in een grondwaterbeschermingsgebied groter. Vandaar dat er voor installaties in deze gebieden op sommige vlakken verzwaarde eisen gelden. De kans dat er iets misgaat, is hetzelfde in vergelijking met een installatie genoemd onder Paragraaf 2.2.2.

2.2.6Kunststof ondergrondse tankinstallaties (atypische situatie)

Kunststof opslagtanks zijn ongevoelig voor corrosie. Ze zijn echter niet ongevoelig voor veroudering.

2.2.7Tankinstallatie met druksysteem naar afleverzuil (atypische situatie)

Indien de installatie genoemd in Paragraaf 2.2.2 in de afleverzuil een zuigpunt heeft die de vloeibare brandstof uit de ondergrondse opslagtank moet zuigen, is de tankinstallatie voorzien van een perssysteem: een (dompel)pomp in de ondergrondse opslagtank waarbij de ondergrondse persleiding voortdurend onder druk staat. Bij een eventuele lekkage in een ondergrondse leiding is het risico dus groot dat de vloeibare brandstof onder druk naar buiten wordt geperst. Dit in tegenstelling tot de typische installatie waarbij wordt gebruikgemaakt van een zuigpomp, zie Paragraaf 2.2.2.

2.2.8Tankinstallatie voor pleziervaart (atypische situatie)

In tegenstelling tot een tankinstallatie waar de aflevering plaatsvindt aan auto’s die tijdens het afleveren op een vloeistofdichte vloer staan, kan dit niet bij het afleveren aan vaartuigen. De effecten bij morsingen zijn dus groter. Tevens is er een vergrote kans dat een afleverslang bekneld raakt tussen de wal en het vaartuig.

2.2.9Ondergrondse opslagtanks voor tijdelijke opslag van vloeibare brandstof of niet-gekoppelde ondergrondse opslagtanks op brandstofdepots (atypische situatie)

Een ondergrondse installatie die wordt gebruikt voor het beladen van tankwagens werkt met hogere volumes/pompsnelheden in vergelijking met de typische installatie genoemd onder Paragraaf 2.2.2.

Deze PGS gaat over ondergrondse opslagtanks met bijbehorende onderdelen. De bovengrondse installatiedelen op de brandstofdepots vallen buiten het toepassingsbereik van deze PGS. Gekoppelde ondergrondse opslagtanks vallen eveneens buiten het toepassingsbereik van deze PGS.

Meestal heeft deze atypische situatie betrekking op het gebruik van een ondergrondse opslagtank op een tankstation voor tijdelijke opslag. Een tankwagen vult een ondergrondse opslagtank in een dergelijk geval met een vloeibare brandstof en pompt (met de pomp op de tankwagen) deze op een later moment terug in de tankwagen. Daarnaast heeft deze atypische situatie betrekking op ondergrondse niet-gekoppelde tanks op brandstofdepots. Alleen de niet-gekoppelde ondergrondse opslagtanks vallen onder deze PGS.

2.2.10Ondergrondse opslagtank voor vloeibare brandstofvoeding van installaties (atypische situatie)

Een voorbeeld van een vloeibare brandstofvoedingsinstallatie is een brandstofopslagtank die bijvoorbeeld een generator of noodstroominstallatie voedt. Veelal wordt de motor van de generator of noodstroominstallatie niet direct voorzien van vloeibare brandstof, maar is nabij deze motor een (bovengrondse) dagtank geplaatst die door een pomp met een vlotter wordt gevoed vanuit de ondergrondse opslagtank.

De ondergrondse tankinstallatie is nagenoeg gelijk aan de typische installatie genoemd in Paragraaf 2.2.2. In vergelijking met de typische situatie is er geen risico op morsingen. Echter, er is wel het gevaar van een overloop bij een niet goed functionerende vlotter of bij slecht onderhoud van de dagtank, waardoor de ondergrondse opslagtank helemaal wordt leeggezogen en de vloeibare brandstof onbedoeld via de (defecte) dagtank vrijkomt. De dagtank kan door de (noodstroominstallatie)fabrikant worden beschouwd als onderdeel van de machine. In dat geval is het Warenwetbesluit machines van toepassing op de dagtank. In het geval de dagtank door de fabrikant niet als onderdeel van de machine wordt beschouwd, dan is PGS 30 op de dagtank van toepassing.

2.2.11Tankinstallaties voor aflevering van kerosine (petroleum) aan de luchtvaart (atypische situatie)

Tankinstallaties voor kerosine (petroleum) komen met name voor bij de luchtvaart. Kerosine (petroleum) valt in de ADR-klasse 3, VG III (vlampunt ≤ 60 °C) en is vluchtiger en brandbaarder dan diesel. Hierdoor zijn de risico’s van brand en inademing van vluchtige componenten groter.

De bovengrondse opslag van kerosine (petroleum) valt onder PGS 30 .

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

In deel C staat meer uitleg over de maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen, kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering .

Scenario's met laag risico

De scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 28

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt, staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 28-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare opslag en aflevering van vloeibare brandstoffen in/vanuit ondergrondse tanks en het verwijderen van ondergrondse opslagtanks. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

Het team is gestart met het schetsen van een standaardsituatie, de typische situatie. Hierbij is gekeken welke onder de PGS 28 vallende situatie in de praktijk het vaakst voorkomt. Van die situatie zijn de belangrijkste aspecten beschreven. De teamleden hebben daarna samen met hun achterban bekende incidenten geïdentificeerd, om zo deze daadwerkelijke scenario's in elk geval te behandelen in de risicobenadering. Daarnaast is door het team ook gekeken in openbare ongevalsdatabases naar ongevallen die bij tankstations hebben plaatsgevonden. Het team heeft de volgende databases bekeken:

  • ProcessNet;
  • ZEMA;
  • eMars;
  • Storybuilder;
  • ARIA;
  • database van branchevereniging NOVE: een grote verzameling van mediaberichten over incidenten en ongevallen bij tankstations/met tankauto's (bron: kranten, nieuwssites).

ProcessNet, ZEMA en eMars zijn specifiek gericht op grote ongevallen in de (proces)industrie. In deze databases heeft het team geen incidenten of ongevallen specifiek bij tankstations kunnen vinden.

In Storybuilder staan ook geen relevante ongevallen bij tankstations. Dat is wel het geval in de ARIA-database. Dit is een Franse database die publiek toegankelijk is. Daarin zijn 270 ongevallen bij Franse tankstations uit de ARIA-database nader geanalyseerd en ingedeeld naar typologie. De ongevalsoorzaken uit deze database zijn ondergebracht in de scenario-analyse van het team.

Tot slot heeft het team gekeken naar de database van branchevereniging NOVE, die bestaat uit verzamelde mediaberichten over incidenten bij tankstations. De ongevalsoorzaken uit de mediaberichten bleken te zijn ondergebracht in de scenario-analyse van het team.

Vervolgens heeft het team gestructureerd scenario's geïdentificeerd door te kijken naar verschillende activiteiten: vullen, opslaan, afleveren en verwijderen, en naar verschillende oorzaken, zoals corrosie, externe impact, constructiefouten, procedurefouten, enz.

Uit deze identificatie is een aantal relevante scenario's naar voren gekomen. De PGS-teamleden hebben de scenario's teruggekoppeld naar hun achterban met daarbij de vraag om te toetsen of de scenario's inderdaad relevant zijn en of dat er nog scenario's missen.

De volgende stap bestond uit het beoordelen van de scenario's. De scenario's zijn gewaardeerd op basis van kans en effect volgens de risicomatrix uit de handreiking generieke risicobenadering. De scenario's zijn kaal beoordeeld, dus zonder inbegrip van bestaande maatregelen voortkomend uit de PGS en wet- en regelgeving. Na deze fase zijn de maatregelen door de teamleden toegevoegd aan de scenario's en is met PGS 28:2011 gecontroleerd of er geen maatregelen onbedoeld zijn vergeten. Tot slot zijn de scenario's inclusief maatregelen beoordeeld en daar waar het risico onvoldoende verminderd was, zijn additionele maatregelen toegevoegd.

Naast de typische situatie is een aantal atypische situaties benoemd. Een atypische situatie is een situatie die afwijkt van de typische situatie, maar desondanks in de praktijk af en toe tot vaak voorkomt. Bij de atypische situatie zijn alleen de specifieke additionele scenario's en risico's ten opzichte van de typische situatie benoemd. Een atypische situatie is dan ook pas compleet bij een combinatie van de scenario's van de typische en de atypische situatie. Het team heeft verder de werkwijze gevolgd zoals beschreven bij de typische situatie.

4Scenario'sNormatief

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor ondergrondse PGS 28-tankinstallaties.

De scenario’s voor de typische situaties zijn opgenomen in Paragraaf 4.2 en opgesplitst in de volgende activiteiten:

  • tijdens vullen;
  • tijdens opslag;
  • tijdens afleveren;
  • bij verwijdering.

Opmerking:

De scenario’s zijn in hun volledigheid beschouwd, dat wil zeggen inclusief de bodemgerelateerde risico’s. De bodemgerelateerde risico’s zijn niet vertaald in doelen en maatregelen omdat deze al in het Bal en in de NRB zijn opgenomen.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

De scenario’s voor de atypische situaties zijn opgenomen in Paragraaf 4.3 en zijn van toepassing op:

  • mobiele installatie voor mengsmering;
  • onbemande tankinstallatie;
  • tankinstallatie in grondwaterbeschermingsgebied;
  • kunststof ondergrondse tankinstallatie;
  • ondergrondse opslagtank met druksysteem naar afleverzuil;
  • tankinstallatie voor pleziervaart;
  • ondergrondse opslagtank voor tijdelijke opslag van vloeibare brandstof of niet-gekoppelde ondergrondse opslagtank op brandstofdepot;
  • tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • tankinstallatie voor aflevering van kerosine (petroleum) aan de luchtvaart.

Deze scenario’s komen bovenop de scenario’s voor de typische situatie van Paragraaf 4.2. Naast de in Paragraaf 4.3 genoemde scenario’s gelden voor de atypische situaties dus ook de scenario’s uit Paragraaf 4.2, tenzij expliciet benoemd van niet. De nummering van de atypische scenario’s begint bij S24.

Voor de ondergrondse tankinstallatie met afgewerkte olie/hydraulische olie is een toelichting opgenomen in Hoofdstuk 11.

4.2Scenario’s en gekoppelde doelen voor de typische situaties

Scenario van toepassing op enkelvoudige tankinstallaties tijdens vullen, opslag, afleveren en verwijdering
Scenario's van toepassing op enkelvoudige tankinstallaties tijdens vullen
Scenario’s van toepassing op enkelvoudige tankinstallaties tijdens opslag

Opmerking:

De scenario’s S13, S14, S15 en S16 zijn relevant binnen het toepassingsgebied van deze PGS en zijn voor de volledigheid van de risicobenadering weergegeven. In tegenstelling tot vorige uitgaves zijn de maatregelen voor bodembescherming niet terug te vinden in deze PGS. De bodembeschermende maatregelen zijn nu te vinden in het Bal.

Scenario’s van toepassing op enkelvoudige tankinstallaties tijdens afleveren
Scenario van toepassing op enkelvoudige tankinstallaties verwijdering

4.3Extra scenario’s en gekoppelde doelen voor de atypische situatiesNormatief

Scenario’s van toepassing op mobiele installatie voor mengsmering
Scenario van toepassing op onbemande tankinstallatie
Scenario’s van toepassing op tankinstallaties in grondwaterbeschermingsgebieden

Opmerking:

De scenario’s S27 en S28 zijn relevant binnen het toepassingsgebied van deze PGS en zijn voor de volledigheid van de risicobenadering weergegeven. In tegenstelling tot de vorige versie zijn de maatregelen voor bodembescherming niet terug te vinden in deze PGS. De bodembeschermende maatregelen zijn nu te vinden in het Bal.

Scenario’s van toepassing op kunststof ondergrondse tankinstallaties

Opmerking:

De scenario’s S29 en S30 zijn relevant binnen het toepassingsgebied van deze PGS en zijn voor de volledigheid van de risicobenadering weergegeven. In tegenstelling tot de vorige versie zijn de maatregelen voor bodembescherming niet terug te vinden in deze PGS. De bodembeschermende maatregelen zijn nu te vinden in het Bal.

Scenario’s van toepassing op ondergrondse tankinstallatie met druksysteem
Scenario’s van toepassing op tankinstallatie voor pleziervaart
Scenario’s van toepassing op ondergrondse opslagtanks voor tijdelijke opslag van vloeibare brandstof of niet-gekoppelde ondergrondse opslagtanks op brandstofdepots
Scenario’s van toepassing op tankinstallaties ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties
Scenario’s van toepassing op tankinstallatie voor aflevering van kerosine (petroleum) aan de luchtvaart

De scenario's van toepassing op tankinstallaties voor aflevering van kerosine (petroleum) zijn identiek aan de scenario’s voor de typische situatie, op een enkel verschil na: Lees vliegtuig in plaats van voertuig en ‘kerosine (petroleum)’ in plaats van ‘benzine’.

5Richtingaanwijzer wet- en regelgevingNormatief

5.1InleidingNormatief

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) en met brandpreventie (Brandpreventie en mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met rampenbestrijding (Brand- of Rampenbestrijding).

In deel B staan eerst de doelen in hoofdstuk 6 en daarna maatregelen in hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit hoofdstuk 6.

5.2OmgevingsveiligheidNormatief

5.2.1AlgemeenNormatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)Normatief

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks in paragraaf 4.96. In deze paragraaf staat dat bij het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn.

Het Bal bevat ook regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij kleinschalig tanken (paragraaf 4.39) en bij grootschalig tanken (paragraaf 4.40). In deze paragrafen staat dat bij het kleinschalig en grootschalig tanken vanuit een ondergrondse opslagtank moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn.

Om aan de regels van paragrafen 4.39, 4.40 en 4.96 van het Bal te voldoen moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om de maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en rampenbestrijding.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van paragrafen 4.39, 4.40 en 4.96 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van paragrafen 4.39, 4.40 en 4.96.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in hoofdstuk 4 en hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (omgevingsveiligheid of brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. 5.2.3 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

In artikel 3.26 van het Bal is opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze activiteit is geen omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig. Op grond van artikel 3.26 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.96. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

In artikel 3.296 van het Bal is het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze activiteit is geen omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig. Op grond van artikel 3.298 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragrafen 4.39 en 4.40. In deze paragrafen staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.507, artikel 4.495 en artikel 4.966 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

M2, M3, M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M44, M45, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M70, M71, M72, M73, M74, M75, M76, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87

5.2.2.1Externe veiligheidsafstandenNormatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van brandbare vloeistoffen anders dan diesel in ondergrondse opslagtanks zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in paragraaf 4.96 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

5.2.2.1.15.2.4 OmgevingsplanNormatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen brandpreventie.

5.3ArbeidsveiligheidNormatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen, gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

M2, M3, M4, M5, M6, M7, M8, M9, M10, M11, M12, M13, M14, M15, M16, M17,, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M44, M45, M46, M47, M49, M50, M51, M52, M53, M55, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M70, M71, M72, M73, M76, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M86, M87

5.4Brand- en rampenbestrijdingNormatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met rampenbestrijding.

6DoelenNormatief

6.1InleidingNormatief

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig vullen, opslaan en afleveren van vloeibare brandstoffen in/uit ondergrondse opslagtanks en het veilig verwijderen van ondergrondse opslagtanks. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen Normatief

6.2.1Doelen voor scenario’s voor typische situatiesNormatief

6.2.2Doelen voor scenario’s voor atypische situaties Normatief

Algemeen

De doelen D14, D15, D16, D17, D18, D19, D20, D21 en D22 zijn aanvullend op de doelen die voor de typische scenario’s gelden, tenzij expliciet aangegeven dat dit niet het geval is.

Doelen van toepassing op mobiele installaties voor mengsmering
Doel van toepassing op onbemande tankinstallaties
Doelen van toepassing op tankinstallatie in grondwaterbeschermingsgebieden

Geen extra doelen.

Doelen van toepassing op kunststof ondergrondse tankinstallaties

Geen extra doelen.

Doel van toepassing op ondergrondse tankinstallaties met druksysteem
Doelen van toepassing op afleveren aan de pleziervaart
Doel van toepassing op ondergrondse opslagtanks voor tijdelijke opslag van vloeibare brandstof of niet-gekoppelde ondergrondse opslagtanks op brandstofdepots
Doel van toepassing op vloeibare brandstofvoeding van installaties
Doelen van toepassing op tankinstallatie voor aflevering van kerosine (petroleum) aan de luchtvaart

Geen extra doelen.

7MaatregelenNormatief

7.1Inleiding bij de maatregelenNormatief

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de markeringen omgevingsveiligheid, brandpreventie, arbeidsveiligheid en rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

omgevingsveiligheid: Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

brandpreventie: Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

arbeidsveiligheid: Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

rampenbestrijding: Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

7.2Explosieve atmosferenNormatief

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex.

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones overeenkomstig tabel 2.

Tabel 2Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij tankinstallaties voor vloeibare brandstoffen

Als gevolg van het vrijkomen van vloeibare brandstof kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Interne afstanden

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.3BasisveiligheidNormatief

7.4Maatregelen voor scenario’s voor typische situaties Normatief

7.4.1AlgemeenNormatief

De maatregelen in deze paragraaf zijn van toepassing op enkelvoudige tankinstallaties tijdens vullen, opslag, afleveren en verwijderen.

Opmerking: Voor activiteiten met dieseltankinstallaties zijn de doelen en maatregelen voorzien van de markering arbeidsveiligheid gekoppeld aan de Arbeidsomstandighedenwet. In het Bal wordt voor activiteiten met dieseltankinstallaties niet verwezen naar PGS 28. Dit betekent dat voor dieseltankinstallaties doelen en maatregelen voorzien van de markeringen omgevingsveiligheid en/of brandpreventie niet gekoppeld zijn aan het Bal.

7.4.2Constructie van de tankinstallatieNormatief

7.4.3Het installeren van de tankinstallatieNormatief

7.4.4Aanvullende voorschriften voor grondwaterbeschermingsgebiedenNormatief

7.4.5Algemene voorschriften tankinstallatie in bedrijfNormatief

7.4.6Het vullen van de opslagtankNormatief

7.4.7Het afleveren van vloeibare brandstoffenNormatief

7.4.8Het buiten gebruik stellen van opslagtanksNormatief

7.4.9Inspectie en onderhoudNormatief

7.4.10VeiligheidsmaatregelenNormatief

7.4.11Intern noodplan, incidenten en calamiteitenNormatief

7.5Maatregelen voor scenario’s voor atypische situaties Normatief

7.5.1AlgemeenNormatief

In deze paragraaf zijn de maatregelen voor de scenario’s voor atypische situaties beschreven. Dit betreft de volgende atypische situaties:

  • mobiele installatie voor mengsmering;
  • onbemande tankinstallatie;
  • tankinstallatie in grondwaterbeschermingsgebieden;
  • kunststof ondergrondse tankinstallaties;
  • ondergrondse tankinstallatie met druksysteem naar afleverzuil;
  • tankinstallatie voor pleziervaart;
  • ondergrondse opslagtank voor tijdelijke opslag van vloeibare brandstof of niet-gekoppelde ondergrondse opslagtank op brandstofdepot;
  • ondergrondse opslagtank voor vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • tankinstallatie ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installaties;
  • tankinstallatie voor levering kerosine (petroleum) aan luchtvaart.

De maatregelen zijn aanvullend op de maatregelen die voor de scenario’s voor typische situaties gelden (zie Paragraaf 7.4), tenzij expliciet is aangegeven dat dit niet het geval is.

7.5.2Maatregelen van toepassing op mobiele installatie voor mengsmeringNormatief

7.5.3Maatregelen van toepassing op onbemande tankinstallatiesNormatief

7.5.4Maatregelen van toepassing op tankinstallaties in grondwaterbeschermingsgebiedenNormatief

Geen extra maatregelen bovenop de maatregelen die zijn beschreven in Paragraaf 7.4

7.5.5Maatregelen van toepassing op kunststoffen ondergrondse tankinstallatiesNormatief

Geen extra maatregelen bovenop de maatregelen die zijn beschreven in Paragraaf 7.4

7.5.6Maatregelen van toepassing op druksysteemNormatief

7.5.7Maatregelen van toepassing op aflevering aan de pleziervaartNormatief

7.5.8Maatregelen van toepassing op ondergrondse opslagtanks voor tijdelijke opslag van vloeibare brandstof of niet-gekoppelde ondergrondse opslagtanks op brandstofdepotsNormatief

7.5.9Maatregelen van toepassing op tankinstallaties ten behoeve van vloeibare brandstofvoeding van installatiesNormatief

7.5.10Maatregelen van toepassing op tankinstallatie voor aflevering van kerosine (petroleum) aan de luchtvaartNormatief

De maatregelen behorend bij de scenario's van toepassing op tankinstallaties voor aflevering van kerosine (petroleum) zijn gelijk aan de maatregelen behorend bij de typical-scenario's genoemd in Paragraaf 7.4, met uitzondering van de maatregelen gerelateerd aan de dampretourvoorzieningen: M2, M4 en M52. Het treffen van deze maatregelen bij tankinstallaties voor aflevering van kerosine (petroleum) is aanbevolen, maar niet normatief.

Een ander verschil is:

  • lees ‘kerosine (petroleum)’ in plaats van ‘benzine’.

7.6Onderhoud, keuring, documentatie Normatief

7.6.1KeuringstermijnenNormatief

Tabel 3Keuringstermijnen

Enkelwandige tankinstallaties, ondergronds

1e herkeuring

Volgende herkeuring

Zonder coating of 1/3 gecoat

15 jaar

15 jaar

Volledig gecoat niet volgens BRL SIKB 7800

15 jaar

20 jaar

Volledig gecoat volgens BRL SIKB 7800

20 jaar

20 jaar

Kunststof (GVK)

15 jaar

15 jaar

Dubbelwandige tankinstallaties, ondergronds, met lekdetectie volgens BRL SIKB 7800

1e herkeuring

2e herkeuring

Incl. jaarlijkse monitoring a b

Incl. jaarlijkse monitoring a b

Zonder coating of 1/3 gecoat

15 jaar

20 jaar

15 jaar

20 jaar

Volledig gecoat niet volgens BRL SIKB 780015 jaar20 jaar20 jaar

20 jaar c

Volledig gecoat volgens BRL SIKB 780020 jaar

20 jaar c

20 jaar

20 jaar c

  • a Jaarlijkse controle door opgeleid persoon.
  • b Dubbelwandige tank zonder monitoring/controle wordt gezien als
  • enkelwandige tank.
  • c Inwendige inspectie bij herkeuring is niet verplicht.
  • Opmerking: De Activiteitenregeling kende de volgende keuringstermijnen: voor een bovengrondse opslagtank: eenmaal per 15 jaar, voor een ondergrondse opslagtank in grondwaterbeschermingsgebied: eenmaal per 10 jaar, voor ondergrondse afgewerkte olietank: eenmaal per 5 jaar, inclusief inwendige inspectie. Ten tijde van de publicatie van deze PGS liep bij het SIKB een onderzoek ten aanzien van het effect van biobrandstoffen.

8Gelijkwaardige maatregelen

Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf voor een in deel B genoemde maatregel een alternatief wil toepassen, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Is een alternatief toegestaan?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen? Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.
Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?

Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
  • brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).
De wettelijke grondslag is arbeidsveiligheid

Deze maatregel heeft betrekking op de veiligheid van werknemers. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking vormen van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals bijvoorbeeld:

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
  • maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
  • maatregelen/verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, de Warenwetbesluiten drukapparatuur 2016, explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-reeks/deze PGS worden de arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet kan worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (DWW-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de gezondheid en veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie. Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Inspectie SZW getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor toepassen gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing hanteert de Inspectie SZW een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    • de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    • een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    • het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen.
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen die moet treffen om de werknemers te beschermen.
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Inspectie SZW ligt.
  • De Inspectie SZW beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De wettelijke grondslag is omgevingsveiligheid of brandpreventie omgevingsveiligheid

Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet door het bedrijf de juiste procedure worden gevolgd. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking. Bij een niet-vergunningplichtige activiteit moet het gebruiken van een gelijkwaardig alternatief vier weken vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag. Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

Wettelijke grondslag is zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid / brandpreventie omgevingsveiligheid

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel arbeidsveiligheid als omgevingsveiligheid/ brandpreventie is, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor haar wetgevingsgebied gelden.

Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit de PGS is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS-richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang en het effect daarvan tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid (zie kader) is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

9Good housekeeping

9.1Inleiding

Een groot deel van de eisen en voorschriften die aan het gebruik van gevaarlijke stoffen worden gesteld, is vastgelegd in wetgeving. De PGS-richtlijnen beogen een zo volledig mogelijke beschrijving te geven van de wijze waarop bedrijven kunnen voldoen aan de eisen die uit wet- en regelgeving voortvloeien. Om die reden worden de belangrijkste maatregelen vanuit de wetgeving hier genoemd.

Daarnaast bestaan er ook good housekeeping-maatregelen die meestal geen wettelijke basis hebben maar wel als zeer waardevol worden ervaren door bedrijven en overheden.

9.2Good housekeeping-maatregelen

Good housekeeping-maatregelen zijn niet in het normerende deel van deze PGS opgenomen, omdat van deze maatregelen wordt verondersteld dat deze bij de reguliere bedrijfsvoering horen en het vanzelfsprekend is dat deze maatregelen worden uitgevoerd. Good housekeeping-maatregelen kunnen wel worden gezien als manier om invulling te geven aan de specifieke zorgplicht die is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in de Arbowet. Let op: Dit is geen limitatieve lijst; het kan zijn dat de lokale omstandigheden van het geval vragen om aanvullende maatregelen.

Procedures voor good housekeeping
  • De drijver van de tankinstallatie zorgt voor een schone en veilige werkomgeving.
  • De gehele installatie met toebehoren verkeert in goede staat van onderhoud.
  • Onmiddellijk nadat de opslagtank is gevuld en de losslang is losgekoppeld, is het van belang dat de vulleiding met een goed sluitende dop wordt gesloten.
  • Een vulpunt dat vrij toegankelijk is voor derden, kan worden vergrendeld met een slot.
  • De drijver instrueert zijn personeel hoe veilig om te gaan met het opruimen van spills.

10Aanbevelingen voor de inrichting van de installatie

De algemene inrichting van opslag- en afleverinstallaties voor vloeibare brandstof behoort zo overzichtelijk mogelijk te zijn, zowel uit het oogpunt van het onbelemmerde op- en afrijden voor afnemers en de toelevering van product, als uit het oogpunt van veiligheid. Hierbij behoort te worden gelet op:

  • goed overzicht van de installatie voor het bedienend personeel, zowel vanuit het bedieningsgebouw als vanaf de aflevertoestellen;
  • overzichtelijke indeling van opritten, afritten en terreinverharding met het oog op aanrijdingsgevaar;
  • goed doordachte maatregelen en voorzieningen ter bevordering van veiligheid en milieubescherming;
  • voorzien in een goede opstelplaats voor de afleverende tankwagen, zodat deze geen of een minimale belemmering voor het verkeer op de openbare weg vormt en deze tijdens de aflevering (vullen van opslagtanks) de goede bediening en het overzicht over de gehele installatie niet nadelig beïnvloedt;
  • goede toegankelijkheid van installatieonderdelen voor bediening en onderhoud;
  • goede toegankelijkheid van de installatie bij bestrijding van een eventuele brand;
  • vluchtmogelijkheid bij incidenten.

Op de tankinstallatie behoort een duidelijk leesbaar bedieningsvoorschrift te zijn aangebracht.

11Aanbevelingen voor het gebruik van opslagtanks voor afgewerkte olie

Aangezien in vorige versies van PGS 28 eisen aan activiteiten en opslag met afgewerkte olie (en smeerolie) zijn gesteld, is in de risicobenadering in deze PGS afgewerkte olie (en smeerolie) meegewogen. Echter, omdat afgewerkte olie (en smeerolie) niet brandgevaarlijk is en bodemvoorschriften zijn opgenomen in het Bal, zijn in deze PGS voor afgewerkte olie (en smeerolie) geen normatieve doelen en maatregelen opgenomen. Voor maatregelen gerelateerd aan de arboveiligheid heeft de branche een arbocatalogus opgesteld, te vinden op www.arbocatalogusmobiel.nl.

Voor de volledigheid staan in dit hoofdstuk wel de relevante scenario's en doelen benoemd die zijn vastgesteld bij de risicobenadering in deze PGS. Aanvullend op het Bal en de arbocatalogus staan in dit hoofdstuk tevens een aantal aanbevelingen vermeld die volgen uit de risicobenadering.

De volgende scenario’s zijn van belang:

  • uitstroom van (een beperkte hoeveelheid) afgewerkte olie als gevolg van morsing of overvulling van opslagtank;
  • inwendige corrosie en putcorrosie in de opslagtank als gevolg van vermenging van stoffen die met elkaar reageren.

Hierbij horen de volgende doelen:

  • emissies en accumulatie van dampen bij het vullen van de opslagtank en het afleveren van vloeibare brandstof tot een minimum reduceren;
  • beschadiging of verstoring van beschermende maatregelen signaleren;
  • overvullen en morsen van opslagtank met afgewerkte olie voorkomen;
  • vermenging van stoffen die met elkaar kunnen reageren voorkomen.

Hierbij horen de volgende aanbevelingen:

  • Geef bij het vulpunt van de opslagtank met afgewerkte olie duidelijk aan wat de netto-inhoud van de opslagtank is en dat de opslagtank voor afgewerkte olie is bestemd.
  • Zorg voor de aanwezigheid van voldoende absorptiekorrels om gemorst product op te ruimen.
  • Zorg dat de tankwagen in de open lucht staat opgesteld tijdens het leegzuigen van de opslagtank; zorg dat de motor van een tankwagen gedurende het aan- en afkoppelen van de zuigslang niet in werking is.
  • Sluit de zuigleiding dan wel zuigopening met een goed sluitende dop af onmiddellijk nadat de afgewerkte olie uit een opslagtank is gezogen en de zuigslang is losgekoppeld.
  • Controleer bij het vullen van de opslagtank of het product niet chemisch reageert met de producten die reeds in de opslagtank aanwezig zijn.

Toelichting:

Deze aanbevelingen zijn informatief vanuit PGS 28. De Arbeidsomstandighedenwet kent een verplichte RI&E waaruit mogelijk één of meerdere van bovengenoemde maatregelen volgen en die dan dus verplicht zijn.

12Aanbevelingen voor instructies bij calamiteiten

12.1Intern noodplan

Om voorbereid te zijn op noodsituaties behoort de beheerder van het tankstation een intern noodplan op te stellen dat is gebaseerd op de identificatie en beoordeling van relevante scenario’s, en dat bijbehorende doeltreffende maatregelen bevat. De aanwezigheid van een intern noodplan volgt uit M62 (Intern noodplan – Inhoud). Bij M62 zijn tevens alle relevante scenario’s en doelen te vinden. Het interne noodplan behoort actueel te worden gehouden. Paragraaf 12.2 bevat een voorbeeld van een intern noodplan.

12.2Voorbeeld noodplan

Inhoudsopgave

1. Sleuteladressenlijst

2. Instructie in het geval van brand en calamiteiten

3. Beschrijving en plattegrond van de opslaginstallatie

1. Sleuteladressen

Bedrijf

  • Naam: ...................
  • Adres: ...................
  • Tel.: ...................

Directeur(en)

  • Naam: ...................
  • Adres: ...................
  • Tel.: ...................

Bedrijfsleider

  • Naam: ...................
  • Adres: ...................
  • Tel.: ...................

2. Instructies in het geval van brand en calamiteiten

Voor elke installatie moet worden nagegaan welke van de hierna genoemde instructies relevant zijn:

  • Ontruim het tankstation.
  • Bedien de noodstop.
  • Doof alle open vuren (o.a. waakvlam van cv-installatie en geiser), als dat op een verantwoorde manier kan gebeuren.
  • Zet alle auto- en elektromotoren af, als dat op een verantwoorde manier kan gebeuren.
  • Waarschuw de brandweer (tel.112).
  • Waarschuw de drijver van het bedrijfsterrein (beheerder/bedrijfsleider).
  • Waarschuw de in de nabijheid zijnde personen en stuur deze bovenwinds, als dat op een verantwoorde manier kan gebeuren.

Bij ongevallen met gevaar voor de omgeving:

  • Indien aanwezig, sluit alle op afstand bedienbare afsluiters.
  • Waarschuw ............ tel. ............
  • Waarschuw ............ tel. ............ N.B.: Denk hierbij ook aan naastgelegen bedrijven of panden in verband met mogelijke evacuatie.
  • Bedien geen elektrische schakelaars.
  • Start geen motoren.
  • Probeer alleen met inachtneming van de eigen veiligheid met de aanwezige brandblusmiddelen de brand te blussen.
  • Volg de instructies van de bedrijfsleiding, BHV en de brandweer op.
  • Eenieder die niet betrokken is bij de ongevalsbestrijding, moet het bedrijfsterrein/kantoor onmiddellijk verlaten.

3. Beschrijving en plattegrond

  • beschrijving van het LPG-tankstation;
  • plattegrond;
  • kantoren;
  • magazijnen;
  • terrein met opslagvoorzieningen en brandkranen;
  • locatie brandmeldpaneel;
  • sprinklermeldcentrale.

Bijlage AAfkortingen en begrippenNormatief

Deze bijlage bevat een lijst met afkortingen en begrippen die in deze PGS voorkomen. Deze PGS sluit zo veel mogelijk aan bij de begrippen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en andere relevante wetten en regels. In de praktijk kunnen ook andere termen voorkomen. Daarom is in deze bijlage bij een aantal begrippen ook een alternatieve omschrijving gegeven, zodat duidelijk is wat met een bepaald begrip is bedoeld.

Tabel 4

Begrip of afkorting

BetekenisAlternatieve omschrijving

ADR

ADR staat voor Accord européen relatif au transport international de marchandises Dangereuses par Route.

Het is het Europese verdrag over het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg.

Afgewerkte olie

Afgewerkte olie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van het Besluit inzamelen afvalstoffen. Daar staat: “Elke soort minerale of synthetische smeerolie die ongeschikt is geworden voor het gebruik waarvoor zij oorspronkelijk bestemd was, waaronder in elk geval worden begrepen gebruikte olie van verbrandingsmotoren en versnellingsbakken, alsmede smeerolie, olie voor turbines en hydraulische oliën.”

AfleverslangFlexibele slang, inclusief de koppelingen en de vulaansluiting, die deel uitmaakt van de tankzuil waarmee brandstof wordt getankt.Tankslang Slang
Arbeidshygiënische strategieZie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit
ATEXATmosphères EXplosibles Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.
Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

BBT

Beste beschikbare technieken Dit zijn de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen of te beperken.

BedrijfsterreinTerrein waarop de activiteiten van het bedrijf plaatsvinden, begrensd door de erfgrensInrichting Perceel Terrein
Bevoegd gezagBestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen Meestal is dit de gemeente of provincie.
Bediend stationTankstation waar de afleverinstallatie wordt bediend door een pompbediende of de pompbediende aanwezig is en het overzicht (en de verantwoordelijkheid) heeft met betrekking tot de gebruikte afleverinstallaties (de kassier is hierbij nadrukkelijk uitgesloten)
Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BOb

Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH

BrandblusmiddelBrandblusser of brandslanghaspel.
BrandblusserBlustoestel Brandblustoestel Poederblusser Blusser Handblusser
BrandwerendheidBrandwerendheid gaat over wanden of deuren of andere delen van een constructie. Het geeft aan hoe lang een deel van een constructie een brand kan tegenhouden. De brandwerendheid wordt uitgedrukt in aantal minuten. NEN 6069 beschrijft hoe de brandwerendheid wordt bepaald.
BreekkoppelingLosbreekkoppeling
BRL

BeoordelingsRichtlijn

BuitenluchtPlaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig. Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.Buitenluchtsituatie
CBI

Conformiteitsbeoordelingsinstantie CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Inspectie SZW.

CLPClassification, Labelling and Packaging CLP wordt vaak gebruikt als afkorting van de CLP-verordening. Dat is de Europese verordening over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.
ConformiteitsverklaringVerklaring van een fabrikant waarin staat dat het apparaat of de installatie is gemaakt volgens code uit het ontwerp Een onafhankelijke partij (Nobo) heeft toezicht uitgevoerd op de productie.
EN

Europese Norm Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:

  • Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.
  • Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.
  • Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.
Gebruiker volgens WBDA 2016Degene die de installatie gebruikt Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.
Gevarenzone-indelingIndeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbobesluit
Grootschalige aflevering van vloeibare brandstoffen

Het afleveren van vloeibare brandstoffen vanuit een opslagtank aan voertuigen of apparaten waarbij meer dan 25 m3 per jaar wordt getankt

GVK

Glasvezel versterkte kunststof

HogedrempelinrichtingSeveso-inrichting waar een gevaarlijke stof in een grotere of gelijke hoeveelheid aanwezig is dan/als de genoemde waardes in de Seveso-richtlijn 2012/18/EU, zie Bal
HulpverleningsdienstenPolitie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen. Hulpdiensten
IECInternational Electrotechnical Commission Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.
Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan Calamiteitenplan
Interne veiligheidsafstandEen interne veiligheidsafstand is een minimumafstand bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze interne veiligheidsafstand heeft geen relatie met afstanden in verband met explosieveiligheid als bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en is niet bedoeld om gebouwen en plekken te beschermen waar mensen werkzaam zijn.
Kleinschalige aflevering van vloeibare brandstoffen

Het afleveren van vloeibare brandstoffen vanuit een opslagtank aan voertuigen of apparaten die bestemd zijn voor eigen bedrijfsmatig gebruik en die niet bestemd zijn voor vervoer over de weg, waarbij minder dan 25 m3 per jaar wordt getankt

KvIKeuring voor Ingebruikneming
Lossen onder vrij vervalIn het geval van PGS 28: het vullen van een ondergrondse opslagtank waarbij de stroming van het product plaatsvindt door gebruikmaking van de zwaartekracht
LosslangSlang waarmee opslagtanks vanuit een tankwagen met brandstof worden gevuldVulslang
Milieubelastende activiteitIn de Omgevingswet omschreven als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.
NENNEN staat voor NEderlandse Norm. NEN staat ook voor Stichting Koninklijk NEderlands Normalisatie-instituut. Dat instituut geeft NEN-normen uit.
NEN-ENEuropese norm (EN) die door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven
NEN-EN-IECDoor IEC vastgestelde internationale norm De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
NEN-EN-ISODoor ISO vastgestelde internationale norm De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
NEN-ISODoor ISO vastgestelde internationale norm De norm is door Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.
NOBONOtified Body Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.
NoodstopvoorzieningVoorziening die een apparaat, voertuig of installatie uitschakelt of stilzet of in een veilige toestand brengt Deze is bedoeld om bij een incident of calamiteit verdere escalatie te voorkomen.Noodstop
NPRNederlandse PraktijkrichtlijnStichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) geeft NPR-publicaties uit. Een NPR is een informatieve praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.
NRB

Nederlandse Richtlijn Bodembescherming

NTANederlandse Technische Afspraak Dit is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat. Een NTA kan snel tot stand komen.
OBAS

Olieafscheider of oliebenzineafscheider

OnbrandbaarOnbrandbaar bouwmateriaal of onbrandbare stoffen, materialen of producten Het gaat bij onbrandbare bouwmaterialen om onbrandbaarheid volgens NEN 6064.
OpslagtankUit het Besluit activiteiten leefomgevingOpslagreservoir Reservoir Tank
Opvangvoorziening

Voorziening die is bedoeld voor het opvangen van vrijkomende organische peroxiden door morsen, lekkage of bezwijken van het doseervat Een opvangvoorziening kan bijvoorbeeld een bak of een overmaats vat zijn.

Opvangbak Lekbak
PED

Pressure Equipment Directive Richtlijn Drukapparatuur Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur.

De PED-richtlijn beschrijft “essentiële veiligheidseisen” voor drukapparatuur. Het gaat om algemene veiligheid en bescherming tegen zowel persoonlijk letsel als materiële schade.

Onder de PED-richtlijn vallen alle producten en installaties met een druk die hoger is dan 50 kPa. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het WBDA 2016.

REACHRegistratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen REACH is een Europese verordening over de productie van en handel in chemische stoffen. Het beschrijft waar bedrijven en overheden zich aan moeten houden. Deze verordening geldt voor alle landen van de Europese Unie.
SAFETI-NL

Programma voor QRA-berekeningen Het rekenprogramma SAFETI-NL berekent de risico’s voor de veiligheid van de leefomgeving van bedrijven en transportleidingen met gevaarlijke stoffen. Meer informatie over SAFETI staat op de website van het RIVM.

Seveso-inrichtingEen of meer Seveso-installaties op een locatie die volledig wordt beheerd door diegene die de Seveso-inrichting exploiteert, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten, zie Bal
Seveso-installatieTechnische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan, zie Bal
SIKB

Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer

SIL

Safety Integrity Level SIL is een indicator voor het kwantificeren van risicoverlaging van systemen of processen van een installatie. De vereiste SIL-klasse hangt af van het oorspronkelijke risico dat intrinsiek verbonden is met de systemen of processen van de installatie. Zie de NEN-EN-IEC 61508-reeks of de NEN-EN-IEC 61511-reeks.

SWIFTStructured What If Technique Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse
SZWSociale Zaken en Werkgelegenheid Er zijn het ministerie van SZW en de Inspectie SZW.
Tanken van brandstofUit het Besluit activiteiten leefomgevingAfleveren Brandstof tanken Benzine tanken
TankinstallatieSamenstel van apparatuur en appendages, zoals opslagtanks, leidingen, vulpunt en afleverinstallatie
TankstationInrichting die bestemd is voor de openbare verkoop aan derden van benzine of dieselolie voor motorvoertuigen voor het wegverkeer
TankzuilUit het Besluit activiteiten leefomgeving: Samenbouw van onderdelen voor het tanken van brandstof. De leidingen die de brandstof aanvoeren vanuit de opslagtank, compressor of bufferopslag, horen hier ook bij.Afleverzuil Afleverpomp Aflevertoestel Afleverinstallatie Benzinepomp Dispenser Pompzuil
VG

Verpakkingsgroep zoals gedefinieerd in het ADR

VIB

Veiligheidsinformatieblad Een veiligheidsinformatieblad is een gestructureerd document met informatie over de risico's van een gevaarlijke stof of preparaat en aanbevelingen voor het veilig gebruik ervan. Het bevat alle eigenschappen van het product: van de gevaren en de chemische samenstelling tot informatie over beschermingsmiddelen, veilig gebruik, transport en afvoer.

Msds Sds Safety data sheet
VlampuntLaagste vloeistoftemperatuur waarbij onder zekere genormaliseerde omstandigheden uit een vloeistof dampen in een zodanige hoeveelheid worden afgegeven dat een brandbaar gasmengsel van damp en lucht kan worden gevormd Deze temperatuur wordt onder standaard beproevingscondities bepaald.
Vloeibare brandstofLichte olie, halfzware olie of gasolie als bedoeld in de artikelen 26 en 28 van de Wet op de accijns of kerosine (petroleum) als geregistreerd onder EC-nummer 232-366-4 volgens de REACH-verordening (EC) nr. 1907/2006, of ethanol als geregistreerd onder EC-nummer 200-578-6 volgens de REACH-verordening (EC) nr. 1907/2006
Vloeistofdichte vloer of verhardingVloer of verharding direct op de bodem die waarborgt dat geen vloeistof aan de niet met vloeistof belaste zijde van die vloer of verharding kan komen
Vloeistofkerende voorzieningLekbak, tankput, vloer, verharding of een andere doelmatige fysieke voorziening die vrijgekomen stoffen keert zolang als nodig is om met de daarop afgestemde bodembeschermende maatregelen te voorkomen dat deze stoffen in de bodem kunnen geraken
VNG

Vereniging Nederlandse Gemeenten

VNO-NCWVereniging VNO-NCW is een organisatie van werkgevers. VNO-NCW is ontstaan uit een fusie van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO) en het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond (NCW).
VTH

Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving

VulaansluitingOnderdeel van de afleverslang bij een tankzuil De vulaansluiting zorgt voor een vaste verbinding van de afleverslang met het voertuig of vaartuig. Deze komt voor bij tanken van gasvormige brandstoffen. Vulkoppeling
VulpistoolOnderdeel van de afleverslang bij een tankzuil Een vulpistool wordt gebruikt bij het tanken van benzine, diesel en andere vloeibare brandstoffen.
VulpuntOnderdeel van een installatie met een opslagtank Het vullen van de opslagtank gebeurt via het vulpunt.
VvI

Verklaring van Ingebruikneming

Warmtestraling

Straling als gevolg van een brand aangegeven door een warmtestralingscontour op de omgeving in kW/m2.

Stralingsbelasting Warmtestralings-belasting Warmtebelasting
WBDA 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

WBDBO

Weerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag WBDBO gaat over een gebouw of scheidingsconstructie.

WBDBO is een eis voor de tijd die het gebouw of de scheidingsconstructie weerstand kan bieden tegen het doorslaan of overslaan van een brand. Dit kan gaan om van binnen naar buiten, en om van buiten naar binnen.

De brandwerendheid van scheidingsconstructies bepaalt de weerstand tegen branddoorslag. WBDBO kan worden bereikt met brandwerende constructies of met afstanden, of met een combinatie daarvan. Bij brandoverslag moet een berekening volgens NEN 6068 worden uitgevoerd.

Wvr

Wet veiligheidsregio's

Bijlage BNormen en bronnen

B.1Normatieve documenten en normenNormatief

Deze bijlage bevat normen en andere documenten die zijn genoemd in de maatregelen, normatieve hoofdstukken en bijlagen. Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief wijzigings- of correctiebladen zoals die op het moment van de publicatie van deze richtlijn luidde.

Tabel 5

Norm met versie

Titel

NEN 1010:2015

Elektrische installaties voor laagspanning – Nederlandse implementatie van de HD-IEC 60364-reeks

NEN 2559:2001

Onderhoud van draagbare blustoestellen

NEN 3140:2015

Bedrijfsvoering van elektrische installaties – Laagspanning

NEN 6064

Bepaling van de onbrandbaarheid van bouwmaterialen

NEN-EN 2:1994

Brandklassen

NEN-EN 3:reeks

Draagbare blustoestellen

NEN-EN 228:2012

Brandstoffen voor wegvoertuigen – Ongelode benzine – Eisen en beproevingsmethoden

NEN-EN 590:2013

Brandstoffen voor wegvoertuigen – Diesel – Eisen en beproevingsmethoden

NEN-EN 858-2:2003

Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud

NEN-EN 1360:2013

Rubberslangen en slangassemblages voor brandstofzuilen met telwerk – Specificatie

NEN-EN 13012:2012

Tankstations – Constructie en prestatie van automatische vulpistolen voor gebruik op brandstofzuilen

NEN-EN 13483:2013

Rubber en kunststof slangen en slangassemblages met dampretour opvang voor brandstofzuilen met telwerk – Specificatie

NEN-EN 13617-2:2012

Tankstations – Deel 2: Veiligheidseisen voor constructie en prestatie van veiligheidsonderbrekers voor gebruik op meetpompen en brandstofzuilen

NEN-EN 14420-6:2013

Slangkoppelingen met klemmen – Deel 6: TW tankwagen koppelingen

NEN-EN 16321-1:2013

Terugwinning van benzinedamp tijdens het vullen van motorvoertuigen bij tankstations – Deel 1: Beproevingsmethoden voor efficiënte goedkeuring van terugwinningssystemen van benzinedampen

NEN-EN 16321-2:2013

Terugwinning van benzinedamp tijdens het vullen van motorvoertuigen bij tankstations – Deel 2: Beproevingsmethoden voor de controle van dampwinningssystemen bij tankstations

NEN-EN-IEC 60079-14:2014

Explosieve atmosferen – Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties

NEN-EN-ISO 7010:2012

Grafische symbolen – Veiligheidskleuren en -tekens – Geregistreerde veiligheidstekens

NEN-EN-ISO 14001:2015

Milieumanagementsystemen – Eisen met richtlijnen voor gebruik

NEN-EN-ISO/IEC 17020:2012

Conformiteitsbeoordeling – Eisen voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren

NPR 7910-1:2010

Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 1: Gasexplosiegevaar, gebaseerd op NEN EN IEC 60079 10-1:2009

CLC/TR 60079-32‑1:2018

Explosieve atmosferen – Deel 32-1: Richtlijnen voor elektrostatische risico's

NEN-EN-IEC 61508:reeks

Functional safety of electrical/electronic/programmable electronic safety-related systems

PGS 29:2020

Bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks

AS SIKB 6800:2018

Controle en keuring tank(opslag)installaties, te verkrijgen via: https://www.sikb.nl/bodembescherming/richtlijnen/as-6800

BRL K902:2011

Tanksanering HBO/diesel, te verkrijgen via: https://diensten.kiwa.nl/bouw/petrochemie/tanksanering-hbo-diesel-brl-k902

BRL K903:2011/ BRL SIKB 7800

Regeling Erkenning Installateurs Tankinstallaties, te verkrijgen via: https://www.sikb.nl/bodembeheer/richtlijnen/brl-k903

BRL K904:2016

Tanksaneringen, te verkrijgen via: https://diensten.kiwa.nl/bouw/tanksaneringen-brl-k904-04

BRL K905:2000

Tankreiniging, te verkrijgen via: https://diensten.kiwa.nl/bouw/petrochemie/tankreiniging-brl-k905-03

BRL SIKB 7700:2018

Aanleg of herstel van een vloeistofdichte voorziening, te verkrijgen via: https://www.sikb.nl/bodembescherming/richtlijnen/brl-7700

SIKB 6803:2018

Aarding en potentiaalvereffening, te verkrijgen via: https://www.sikb.nl/bodembescherming/richtlijnen/as-6800

B.2Informatieve documenten en bronnen

Tabel 6

Nummer

TitelVindplaats

[ 1 ]

ADR

wetten.overheid.nl

[ 2 ]

Arbeidsomstandighedenwetwetten.overheid.nl

[ 3 ]

Arbeidsomstandighedenbesluitwetten.overheid.nl

[ 4 ]

Arbeidsomstandighedenregelingwetten.overheid.nl

[ 5 ]

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016wetten.overheid.nl

[ 6 ]

Warenwetregeling drukapparatuur 2016wetten.overheid.nl

[ 7 ]

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm 2016

wetten.overheid.nl

[ 8 ]

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016wetten.overheid.nl

[ 9 ]

Warenwetbesluit machineswetten.overheid.nl

[ 10 ]

Wet veiligheidsregio'swetten.overheid.nl

[ 11 ]

Besluit veiligheidsregio'swetten.overheid.nl

[ 12 ]

Omgevingswet

overheid.nl

[ 13 ]

Omgevingsbesluit

overheid.nl

[ 14 ]

Besluit activiteiten leefomgeving

overheid.nl

[ 15 ]

Besluit bouwwerken leefomgeving

overheid.nl

[ 16 ]

Besluit kwaliteit leefomgeving

overheid.nl

[ 17 ]

Wet vervoer gevaarlijke stoffen

wetten.overheid.nl

[ 18 ]

Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen

wetten.overheid.nl

[ 19 ]

Nederlandse Richtlijn Bodembescherming

Bodem+

[ 20 ]

Handreiking Generieke Risicobenadering PGS Nieuwe stijl, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, versie 1.1 (maart 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[ 21 ]

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen, PGS 15:2016 –versie 1.0 (september 2016)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[ 22 ]

PGS 30: Vloeibare brandstoffen in bovengrondse tank- en afleverinstallaties

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[ 23 ]

PGS 31: Overige gevaarlijke vloeistoffen: opslag in ondergrondse en bovengrondse tankinstallaties

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[ 24 ]

Vastopgestelde Brandbeheersings- en Brandblussystemen (VBB-systemen) – Handreiking voor het opstellen van een Uitgangspunten Document (UPD), Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen: UPD 2017 – versie 1.0 (juni 2017)

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen

[ 25 ]

NEN-EN 2719:2016, Bepaling van het vlampunt – Methode volgens Pensky-Martens met gesloten kroes

NEN

[ 26 ]

NEN EN 13617-3:2012, Tankstations – Deel 3: Veiligheidseisen voor constructie en prestatie van schuifspanningsventielen

NEN

[ 27 ]

NEN-EN-IEC 61511:reeks, Functionele veiligheid - Veiligheidssystemen voor de procesindustrie

NEN

[ 28 ]

NEN-EN ISO 1523:2002, Bepaling van het vlampunt – Evenwichtsmethode met gesloten kroes

NEN

[ 29 ]

NEN-EN-ISO 13736:2013, Bepaling van het vlampunt – Methode met gesloten kroes volgens Abel

NEN

[ 30 ]

NPR 7910-2:2010, Gevarenzone-indeling met betrekking tot explosiegevaar – Deel 2: Stofsexplosiegevaar, gebaseerd op NEN EN IEC 60079-10-2:2009

NEN

[ 31 ]

ISO 45001:2018, Managementsystemen voor gezond en veilig werken – Eisen met richtlijnen voor gebruik ISO 45001 vervangt de OHSAS 18001-norm. In 2021 is de vervanging definitief.

NEN

[ 32 ]

Beoordelingsrichtlijn BRL- K901/03 2011-10-15 voor het Kiwa procescertificaat voor ‘Regeling Erkenning Installateurs tanks en leidingen voor drukhoudende opslag van LPG, propaan, butaan, DME en aardgas (REIP)’

KIWA

[ 33 ]

Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid, Brandweer Nederland, november 2012

Brandweer Nederland

[ 34 ]

ATEX 114: Richtlijn 2014/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake apparaten en beveiligingssystemen bedoeld voor gebruik op plaatsen waar ontploffingsgevaar kan heersen

Europese Unie

[ 35 ]

ATEX 153: Richtlijn 1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen

Europese Unie

[ 36 ]

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur

Europese Unie

[ 37 ]

Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen

Europese Unie

Bijlage CInterne veiligheidsafstandenNormatief

Deze bijlage bevat informatie over interne veiligheidsafstanden. Deze afstanden zijn gebaseerd op de maatregelen in Hoofdstuk 7. Het Bal vermeldt in artikel 4.965 een veiligheidsafstand van 20 m voor het afleveren aan vaartuigen vanaf de wal waarbinnen overnachting door derden en recreatief verblijf niet is toegestaan. Voor overige situaties geven de ondergrondse opslagtanks en leidingen geen aanleiding om rekening te houden met interne afstanden, omdat deze onderdelen geen invloed hebben op een eventuele brand.

Voor de interne veiligheidsafstanden zijn verder de bovengrondse installatie-onderdelen (zoals de vulpunten, de be- en ontluchtingspunten, de afleverzuil, inclusief slang en vulpistool, en de schacht van de dompelpomp) beschouwd in relatie tot interne afstanden. Deze bovengrondse installatie-onderdelen bevatten echter zo weinig vloeibare brandstof dat dit ook nagenoeg geen invloed heeft op een brand.

Ten slotte zijn de overige objecten in ogenschouw genomen, zoals shop/kiosk, luifel, bedrijfswoning, werkplaats en tankende voertuigen. Ook dit zijn geen objecten die moeten worden beschermd bij een brand. Objecten die wel moeten worden beschermd zijn de tankwagen en opslagen van gevaarlijke stoffen.

Opmerking 1:

De chauffeur van de tankwagen is verantwoordelijk voor zijn voertuig en heeft de verplichting om dit bij een brand in veiligheid te brengen (eventueel afkoppelen en wegrijden) met inachtneming van de eigen veiligheid.

Opmerking 2:

In PGS 15 (Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen) zijn voorschriften en afstanden opgenomen ten aanzien van een veilige opslag.

In PGS 28 zijn voor zowel de tankwagen als de opslag van gevaarlijke stoffen dus geen aanvullende voorschriften opgenomen.

Bijlage DRelevante wet- en regelgeving

D.1Inleiding

Een groot deel van de regels voor gevaarlijke stoffen staat in nationale wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen, of volgt rechtstreeks uit Europese verordeningen.

Op de website van de Rijksoverheid staat de meest actuele versie van de nationale wet- en regelgeving. Op de website van de Europese Unie staat de meest actuele versie van Europese regelgeving.

D.2Omgevingswet

De Omgevingswet bevat regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water en regelt daarmee het benutten en beschermen van de leefomgeving. Onder de Omgevingswet hangen vier algemene maatregelen van bestuur en een ministeriële regeling met de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet. De algemene maatregelen van bestuur zijn het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Omgevingsbesluit. De ministeriële regeling is de Omgevingsregeling.

Algemene informatie over de Omgevingswet staat op het omgevingswetportaal . Daar staat ook meer informatie over de vier besluiten .

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de Omgevingswet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. Het Bal verwijst voor verschillende activiteiten naar de PGS-richtlijnen.

Besluit bouwwerken leefomgeving

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staan regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Daaronder vallen bouwen, verbouwen, gebruiken, in stand houden en slopen van bouwwerken. Het gaat om regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid.

Een belangrijke doelstelling van het Bbl is het kunnen beheersen van een brand zodat mensen veilig kunnen vluchten en de brand zich niet uitbreidt naar andere gebouwen. Nieuwe gebouwen moeten zijn ingedeeld in brandcompartimenten.

In het Bbl staan regels voor de aanwezigheid en beschikbaarheid van voorzieningen voor incidentbestrijding, zoals bluswatervoorzieningen op eigen terrein, de bereikbaarheid van bouwwerken voor hulpdiensten en de beschikbaarheid van opstelplaatsen voor brandweervoertuigen.

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

In het Bkl staan instructieregels voor het omgevingsplan over bijvoorbeeld rampenbestrijding en externe veiligheid. Voor veel voorkomende en meer uniforme activiteiten bevat het Bkl vaste risicoafstanden. Ook staan in het Bkl beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen met het oogmerk van bescherming van de fysieke leefomgeving tegen externe veiligheidsrisico’s.

Seveso

De Seveso III-richtlijn (2012/18/EG ) is op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s voor een groot deel geïmplementeerd in het Besluit activiteiten leefomgeving. Paragraaf 4.2 van dat besluit bevat eisen voor bedrijven die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen (voorheen Brzo-bedrijven). Deze eisen hebben zowel betrekking op de technische kant van veiligheid, als op aspecten voor de bedrijfsvoering, zoals veiligheidsbeleid, procedures en communicatie.

D.3Chemische stoffen

CLP

CLP is een Europese verordening (1272/2008/EG ) over indeling en etikettering van chemische stoffen. CLP staat voor Classification, Labelling and Packaging (indeling, etikettering en verpakking). Om veilig om te gaan met chemische stoffen moeten deze worden voorzien van etiketten volgens een gestandaardiseerd systeem. Op deze etiketten staat naast de werking ook welke beschermmaatregelen nodig zijn.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld !

REACH

REACH is een Europese verordening (EC 1907/2006 ) over de productie van en handel in chemische stoffen. Reach staat voor Registratie, Evaluatie, Autorisatie en restrictie van CHemische stoffen. De leverancier moet zorgen voor een veiligheidsinformatieblad bij elke chemische stof. De eindgebruiker moet zich houden aan de maatregelen in dit veiligheidsinformatieblad.

Meer informatie staat op de website Chemische stoffen goed geregeld !

D.4Arbeidsomstandigheden wetgeving

Arbeidsomstandighedenwet

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor zowel werkgever als werknemer op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft op haar beurt een uitwerking van regels in het Arbobesluit.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Arbeidsomstandighedenbesluit

In het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) staan regels over bijvoorbeeld arbozorg, organisatie van het werk, inrichting van arbeidsplaatsen, gevaarlijke stoffen en persoonlijke beschermingsmiddelen. De Europese richtlijn die betrekking heeft op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen (1999/92/EU ), is geïmplementeerd in het Arbobesluit. Deze richtlijn wordt ook ATEX 153 genoemd.

Arbeidsomstandighedenregeling

In de Arbeidsomstandighedenregeling (Arboregeling) staan bijvoorbeeld regels over de taken van de arbodienst en nadere eisen voor onder andere veiligheid van tankschepen en gevaarlijke stoffen, beeldschermarbeid, arbeid onder overdruk, arbeidsmiddelen, veiligheids- en gezondheidssignalering.

Verordening persoonlijk beschermingsmiddelen

Deze Europese verordening bevat eisen voor het ontwerp en de productie van persoonlijke beschermingsmiddelen (2016/425 ). De verordening heeft tot doel om de gezondheid en de veiligheid van gebruikers te waarborgen en om het mogelijk te maken dat deze beschermingsmiddelen binnen de hele Europese Unie worden verkocht en gebruikt.

D.5Warenwet

Warenwet

De Warenwet bevat regels met het oog op productveiligheid om de gezondheid en veiligheid van de gebruiker van dat product te beschermen. Dit kan een werknemer of een consument zijn. In de onderliggende Warenwetbesluiten staan regels voor de fabrikant, leverancier en andere marktpartijen. Die regels zorgen ervoor dat een product voldoet aan essentiële gezondheids- en veiligheidseisen uit Europese richtlijnen.

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

In het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) staan eisen voor drukapparatuur. In het WBDA 2016 is de Europese richtlijn voor drukapparatuur (2014/68/EU ) geïmplementeerd. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 staat onder andere wanneer keuring moet plaatsvinden.

Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016

In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU ) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm

In het Warenwetbesluit drukvaten van eenvoudige vorm staan regels over het op de markt brengen van drukvaten van eenvoudige vorm. In dit besluit is de Europese richtlijn (2014/29/EU ) voor drukvaten van eenvoudige vorm geïmplementeerd.

D.6Wet veiligheidsregio's

Wet veiligheidsregio’s

De Wet veiligheidsregio’s beoogt een efficiënte en kwalitatief hoogwaardige organisatie te bereiken van de brandweerzorg, geneeskundige hulpverlening en crisisbeheersing. Dit gebeurt onder één regionale bestuurlijke regie. Op grond van deze wet kan het bestuur van een veiligheidsregio bepalen dat een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben.

Meer informatie staat op de website van het ministerie van Justitie en Veiligheid .

Besluit veiligheidsregio's

In het Besluit veiligheidsregio’s staat een beschrijving van de procedure die het bestuur van de veiligheidsregio moet volgen om te bepalen of een bedrijf een bedrijfsbrandweer moet hebben. Ook is in dit besluit geregeld welke eisen aan een bedrijfsbrandweeraanwijzing kunnen worden verbonden.

D.7Vervoer

Het vervoer van gevaarlijke stoffen valt onder diverse internationale verdragen, overeenkomsten en richtlijnen. De internationale regels zijn onder andere geïmplementeerd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.

Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de ADR

De regels die gelden voor het vervoer van gevaarlijke stoffen staan in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen. Het gaat onder meer om regels over:

  • vervoermiddelen (zoals tankwagens, schepen, reservoirwagens);
  • chauffeurs (opleiding en training);
  • vervoersdocumenten;
  • verpakkingen en etikettering;
  • laden en lossen.

Voor de activiteiten in de PGS-richtlijnen zijn de regels voor vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg het meest relevant. De Regeling vervoer over land van gevaarlijke stoffen bevat specifieke voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg. Als bijlage bij deze regeling zijn de internationale regels voor het vervoer van gevaarlijke stoffen opgenomen, afkomstig uit de ADR.

De ADR is een Europese overeenkomst voor het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg. De Europese Richtlijn 94/55/EG schrijft voor dat de lidstaten de ADR in eigen wetgeving implementeren.

De ADR stelt niet alleen regels voor het vervoer over de weg, maar ook voor het laden en lossen van gevaarlijke goederen.

Meer informatie staat op de website van de Rijksoverheid. Daar staat ook informatie over de ADR.

.

Bijlage EWBDA 2016

E.1Inleiding

De Europese richtlijn Drukapparatuur (PED, 2014/68/EU ) is in Nederland geïmplementeerd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016). Het WBDA 2016 stelt eisen aan drukapparatuur en samenstellen. Dit zijn eisen voor het ontwerp, de fabricage en de conformiteit van drukapparatuur met een maximaal toelaatbare druk van meer dan 0,5 bar. Het WBDA 2016 stelt geen eisen aan de opstelling van de apparatuur.

E.2Keuring

E.2.1Algemeen

Drukapparatuur moet voldoen aan de essentiële veiligheidseisen die zijn opgenomen in bijlage I van de PED. Dit staat in artikel 4 van het WBDA 2016. In de Warenwetregeling is opgenomen welke drukapparatuur is aangewezen voor Keuring voor Ingebruikneming en herkeuring.

E.2.2Keuring voor Ingebruikneming

Keuringen in de nieuwbouwfase moeten worden uitgevoerd door ‘notified bodies’ (NOBO’s). De samenbouw van alle componenten van een installatie moet zijn goedgekeurd door een aangewezen en aangemelde keuringsinstantie. Alle componenten moeten voldoen aan WBDA 2016 en op grond daarvan zijn voorzien van CE-markering met het NOBO-nummer van de NOBO die toezicht heeft uitgevoerd. De beoordeling van de samenbouw tot een installatie gebeurt onder meer door beschouwing van:

  • basisontwerp van de samenbouw;
  • bepaling van de ontwerpcondities per drukapparaat;
  • ontwerp van de drukapparaten;
  • fabricage en eindcontrole van de drukapparaten;
  • detailontwerp van de samenbouw;
  • fabricage en eindcontrole van de samenbouw;
  • overdracht van de samenbouw naar de Keuring voor Ingebruikneming (KvI).

De Keuring voor Ingebruikneming (KvI) omvat de volgende verificaties en controles:

  • verificatie van de drukapparatuur aan de hand van de gebruikshandleidingen, het fabricageboek en de markeringen;
  • controle van de uitwendige toestand van de drukapparatuur;
  • controle van de werking van de veiligheidsappendages en onder druk staande appendages;
  • controle van de opstelling van de drukapparatuur.

Bij goedkeuring wordt een verklaring van ingebruikneming (VvI) afgegeven.

E.2.3Keuring in gebruiksfase

Keuringen in de gebruiksfase worden uitgevoerd door de daarvoor aangewezen CBI. Onder deze keuringen vallen: periodieke herbeoordeling, routine-inspecties, wijzigingen en reparaties. Herbeoordeling van installaties wordt uitgevoerd op basis van de eisen in deze PGS en het WBDA 2016.

E.3Documenten

Drukapparatuur mag alleen worden gebruikt als de gebruiker beschikt over de juiste documenten en verklaringen. De verklaringen van ingebruikneming en herkeuring moeten worden aangevraagd bij een CBI. Handhaving op basis van het WBDA 2016 vereist de volgende documenten:

  • geldige verklaring van ingebruikneming (VvI);
  • verklaring van herkeuring met geldigheidsdatum;
  • wijzigingsrapportages van CBI voor reparaties en wijzigingen.

Ook drukapparatuur dat valt onder de zorgplicht, mag alleen worden gebruikt als de gebruiker beschikt over documenten waaruit blijkt dat deze apparatuur technisch integer is en de juiste keuringen en inspecties heeft ondergaan. Verklaringen van een CBI zijn voor drukapparatuur dat valt onder de zorgplicht, niet verplicht.

E.4Overdrukbeveiliging

Een belangrijke maatregel op basis van het WBDA 2016 is dat de installatieonderdelen waarin een gasdruk kan ontstaan die hoger is dan de ontwerpdruk van die onderdelen, moeten zijn voorzien van een overdrukbeveiliging waarvan de werking is gewaarborgd. Dit staat in artikel 8 van het WBDA 2016 . Dit artikel verwijst naar bijlage I van de PED.

Bijlage FArbeidsomstandighedenwetgeving

De Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) bevat rechten en plichten voor werkgevers en werknemers op het gebied van arbeidsomstandigheden. De Arbowet bevat met name doelvoorschriften. Het Arbeidsomstandighedenbesluit geeft een uitwerking van de Arbowet. De Arbeidsomstandighedenregeling geeft weer een uitwerking van regels in het Arbobesluit. In de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen staan eisen voor persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E)

Elk bedrijf met personeel moet (laten) onderzoeken of het werk gevaar kan opleveren of schade kan veroorzaken aan de gezondheid van de werknemers. Dit onderzoek heet een RI&E. Dit staat in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet. De RI&E moet schriftelijk worden vastgelegd. Hoofdstuk 4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit bevat aanvullende verplichtingen voor de RI&E voor gevaarlijke stoffen.

Aanvullende Risico-inventarisatie en -evaluatie-regeling (ARIE-regeling)

Bedrijven waar een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke stoffen in installaties aanwezig is of kan worden gevormd (ongeacht beoogde handelingen), moeten een ARIE uitvoeren. De ARIE is gericht op het voorkomen van zware ongevallen. Een bedrijf moet op basis van de ARIE maatregelen treffen. De ARIE-regeling staat in het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen

In de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving is meer informatie te vinden over het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers. Dit is de minimalisatieplicht van de werkgever. Voor het nemen van beschermende maatregelen geldt een vastgestelde volgorde, de arbeidshygiënische strategie. Deze strategie beschrijft dat maatregelen op het niveau van de bron als eerste overwogen moeten worden, daarna collectieve maatregelen en pas als laatste individuele maatregelen als persoonlijke beschermingsmiddelen.

Meer informatie staat op het Arboportaal .

Gevarenzone-indeling

De werkgever is op grond van de Arbowet verplicht een beleid te voeren dat erop gericht is de werknemers te beschermen tegen explosiegevaar. Het Arbeidsomstandighedenbesluit (paragraaf 2a) bevat de bepalingen van de Europese richtlijn 1999/92/EG (ook wel bekend als ATEX 153). Hierin staan de verplichtingen rondom explosiegevaar. De risico’s voor de werknemer moeten schriftelijk worden vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument. Dit document bevat in elk geval:

  • een nadere risicoanalyse;
  • een gevarenzone-indeling;
  • passende technische en organisatorische maatregelen;
  • voorlichting van de werknemers.

Voor de gevarenzones verwijst artikel 3.5d, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit naar bijlage I van 1999/92/EG . Gevarenzones moeten zijn gemarkeerd. Dit staat in artikel 3.5d, lid 6 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Explosieveilig materiaal en materieel

De eisen voor explosieveilig materiaal en materieel staan in artikel 3.5 onder e van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Hier wordt verwezen naar het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016. In het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 staan regels over het op de markt brengen van onder andere apparaten en beveiligingssystemen bestemd voor plaatsen met explosieve atmosferen. In dit besluit is de Productrichtlijn explosieve atmosferen (2014/34/EU ) geïmplementeerd. Deze richtlijn wordt ook ATEX 114 genoemd.

Elektrische en elektronische apparatuur in een gezoneerd gebied moeten explosieveilig zijn uitgevoerd. Deze apparatuur is voorzien van een EG-conformiteitsverklaring en een voorschrift waaruit blijkt dat het toegepaste materieel geschikt is voor toepassing in ruimten waar explosiegevaar kan heersen.

Elektrisch materieel dat aan de normen voor explosieveiligheid voldoet, is herkenbaar aan het ‘Ex’-teken in een regelmatige zeshoek. Mocht dit niet zichtbaar zijn, dan moet in het logboek een document aanwezig zijn waarin de leverancier verklaart dat het elektrisch materieel voldoet aan de gebruikelijke normen voor explosieveiligheid. Het gaat dan om een zogenoemde EG-verklaring van overeenstemming die vergezeld gaat van een CE-markering.

Bekabeling wordt gezien als een vaste elektrische verbinding, vrij van vonkvorming en is daarmee vrijgesteld van explosieveiligheidscriteria.

Intern noodplan

Een intern noodplan is een draaiboek waarin systematisch staat aangegeven wat de organisatie moet doen bij een incident of calamiteit. Een goed voorbereide hulpverlening draagt bij aan het zo veel mogelijk beperken van de gevolgen ervan voor mensen en omgeving. Elke werkgever van een bedrijf met bepaalde hoeveelheden gevaarlijke stoffen moet zorgen dat er een intern noodplan is. Dat staat in artikel 2.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit . In artikel 2.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit staan de grenzen voor de hoeveelheden gevaarlijke stoffen. Boven die grenzen vallen bedrijven onder de ARIE-regeling en is een intern noodplan verplicht.

Een intern noodplan bevat in elk geval de onderwerpen die staan in bijlage II van de Arbeidsomstandighedenregeling .

Meer informatie over interne noodplannen staat op het Arboportaal.

Borden en pictogrammen

De werkgever is verplicht borden te gebruiken op plaatsen en bij installaties die gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kunnen opleveren. De eisen voor borden en pictogrammen staan in de artikelen 8.9, 8.10 en 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling . Hier staan onder andere eisen over de uitvoering, de begrijpelijkheid en de plaatsing van borden. Veiligheidsborden moeten in één oogopslag duidelijk maken welk gevaar dreigt, wat verboden is of juist verplicht.

Om misverstanden te voorkomen gelden er normen voor het ontwerp, het beeld (pictogram), de tekst en het kleurgebruik. In bijlage XVIII van de Arbeidsomstandighedenregeling staat welke borden in welke situatie moeten worden gebruikt.

In de CLP-verordening staan pictogrammen voor de aanduiding van gevaarseigenschappen van chemische stoffen.

Bijlage GVerschillen met de vorige versie

G.1Inleiding

Deze PGS komt voor het grootste deel inhoudelijk overeen met de vorige versie van deze publicatie.

Een aantal maatregelen is niet meer opgenomen. Reden daarvoor is dat ze niet voortvloeien uit de risicoanalyse of al in andere wetgeving zijn opgenomen.

Een aantal maatregelen is inhoudelijk gewijzigd. Dit is gebeurd op basis van de risicoanalyse of nieuwe inzichten. De volgende paragraaf beschrijft op hoofdlijnen de belangrijkste verschillen. Voor bestaande situaties die nog niet aan deze maatregelen voldoen, gelden implementatietermijnen. Deze termijnen staan in Bijlage H.

Maatregelen die inhoudelijk niet zijn gewijzigd, zijn vaak wel redactioneel aangepast. Dit is gebeurd vanwege PGS Nieuwe Stijl.

G.2Belangrijkste inhoudelijke wijzigingen

In tegenstelling tot PGS 28:2011 bevat deze PGS geen bodembeschermingsmaatregelen meer. De bodembeschermingsmaatregelen volgen uit de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) en staan deels benoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Ten opzichte van PGS 28:2011 is veranderd dat bij het afleveren van diesel een vastzetmechanisme op het vulpistool is toegelaten, mits het vulpistool en vastzetmechanisme voldoen aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (ATEX 114). Handmatige peilsystemen worden uitgefaseerd en vervangen door een elektronisch systeem. Afleverslangen moeten worden voorzien van een breekkoppeling die voldoet aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (ATEX 114). Opslagtanks met een vullingsgraad van 98 % worden uitgefaseerd. De maximale vullingsgraad volgens deze PGS is 97 %. Als onder verpomping de opslagtank wordt gevuld, zijn aanvullende maatregelen nodig.

Bijlage HImplementatietermijnen in bestaande situatiesNormatief

Inleiding

Deze bijlage bevat implementatietermijnen voor bestaande situaties. Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze termijnen vastgesteld.

Is er voor de activiteit uit deze PGS-richtlijn een omgevingsvergunning? Dan bepaalt het bevoegd gezag vanaf welk moment de maatregelen worden overgenomen in de vergunning. Het bevoegd gezag kan de implementatietermijn in deze PGS gebruiken als richtsnoer.

Voor maatregelen voor de gezondheid en veiligheid van werknemers is het aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen hij moet treffen om de werknemers te beschermen volgens de stand van de wetenschap en techniek. Het toezicht op de naleving en juiste invulling van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwetgeving voor de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid van de Inspectie SZW. De Inspectie SZW gebruikt daarbij de implementatietermijnen uit deze PGS-richtlijn. Deze termijnen kunnen ook in een beleidsregel worden opgenomen.

Implementatietermijn door het BOb vastgesteld

Tabel 7

Wijzigingen ten opzichte van PGS 28:2011

Maatregel-num-mer

Onderwerp

Wijziging

Maatregelnummer in vorige PGS

Kernpunt uit maatregel vorige PGS dat wordt aangepast

Aard aanpassing

Termijn (jaar)

M12Eisen afleverslang

Afleverslangen moeten worden voorzien van een breekkoppeling die voldoet aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (ATEX 114).

Toelichting: Aan het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 (ATEX 114) kan worden voldaan met een breekkoppeling volgens NEN-EN 13617-2.

NieuwWijziging installatieonderdeel

5 jaar of zoveel eerder als de installatie aan groot onderhoud toe is (het natuurlijke moment om dit mee te nemen zoals bij vernieuwing, vervanging of inspectie)

M27

Vullingsgraad opslagtanksOpslagtanks met een vullingsgraad van 98 % worden uitgefaseerd. De nieuwe standaard is een maximale vullingsgraad van 97 %.vs 3.3.2In PGS 28:2011 werd een vullingsgraad van 98 % nog toegelaten.Wijziging installatieonderdeelBij eerstvolgende herkeuring
M28 Peilen mate van vullingPeilen mag alleen nog plaatsvinden met een automatische peilinrichting.vs 3.3.2In PGS 28:2011 werd handmatig peilen eveneens toegelaten.Wijziging installatieonderdeel

5 jaar of zoveel eerder als de installatie aan groot onderhoud toe is (het natuurlijke moment om dit mee te nemen zoals bij vernieuwing, vervanging of inspectie)1

M32Vullen onder verpomping

Als onder verpomping de opslagtank wordt gevuld, zijn de volgende aanvullende maatregelen nodig:

  • De opslagtank is voorzien van een onafhankelijke overvulbeveiliging. Deze heeft een SIL 1- betrouwbaarheidseis volgens de NEN-EN-IEC 61508:reeks als het gaat om vloeibare brandstoffen ADR-klasse 3, VG II en III, exclusief diesel.
  • Een akoestisch en visueel signaal wordt afgegeven bij het bereiken van een vooraf ingesteld hoog niveau.
  • Het vullen van de opslagtank kan worden gestopt met een eenvoudige handeling bij het bereiken van een vooraf ingesteld hoog niveau, waarbij de pomp wordt gestopt en/of de toevoerklep wordt gesloten. Deze handeling moet op een veilige locatie plaatsvinden.
NieuwIn PGS 28:2011 stonden geen aanvullende eisen bij vullen onder verpomping.Wijziging installatieonderdeelBij vervanging, vernieuwing, of herkeuring met een maximale termijn van 15 jaar

1 Waarschuwing: Chauffeurs dienen zich bewust te zijn dat tijdens het peilen met een peilstok gevaarlijke dampen kunnen vrijkomen. Chauffeurs moeten voorkomen dat deze dampen worden ingeademd. Een werkgever moet hier zo nodig maatregelen op treffen.

Bijlage ISamenstelling PGS 28-team

Naam

Organisatie

Rol

Ruud Peeters

Omgevingsdienst HaaglandenVoorzitter PGS-team
Antoine MeijerShell Retail station en Beta Lid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB-Nederland)
Erik van der HeijdenVan der Heijden Milieu- en installatietechniekLid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)
Maikel PrinsPrizoLid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)
Martin MeijboomKiwaLid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)
Wim SchoutenNOVELid namens bedrijfsleven (VNO-NCW/MKB- Nederland)
Gilbert ten BergeBrandweer TwenteLid namens bevoegd gezag (Brandweer Nederland / Veiligheidsregio’s)
Ronald van MiltenburgBrandweer Gooi en VechtLid namens bevoegd gezag (Brandweer Nederland / Veiligheidsregio’s)
Dirk Jan KuikenFUMOLid namens bevoegd gezag (toezicht/handhaving)
Frans GeurtsHet Publieke DomeinLid namens bevoegd gezag (toezicht/handhaving)
Omgevingsdienst IJmondLid namens bevoegd gezag (vergunningverlening)
Chris Thijssen

RIVM

Lid namens Inspectie SZW
Wim MakaskeRijkswaterstaatWaarnemer namens helpdesk InfoMil
Albert SteltenpoolBilfingerFacilitator risicobenadering
Robby VedersNENProjectleider