19Propaan – Opslag

Richtlijn voor de veilige opslag van propaan, propeen en butaan en mengsels daarvan

Versie

Deze PGS 19:2021 versie 1.0 (September 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 19:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen: de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen.
PGS 19 Nieuwe Stijl

De PGS-richtlijnen zijn herzien overeenkomstig de methodiek voor de PGS Nieuwe Stijl. Bij de herziening van de PGS-richtlijnen is een risicobenadering de basis voor het opstellen van scenario’s. Op basis van deze scenario’s zijn de doelen en maatregelen vastgesteld.

De herziening leidt tot enkele beperkte inhoudelijke wijzigingen. Zo zijn er een paar voorschriften vervallen (bijvoorbeeld inzake de vorstbeveiliging) en zijn er nieuwe maatregelen bijgekomen inzake de volgende onderwerpen:

  • de ontwerptemperatuur van het opslagtank;
  • de toepassing van een voorziening om zettingen op te vangen;
  • de herbeoordeling van de propaaninstallatie bij een latere ingebruikname van een verwarmingsspiraal;
  • een verkeersverbod boven ondergrondse opslagtanks.

Het gaat verder veelal om een verduidelijking van maatregelen dan wel een gebruik van andere terminologie.

In een aantal gevallen zijn de maatregelen grotendeels herschreven zodat deze beter aansluiten bij de praktijk zonder daarbij afbreuk te doen aan de veiligheid. Het betreft hier bijvoorbeeld de voorschriften voor het gebruik van propaan op bouwterreinen.

Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (Brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (Rampenbestrijding).
Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving

Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen

Brand- en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In 0 staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 24 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op:………

Handtekening voorzitter Programmaraad

Leeswijzer

Indeling

PGS-richtlijn De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2, met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over propaan, butaan en mengsels van propaan en butaan en de typische opslaginstallaties waar deze richtlijn betrekking op heeft.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen.
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

Aanvullend op deze richtlijn wordt specifiek voor de groepen particuliere/agrarische gebruikers en toezichthouders een handreiking opgesteld inzake de plaatsing en controle van opslagtanks tot 3 000 l.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van de opslag van propaan, butaan en mengsels van propaan en butaan te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op de opslag van propaan in stationaire opslagtanks met een inhoud vanaf 0,15 m3.

Waar in deze richtlijn wordt gesproken over propaan, wordt bedoeld handelspropaan, handelsbutaan of mengsels van propaan en butaan, zoals autogas (LPG). De richtlijn is ook van toepassing op de opslag van propeen. Paragraaf 7.10 (Propaaninstallaties in de bouw) van deze richtlijn heeft daarentegen uitsluitend betrekking op (handels)propaan.

Deze richtlijn is niet primair bedoeld voor bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen. De reden hiervoor is dat de eisen die betrekking hebben op de deelgebieden bedrijfsvoering en veiligheidsafstanden door de meeste Seveso-bedrijven reeds voor de bedrijfsspecifieke situatie zijn vastgelegd en in de vergunning en het veiligheidsbeheerssysteem zijn opgenomen. Voor wat betreft de technische integriteit van een opslagtank kunnen de Seveso-bedrijven zich zonder meer conformeren aan deze publicatie. Dit geldt niet voor opslag van propaan in zogenoemde bollen of sigaren (meestal bij raffinaderijen). Deze typen van opslag vallen buiten het toepassingsbereik van deze richtlijn.

De richtlijn heeft betrekking op de gehele propaaninstallatie, van opslag en verdamper tot leidingen en appendages, voor zover deze het hogedruk- en middendrukgebied betreft. Voor het lagedrukgebied (< 0,5 bar) is de richtlijn van toepassing tot aan de gevel van het gebouw, woningen of bedrijfsruimte waar de leidingen naar binnen gaan, of de aansluitflens op het gebruikstoestel. De propaaninstallatie wordt in beginsel in de open lucht geplaatst. Binnen woningen of gebouwen geldt specifieke regelgeving (bijvoorbeeld bouwbesluit) voor leidingen met een werkdruk ≤ 0,5 bar.

In aanvulling daarop is het mogelijk deze richtlijn te gebruiken als basis voor afwijkende situaties. Hierbij kan worden gedacht aan situaties waarbij gassen worden opgeslagen die qua eigenschappen sterke overeenkomsten vertonen met propaan en/of butaan, zoals bijvoorbeeld andere onder druk gemaakte vloeibare brandbare gassen (zoals bijvoorbeeld buteen). Hierbij moeten altijd wel de bijzondere fysische eigenschapen van deze gassen worden beschouwd en moet het gezond verstand worden gebruikt. Hetzelfde geldt min of meer voor reukloos propaan of butaan, waarvoor extra maatregelen moeten worden overwogen. Voor een gas als DME (dimethylether) kan deze publicatie bijvoorbeeld niet één op één worden gebruikt.

Opslagtanks voor propaan komen zowel voor bij bedrijven als bij particulieren. Opslagtanks met een inhoud kleiner dan 0,15 m3 vallen buiten het toepassingsbereik van deze PGS. Hiervoor geldt onder meer PGS 15 als toetsingskader.

Een speciale categorie vormen de opslagtanks die op bouwterreinen worden gebruikt. Deze kunnen zowel stationair als op een mobiel onderstel zijn geplaatst. Deze richtlijn is ook op die opslagtanks van toepassing.

Ook geldt de richtlijn zowel voor dampafname- als vloeistofafname-installaties. Met deze werkingssfeer is beoogd de richtlijn van toepassing te laten zijn op (vrijwel) alle in Nederland voorkomende situaties, bijvoorbeeld ook wanneer deze deel uitmaken van een propaaninstallatie die valt onder de werkingssfeer van PGS 16 .

Het lossen van de tankwagen valt binnen het toepassingsbereik van deze publicatie. Het laden van de tankwagen en de eisen die aan de tankwagen zelf worden gesteld, worden niet in deze publicatie behandeld.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio’s.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in Hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage F geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. Beoordeeld is dat vanwege deze wijzigingen geen implementatietermijnen nodig zijn.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving van de propaaninstallatie

2.1Propaan, propeen en butaan

2.1.1Algemene informatie

Propaan, propeen en butaan worden gewonnen bij de raffinage van aardolie. Daarnaast komen deze stoffen vrij bij de winning van aardas uit aardgasvelden. Bij raffinaderijen wordt het product in bulk opgeslagen in terminals, waarna transport met tankwagens naar wederverkopers plaatsvindt.

Propaan, propeen en/of butaan kunnen worden gebruikt als brandstof voor koken, snijden van metalen, stoken en voor het aandrijven van motoren. Daarnaast kunnen ze worden gebruikt als koudemiddel in koelkasten en airconditioning. Ook zijn het bestanddelen van autogas, in de volksmond LPG. Propeen wordt ten slotte nog specifiek toegepast in de kunststofproductie.

Autogas is een mengsel van propaan en butaan en heeft UN-nummer 1965. Handelspropaan bestaat in Nederland uit een mengsel van circa 90 % propaan met daarbij in kleinere concentraties butanen bijgemengd. Voor handelsbutaan geldt hetzelfde omgekeerd. Handelspropaan en -butaan hebben eveneens UN-nummer 1965. Zuiver propaan en butaan zijn verkrijgbaar. Het betreft hier zeer zuivere gassen voor bijzondere toepassingen in bijvoorbeeld laboratoria. Deze zuivere gassen hebben aparte UN-nummers. LPG is de verzamelnaam voor alle voornoemde vloeibaar gemaakte gassen.

Propaan, propeen en butaan zijn eenvoudige koolwaterstoffen uit de groep der alkanen. Propaan heeft als molecuulformule C3H8, propeen C3H6 en butaan C4H10. Propaan, propeen en butaan zijn bij atmosferische druk gassen. In deze richtlijn gaat het om gassen die tot vloeistof zijn verdicht.

2.1.2Gevaren van propaan, propeen en butaan

Propaan, propeen, butaan en mengsels daarvan zijn zeer licht ontvlambaar. Onder atmosferische omstandigheden zijn het gassen.

De gassen zijn zwaarder dan lucht. De relatieve dichtheid van propaan bedraagt 1,6, van propeen 1,7 en van butaan 2,1 (lucht = 1,0).

Een zuiver propaan-luchtmengsel is onder atmosferische omstandigheden ontsteekbaar tussen 1,7 vol.-% en 10,8 vol.-% propaan in lucht. Voor butaan liggen deze waarden tussen de 1,4 vol.-% en 9,4 vol.-% en voor propeen liggen deze waarden tussen de 1,8 vol.-% en 11,2 vol.-%. Deze waarden zijn gebaseerd op Chemiekaarten(boek) 2019.

In hoge concentraties treedt verstikkingsgevaar op als de gassen worden ingeademd. Daarnaast kunnen bevriezingsverschijnselen ontstaan als de gassen in de vloeibare fase in contact komen met de huid of ogen.

Vanwege de lichte ontvlambaarheid kan een brand of explosie ontstaan als de gassen vrijkomen. Bij een (dreigende) calamiteit met deze gassen bestaat gevaar voor omwonenden en hulpdiensten als een explosie optreedt. Aangezien de gassen zwaarder zijn dan lucht verspreiden ze zich over de grond. Hierdoor kan een vertraagde ontsteking op afstand ontstaan of kunnen de gassen zich op laaggelegen plaatsen ophopen met aldaar kans op zuurstofgebrek (bewusteloosheid). Elektrostatische oplading, en daarmee risico op ontsteking, kan ontstaan bij bijvoorbeeld stromen, bewegen, roeren en verpompen van de vloeistof.

Bij het vrijkomen in de lucht verspreiden de gassen zich in de omgeving. Door verdunning nemen de gevaren in de praktijk over het algemeen af.

Opmerking: De gevaren nemen niet af wanneer er wordt verdund vanuit een gassamenstelling die boven de bovenste explosiegrens zit.

Propaan, propeen en butaan zijn in de hoeveelheden die bij opslag kunnen vrijkomen nauwelijks schadelijk voor het milieu.

Propaan, propeen en butaan zijn in zuivere vorm van nature reukloos. De typische geur wordt eventueel bij belading aan het gas toegevoegd. Bij lage concentraties in lucht is de alarmerende geur al duidelijk waarneembaar.

Daar waar in het vervolg van deze richtlijn wordt gesproken over propaan, wordt bedoeld propaan, propeen of butaan en mengsels daarvan.

2.2Propaaninstallatie

2.2.1Algemene beschrijving

In deze paragraaf wordt een informatieve, typische, omschrijving gegeven van de verschillende soorten propaaninstallaties. In de meeste gevallen betreft het boven- of ondergrondse stationaire opslagtanks die met tankwagens worden bevoorraad. In alle gevallen wordt vloeibaar propaan onder druk geleverd.

De tankwagen parkeert daarbij op de daarvoor bestemde opstelplaats. De losslang, die hoort bij de tankwagen, wordt daarbij gekoppeld aan het daarvoor bestemde vulpunt. In sommige gevallen is er sprake van een apart vulpunt dat met een vulleiding naar de opslagtank voert. In veel gevallen (meestal bij kleinere tanks) bevindt het vulpunt zich direct op de opslagtank.

Vanuit de opslagtank wordt het propaan afgenomen en naar een gebouw of gebruikstoestel geleid. Het propaan kan hiertoe in damp- of vloeibare vorm worden afgenomen. De toepassing (en behoefte) bepaalt welke afnamevorm noodzakelijk is. In het geval van vloeibare propaanafname behoort deze te worden verpompt en kan er sprake zijn van een verdamper die de vloeibare propaan omzet naar de dampfase. In de meeste gevallen is een verdamper echter niet nodig.

In afbeelding 1 is een schematische weergave gegeven van een propaaninstallatie en de (mogelijke) bijbehorende installatieonderdelen.

Afbeelding 1Schematische weergave propaaninstallatie

Het toepassingsgebied strekt zich uit over de gehele propaaninstallatie, van de aansluitflens van het vulpunt, de opslagtank, de (eventuele) verdamper en de (eventuele) pomp, inclusief de leidingen en appendages voor zover deze het hogedruk- en middendrukgebied betreffen. Voor het lagedrukgebied (< 0,5 bar) is deze richtlijn van toepassing tot aan de hoofdafsluiter (direct aan de buiten- of binnenzijde van de gevel) van het gebouw, woning of bedrijfsruimte waar de leiding(en) naar binnen gaan, of de aansluitflens op het gebruikstoestel. De opstelplaats van de tankwagen maakt eveneens deel uit van deze PGS. De tankwagen zelf (inclusief losslang) echter niet.

2.2.2Verdampers

In een verdamper wordt door toevoer van warmte van buitenaf vloeibaar propaan verdampt zodat het als gasvormig propaan kan worden toegepast. Een verdamper is een extern apparaat (maakt geen constructief deel uit van de opslagtank). In de meeste gevallen is een verdamper niet noodzakelijk. Een verdamper bestaat uit een verdamperlichaam en toebehoren. De verdamper moet geschikt zijn voor propaan en voldoet net als de rest van de propaaninstallatie aan het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016).

Er worden drie typen verdampers onderscheiden:

  1. verdampers met vloeistof of stoom als verwarmend medium;
  2. elektrische verdampers;
  3. gasgestookte verdampers.

Wanneer de verdamper in een ATEX-zone is opgesteld (de verdamper kan zelf de bron van een ATEX-zone zijn), dan behoort rekening te worden gehouden met de eisen aangaande explosieveiligheid (zie Paragraaf 7.3). De verdamper behoort verder doelmatig te zijn afgeschermd.

2.2.3Vorstbeveiliging

Vorstbeveiliging is bedoeld om de wand van de opslagtank ijsvrij te houden bij grotere afname onder minder gunstige weercondities. Een laag ijs op de wand van de opslagtank functioneert als isolator en belemmert aldus de warmteopname die nodig is voor de verdamping van het vloeibare gas.

De vorstbeveiliging is direct op de wand van de opslagtank aangebracht. Aangezien het ontstaan van een te hoge temperatuur op de wand van de opslag vanwege de vorstbeveiliging geen realistisch scenario is, zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk.

2.2.4Verwarmingsspiralen

Verwarmingsspiralen hebben tot doel de verdampingscapaciteit van de opslagtank te verhogen door middel van het verhogen van de temperatuur van het vloeibare gas in de opslagtank. Als deze spiralen een integraal onderdeel vormen van de opslagtank, dan vallen ze daarmee onder de eisen voor de (nieuw)bouw van de opslagtank. Als zodanig zijn deze spiralen, voor zover aanwezig, meegenomen bij de constructie van een opslagtank en vallen onder de eisen en voorwaarden van het WBDA 2016. Daarmee is ook geborgd dat ontwerptemperatuur en druk niet zullen worden overschreden.

2.2.5Soorten propaaninstallaties

Bij propaaninstallaties kan onderscheid worden gemaakt tussen drie vormen van opslaginstallaties:

  1. kleinschalige opslag van propaan;
  2. grootschalige opslag van propaan;
  3. opslag van propaan in de bouw.

Ad. a): De kleinschalige opslag van propaan vindt vaak plaats bij particulieren of agrarische bedrijven en kenmerkt zich door relatieve kleine en eenvoudige propaaninstallaties, meestal kleiner dan 3 000 l. Dergelijke propaaninstallaties zijn vaak in het buitengebied aanwezig waar geen aardgas(netwerk) aanwezig is. Deze propaaninstallaties worden slechts enkele keren per jaar bevoorraad door een tankwagen en hebben vaak een vulpunt direct op de tank. In de meeste gevallen betreft het bovengrondse opslagtanks met alleen afname in de dampfase. Kenmerkend voor deze propaaninstallaties is dat de gebruikers/eigenaars weinig kennis van de propaaninstallatie en het product propaan hebben. Om deze reden wordt onder andere specifiek voor deze groep gebruikers een handreiking opgesteld inzake de plaatsing en controle van opslagtanks tot 3 000 l.

Ad. b): De grootschalige propaaninstallaties is veelal bedrijfsmatig en kunnen in alle genoemde opslag- en afnameconfiguraties aanwezig zijn (zie Paragraaf 2.2.1) en van diverse omvang (inclusief de opslag bij LPG-tankstations en Seveso-bedrijven). Bij dergelijke opslag mag van de gebruikers van propaaninstallaties meer kennis en kunde worden verwacht over de propaaninstallatie en de gevaren van het product propaan.

Ad. c): Op bouwterreinen wordt veelvuldig gebruikgemaakt van propaan als brandstof voor een scala aan toepassingen: voor een versnelde verharding van beton, voor ruimteverwarming van bouwketen en werkruimten, voor het droogstoken van woningen en/of voor verwarmingsdoeleinden om doorwerken in de winter mogelijk te maken. Hierbij worden in de regel opslagtanks (al dan niet op een mobiel onderstel) toegepast, waarin vloeibaar propaan onder druk en bij omgevingstemperatuur wordt bewaard. Over het algemeen bestaat de propaaninstallatie uit een opslagtank die vast is opgesteld dan wel op een mobiel onderstel is geplaatst. Op deze opslagtank is door middel van een leiding een hoofdverdeelstuk aangesloten. In alle gevallen wordt (verplicht) propaan in de dampfase afgenomen.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

In deel C staat meer uitleg over maatregelen die horen bij het basisveiligheidsniveau.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen, kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/ .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Toepassing PGS-scenario’s voor hogedrempelinrichtingen en ARIE-bedrijven

Voor de zogenoemde hogedrempelinrichtingen zoals gedefinieerd in het Bal en ARIE-bedrijven zoals gedefinieerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat de scenario’s die kunnen leiden tot het vrijkomen van een gevaarlijke stof, de installatiescenario’s, al zijn beschreven in een veiligheidsrapport volgens een vast stramien, zoals toegelicht in Bijlage H van PGS 6 of in een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE). Deze bedrijven hebben de scenario’s en de beheersmaatregelen daarmee afdoende beschreven om aan de verplichtingen van het Bal en het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen. Indien gewenst kunnen zij deze beschrijvingen ten grondslag leggen aan de onderbouwing van gelijkwaardige oplossingen.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld, zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 19

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt, staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 19-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare propaaninstallatie. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert;
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor propaaninstallaties.

De scenario’s zijn onderverdeeld naar insluitsystemen en relevante categorieën van directe oorzaken: corrosie, erosie, externe oorzaken, natuurlijke oorzaken, impact, overdruk, onderdruk, lage temperatuur, hoge temperatuur, trillingen, menselijke fouten tijdens gebruik, wijziging of onderhoud en overschrijding belastinggrenzen.

De beschrijving van een scenario voldoet aan de volgende kenmerken:

  • het geeft een situatiebeschrijving van een potentieel gevaar;
  • is dusdanig concreet om het risico’s te kunnen beoordelen en (eventueel) te kunnen reduceren;
  • de oorzaak is benoemd;
  • de consequentie/het gevolg is benoemd, waarbij is uitgegaan van de directe schade die kan ontstaan;
  • alle relevante maatregelen moeten hieruit volgen;
  • teneinde het aantal scenario’s te beperken zijn deze daar waar mogelijk gegroepeerd;
  • alleen scenario’s die vallen binnen de PGS-scope, worden genoemd (zie de risicomatrix in de Handreiking generieke risicobenadering).

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke doelen daar een rol bij spelen.

4.1Scenario's voor de propaaninstallatie

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding Normatief

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid en met Brandpreventie;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid;
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding .

In deel B staan eerst de doelen in Hoofdstuk 6 en daarna maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6.

5.2Omgevingsveiligheid Normatief

5.2.1Algemeen Normatief

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Normatief

Paragraaf 4.91 van het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het opslaan van propaan of propeen in bovengrondse of ondergrondse tanks. In artikel 3.22 is aangegeven wanneer er sprake is van vergunningplichtige gevallen. Om de externe veiligheid te waarborgen moeten veiligheidsafstanden in acht worden genomen zoals gesteld in artikel 4.899 van het Bal. Daarnaast is in artikel 4.901 van het Bal bepaald dat een opslagtank met propaan of propeen met toebehoren, leidingen en andere installatieonderdelen moet voldoen aan PGS 19. Daarbij gelden twee aandachtspunten: het toepassingsbereik van het Bal in relatie tot de reikwijdte van deze PGS en de mogelijkheid om gelijkwaardige maatregelen te treffen.

Er ligt tevens een relatie tussen PGS 19, PGS 16 en het Bal. Dit komt omdat PGS 16 voor wat betreft de eisen aan de opslagtank (inclusief leidingwerk) doorverwijst naar PGS 19. De relatie tussen het Bal en PGS 16 is niet uitgewerkt in deze richtlijn. Hiervoor wordt verwezen naar PGS 16.

Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.91 uit Hoofdstuk 4 van het Bal te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

De toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn is bijna identiek aan het toepassingsbereik van paragraaf 4.91 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van paragraaf 4.91 uit hoofdstuk 4 van het Bal.

Het Bal stelt namelijk eisen aan de meldingsplichtige propaaninstallaties. Deze eisen wijken niet af voor vergunningplichtige propaaninstallaties. Het enige verschil is dat vergunningplichtige propaaninstallaties een verdamper kunnen hebben. Verdampers komen niet voor bij meldingsplichtige propaaninstallaties. De bijbehorende maatregelen zijn in dat geval dan ook niet van toepassing. Daarnaast is er een aantal maatregelen (veelal MW-maatregelen) dat alleen relevant is vanuit de arbeidsveiligheid. Deze maatregelen zijn eveneens niet van toepassing vanuit het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (Omgevingsveiligheid of Brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (Rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. Hoofdstuk 13 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

Variant 1: De milieubelastende activiteit is niet vergunningplichtig op basis van Hoofdstuk 3 van het Bal en er wordt in Hoofdstuk 4 van het Bal aangegeven dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan PGS 19.

In artikel 3.21 van het Bal wordt het opslaan van propaan of propeen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Deze activiteit is vergunningplichtig indien er meer dan 13 m3 propaan of propeen (per opslagtank) wordt opgeslagen of er sprake is van afname in de vloeistoffase. Bij opslag in meer dan twee tanks is er mogelijk sprake van vergunningplicht. Dit punt is niet in het Bal maar in de Omgevingsplanregels van rijkswege geregeld (de bruidsschat). De gemeente heeft hiermee ruimte om de vergunningplicht voor meer dan twee tanks te laten vervallen als de regels van dat omgevingsplan al in adequate bescherming van de leefomgeving voorzien. Op grond van artikel 3.23 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.91. Eén van deze regels stelt dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS.

Een voorbeeld van deze variant is de milieubelastende activiteit het opslaan van propaan in een opslagtank van 3 000 l waarbij sprake is van dampafname. (Indien er een verdamper wordt toegepast, is er geen sprake van dampafname.)

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.901, eerste lid, van het Bal te voldoen treft degene die deze activiteit verricht in dat geval de volgende maatregelen:

Alle maatregelen uit 7.4 t/m 7.9 ( MW1, , M5, M6, M9, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M33, M34, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, M44, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M69, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M71, MW72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84 m.u.v. MW2, MW3, MW7, MW10, MW11, MW35, M36, M45, M52 en MW72, én die maatregelen die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de verdamper

Het is ook mogelijk dat de hiervoor genoemde opslagtank voor propaan op een bouwlocatie aanwezig is.

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.901, eerste lid, van het Bal te voldoen treft degene die deze activiteit verricht in dat geval de volgende maatregelen:

M86 t/m M92 (M86, M87, M88, M89, M90, M91, M92)

Het is vervolgens ook nog mogelijk dat de hiervoor genoemde opslagtank op een mobiel onderstel op een bouwlocatie aanwezig is.

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.901, eerste lid, van het Bal te voldoen treft degene die deze activiteit verricht in dat geval de volgende maatregelen:

M86 t/m M91 (M86, M87, M88, M89, M90, M91, M92) en M93 t/m M99 (M93, M94, M95, M96, M97, M98, M99)

Variant 2: De milieubelastende activiteit is gedeeltelijk vergunningplichtig op basis van Hoofdstuk 3 van het Bal en er wordt in Hoofdstuk 4 van het Bal aangegeven dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan PGS 19.

In artikel 3.21 van het Bal wordt het opslaan van propaan of propeen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Deze activiteit is bovendien vergunningplichtig als er sprake is van meer dan 13 m3 opslag (per opslagtank) of wanneer er sprake is van vloeistofafname. Bij opslag in meer dan twee tanks is er mogelijk sprake van vergunningplicht. Dit punt is niet in het Bal maar in de Omgevingsplanregels van rijkswege geregeld (de bruidsschat). De gemeente heeft hiermee ruimte om de vergunningplicht voor meer dan twee tanks te laten vervallen als de regels van dat omgevingsplan al in adequate bescherming van de leefomgeving voorzien. Op grond van artikel 3.23 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.91, als de grenzen voor vergunningplicht niet worden overschreden. Eén van deze regels stelt dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS. Voor het deel van de milieubelastende activiteit die is aangewezen als vergunningplichtig en waarop de algemene regels van paragraaf 4.91 niet van toepassing zijn, worden de maatregelen met vergunningvoorschriften verplicht gesteld. Dit kunnen ook maatregelen zijn die niet zijn opgenomen in deze richtlijn, zoals bijvoorbeeld aanvullende maatregelen met betrekking tot bluswater, tankauto of losslang.

Een voorbeeld van deze variant is de combinatie van de milieubelastende activiteit opslaan van propaan als meldingsplichtige activiteit (bijvoorbeeld een 3 000 l opslagtank met dampafname) in combinatie met het opslaan van propaan als vergunningplichtige activiteit (bijvoorbeeld een opslagtank groter dan 13 000 l of met vloeistofafname). In dat geval zal een bedrijf niet alleen aan de algemene regels van paragraaf 4.91 van het Bal moeten voldoen, maar ook aan de voorschriften van de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. De volgende maatregelen van PGS 19 moeten op grond van hoofdstuk 4 van het Bal worden getroffen voor de meldingsplichtige opslagtank:

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.901, eerste lid, van het Bal te voldoen treft degene die deze activiteit verricht in dat geval de volgende maatregelen:

Alle maatregelen uit 7.4 t/m 7.9 (MW1, , M5, M6, M9, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M33, M34, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, M44, M46, M47, M48, M49, M50, M51, M53, M54, M55, M56, M57, M58, M69, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M71, MW72, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84 m.u.v. MW2, MW3, MW7, MW10, MW11, MW35, M36, M45, M52 en MW72, én die maatregelen die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op de verdamper

De maatregelen die relevant zijn voor het opstellen van de vergunning voor de vergunningplichtige opslagtank, zijn grotendeels hetzelfde. Afhankelijk van de situatie zijn de maatregelen verband houdend met de verdamper en M52 (Uitvoering ondersteunende constructie bij afname vloeibaar product) ook nog relevant. Daarnaast behoort in het kader van de vergunningplicht de externe veiligheidssituatie te worden beoordeeld. Dit valt echter buiten het toepassingsgebied van PGS 19.

Variant 3: De milieubelastende activiteit is vergunningplichtig op basis van Hoofdstuk 3 van het Bal en er wordt in Hoofdstuk 4 van het Bal niet aangegeven dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan PGS 19.

In artikel 3.21 van het Bal wordt het opslaan van propaan of propeen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Deze activiteit is bovendien vergunningplichtig als er sprake is van meer dan 13 m3 opslag (per opslagtank) of wanneer er sprake is van vloeistofafname. Bij opslag in meer dan twee tanks is er mogelijk sprake van vergunningplicht. Dit punt is niet in het Bal maar in de Omgevingsplanregels van rijkswege geregeld (de bruidsschat). De gemeente heeft hiermee ruimte om de vergunningplicht voor meer dan twee tanks te laten vervallen als de regels van dat omgevingsplan al in adequate bescherming van de leefomgeving voorzien. Er zijn geen algemene regels in Hoofdstuk 4 aangewezen waaraan bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan. Er is dan ook geen algemene regel met de verplichting om te voldoen aan deze PGS. De maatregelen van deze PGS worden, samen met eventueel andere aanvullende maatregelen (zoals bijvoorbeeld aanvullende maatregelen met betrekking tot bluswater, tankauto of losslang), opgenomen in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit.

In dit geval kunnen alle onderdelen van PGS 19 relevant zijn voor het opstellen van de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit door het bevoegd gezag met uitzondering van MW2, MW3, MW7, MW10, MW11, MW35, M36, M45 en MW72, omdat deze maatregelen alleen relevant zijn voor de arbeidsveiligheid.

5.2.3Externe veiligheidsafstanden Normatief

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in § 4.91 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Voor het opslaan van propaan of propeen in opslagtanks zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in bijlage VII deel A onder 7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

5.2.4Omgevingsplan Normatief

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid Normatief

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen, gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet .

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 13 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

Alle maatregelen uit Hoofdstuk 7, m.u.v. M19 t/m M34, M54, M55, M57, M78 en M86

5.4Brand- en rampenbestrijding Normatief

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar; het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

Wet veiligheidsregio's

Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

(MW1, M52, , M61, M69, t/m M78, M90, M91 , M92)

6Doelen Normatief

6.1Inleiding Normatief

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig opslaan van propaan. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

De indeling van de doelen is gebaseerd op de volgorde van de scenario’s en volgt daarmee ook de categorieën van de directe oorzaken. Hierbij zijn de doelen zoveel mogelijk geclusterd. Er is daarbij onderscheid gemaakt tussen preventieve en repressieve doelen. De preventieve doelen moeten voorkomen dat een directe oorzaak zich voordoet. De repressieve doelen dienen de gevolgen zoveel mogelijk te beperken, mocht het scenario zich toch voordoen. De geformuleerde repressieve doelen zijn voor bijna alle scenario’s identiek en relevant.

6.2Doelen Normatief

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen Normatief

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen, wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de letters Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid en Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

Brandpreventie Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

Arbeidsveiligheid Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

Rampenbestrijding Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

De indeling van Hoofdstuk 7 met de maatregelen in 7.5 t/m 7.10 is gebaseerd op de indeling van PGS 19 oude stijl.

7.2Drukapparatuur Normatief

Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED) Een propaaninstallatie is drukapparatuur. Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een inwendige druk die hoger is dan de omgevingsdruk. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED) en luidt als volgt:

“ ‘drukapparatuur’ of ‘drukapparaten’: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, inclusief, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, steunconstructies, hijsogen.”

Drukapparatuur wordt onderverdeeld in:

  • drukvaten;
  • installatieleidingen;
  • veiligheidsappendages en
  • onder druk staande appendages.

Een enkelvoudig drukapparaat staat nooit op zichzelf, het wordt altijd geïntegreerd in een functioneel geheel. Dit wordt een samenstel genoemd. Een propaaninstallatie bestaat uit verschillende componenten en is daarom ook een samenstel. De wet- en regelgeving voor het ontwerp van drukapparatuur geldt ook voor samenstellen.

Ontwerp

Drukapparatuur is een arbeidsmiddel met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken, maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden en in bedrijf stellen, het gebruiken en nadien wijzigen van drukapparatuur. Dit is in Nederland vastgelegd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen.

Bij de bouw van een propaaninstallatie is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:

  • Wordt een propaaninstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van een derde partij (een leverancier, een installateur, enz.) die de propaaninstallatie in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
  • Wordt de propaaninstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker, dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten, maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.

De ontwerpeisen voor een propaaninstallatie liggen vast in de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED). Deze richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of het samenstel moet hij vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse. De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:

  • Gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, geëlimineerd of verkleind in het ontwerp.
  • Er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd.
  • De gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en vermeld wordt of het nodig is dat er passende gevaarverminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik ervan. Deze maatregelen worden opgenomen in de gebruikershandleiding.

De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeenkomen met de scenario’s die zijn beschreven in Hoofdstuk 4 van deze PGS.

De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat (de propaaninstallatie), zijn vastgelegd in bijlage I van de Richtlijn Drukapparatuur. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen en dat betekent onder andere dat:

  • de propaaninstallatie voldoende sterk is om de belastingen die kunnen worden verwacht (kracht, brand, hogedruk, enz.) te weerstaan;
  • maatregelen zijn genomen om de propaaninstallatie veilig te bedienen;
  • de propaaninstallatie zodanig is ontworpen dat deze veilig kan worden geïnspecteerd;
  • de propaaninstallatie veilig kan worden gevuld en geleegd;
  • passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) zijn aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, moet deze afblazen op een zodanige plaats dat daarbij geen gevaar voor personen kan optreden.

Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Dit is echter niet verplicht. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, zal hij moeten aantonen dat de propaaninstallatie wel voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de praktijk blijkt het overgrote deel van de propaaninstallaties volgens de geharmoniseerde normen te worden gebouwd.

Door middel van het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat hij voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De mate van toezicht is afhankelijk van het risico; een propaaninstallatie is een samenstel dat wordt ingedeeld conform bijlage II uit PED.

Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), moet déze CE-markering aanbrengen op de propaaninstallatie. Op de propaaninstallatie (het samenstel) hoeft slechts één CE-markering te worden aangebracht, dus niet één op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE-markering in het samenstel zijn opgenomen, wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) en specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen, enz.), op de gegevensplaat worden aangebracht.

Nadat de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen, stelt de fabrikant een verklaring van overeenstemming op. Dit is een verklaring dat de propaaninstallatie voldoet aan de essentiële eisen van de van toepassing zijnde productrichtlijnen. Verder stelt hij een technisch dossier samen. Dit dossier omvat ten minste:

  • een algemene beschrijving van propaaninstallatie;
  • ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
  • beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen;
  • een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
  • berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles;
  • testverslagen.

De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het is raadzaam om met de aanschaf van de propaaninstallatie te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.

Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met de propaaninstallatie. Hierin staan de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven hoe de installatie veilig kan worden bedreven.

Voorgaande is van toepassing op alle opslagtanks voor propaan gebouwd op of na 29 mei 2002. Bij het beoordelen van de constructie van opslagtanks en hun toebehoren van voor 29 mei 2002 kan er een tweedeling worden gemaakt. Hierbij wordt deze tweedeling toegelicht:

  1. Opslagtanks waarvan de eerste keuring voor 29 november 1999 heeft plaatsgevonden: Deze opslagtanks zijn gebouwd volgens de Regels voor toestellen onder druk en moeten zijn voorzien van een stempelplaat en Stoomwezenkeur. Bij de opslagtank en de propaaninstallatie moet ook een logboek aanwezig zijn. Deze situatie blijft ook in de toekomst zo gehandhaafd. Bij beoordeling door een keuringsinstelling zullen de eisen worden gehanteerd die destijds golden.
  2. Opslagtanks waarvan de eerste keuring op of na 29 november 1999 en voor 29 mei 2002 heeft plaatsgevonden: Deze opslagtanks kunnen zijn gebouwd volgens de Regels voor toestellen onder druk en zijn voorzien van een stempelplaat en Stoomwezenkeur (zie onder a)), ofwel volgens de Europese Richtlijn Drukapparatuur (97/23/EG) en zijn voorzien van een CE-markering en van een EG-verklaring van overeenstemming (zie de tekst hiervoor die betrekking heeft op tanks gebouwd op of na 29 mei 2002).

Opslagtanks die zijn gebouwd voor 29 mei 2002 volgens de Regels voor toestellen onder druk, zijn standaard voorzien van een stempelplaat. Opslagtanks gebouwd op of na 29 mei 2002 zijn ten minste voorzien van een uniek identificatienummer en kunnen zijn voorzien van een gegevensplaat. De stempelplaat van een opslagtank voor propaan dat is gebouwd overeenkomstig de Regels voor toestellen onder druk, is uitgevoerd in een doelmatig corrosievast materiaal en is onverbrekelijk en metallisch verbonden met de opslagtank voor propaan.

Indien een stempelplaat aanwezig is, bevat deze de volgende informatie:

  • registernummer;
  • naam product;
  • inhoud in m³;
  • toelaatbare vulinhoud in m³;
  • toelaatbaar vulpercentage;
  • effectieve beoordelingsdruk in bar;
  • effectieve persdruk in bar;
  • (minimum en) maximaal toelaatbare temperatuur in ºC;
  • datum laatste keuring en goedkeuringsmerk en identificatie van de keuringsinstelling.

Indien de opslagtank voor propaan gebouwd is voor 1985, is vermelding van de minimum toelaatbare temperatuur niet verplicht.

Leidingen, appendages en toebehoren

Leidingen, appendages en toebehoren vallen in principe allemaal onder het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016.

Het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) is niet van toepassing voor de constructie van apparatuur waarin de druk ≤ 0,5 bar is (lagedrukgebied). Daarnaast gelden de essentiële veiligheidseisen weliswaar ook voor leidingen kleiner dan DN 25 (zie tabel 6 van de PED), echter deze vallen onder de regels van goed vakmanschap (SEP). Dergelijke apparatuur wordt niet voorzien van een CE-markering.

In de PED is drukapparatuur verdeeld in categorieën. Afhankelijk van de indeling is toezicht door een EU-CBI vereist. Het is mogelijk dat op grond van de indeling alleen wordt verwezen naar de binnen een lidstaat geldende regels voor goed vakmanschap. In Nederland zijn de eisen voor goed vakmanschap beschreven in NPR 2578 (zie Staatscourant 2016 nr. 37419, 18 juli 2016). NPR 2578 geeft aan diverse aspecten invulling die buiten het kader van wet- en regelgeving vallen, maar wel van belang zijn voor handhaving en voor het bevoegd gezag.

Gebruik

Deze paragraaf bevat een algemene beschrijving over het gebruik van drukapparatuur. In Hoofdstuk 9 (in Paragraaf 9.2 en Paragraaf 9.3) is nader uitgewerkt wat dit concreet inhoudt voor een propaaninstallatie.

De wet (het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur, maar ook aan de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker van de propaaninstallatie om hieraan te voldoen. De gebruiker moet de propaaninstallatie laten keuren voordat deze in gebruik wordt genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.

De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden. Dit is geregeld in de Warenwetregeling drukapparatuur 2016. Verplichtingen die zijn opgenomen in een besluit, worden vaak uitgewerkt in een regeling. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur ‘aangewezen’ die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Ook een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.

Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een deskundige.

Bij een propaaninstallatie zijn de vaten ‘aangewezen’ drukapparatuur als de druk P · volume V boven een bepaalde waarde is. Een leiding is ‘aangewezen’ boven een bepaalde druk en/of diameter. Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in de propaaninstallatie ‘aangewezen’ drukapparatuur is:

  • aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
  • door de fabrikant te benaderen; wellicht staat het in de handleiding van de installatie;
  • door een NL-CBI te benaderen.

De ‘aangewezen’ drukapparatuur in de propaaninstallatie moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de Keuring voor Ingebruikneming is vast te stellen of de propaaninstallatie voldoet aan de Europese richtlijnen en veilig kan worden gebruikt. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI; deze geeft een verklaring van ingebruikneming af.

Het doel van de periodieke herkeuring is vast te stellen of de installatie nog veilig kan worden gebruikt. ‘Aangewezen’ drukapparatuur wordt periodiek gekeurd door een NL-CBI. Hiervoor wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. De keuring van niet-aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een deskundige en ook deze stelt hiervan een rapportage op. Dit is verplicht op basis van het Arbobesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaatsvindt met de NL-CBI en de deskundige over hoe de propaaninstallatie in zijn geheel weer veilig kan worden gebruikt.

Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan de propaaninstallatie is de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Daarbij is veelal toezicht vereist door een NL CBI. Voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, wordt aangeraden om contact te zoeken met een NL-CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de gegevens op de stempelplaat niet meer kloppen. In dat geval moet een EU-CBI hierbij worden betrokken. Regulier onderhoud aan de propaaninstallatie moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

Zolang de propaaninstallatie in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker de volgende documenten:

  • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens de ‘oude’ PED 97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens de ‘nieuwe’ PED 2014/68/EU);
  • de gebruiksaanwijzing;
  • de verklaring van ingebruikneming;
  • de verklaring van herkeuring;
  • het aantekenblad;
  • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.

Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

De Inspectie-SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbowet (en het Arbobesluit) en de Warenwet (en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016). De verplichtingen uit deze wetten worden niet als maatregel opgenomen in deze PGS. In deze informatieve tekst worden de verplichtingen van de gebruiker samengevat. De verplichtingen in de Arbowet en de Warenwet en de onderliggende besluiten kunnen evenmin worden opgenomen in een omgevingsvergunning.

7.3Explosieve atmosferen Normatief

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in Hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex .

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones volgens tabel 1.

Tabel 1Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij propaaninstallaties

Als gevolg van het vrijkomen van propaan kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet volgens het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

7.4Basisveiligheid Normatief

7.5Constructie opslagtanks en toebehoren Normatief

Deze paragraaf beschrijft de (aanvullende) maatregelen die aan de constructie van stationaire opslagtanks voor propaan en hun toebehoren moeten worden gesteld. Een groot deel van de eisen is vastgelegd in wetgeving, al dan niet gebaseerd op Europese richtlijnen. Door deze wetgeving zijn verreweg de meeste constructie-eisen voor opslagtanks en toebehoren rechtstreeks van toepassing (zie Paragraaf 7.2). Inspectie SZW is primair verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van deze wetgeving.

7.6Inspectie, keuring, onderhoud, registratie en documentatie Normatief

Deze paragraaf beschrijft de (aanvullende) maatregelen ten aanzien van inspectie, keuring en onderhoud van opslagtanks en toebehoren. Dit in aanvulling op 7.2 van deze PGS. Aangezien niet alle voor de veiligheid van belang zijnde aspecten in wetgeving zijn vastgelegd, bevat deze paragraaf een aantal aanvullende maatregelen. Daarnaast bevat deze paragraaf de maatregelen met betrekking tot de registratie en documentatie van deze aspecten. Een meer gedetailleerde toelichting op deze aspecten en een nadere toelichting op de hierna genoemde maatregelen zijn opgenomen in Hoofdstuk 9.

7.7Veiligheidsmaatregelen Normatief

7.7.1Algemeen Normatief

In Paragraaf 7.7 zijn de aanvullende maatregelen opgenomen die nodig zijn om een voldoende veiligheidsniveau te bewerkstelligen. Daarvoor zijn met name de veiligheidsafstanden relevant. Daarnaast spelen elektrische installaties, kathodische bescherming en overige veiligheidsaspecten een rol.

In Hoofdstuk 9 is toegelicht welke wet- en regelgeving geldt voor deze aspecten. Daar waar voor een veilige bedrijfsvoering wetgeving onvoldoende is, zijn in deze paragraaf aanvullende maatregelen geformuleerd waarmee een voldoende veiligheidsniveau kan worden bereikt. Een meer gedetailleerde toelichting op deze maatregelen is te vinden in Hoofdstuk 9. Bij sommige maatregelen wordt specifiek verwezen naar een tabel, figuur of paragraaf uit dit hoofdstuk (zie bijvoorbeeld bij M20: Afstand opslagtank brandbare vloeistoffen en opslagtank propaan, of M23: Afstand opslagtank propaan en andere opslagtank met tot vloeistof verdichte brandbare gassen).

Bij een aantal maatregelen is een rekenformule nodig om afstanden te bepalen. Ter ondersteuning presenteert InfoMil op haar website een rekentool die hulp biedt bij het bepalen van de afstand op basis van positie en maatvoering van gevelopeningen in een gebouw behorend bij een warmtstralingsintensiteit van 10 kW/m2.

7.7.2Interne afstanden Normatief

7.7.3Elektrische installaties Normatief

7.7.4Maatregelen voor kathodische bescherming Normatief

7.7.5Veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van mechanische belasting of impact Normatief

7.7.6Veiligheidsmaatregelen gericht op menselijk handelen Normatief

7.7.7Veiligheidsmaatregelen gericht op leidingen Normatief

7.7.8Veiligheidsmaatregelen gericht op de verdamper Normatief

7.7.9Veiligheidsmaatregelen gericht op het koppelen van tanks Normatief

7.8Incidenten en calamiteiten Normatief

De Arbeidsomstandighedenwet- en -regelgeving hebben tot doel de bescherming van werknemers zodat zij veilig en gezond kunnen werken. Hiertoe bevat de wet onder meer bepalingen met betrekking tot bedrijfshulpverlening en eerste hulp bij ongevallen (EHBO). Daarnaast geldt voor bepaalde bedrijven de verplichting tot de aanwezigheid van een intern noodplan. Voor opslagtanks voor propaan in situaties waar de Arbeidsomstandighedenwet- en regelgeving niet van toepassing zijn, zoals bijvoorbeeld bij particulieren, gelden geen wettelijke eisen ten aanzien van de aanwezigheid van een noodplan of EHBO-voorzieningen. Wel is het van belang dat in het geval van een incident of calamiteit duidelijk is hoe moet worden gehandeld.

Deze paragraaf bevat de aanvullende maatregelen voor die situaties waarbij wet- en regelgeving onvoldoende invulling geven. Een nadere toelichting is opgenomen in Hoofdstuk 11 van deze PGS.

7.9De propaaninstallatie in bedrijf Normatief

Voor het veilig in bedrijf zijn van een propaaninstallatie bij zowel particulieren als bij bedrijven is de bedrijfsvoering van groot belang. Hierbij is essentieel dat verantwoordelijkheden, bevoegdheden en werkwijzen (instructies en procedures) duidelijk zijn vastgelegd en worden opgevolgd. In deze paragraaf zijn de aanvullende maatregelen opgenomen die noodzakelijk zijn voor een veilige bedrijfsvoering. Hierbij wordt regelmatig verwezen naar procedures en instructies in de bijlagen. Een gedetailleerde toelichting op deze maatregelen is te vinden in Hoofdstuk 11

7.10Propaaninstallaties in de bouw Normatief

7.10.1Algemeen Normatief

Op bouwterreinen wordt veelvuldig gebruikgemaakt van propaan als brandstof voor een scala aan toepassingen: voor een versnelde verharding van beton, voor ruimteverwarming van bouwketen en werkruimten, voor het droogstoken van woningen en voor verwarmingsdoeleinden om doorwerken in de winter mogelijk te maken. Hierbij worden in de regel opslagtanks (al dan niet op een mobiel onderstel) toegepast waarin vloeibaar propaan onder druk en bij omgevingstemperatuur wordt bewaard. De toegepaste opslagtanks, al dan niet geplaatst op een mobiel onderstel, bevatten nagenoeg alle kenmerken zoals die gelden voor propaaninstallaties op andere locaties. Deze opslagtanks moeten daarom aan dezelfde eisen voldoen. Aanvullende of afwijkende maatregelen richten zich met name op het voorkomen van mechanische beschadigingen (aanrijding, vallende voorwerpen, enz.). De maatregelen zijn opgenomen in deze paragraaf. Een nadere toelichting op de activiteit is opgenomen in Hoofdstuk 12.

7.10.2Algemene maatregelen voor propaaninstallaties in de bouw Normatief

7.10.3Maatregelen voor stationaire opslagtanks in de bouw Normatief

7.10.4Maatregelen voor opslagtanks voor propaan op een mobiel onderstel in de bouw Normatief

8Inspectie, onderhoud, registratie en documentatie

8.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de eisen ten aanzien van inspectie, keuring en onderhoud van opslagtanks en toebehoren. Daarnaast bevat het de eisen met betrekking tot de registratie en documentatie van deze aspecten. De informatie is met name relevant voor diegenen die in de gebruiksfase met een propaaninstallatie te maken hebben, en voor de desbetreffende toezichthoudende instanties. In Paragraaf 8.2 komt de wetgeving die rechtstreeks van toepassing is, aan de orde. In Paragraaf 8.3 worden de eisen ten aanzien van keuring, herkeuring en onderhoud beschreven, waarna in Paragraaf 8.4 wordt ingegaan op de registratie en documentatie. Aangezien niet alle voor de veiligheid van belang zijnde aspecten in wetgeving zijn vastgelegd, bevat deze PGS enkele aanvullende maatregelen die zijn opgenomen in Hoofdstuk 7.

8.2Wetgeving

In de Europese Richtlijn Drukapparatuur is uitsluitend de nieuwbouwfase van drukapparatuur geregeld. Keuring voor Ingebruikneming en herkeuringen zijn op nationaal niveau geregeld in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Daarbij is zo veel mogelijk aansluiting gezocht bij de Europese richtlijn.

Keuringen en herkeuringen moeten worden uitgevoerd door een door de minister van SZW aangewezen Nederlandse conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Een overzicht van Nederlandse conformiteitsbeoordelingsinstanties is te vinden in de rubriek Arboportaal (via subrubrieken Onderwerpen – Arbeidsmiddelen – Drukapparatuur keuringen en CE-markeringen) op de website van het ministerie van SZW (www.arboportaal.nl). Bij het opstellen van de keuringsnormen is onderscheid gemaakt in opslagtanks groter dan en kleiner of gelijk aan 13 m3. De normen in tabel 2 zijn van toepassing:

Tabel 2 Type opslagtank en keuringsnorm

Type opslagtank

Norm

≤ 13 m3

NEN-EN 12817

> 13 m3

NEN-EN 12819

8.3Keuring, herkeuring en onderhoud

8.3.1Keuring voor Ingebruikneming van opslagtank en propaaninstallatie

Het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 eist een Keuring voor Ingebruikneming (KvI) voor propaaninstallaties van:

  1. bovengrondse propaan(-butaan)opslagtanks met dampafname met een volume groter dan 5 000 l;
  2. propaanopslag met dampafname op een bouwterrein met een volume groter dan 8 000 l.

De KvI-plicht geldt voor samenstellen die gebouwd zijn na 1 januari 2003. Voor samenstellen die gebouwd zijn voor 1 januari 2003 en sindsdien niet zijn gewijzigd, hoeft derhalve niet met terugwerkende kracht een KvI te worden uitgevoerd.

Voor kleinere opslagtanks geldt de zorgplicht. Deze opslagtanks mogen door geaccepteerde installateurs zelf worden voorzien van een Verklaring van Ingebruikneming. De KvI op de kleinere opslagtanks vindt net als bij de grote tanks plaats op de locatie van gebruik. De geaccepteerde installateurs werken onder toezicht van een NL-CBI en worden door de NL-CBI gecontroleerd. De controletaak wordt nu als het ware door de NL-CBI gedelegeerd aan de geaccepteerde installateurs. Het is daarom niet noodzakelijk aanvullende voorschriften voor deze activiteit in deze richtlijn op te nemen.

Ten aanzien van het leidingwerk is de voor wat betreft de wettelijke eisen op het gebied van aanleg en inspectie & onderhoud sprake van een verdeling over verschillende normen al dan niet gebaseerd op het WBDA 2016 of de algemene zorgplicht. Ter illustratie zijn tabel 3 en tabel 4 opgenomen, waarin wordt aangeven wanneer het WBDA 2016 of algemene zorgplicht van toepassing is en met gebruik van welke normen aan de wet- en regelgeving wordt of kan worden voldaan. Deze tabellen zijn verwerkt in de relevante maatregelen in Hoofdstuk 7 (zie onder andere M4: Aanleg propaanvoerende delen).

Tabel 3 Industriële gasinstallatie

Lagedruk

Middendruk

Hogedruk

Aanleg

Zorgplicht (NEN EN 1775)

WBDA 2016 (NEN-EN 15001-1 en NEN-EN 15001-2) a

WBDA 2016 (KvI of NEN-EN 14678-2+A1) b

Inspectie/onderhoud/keuren

Zorgplicht c

WBDA 2016 (NPR 2578)

WBDA 2016 (NPR 2578)

a Valt wel onder WBDA 2016, maar is alleen geregeld via een (algemene) verwijzing naar goed vakmanschap. Bij gebruik van deze normen wordt hier in elk geval aan de eisen van goed vakmanschap voldaan.

b De aanleg van kleine vloeistofleidingen (< DN 25) valt buiten het gebied van het WBDA 2016 en de KvI. Hierop is de zorgplicht uit het WBDA 2016 van toepassing. Indien de aanleg volgens NEN EN 14678-2+A1 plaatsvindt, wordt in elk geval invulling gegeven aan de zorgplicht.

c Anders dan de zorgplicht (uit bijvoorbeeld het Bouwbesluit) is inspectie en onderhoud van het lagedruk leidingwerk (ook voor aardgas) niet expliciet geregeld. Voor propaan wordt geen strengere eis noodzakelijk geacht.

Opmerking:

Een industriële gasinstallatie is een gasinstallatie die onderdeel is van een productieproces en waarbij het nominaal vermogen van het individuele verbruikstoestel hoger is dan 100 kW.

Alle andere gasinstallaties zijn niet-industriële gasinstallaties, bijvoorbeeld ruimteverwarming, oogstdroging, zwembadverwarming of tapwaterverwarming.

Tabel 4Niet-industriële gasinstallatie

Lagedruk

Middendruk

Hogedruk

Aanleg

Zorgplicht (NEN 1078 of NEN-EN 1775)

WBDA 2016 (NEN-EN 1775) a

WBDA 2016 (KvI)

Inspectie/onderhoud/keuren

Zorgplicht b

WBDA 2016 (NPR 2578)

WBDA 2016 (NPR 2578)

a Valt wel onder WBDA 2016, maar is alleen geregeld via een (algemene) verwijzing naar goed vakmanschap. Bij gebruik van deze normen wordt hier in elk geval aan de eisen van goed vakmanschap voldaan.

b Anders dan de zorgplicht (uit bijvoorbeeld het Bouwbesluit) is inspectie en onderhoud van het lagedruk leidingwerk (ook voor aardgas) niet expliciet geregeld. Voor propaan wordt geen strengere eis noodzakelijk geacht.

8.3.2Herkeuring van opslagtank en propaaninstallatie

Met een wijzigingsbesluit zijn eisen voor propaaninstallaties in de gebruiksfase aan het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 toegevoegd. Hieronder vallen ook de eisen ten aanzien van herkeuringen.

Periodieke herbeoordeling (herkeuring), zoals genoemd in NPR 2578, van stationaire opslagtanks en propaaninstallaties moet worden uitgevoerd uiterlijk in het zesde kalenderjaar nadat de laatste keuring heeft plaatsgevonden. Inwendig onderzoek kan voor opslagtanks tot maximaal 40 m3 worden verlengd van zes jaar naar bijvoorbeeld twaalf jaar indien een onderhoudsschema wordt gevolgd op basis van NPR 2578. Dit houdt onder meer in dat het zesde kalenderjaar de veerveiligheid moet worden vervangen, dan wel beoordeeld door de NL-CBI. Op grond van artikel 5 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 wordt een verdamper (indien aanwezig) elke twee jaar volledig herkeurd. Reparaties en/of modificaties van de propaaninstallatie kunnen leiden tot de noodzaak de propaaninstallatie of delen hiervan opnieuw te laten keuren door een NL-CBI. De noodzaak hangt enerzijds af van de indeling van de drukapparatuur volgens het WBDA 2016. Anderzijds is de keuringsmethodiek afhankelijk van de wijze waarop de geaccepteerde installateur deze reparatie en/of modificatie aanmeldt bij de NL-CBI.

Omdat in het Warenwetbesluit drukapparatuur (Staatscourant 2016 nr. 37419, 18 juli 2016) slechts in algemene zin wordt verwezen naar NPR 2578, is voor de periodieke herkeuring van de propaaninstallatie een aparte maatregel opgenomen in Hoofdstuk 7 van deze PGS.

8.3.3Onderhoud

De gehele propaaninstallatie moet steeds in goede staat van onderhoud verkeren. Het onderhoud van de verbruikstoestellen behoort te geschieden in overeenstemming met de aanwijzingen van de fabrikant.

Zoals in Paragraaf 8.3.2 is aangegeven, bepaalt de mate van onderhoud ook de herkeuringstermijn. De wijze van uitvoering van onderhoud is niet in wetgeving vastgelegd. Om deze reden is in deze richtlijn een voorschrift opgenomen dat het onderhoud moet worden uitgevoerd overeenkomstig NPR 2578.

8.4Good housekeeping

Good housekeeping-maatregelen zijn niet in het normerende deel van deze PGS opgenomen, omdat van deze maatregelen wordt verondersteld dat deze bij de reguliere bedrijfsvoering horen en het vanzelfsprekend is dat deze maatregelen worden uitgevoerd. Good housekeeping-maatregelen kunnen wel worden gezien als manier om invulling te geven aan de specifieke zorgplicht die is opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

De volgende maatregelen (niet limitatief) worden als good housekeeping-maatregelen beschouwd en behoren door de gebruiker te worden nageleefd:

  1. de propaaninstallatie wordt vrijhouden van begroeiing, algengroei en overige vervuiling;
  2. zware wortelgroei in de nabijheid van de propaaninstallatie wordt voorkomen;
  3. ook voor kortere perioden (bijvoorbeeld tijdens werkzaamheden) worden de volgende maatregelen nageleefd: het vrijhouden van de propaaninstallatie van (brandbare) materialen en het garanderen van de bereikbaarheid.

8.5Registratie en documentatie

8.5.1Installatieboek en logboek

Elke propaaninstallatie is voorzien van een installatieboek dat basisinformatie over de propaaninstallatie bevat, zoals het ontwerp en de uitvoering daarvan, alsmede de gebruiksaanwijzing. Daarnaast bevat het installatieboek een logboek waarin onder meer informatie over uitgevoerde werkzaamheden, onderhoud, keuringen en inspecties en eventuele storingen en onregelmatigheden is opgenomen.

In de maatregelen in Paragraaf 7.6 wordt de aanwezigheid en het bijhouden van een installatieboek verlangd, alsmede de informatie die in het logboek moet worden bijgehouden.

9Veiligheidsmaatregelen

9.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de maatregelen die nodig zijn om een acceptabel veiligheidsniveau te bewerkstelligen. Daarvoor zijn met name de veiligheidsafstanden relevant.

In de volgende paragrafen wordt toegelicht welke wet- en regelgeving geldt voor deze aspecten. Daar waar voor een veilige bedrijfsvoering wetgeving onvoldoende is, zijn aanvullende maatregelen geformuleerd waarmee een acceptabel veiligheidsniveau kan worden bereikt.

Dit hoofdstuk is relevant voor installateurs en gebruikers van propaaninstallaties, alsmede voor de leverancier, Inspectie SZW, de veiligheidsregio en het bevoegd gezag inzake de omgevingswet.

9.2Interne veiligheidsafstanden

9.2.1Inleiding

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

Bij het bepalen van de interne veiligheidsafstanden zijn drie onderdelen van de propaaninstallatie van belang:

  • de opslagtank;
  • de verdamper (indien aanwezig);
  • de opstelplaats van de tankwagen en het vulpunt (indien niet aanwezig op de opslagtank).

Voor het bovengronds leidingwerk is het niet relevant gebleken om veiligheidsafstanden op te nemen. Dit wordt in Paragraaf 9.2.9 nader onderbouwd.

De aan te houden veiligheidsafstanden tussen propaaninstallaties en andere objecten op het terrein waar de opslagtank is gesitueerd, zijn niet in wetgeving vastgelegd. Om deze reden zijn in deze richtlijn de noodzakelijke interne veiligheidsafstanden opgenomen.

Het belangrijkste uitgangspunt bij het vaststellen van interne afstanden is het voorkomen van interne domino-effecten. Hierbij geldt dat vooral de opslagtank behoort te worden beschermd tegen invloeden van interne en externe objecten. Daarnaast geldt in mindere mate, voor bijvoorbeeld de overige installatieonderdelen zoals vulpunt en verdamper, dat ook in bepaalde mate rekening behoort te worden gehouden met de invloed die deze installatieonderdelen op de omgeving kunnen hebben.

Uitzondering op deze benadering vormen caravans, tenten en andere verblijven waarbij personen zich gedurende langere tijd binnen de grenzen van een recreatieterrein in de nabijheid van een opslagtank voor propaan kunnen bevinden. In dat kader is een verwijzing naar Handreiking brandveiligheid kampeerterreinen van Brandweer Nederland (januari 2007) relevant. In deze handreiking zijn brandveiligheidsvoorschriften voor kampeerterreinen opgenomen, met name bedoeld voor de bescherming van de kampeerders. Hierbij is ook rekening gehouden met de aanwezigheid van een opslagtank voor propaan (zie M4 van deze handreiking). Alhoewel in deze handreiking geen concrete afstandseisen zijn opgenomen, is de handreiking wel geschikt bij de bepaling van de noodzakelijke maatregelen en voorzieningen op kampeerterreinen en vergelijkbare andere recreatieterreinen. De Handreiking brandveiligheid kampeerterreinen is via www.ifv.nl te downloaden.

De maximale warmtestralingsintensiteit waaraan de opslagtank mag worden blootgesteld, bijvoorbeeld door een brand in de omgeving, is 10 kW/m2. Hiervan mag worden afgeweken indien de eigenaar of vergunninghouder van de opslagtank kan aantonen dat de opslagtank bestand is tegen een hogere warmtestralingsintensiteit (maximaal 35 kW/m2). Verder behoren de opslagtank en de andere onderdelen van de opslagtank, alsmede andere objecten op het terrein goed bereikbaar te zijn voor de brandweer.

Paragraaf 7.7 bevat de maatregelen waarin de veiligheidsafstanden zijn vermeld waaraan moet worden voldaan voor de drie genoemde onderdelen. Hierbij is, indien van toepassing, gelegenheid geboden om gemotiveerd van deze afstanden af te wijken indien kan worden aangetoond dat een gelijkwaardig beschermingsniveau wordt bereikt door het toepassen van fysieke veiligheidsmaatregelen voor brandbescherming. Het kan bijvoorbeeld mogelijk zijn om de vereiste afstand tussen objecten te verkleinen indien brandvertragende of isolerende middelen, zoals brandwerende scheidingen of brandbeschermende bekleding, worden toegepast.

Bij het bepalen van de vereiste minimumafstanden tussen de hiervoor genoemde installatieonderdelen (opslagtank, opstelplaats tankwagen/vulpunt en verdamper) tot omgevingsobjecten wordt met een aantal factoren en (brand)scenario's rekening gehouden. Deze factoren en scenario’s worden in Paragraaf 9.2.2, Paragraaf 9.2.3, Paragraaf 9.2.4 en Paragraaf 9.2.5 nader toegelicht.

9.2.2Interne afstanden tussen objecten en een opslagtank voor propaan

Het doel van het vaststellen van interne afstanden is primair het voorkomen van interne domino-effecten. Bij de bepaling van de aan te houden minimumafstanden tussen een opslagtank voor propaan en andere objecten binnen de erfscheiding moet rekening worden gehouden met het beschermen van deze objecten tegen in brand geraakte lekkage uit de opslagtank én met het beschermen van de opslagtank tegen warmtestraling van een brandend object.

Bij opslag van propaan onder druk kan door bezwijken van de opslagtank, veroorzaakt door de sterk toenemende dampspanning bij verhoging van de omgevingstemperatuur en/of door mechanische en kinetische belastingen of sterke plaatselijke verhitting van de wand van de opslagtank, een grote hoeveelheid vloeistof in korte tijd verdampen. Hierbij wordt met lucht een explosief gasmengsel gevormd dat bij aanwezigheid van een ontstekingsbron explosief zal verbranden of deflagreren (explosieve verbranding). Een dergelijke BLEVE (Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion) kan ontstaan na een zekere opwarmtijd van de opslagtank met inhoud die onder andere afhankelijk is van hoeveelheid en aard van het brandende materiaal nabij de opslagtank, de vullingsgraad van de opslagtank, de door de opslagtank opgenomen warmtestraling en de afblaascapaciteit van de veerveiligheid.

Door een veilige situering van de opslagtank is een BLEVE door mechanische belasting goeddeels te voorkomen. Als bescherming tegen een BLEVE door mechanische belasting, worden daarom geen in acht te nemen minimumafstanden aangegeven.

Voor het bepalen van de afstand van opslagtanks tot objecten binnen het terrein waar de opslagtank is gesitueerd, moet met de volgende twee scenario’s rekening worden gehouden:

  • het ontstaan van een brand in omliggende (brandgevaarlijke) objecten;
  • het ontstaan van een brand in de propaaninstallatie (bijvoorbeeld in de opslagtank).

9.2.3Brandbare gebouwen of brandbare materialen

Voor gevallen waarbij een opslagtank voor propaan is gelegen op een terrein in de omgeving van brandbare gebouwen (met een brandwerendheid die van minder dan 30 min volgens NEN 6069), al dan niet met een brandbare inhoud, of een ander brandbaar materiaal, behoort de opslagtank te worden beschermd tegen de stralingswarmte van een eventueel in brand raken van deze objecten.

Hierbij zijn van belang de afstand van de opslagtank tot een brandbaar object en de grootte van het warmte uitstralende oppervlak van het brandende object dat vanaf de opslagtank zichtbaar is.

Het warmte uitstralende oppervlak wordt gevormd door de oppervlakken die een brandwerendheid hebben van minder dan 30 min volgens NEN 6069. Dit zijn bijvoorbeeld ramen of houten deuren, schotten en wanden die bij brand kunnen leiden tot potentiële openingen in de gevel van het object en die vanaf de opslagtank zichtbaar zijn. Indien een dak een brandwerendheid van minder dan 30 min bezit, is de verticale projectie van het dak de oppervlakte van de gevelopening.

Verder is als maximaal toelaatbare warmte-instraling voor de opslagtank een waarde van 10 kW/m2 aangehouden. De afstand tot waar een warmtestraling van 10 kW/m2 en 35 kW/m2 kan worden verwacht, is in het kader van de actualisatie van deze richtlijn in 2012 berekend.

De uitgangspunten voor deze berekeningen zijn in het RIVM-rapport Interne veiligheidsafstanden PGS 19 (17 februari 2012) vermeld. Dit rapport is opgenomen bij de achtergrondinformatie van www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/pgs19 . Deze uitgangspunten zijn overgenomen.

Afbeelding 2 geeft de vereiste afstand van het uitstralende oppervlak tot aan de opslagtank voor propaan voor twee typen branden. De koolwaterstofbrandkromme (KWS) is van toepassing indien er in het object meer dan 25 l brandbare vloeistoffen per m2 vloeroppervlak is opgeslagen (zie figuur 3).

Opmerking:

Indien de eigenaar kan aantonen dat de opslagtank met toebehoren bestand is tegen een warmtebelasting van 35 kW/m2, dan mogen de afstanden van figuur 4 worden gebruikt.

De standaardbrandkromme geldt voor een gebouw waarin zich geen grote hoeveelheden brandbare vloeistoffen bevinden, zoals woningen, fietsenschuren en tuinhuisjes, en is alleen van toepassing indien de vuurlast in het object hoger is dan 8 kg vurenhout-equivalent per m2 vloeroppervlak (zie afbeelding 5). Bij objecten met een vuurbelasting kleiner dan 8 kg vurenhout-equivalent per m2 gelden geen afstandseisen, omdat de brand hier te kort duurt om de opslagtank voor propaan te bedreigen. Dit geldt ook voor losstaande objecten als bomen, planten, hekken en dergelijke.

Verder geldt het volgende:

  • de breedte en hoogte zijn van toepassing op het warmte uitstralende oppervlak zoals hiervoor beschreven. Bij meerdere uitstralende oppervlakken (bijvoorbeeld meerdere ramen in een verder brandwerende gevel) geldt de minimumafstand tot elk van de uitstralende oppervlakken. In afbeelding 2 is dit uitgewerkt;
  • het uitstralende oppervlak is ten minste 1 m2. Als meerdere uitstralende oppervlakken op minder dan 2 m van elkaar liggen, worden de oppervlakten van de uitstralende gevelopeningen en de oppervlakte ertussen opgeteld (zie afbeelding 2);
  • de afstand van de opslagtank tot de gevel kan worden gereduceerd tot 3 m als er tussen gevel en opslagtank een brandwerende scheiding wordt geplaatst. In Paragraaf 9.2.6 zijn de eisen genoemd die aan de brandwerende scheiding worden gesteld;
  • indien de gevel beschikt over een gelijke brandwerendheid als vereist voor een brandwerende scheiding, dan mag dit deel van de gevel als een geïntegreerde brandwerende scheiding worden gezien en is niet een aparte losstaande brandwerende scheiding vereist om de opslagtank op 3 m van de gevel van een object te mogen plaatsen;
  • de minimumafstand tot het uitstralende oppervlak is 3 m. Dit is in verband met de betrouwbaarheid van de rekenresultaten. Op afstanden kleiner dan 3 m worden andere effecten van de uitslaande vlam relevant, zoals de effecten van vlamtongen. Deze aspecten zijn niet verdisconteerd in de rekenmethodiek.

De grafieken staan in formulevorm in Bijlage M.

Opmerking:

De afbeeldingen 2, 3, 4, en 5 zijn een vereenvoudiging van de werkelijke situatie die in de meeste gevallen voldoet. In uitzonderlijke situaties, bijvoorbeeld zeer brede openingen of openingen die erg hoog staan ten opzichte van de opslagtank voor propaan, kunnen deze tot afstanden leiden die groter zijn dan noodzakelijk. In dat geval kan met een complexere berekening van de zichtfactor (view factor, zie PGS 2, Methods for the Calculation of Physical Effects, 2005) worden aangetoond dat een kleinere afstand van de opslagtank voor propaan tot de gevelopening niet leidt tot een overschrijding van een stralingsbelasting van 10 kW/m2.

Afbeelding 2Afstand bij verschillende posities van warmte uitstralende oppervlakken

Legenda

X afstand van een gevelopening met hoogte (H) en breedte (B) tot aan opslagtank

Opmerking 1: Bij meerdere gevelopeningen behoort de afstand tot elke opening te worden gecontroleerd.

Opmerking 2: Voor twee openingen met minder dan 2 m tussenruimte:

  • Naast elkaar gelegen openingen:
    • B = B1 + B2 + B3;
    • H = (H1 + H2)/2.
  • Boven elkaar gelegen openingen:
    • B = (B1 + B2)/2;
    • H = H1 + H2 + H3

Afbeelding 3 Afstand van 10 kW/m2-contour tot gebouwen en brandgevaarlijke opslag voor een koolwaterstofbrand

Afbeelding 4Afstand van 35 kW/m2-contour tot gebouwen en brandgevaarlijke opslag voor een koolwaterstofbrand

Afbeelding 5 Afstand van 10 kW/m2-contour en 35 kW/m2-contour tot gebouwen en brandgevaarlijke opslag voor een standaardbrand

Toelichting: Voor zowel KWS- als standaardbranden met een grotere oppervlakte dan 100 m2 wordt verwezen naar Bijlage M.

9.2.4Plasbrand (brand in een installatie met brandbare vloeistoffen)

Wanneer de opslagtank voor propaan is geplaatst in de omgeving met brandbare vloeistoffen (vlampunt ≤ 60 °C: Categorie 2 en 3 van EU-GHS 2.6 ‘ontvlambare vloeistoffen’) waarbij een plasbrand kan ontstaan, dan behoort de opslagtank tegen de straling daarvan te worden beschermd. De hier bedoelde omgeving met brandbare vloeistoffen kan een opslagtank zijn, maar ook een pompput of een andere installatie die kan lekken en aanleiding kan geven tot een plasbrand.

De belangrijkste parameters voor de stralingsintensiteit waaraan de opslagtank voor propaan wordt blootgesteld, zijn de diameter van de plasbrand en de afstand tot aan de opslagtank voor propaan. De stralingsbelasting op de opslagtank voor propaan mag maximaal 10 kW/m2 bedragen. Daarbij is aangenomen dat de opslagtank voor propaan niet is voorzien van gronddekking of andere brandbeschermende voorzieningen.

Indien brandbare vloeistoffen met een vlampunt > 60 ºC betrokken kunnen raken bij een brand, dan behoren deze vloeistoffen ook te worden meegenomen bij het bepalen van de warmtestraling vanuit de plas of een gebouw. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij verwarmde of gecombineerde opslag.

De afstand tot waar een warmtestraling van 10 kW/m2 en 35 kW/m2 kan worden verwacht, is in het kader van de actualisatie van deze richtlijn in 2012 berekend, zie hiervoor het RIVM-rapport Interne veiligheidsafstanden PGS 19, 17 februari 2012.

Afbeelding 7 geeft het verband tussen de aan te houden minimumafstand van de opslagtank voor propaan tot de rand van een mogelijke plasbrand en de oppervlakte van de plasbrand.

Indien een opslagtank voor brandbare vloeistoffen geplaatst is in een tankput, bepaalt deze tankput de oppervlakte van de plas (en dus de omvang van de plasbrand). Indien een opslagtank voor brandbare vloeistoffen niet in een tankput is geplaatst en ook door de gesteldheid van het terrein noch anderszins een begrenzing aan de mogelijke plasbrand gesteld is, behoren fysieke voorzieningen te worden getroffen opdat de oppervlakte van de plasbrand binnen bepaalde grenzen blijft.

Afbeelding 6Afstand van de rand van de plasbrand tot de 10 kW/m2-contour en 35 kW/m2-contour

9.2.5Fakkelbrand (brand vanuit een opslagtank met tot vloeistof verdicht brandbaar gas)

Indien een opslagtank tot vloeistof verdicht brandbaar gas bevat, behoort rekening te worden gehouden met een mogelijke fakkelbrand. Een fakkelbrand is een brand waarbij de brandstof in een bepaalde richting wordt gestuwd tijdens het verbranden in de atmosfeer. Dit kan het geval zijn bij lekkages uit systemen waarbij de brandstof onder druk is opgeslagen. Het lek kan zich voordoen in de damp- of vloeistoffase. Fakkelbranden vanuit de vloeistoffase reiken verder dan fakkelbranden vanuit de dampfase. Bij het vaststellen van de interne veiligheidsafstanden wordt met dit aspect rekening gehouden.

Als maximaal toelaatbare warmte-instraling voor de opslagtank wordt een waarde van 10 kW/m2 aangehouden. Hiervan mag worden afgeweken indien de eigenaar of vergunninghouder van de opslagtank kan aantonen dat de opslagtank bestand is tegen een hogere warmtestralingsintensiteit (maximaal 35 kW/m2).

De uitgangspunten voor en de keuze van de scenario’s voor het bepalen van de interne veiligheidsafstanden zijn beschreven in bijlage 2 van het RIVM-rapport Interne veiligheidsafstanden PGS 19, 17 februari 2012.

In tabellen 5 en 6 worden minimumafstanden gegeven die behoren te worden aangehouden tussen bovengrondse opslagtanks die niet zijn voorzien van brandbeschermende voorzieningen en waarin tot vloeistof verdichte brandbare gassen worden opgeslagen (zoals propaan, butaan, LPG) voor afname uit de vloeistoffase of de dampfase.

Tabel 5Aan te houden minimumafstanden van opslagtanks waaruit vloeibaar propaan en/of dampvormig product wordt afgetapt, tot andere omringende opslagtanks met tot vloeistof verdichte brandbare gassen

Omgevings- object

Opslagtanks zonder brandbescherming

Opslagtank zonder brandbescherming en afname uit de vloeistoffase

Afstand (m)

Opslagtank met tot vloeistof verdichte brandbare gassen waaruit vloeibaar product en/of dampvormig product wordt afgetapt

Waterinhoud drukvat (V)

0,15 m3 < V ≤ 1,0 m3

1,0 m3 < V ≤ 5 m3

5 m3 < V ≤ 13 m3

13 m3 < V ≤ 100 m3

100 m3 < V ≤ 150 m3

V > 150 m3

0,15 m3 < V ≤ 1,0 m3

5 (4)

6 (4,5)

7,5 (6,5)

11 (9)

13,5 (11)

15 (12,5)

1,0 m3 < V ≤ 5 m3

6 (4,5)

6 (4,5)

7,5 (6,5)

11 (9)

13,5 (11)

15 (12,5)

5 m3 < V ≤ 13 m3

7,5 (6,5)

7,5 (6,5)

7,5 (6,5)

11 (9)

13,5 (11)

15 (12,5)

13 m3 < V ≤ 100 m3

11 (9)

11 (9)

11 (9)

11 (9)

13,5 (11)

15 (12,5)

100 m3 < V ≤ 150 m3

13,5 (11)

13,5 (11)

13,5 (11)

13,5 (11)

13,5 (11)

15 (12,5)

V > 150 m3

15 (12,5)

15 (12,5)

15 (12,5)

15 (12,5)

15 (12,5)

15 (12,5)

Opmerking: De waarden die tussen de haakjes staan, mogen alleen worden gebruikt indien de vergunninghouder of de eigenaar van de opslagtank kan aantonen dat de opslagtanks bestand zijn tegen een stralingswarmtebelasting van 35 kW/m2.

Tabel 6Aan te houden minimumafstanden van opslagtanks waaruit dampvormig propaan wordt afgetapt, tot andere omringende opslagtanks met tot vloeistof verdichte brandbare gassen

Omgevings- object

Opslagtanks zonder brandbescherming

Opslagtank zonder brandbescherming en afname van dampvorming product

Afstand (m)

Opslagtank met tot vloeistof verdichte brandbare gassen waaruit dampvormig product wordt afgetapt

Waterinhoud drukvat (V)

0,15 m3 < V ≤ 1,0 m3

1,0 m3 < V ≤ 5 m3

5 m3 < V ≤ 13 m3

13 m3 < V ≤ 100 m3

100 m3 < V ≤ 150 m3

V > 150 m3

0,15 m3 < V ≤ 1,0 m3

3 (2,5)

3 (2,5)

3 (3)

6 (4)

6 (5)

6 (5)

1,0 m3 < V ≤ 5 m3

3 (2,5)

3 (2,5)

3 (3)

6 (4)

6 (5)

6 (5)

5 m3 < V ≤ 13 m3

3 (3)

3 (3)

3 (3)

6 (4)

6 (5)

6 (5)

13 m3 < V ≤ 100 m3

6 (4)

6 (4)

6 (4)

6 (4)

6 (5)

6 (5)

100 m3 < V ≤ 150 m3

6 (5)

6 (5)

6 (5)

6 (5)

6 (5)

6 (5)

V > 150 m3

6 (5)

6 (5)

6 (5)

6 (5)

6 (5)

6 (5)

Opmerking: De waarden die tussen de haakjes staan, mogen alleen worden gebruikt indien de vergunninghouder of de eigenaar van de opslagtank kan aantonen dat de opslagtanks bestand zijn tegen een stralingswarmtebelasting van 35 kW/m2.

Minimumveiligheidsafstanden tot overige objecten

De in tabel 7 genoemde afstanden zijn de aan te houden minimumafstanden tussen een opslagtank voor propaan zonder brandbescherming en objecten. De afstanden zijn van toepassing op bovengrondse opslagtanks met zowel vloeistof- of dampafname.

Tabel 7Minimumafstand van objecten tot een opslagtank voor propaan

Soort object

Afstand (m)

a) Opslagtank met brandbare vloeistoffen (vlampunt ≤ 60 °C) zonder gronddekking

Afstand 10 kW/m2 (of 35 kW/m2) bepaald conform figuur 6

b) Opslagtanks met brandbare vloeistoffen (vlampunt > 60 °C) zonder gronddekking

3 m

c) Opslagtank met brandbare vloeistoffen met gronddekking

Helft van de diameter, met een minimum van 1 m

d) Opslagtank met tot vloeistof verdichte brandbare gassen zonder brandbescherming

Afstand 10 kW/m2 (of 35 kW/m2) bepaald conform tabellen 5 en 6

e) Brandgevaarlijk materiaal en objecten binnen de erfscheiding of terreingrens (zoals woningen, brandbare opslagen, brandbare gebouwen, enz.)

Afstand 10 kW/m2 (of 35 kW/m2) bepaald conform figuur 2

f) Erfscheiding of terreingrens

5 m

g) Kelderopeningen, straatkolken en aanzuigopeningen van ventilatiesystemen aanwezig < 1,5 m boven het maaiveld

5 m

h) Open vuur en geen kans op het optreden van vliegvuur Indien de kans op het optreden van vliegvuur aanwezig is

5 m

15 m

Ad a), e): Deze afstand kan worden verkleind tot 3 m indien tussen de opslagtank en het object of de erfscheiding/terreingrens een brandwerende scheiding is geplaatst, zie Paragraaf 9.2.6.

Ad c): Voor onderhoud en inspectie.

Ad d): Voor twee bovengrondse opslagtanks die onder het Bal vallen en voor 1 januari 2010 in gebruik zijn genomen, geldt een minimumafstand van 5 m.

Ad f): Deze afstand kan worden verkleind tot 3 m indien tussen de opslagtank en de erfscheiding/terreingrens een brandwerende scheiding is geplaatst, zie Paragraaf 9.2.6. De brandwerende scheiding hoeft niet te worden geplaatst zolang zich op een afstand van 5 m vanaf de opslagtank voor propaan er in de actuele situatie geen brandgevaarlijke objecten aanwezig zijn en er geen brandgevaarlijke activiteiten plaatsvinden.

Ad f): Deze afstand kan worden verkleind tot 1 m indien zich aan de andere zijde een openbaar water of een terrein met een agrarische of vergelijkbare bestemming bevindt. Met agrarische of vergelijkbare bestemmingen worden bijvoorbeeld weilanden, akkers of openbaar groen bedoeld, maar geen bebouwing of potentieel brandgevaarlijke objecten.

Ad f): Indien twee of meer buren gebruikmaken van één opslagtank, vervalt de afstand tot de erfafscheiding tussen de buren.

Ad g): De afstand is gebaseerd op de 100 % LEL-afstand ten gevolge van propaan dat in het geval van ongewone voorvallen kan vrijkomen (bijvoorbeeld door een lekke leiding of afblazende overdrukbeveiliging). Bij straatkolken die zijn uitgevoerd met een waterslot, geldt geen afstandseis. De afstand betreft een interne veiligheidsafstand .

Ad h): De aanwezigheid van open vuur (open vuur: een niet van de buitenlucht afgeschermde warmtebron) vormt een risico. Rondom een opslagtank voor propaan is in dit kader rekening gehouden met de 100 % LEL-afstand waarvoor een afstand geldt van 5 m vanaf de opslagtank. Open vuur behoort buiten deze zone te worden gehouden om mogelijke ontstekingsbronnen uit te sluiten. Daarom behoort een afstand van 5 m te worden aangehouden tussen een opslagtank voor propaan en open vuur.

Ad h): Vliegvuur kan in de open lucht optreden bij branden met bijvoorbeeld houten pallets, gras, enz.

Minimumveiligheidsafstanden en explosieveiligheid

Wanneer de consequenties van de ATEX-richtlijnen worden uitgewerkt voor een propaaninstallatie, leidt dit ertoe dat er in de meeste gevallen een beperkte zone heerst rondom de opslagtank, verdamper, vulpunt en opstelplaats van de tankwagen. Deze zone is het gevolg van bijzondere handelingen, zoals het vullen van de opslagtank, waarbij damp vrijkomt tijdens het afkoppelen.

Binnen het gezoneerde gebied behoren passende maatregelen te worden genomen ter voorkoming van ontsteking van de explosieve atmosfeer. De volgende verboden behoren door een veiligheidssignalering volgens NEN 3011 te zijn aangegeven:

  • er mag niet worden gerookt;
  • er mag geen open vuur aanwezig zijn;
  • er mogen geen voorwerpen aanwezig zijn met een oppervlaktetemperatuur van meer dan 300 °C.

Voor reguliere opslag en regulier gebruik kan in het algemeen worden gesteld dat op een afstand van 3 m van het vulpunt en de tapkast van de tankwagen en op circa 1,5 m van de opslagtank, de tankwagen en verdamper er geen sprake meer is van gasontploffingsgevaar. Bij het vaststellen van de veilige afstanden in deze PGS-richtlijn is daarmee rekening gehouden. Deze benadering sluit aan bij de voorgaande versies van PGS 19 en is gebaseerd op het AEGPL Guidelines Document.

9.2.6Fysieke veiligheidsmaatregelen in het kader van brandbescherming

In tabellen 8, 9 en 10 zijn de vereiste minimumafstanden van opslagtanks tot objecten samengevat. Deze afstanden gelden voor opslagtanks zonder brandbeschermende voorzieningen. Door het nemen van bijzondere maatregelen kunnen de afstanden worden verkleind die voor opslagtanks zonder brandbeschermende voorzieningen tot bepaalde objecten worden vastgesteld. De gehanteerde grenswaarde met betrekking tot de warmtestralingsintensiteit bij de kleinere afstanden behoort niet te worden overschreden. In het RIVM-onderzoek, Interne veiligheidsafstanden PGS 19, 17 februari 2012, is een aantal fysieke veiligheidsmaatregelen in het kader van brandbescherming kwalitatief besproken.

De volgende voorkeursvolgorde voor brandbeschermende voorzieningen is gebaseerd op bedrijfszekerheid en gevoeligheid voor mechanische beschadigingen:

  1. het afdekken met aarde of het ingraven van de opslagtank voor propaan. Hierbij is voldaan aan de verderop in deze paragraaf vermelde voorwaarden voor gronddekking van opslagtanks;
  2. het plaatsen van brandwerende scheidingen. Hierbij is voldaan aan de verderop in deze paragraaf vermelde voorwaarden voor brandwerende scheidingen;
  3. het aanbrengen van een brandbeschermende bekleding. Hierbij is voldaan aan de verderop in deze paragraaf vermelde voorwaarden voor brandbeschermende bekleding;
  4. het aanbrengen van een watersproei-installatie. Hierbij is voldaan aan de verderop in deze paragraaf vermelde voorwaarden voor een watersproei-installatie.

Het toepassen van deze brandbeschermende voorzieningen kan aanleiding zijn om de opslagtanks dichter bij elkaar te plaatsen. Indien is aangetoond dat deze fysieke veiligheidsvoorzieningen afdoende functioneren, dan kunnen de afstanden in tabellen 13, 14 en 15 (a) t/m e)) eventueel worden verminderd.

Gronddekking van opslagtanks

Gronddekking voldoet aan de volgende eisen:

  • Een ondergrondse of ingeterpte opslagtank heeft een gronddekking van ten minste 0,3 m.
  • De gronddekking is beschermd tegen erosie, afschuiven, beschadigingen en dergelijke.
  • De gronddekking boven een blindplaat of een mangatdeksel bedraagt ten minste 0,2 m.
  • Onder de opslagtank is een laag ingewaterd zand met een dikte van ten minste 0,3 m aangebracht.
  • Rondom en aansluitend aan de opslagtank wordt een ten minste 0,3 m brede ruimte opgevuld met schoon zand waaruit stenen, scherpe voorwerpen met een diameter van meer dan 3 mm en andere harde voorwerpen zijn verwijderd om beschadiging van de bekleding van de opslagtank tegen te gaan.
  • Bij toepassing van een opslagtank met epoxy-bekleding is het schone aanvulzand vrij van stenen, schelpen en dergelijke met een diameter van meer dan 1 mm. De mangaten van de opslagtanks zijn gemakkelijk bereikbaar.
  • De opslagtank is tegen opdrijven en verzakken gezekerd op een zodanige wijze dat de bekleding niet wordt beschadigd en de kathodische bescherming intact blijft.
  • Indien tegen het opdrijven een betonnen plaat wordt toegepast aan de bovenzijde van de opslagtank, mag de eerdergenoemde gronddekking van de opslagtank worden verminderd met de dikte van die plaat, met dien verstande dat de gronddekking ten minste 0,2 m bedraagt.
  • Het aangevulde zand heeft geen lagere specifieke elektrische weerstand dan die van de plaatselijke bodem met een minimumwaarde van 100 ohm.m.
  • De afstand tussen ondergrondse of ingeterpte opslagtanks onderling en tot andere ondergrondse opslagtanks is zodanig dat er geen sprake kan zijn onderlinge beïnvloeding door de aanwezigheid van een kathodische bescherming. Daarnaast is de afstand zodanig dat uitvoering van inspecties en onderhoud aan beide tanks mogelijk is. Hier wordt in elk geval aan voldaan indien tussen twee opslagtanks een afstand van ten minste de halve diameter van de grootste opslagtank wordt aangehouden
Brandwerende scheiding

Een brandwerende scheiding voldoet aan de volgende eisen:

  • De brandwerende scheiding bestaat uit metselwerk, cellenbeton, beton dan wel ander materiaal mits deze een geheel gesloten wand vormt met een brandwerendheid van ten minste 60 min volgens NEN 6069.
  • Een brandwerende scheiding is zodanig geconstrueerd dat het een mechanische stevigheid borgt tegen omvallen, stoten, rukwinden, enz.
  • De afmetingen en plaatsing van de brandwerende scheiding zijn zodanig dat de opslagtank voor propaan ten opzichte van de brand geheel in de schaduw van het uitstralende oppervlak staat. De hoogte van het stralende oppervlak is 1,6 × de plasdiameter (voor een plasbrand), dan wel 1,6 × de hoogte van het brandende oppervlak van het gevelvlak. De breedte is de plasdiameter (voor een plasbrand), dan wel de breedte van het brandende gevelvlak. Dit kan worden aangetoond door een tekening op schaal.
  • Als de brandwerende scheiding wordt geplaatst om de afstand tot de erfscheiding of eigen terreingrens te verminderen van 5 m naar 3 m, is deze minstens 0,5 m hoger zijn dan de opslagtank, en aan beide zijden minstens 1 m langer.
  • De afstand van de brandwerende scheiding tot de opslagtank voor onderhoud en inspectie is ten minste de helft van de diameter van de opslagtank, met een minimum van 1 m.
Brandbeschermende bekleding

Brandbeschermende bekleding voldoet aan de volgende eisen:

  • De bekleding is zodanig uitgevoerd dat het vrijkomen van de inhoud (anders dan door de veiligheidsklep/-ventiel) wordt voorkomen als de opslagtank gedurende 60 min wordt blootgesteld aan een plasbrand of een fakkelbrand.
  • De bekleding hecht in verhitte toestand zodanig aan de wand van de opslagtank dat deze niet door het blus- of koelwater wordt weggespoeld.
  • De bekleding is bestand tegen propaan.
  • Onder de brandbeschermende bekleding is de opslagtank voorzien van een corrosiewerende laag.
  • De kwaliteit van de bekleding is beproefd en geverifieerd door een daartoe erkende, geaccrediteerde, instelling.
  • De bekleding is gekeurd door een door het bevoegd gezag erkende of geaccrediteerde instelling. Verder is de bekleding ter plaatse van de opslagtank gekeurd op deugdelijke montage door een door het bevoegd gezag erkende of geaccrediteerde instelling. Het keuringsrapport van de bekleding en de bevindingen van de keuring van de bekleding ter plaatse van de opslagtank zijn in het logboek opgenomen. De termijn tussen de keuring is niet meer dan zes kalenderjaren. Indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, vindt de keuring eerder plaats.
  • Zo vaak de omstandigheden daartoe aanleiding geven, doch uiterlijk in het zesde kalenderjaar nadat de laatste keuring heeft plaatsgevonden, wordt de bekleding gecontroleerd op beschadiging en juiste montage. Deze controle wordt uitgevoerd door een door de geaccrediteerde instelling of bevoegd gezag erkend bedrijf. De bevindingen van deze controle behoren in het logboek te worden opgenomen.

Toelichting:

In deze eisen is aangegeven dat de keurende instelling ten minste door het bevoegd gezag behoort te zijn erkend. De reden daarvoor is dat er op dit moment geen geaccrediteerde instellingen zijn die dergelijke keuringen uitvoeren. Indien deze er in de toekomst wel zijn, verdient het aanbeveling deze geaccrediteerde instellingen de keuringen te laten uitvoeren. NEN-EN-ISO/IEC 17020 (voorheen: EN 45004) geeft algemene criteria voor het functioneren van verschillende soorten instellingen die keuringen uitvoeren. Een accreditering volgens NEN-EN-ISO/IEC 17020 houdt in dat de desbetreffende instelling onpartijdig, onafhankelijk en op een deskundige wijze haar werkzaamheden uitvoert.

Watersproei-installatie

Indien een opslagtank is voorzien van een watersproei-installatie behoort deze installatie van voldoende capaciteit te zijn om te garanderen dat de warmtebelasting de waarde van 10 kW/m2 niet overschrijdt.

Een watersproei-installatie voldoet aan de volgende eisen:

  • Een opslagtank waarbij een watersproei-installatie (VBB-systeem) is toegepast, is niet in gebruik voordat een initieel inspectierapport door een type A-inspectie-instelling is afgegeven. Uit het inspectierapport blijkt dat het VBB-systeem is aangelegd en opgeleverd volgens de door het bevoegd gezag goedgekeurde uitgangspunten. Het inspectierapport is binnen de inrichting aanwezig.
  • De drijver van de installatie stelt een uitgangspuntendocument (UPD) op. Het UPD is de grondslag voor ontwerp, uitvoering, beheer en inspectie van het VBB-systeem en omvat de uitgangspunten daarvoor. Het UPD bevat ten minste de onderwerpen uit Hoofdstuk 7 van de Handreiking voor het opstellen van een Uitgangspunten Document (UPD) van de PGS Beheerorganisatie. Het UPD is goedgekeurd door het bevoegd gezag voordat met de aanleg van het VBB-systeem wordt begonnen.
  • Voordat het UPD ter goedkeuring wordt aangeboden aan het bevoegd gezag, is het beoordeeld door een type A-inspectie-instelling. Deze instelling is voor het uitvoeren van beoordelingen en inspecties van brandbeveiligingsystemen geaccrediteerd door de Stichting Raad voor Accreditatie volgens NEN EN ISO/IEC 17020 of door een andere accreditatie-instelling die het Multilateral Agreement of European Accreditors heeft ondertekend. Het verzoek om goedkeuring van het UPD is vergezeld met het beoordelingsrapport dat is opgesteld door de type A-inspectie-instelling. Deze beoordeling behoort niet te worden uitgevoerd door de opsteller van het UPD.
  • Ten minste eens per vijf jaar beoordeelt een type A-inspectie-instelling in opdracht van de vergunninghouder het uitgangspuntendocument. De type A-inspectie-instelling geeft de verschillen aan tussen de normversie die is gebruikt in het goedgekeurde UPD, en de normversie die ten tijde van de vijfjaarlijkse toets geldt. De beoordeling houdt rekening met de overeengekomen afwijkingen. De informatie uit de toets wordt vastgelegd in een beoordelingsrapport en behoort beschikbaar te zijn voor het bevoegd gezag. De aanbevelingen uit het rapport behoren te worden opgevolgd.

Toelichting:

Aan de eis tot inspectie door een type A-inspectie-instelling wordt voldaan als deze inspectie-instelling geaccrediteerd is voor de uitvoering van inspectieschema’s gebaseerd op het CCV-inspectieschema Brandbeveiliging Opslag Gevaarlijke Stoffen PGS, waarbij getoetst wordt op conformiteit met het UPD.

9.2.7Interne afstanden tussen de objecten en de verdamper

Er zijn diverse verdampers te onderscheiden:

  • direct gestookte verdampers op olie of gas;
  • elektrische verdampers;
  • verdampers die gebruikmaken van proceswarmte (meestal stoom).

Bij een verdamper is bovengronds leidingwerk met propaan (vloeibaar en dampvormig) aanwezig. De direct gestookte verdamper behoort te worden beschouwd als een ontstekingsbron en behoort op een minimumafstand te zijn opgesteld ten opzichte van de opslagtank voor propaan en andere objecten.

In verdampers is meer propaan aanwezig dan in de aan- en afvoerende leidingen. Aanvullend is de kans op lekkages en ander falen in een verdamper groter dan voor leidingen het geval is. Vanuit de procesmatige benadering is daarom enige bescherming gewenst tegen uitstroming van damp uit de verdamper die niet direct wordt ontstoken. Voor de verdamper wordt een afstand van 5 m (zowel in horizontale als in verticale richting) als veilige afstand gehanteerd waarbuiten geen explosiegevaarlijke situatie meer zal ontstaan (100 % LEL-afstand). Op grond hiervan behoort rondom een verdamper een veiligheidsafstand te worden aangehouden van 5 m. Deze afstand behoort in de regel ook te worden aangehouden tot straatkolken, aanzuigopeningen van ventilatiesystemen lager dan 1,5 m boven maaiveld, en dergelijke.

Aangezien van gebouwen met een brandwerendheid van 30 min of meer geen direct gevaar voor ontsteking hoeft te worden verwacht, kan deze veiligheidsafstand worden teruggebracht tot 3 m (praktische afstand). Aanvullend is het noodzakelijk geacht om de verdamper door een hekwerk te beschermen tegen onbevoegde personen.

De in tabel 8 genoemde afstanden zijn de aan te houden minimumafstanden tussen een verdamper en objecten. De afstanden zijn van toepassing op alle soorten en typen verdampers.

Tabel 8 Aan te houden minimumafstanden tussen verdampers en objecten

Soort object

Afstand vanaf verdamper

a) Opslagtank, vulpunt en opstelplaats van de tankwagen

5 m: DN ≤ 25 mm

7,5 m: 25 mm < DN ≤ 32 mm

10 m: 32 mm < DN ≤ 50 mm

DN: Is de nominale diameter (in mm) van de vloeibaarpropaan-voerende leiding van de opslagtank voor propaan naar de verdamper.

b) Kelderopeningen, straatkolken en aanzuigopeningen van ventilatiesystemen aanwezig < 1,5 m boven het maaiveld

5 m

c) Erfscheiding of terreingrens

5 m

d) Brandgevaarlijk materiaal en objecten binnen de erfscheiding of terreingrens

5 m

e) Gebouwen met een brandwerendheid van ten minste 30 min volgens NEN 6069

3 m

f) Open vuur en geen kans op het optreden van vliegvuur

Indien de kans op het optreden van vliegvuur aanwezig is

5 m

15 m

Ad a): Deze afstandseis geldt uitsluitend voor direct gestookte verdampers.

Ad b): De afstand is gebaseerd op de 100 % LEL-afstand ten gevolge van propaan dat in het geval van ongewone voorvallen kan vrijkomen (bijvoorbeeld door een lekke leiding of afblazende overdrukbeveiliging). Bij straatkolken die zijn uitgevoerd met een waterslot, geldt geen afstandseis.

Ad c): De hier bedoelde afstand kan worden verkleind tot 3 m indien tussen de direct gestookte verdamper en de erfscheiding of terreingrens een brandwerende scheiding is geplaatst, zie Paragraaf 9.2.6. Een kortere afstand dan 3 m (zonder brandwerende scheiding) is ook toegelaten indien zich aan de andere zijde een openbaar water of een terrein met een agrarische of vergelijkbare, bestemming bevindt. De afstand behoort te allen tijde ten minste 1 m te bedragen.

Ad c): Indien twee of meer buren gebruikmaken van één opslagtank, vervalt de afstand tot de erfafscheiding tussen de buren.

Ad f): Voor een nadere toelichting, zie tabel 7 onder h).

De maatregelen die horen bij tabel 8, zijn opgenomen in Hoofdstuk 7.

9.2.8Interne afstanden tussen objecten en de opstelplaats tankwagen en/of vulpunt

In veel gevallen zal het vulpunt op de opslagtank aanwezig zijn. In dat geval is het vulpunt via de veiligheidsafstanden die gelden voor de opslagtank afdoende beschermd. Daar waar het vulpunt niet direct op de opslagtank is gelegen, zal de opstelplaats van de tankwagen direct naast het vulpunt zijn gerealiseerd. Voor het vulpunt gelden op dat moment dezelfde eisen en voorwaarden als voor de opstelplaats van de tankwagen. Om deze reden is het vulpunt niet apart beschouwd.

Het vulpunt kan in principe worden gelijkgesteld met ander bovengronds leidingwerk. Alleen tijdens het lossen ontstaat een afwijkende situatie, omdat tijdens het afkoppelen propaangas kan ontsnappen. Gelet op de hoeveelheid propaan (maximaal 1 kg vloeibaar propaan) die kan vrijkomen, leidt dit ertoe dat in de reguliere bedrijfssituatie op een afstand van 3 m van het vulpunt en de tapkast van de tankwagen er geen sprake meer is van gasontploffingsgevaar. Deze benadering sluit aan bij de voorgaande versies van PGS 19 en is gebaseerd op het AEGPL Guidelines Document.

Daarnaast kan bij een ongewoon voorval (bijvoorbeeld door lek of breuk van de losslang) een grotere hoeveelheid propaan vrijkomen. Vanuit veiligheidsoogpunt behoort daarom een veiligheidsafstand van 5 m te worden aangehouden. Binnen deze afstand behoren geen straatkolken, kelderopeningen en aanzuigopeningen van ventilatiesystemen op < 1,5 m hoogte aanwezig te zijn.

De opstelplaats van de tankwagen wordt beschouwd als een bovengrondse opslagtank met het grote verschil dat de tankwagen slechts enkele keren per jaar gedurende korte tijd aanwezig is. Tijdens het lossen is altijd goed opgeleid personeel aanwezig (de chauffeur), die volgens vaste procedures toeziet op een veilige lossing. Daarnaast is op de tankwagen een blusmiddel aanwezig. In de praktijk komt het regelmatig voor dat de tankwagen op of langs de openbare weg moet worden geparkeerd om te kunnen lossen. Dit leidt tot een andere benadering voor het bepalen van de afstanden.

Uit berekeningen van het RIVM blijkt dat tot vijf afleveringen per jaar de aanwezigheid van de tankwagen niet wezenlijk bijdraagt tot het (externe) veiligheidsrisico. Pas bij meer dan vijf afleveringen per jaar vormt de aanwezigheid van de tankwagen een factor die meeweegt bij de aan te houden afstanden. Tot vijf afleveringen per jaar zijn derhalve geen afstanden opgenomen. Omdat de chauffeur een speciaal daartoe opgeleid persoon is (volgens VLG/ADR), zal deze controleren of het vullen veilig kan plaatsvinden. Daarnaast vormt calamiteitenbestrijding een onderdeel van zijn of haar opleiding. Voor zover noodzakelijk zijn hiervoor aparte voorschriften opgenomen. Bij meer dan vijf afleveringen per jaar behoort de tankwagen te worden beschouwd als een bovengrondse opslagtank en behoren voor de opstelplaats en het vulpunt dezelfde veiligheidsafstanden te worden aangehouden als voor de opslagtank voor propaan zelf.

9.2.9Interne afstanden tussen objecten en het bovengronds leidingwerk

Ten behoeve van de onderbouwing voor de noodzaak tot het al dan niet aanhouden van veiligheidsafstanden voor het bovengronds leidingwerk zijn de volgende scenario’s beschouwd:

  • een breuk van een bovengrondse leiding;
  • een lekke leiding.

Een breuk van een bovengrondse leiding zal doorgaans worden veroorzaakt door mechanische beschadigingen van buitenaf. Daarbij wordt met name gedacht aan beschadiging van het leidingwerk door aanrijding met een voertuig. Door het treffen van voldoende technische maatregelen kunnen de mechanische beschadigingen worden voorkomen. In Hoofdstuk 7 zijn hiervoor maatregelen opgenomen.

Daarnaast zijn in het leidingwerk terugslagkleppen en doorstroombegrenzers aanwezig, waardoor de uitstroming van propaan bij een breuk van de leiding beperkt zal blijven tot een geringe hoeveelheid propaan. Bij een lek van de leiding zal de uitstroming van beperkte aard en duur zijn. Daarom mag worden aangenomen dat deze kleine lekkages kunnen leiden tot mogelijk kortdurende branden die niet leiden tot interne domino-effecten op de opslagtank.

Aanvullende veiligheidsafstanden, bijvoorbeeld vanuit de procesmatige benadering, worden voor het leidingwerk eveneens niet noodzakelijk geacht. Voor leidingwerk zijn daarom geen interne afstanden opgenomen in deze richtlijn. Het leidingwerk behoort te worden beschermd tegen mechanische beschadigingen van buitenaf.

9.3Beveiliging tegen mechanische beschadiging

Een propaaninstallatie behoort tegen mechanische invloeden te worden beschermd, zoals aanrijding, vallende voorwerpen (bij hijswerkzaamheden) of andere belastingen. Waar nodig behoren dan ook doelmatige aanrijdbeveiligingen te worden aangebracht en behoren bij risicovolle werkzaamheden adequate technische en procedurele maatregelen te worden getroffen, bijvoorbeeld het opstellen van een hijsplan en risicoanalyse, beveiliging tegen vallende objecten of desnoods het drukvrij maken van (delen van) de propaaninstallatie.

Bij ondergrondse of ingeterpte opslagtanks behoort er voorts aandacht te worden besteed aan de volgende zaken:

  • mate van gronddekking;
  • belasting boven de opslagtank, bijvoorbeeld door transportwerktuigen;
  • wortelgroei die kan leiden tot beschadiging van appendages;
  • verzakking of opdrijving door grondwater.

Deze aspecten zijn niet in wetgeving verankerd. Daarom zijn er in Hoofdstuk 7 aanvullende maatregelen opgenomen.

9.4Overige veiligheidsaspecten

Naast de in Paragraaf 9.2 en Paragraaf 9.3 beschreven veiligheidsmaatregelen is een aantal overige aspecten van belang voor het realiseren van een acceptabel veiligheidsniveau. Hieronder vallen onder meer:

  • een stabiele opstelling van de opslagtank;
  • de toegankelijkheid van de opslagtank;
  • de bereikbaarheid van de opstelplaats voor de tankwagen;
  • de eventuele koppeling van opslagtanks;
  • het opstellen en de afscherming van een verdamper;
  • de plaatsing en beveiliging van het leidingwerk en vulpunt indien dit vulpunt apart ligt van de opslagtank.

Hoofdstuk 7 bevat aanvullende bepalingen ten aanzien van deze onderwerpen.

10Gebruik van de propaaninstallatie

10.1Inleiding

Voor het veilig in bedrijf zijn van een propaaninstallatie is de wijze van gebruik van groot belang. Hierbij is het essentieel dat verantwoordelijkheden en bevoegdheden duidelijk zijn vastgelegd. Bij een propaaninstallatie zijn in de regel de volgende personen betrokken: de eigenaar, de gebruiker, de beheerder, de installateur en de gasleverancier. Elk van de betrokkenen heeft eigen verantwoordelijkheden ten aanzien van de propaaninstallatie. In dit hoofdstuk is een aantal activiteiten die verband houden met deze verantwoordelijkheden nader toegelicht.

10.2Vullen van de opslagtank

Het vullen van de opslagtank voor propaan is de activiteit die het grootste risico vormt. In dit verband zijn aspecten als de locatie van de opstelplaats van de tankwagen, de losprocedure en de aan te houden minimumafstanden tot objecten van groot belang.

De aan te houden minimumafstanden van de tankwagen tot objecten zijn beschreven in Paragraaf 9.2. Voor het vullen van de opslagtank voor propaan is essentieel dat dit uitsluitend mag plaatsvinden door en onder verantwoordelijkheid van de chauffeur van de tankwagen, na verkregen toestemming van de verantwoordelijke beheerder van de opslagtank voor propaan. Daarbij behoort te worden gewerkt volgens een vaste procedure die is opgenomen in Bijlage F. Deze procedure bevat naast technische aanwijzingen ook instructies voor de tankwagenchauffeur, zoals:

  • controleer of de omgeving voldoende veilig is voor het vullen van de opslagtank;
  • zorg dat de bedieningsorganen bestuurbaar blijven tijdens het vullen van de opslagtank;
  • controleer of de maximaal toelaatbare vulling van de opslagtank niet wordt overschreden.

Een tankwagenchauffeur beschikt over een certificaat voor het transport van en het omgaan met gevaarlijke stoffen. Tevens voldoet het voertuig aan alle eisen voor het vervoer van de desbetreffende gevaarlijke stof.

Een ander aspect dat voor een veilige lossing van de tankwagen van belang is, is de bereikbaarheid van de opslagtank en het vulpunt en de toegankelijkheid van de opstelplaats voor de tankwagen. De tankwagen moet onbelemmerd de losplaats kunnen bereiken en verlaten. Daarnaast moet er vanuit de opstelplaats van de tankwagen onbelemmerd zicht zijn op de opslagtank. Maatregelen hieromtrent zijn opgenomen in Hoofdstuk 7, evenals de aanvullende maatregelen voor het vullen van een opslagtank voor propaan.

10.3Gebruik en onderhoud van de opslagtank

Van belang voor de veilige bedrijfsvoering van een propaaninstallatie is een goede staat van onderhoud daarvan. Het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 bevat eisen ten aanzien van de wijze van uitvoering en frequentie van het onderhoud. Dit is in Hoofdstuk 8 reeds toegelicht. De eigenaar/gebruiker is verantwoordelijk voor het uitvoeren van het onderhoud. In veel gevallen heeft de gebruiker van de opslagtank hiertoe een onderhoudscontract met de gasleverancier of de installateur afgesloten. Alle werkzaamheden die in dit verband worden ui