PGS16LPG: Afleverinstallaties, vulinstallaties en skid-installaties
PGS16:2021 versie 1.0 (Augustus 2021)
16

LPG: Afleverinstallaties, vulinstallaties en skid-installaties

Richtlijn voor het veilig opslaan en afleveren van LPG en het veilig vullen van gasflessen en ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs met vulinstallaties

Versie

Deze PGS 16:2021 versie 1.0 (Augustus 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 16:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wijzigingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen, de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat de maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen; en
  • de maatregelen om aan de doelen te voldoen.
PGS 16 Nieuwe Stijl

PGS 16 is geactualiseerd in het kader van de omzetting van de PGS naar de nieuwe stijl. Deze nieuwe stijl is onder andere ingegeven door de introductie van de nieuwe Omgevingswet en een door te voeren kwaliteitsslag waarbij de onderbouwing, door middel van een risicobenadering, van de voorgeschreven maatregelen veel duidelijker wordt. PGS 16 Nieuwe Stijl is een geactualiseerde en samengevoegde versie van de vorige PGS 16 en PGS 23. PGS 23 komt daarmee te vervallen. De verandering ten opzichte van de vorige versie is dat er maatregelen zijn opgenomen die het afleveren van LPG op onbemande tankstations mogelijk maken. Daarnaast zijn er maatregelen opgenomen voor het toepassen van skid-installaties. Tot slot is in deze PGS voor publiekstoegankelijke LPG-tankstations een nieuwe maatregel opgenomen waarbij er een technische voorziening wordt geëist die moet voorkomen dat een LPG-reservoir gevuld kan worden zonder dat er een goede equipotentiaalverbinding tot stand is gebracht.

Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS- richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid) of Brandbestrijding Omgevingsveiligheid (brandpreventie);
  • Arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid);
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding (rampenbestrijding).

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.

Brand- en Rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In Bijlage O staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen:

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen, zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 24 maart 2020.

Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020

De voorzitter van de Programmaraad,

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen paragraaf Paragraaf 1.2 met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over het veilig opslaan en afleveren van LPG en het veilig vullen van gasflessen en ballonvaartanks, ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs in vulinstallaties.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 bevatten alle maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage C: Interne veiligheidsafstanden;
  • Bijlage G: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van het opslaan en afleveren van LPG en het vullen van gasflessen en ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs met vulinstallaties te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijnNormatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op LPG-afleverinstallaties, vulinstallaties voor gasflessen en ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs of wisselreservoirs en skid-installaties. Het gaat daarbij om skid-installaties met een inhoud van maximaal 8 m3. In deze PGS zijn PGS 16:2010 en PGS 23:2013 samengevoegd. Voor de duidelijkheid zijn de maatregelen ondergebracht in verschillende hoofdstukken per toepassingsgebied. Hoofdstuk 7 bevat maatregelen voor LPG-afleverinstallaties, Hoofdstuk 8 voor vulinstallaties en Hoofdstuk 9 voor skid-installaties. LPG-afleverinstallaties hoeven dan ook alleen te voldoen aan Hoofdstuk 7, vulinstallaties aan Hoofdstuk 8 en skid-installaties aan Hoofdstuk 9 (zie ook het overzicht van de maatregelen per toepassingsgebied in Paragraaf 7.1).

Een groot deel van de eisen met betrekking tot ontwerp, installatie, onderhoud, keuring, bijbehorende leidingen en toebehoren van het reservoir die gelden voor LPG afleverinstallaties, vulinstallaties of skid-installaties, zijn vastgelegd in wetgeving, al dan niet gebaseerd op in Europees verband gemaakte afspraken. PGS 19:2021 versie 1.0 (september 2021) beoogt een beschrijving te geven van deze eisen, waarbij voor aspecten die (nog) niet elders zijn geregeld ook voorschriften zijn geformuleerd. Voor maatregelen met betrekking tot ontwerp, installatie, onderhoud, keuring, bijbehorende leidingen en toebehoren van het reservoir verwijst deze PGS daarom naar PGS 19:2021 versie 1.0 (september 2021), zie ook M1.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio's.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage D bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een meer volledig beeld van de maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader .

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage F geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage G staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving LPG en LPG-installaties

2.1Over LPG

2.1.1Algemene informatie

LPG (Liquefied Petroleum Gas) is een mengsel bestaande uit hoofdzakelijk propaan, propeen, butaan en buteen. Deze gassen worden gewonnen bij de raffinage van aardolie. Daarnaast komen zij vrij bij de winning van aardgas uit aardgasvelden. LPG wordt aangeboden als handelspropaan, handelsbutaan of als mengsel van beide gassen. De opslag vindt bij raffinaderijen en aardgasdepots in bulk plaats. Het transport naar wederverkopers gebeurt met tankwagens. In het vervolg van deze PGS worden alle varianten van samenstellingen van het LPG-mengsel aangeduid als LPG.

LPG is gasvormig bij normale temperatuur en kan door drukverhoging of temperatuurverlaging vloeibaar worden gemaakt. In deze richtlijn gaat het om gassen die tot vloeistof verdicht zijn.

2.1.2Gevaren van LPG

In deze paragraaf worden de gevaren op hoofdlijnen besproken. Een volledig overzicht van de gevaren van LPG is te vinden in het veiligheidsinformatieblad (VIB).

LPG is zeer licht ontvlambaar en zwaarder dan lucht.

In hoge concentraties treedt door zuurstoftekort verstikkingsgevaar op als mensen deze gassen inademen. Als het vloeibare gas in contact komt met de huid of ogen, kunnen bevriezingsverschijnselen optreden.

Als de gassen vrijkomen, kan vanwege de lichte ontvlambaarheid een brand of explosie ontstaan. Bij een (dreigende) calamiteit met deze gassen bestaat er gevaar voor omwonenden en hulpdiensten als een explosie optreedt. Aangezien de gassen zwaarder zijn dan lucht, verspreiden ze zich over de grond. Hierdoor kan een vertraagde ontsteking ontstaan.

Bij het vrijkomen in de lucht verspreiden de gassen zich in de omgeving. Pas als de concentratie in de lucht lager is dan 10 % van de onderste explosiegrens, is het gevaar geweken (LEL van LPG is 1,5 %. Bron: Chemiekaarten 2019).

2.2Over afleverinstallaties en vulinstallaties

2.2.1Algemene beschrijving afleverinstallaties en vulinstallaties

Bij LPG-afleverinstallaties wordt LPG in vloeibare vorm afgeleverd aan een voertuig of aan een reservoir dat aan een voertuig verankerd is. Bij niet publiekstoegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen kan ook worden afgeleverd aan wisselreservoirs.

Bij vulinstallaties worden flessen, ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs of wisselreservoirs gevuld met LPG.

2.2.2Afleverinstallaties, vulinstallaties en skid-installaties

Algemeen

In deze PGS wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende soorten toepassingsgebieden van LPG-installaties. Dit onderscheid is in grote mate gelijk aan de indeling in toepassingsgebieden zoals die voorheen verdeeld waren over PGS 16 en PGS 23. Aan deze PGS zijn skid-installaties nieuw als toepassingsgebied toegevoegd.

LPG-afleverinstallaties

Het eerste toepassingsgebied, voorheen beschreven in PGS 16, zijn publiek toegankelijke LPG-afleverinstallaties (tankstations) en niet publiek toegankelijke LPG afleverinstallaties op bedrijfsterreinen. Scenario’s met betrekking tot dit toepassingsgebied zijn beschreven in Paragraaf 4.2.1, Paragraaf 4.2.2, Paragraaf 4.2.3, Paragraaf 4.2.4., Paragraaf 4.2.5, Paragraaf 4.2.6en Paragraaf 4.2.7. Maatregelen staan beschreven in Hoofdstuk 7.

Vulinstallaties

Het tweede toepassingsgebied, voorheen beschreven in PGS 23, heeft betrekking op vulinstallaties. Bij vulinstallaties is onderscheid te maken in twee types:

  • Type I: Vulinstallaties voor het vullen van flessen met een waterinhoud van ten hoogste 150 l waarbij de (maximale) vulgraad wordt bepaald op basis van op gewicht.
  • Type II: Vulinstallaties voor het vullen van ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs of wisselreservoirs met een waterinhoud van ten hoogste 150 l waarbij de (maximale) vulgraad wordt bepaald op basis van volume.

Scenario’s met betrekking tot dit toepassingsgebied zijn beschreven in Paragraaf 4.3.1 en Paragraaf 4.3.2. Maatregelen staan beschreven in Hoofdstuk 8.

Toelichting 1:

In PGS 23 werden drie types vulinstallaties onderscheiden. Naast de types die ook in deze PGS zijn opgenomen, stond in PGS 23 ook fles-naar-flesverlading genoemd. Dit type is in deze PGS verwijderd, omdat op basis van de scenario-analyse dit type verlading als laag risico is geclasseerd door het PGS-team.

Toelichting 2:

Ten opzichte van PGS 23:2013 is middels deze PGS voor type II-vulinstallaties ook het vullen van ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs toegelaten. Alle types reservoirs (gasflessen, ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs) die met vulinstallaties gevuld mogen worden, behoren te voldoen aan de Regeling vervoerbare drukapparatuur 2011. Hieronder staan de belangrijkste verschillen tussen de verschillende reservoirs benoemd:

  1. gasflessen: één aansluiting;
  2. ballonvaarttanks: meerdere aansluitingen en overdrukbeveiliging;
  3. ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs: meerdere aansluitingen, overdrukbeveiliging en overvulbeveiliging.
Skid-installaties

Nieuw in PGS 16 zijn skid-installaties. Dit zijn LPG-installaties die op één frame zijn gebouwd en in overeenstemming zijn met de hiervoor geldende Europese regels op het gebied van veiligheid, gezondheid en milieu, waaronder de Richtlijn Drukapparatuur (PED). Een skid bestaat uit een samenstel van opslagtank, pomp en afleverinstallatie, inclusief leidingen, en appendages en besturing. Het voordeel van skids is dat ze gemakkelijk te transporteren zijn en dat tijdelijke opstelling mogelijk is voor seizoensgebonden activiteiten.

Voorbeelden van gebruikers van skid-installaties zijn ballonvaarders, land- en tuinbouw (bijvoorbeeld onkruidbestrijding) of servicebedrijven als jachthavens, bedrijven met interne transportmiddelen en kartcentra. Skid-installaties mogen niet worden toegepast om te verwarmen (of om op te koken).

Het gebruik van skid-installaties voor het afleveren van LPG aan motorvoertuigen voor het wegverkeer is niet toegelaten.

Scenario’s met betrekking tot dit toepassingsgebied zijn beschreven in Paragraaf 4.4. Maatregelen staan beschreven in Hoofdstuk 9.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn, wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in drie soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

In Paragraaf 7.4 en Paragraaf 8.1 staan maatregels (M2 en M137) opgenomen om het basisveiligheidsniveau te borgen.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt, en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl /.

Scenario's met laag risico

De scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld, zoals overstromingen en aardbevingen, geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting, moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 16

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 16-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op representatieve gangbare LPG-afleverinstallaties en op LPG-vulstations. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario's voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS'en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden, zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

Aangezien deze PGS verwijst naar PGS 19, waar het gaat om eisen met betrekking tot ontwerp, installatie, onderhoud en keuring, zijn de scenario’s met betrekking tot deze onderwerpen niet in deze PGS opgenomen. Uitzonderingen zijn scenario’s op het gebied van ontwerp, installatie, onderhoud en keuring die typisch zijn voor LPG-afleverinstallaties, vulinstallaties of skid-installaties. Voorbeelden zijn scenario’s voor LPG-tankstations waarin de ondergrondse plaatsing van belang is. De ondergrondse plaatsing is namelijk typisch voor LPG-tankstations. Daarnaast is het zo dat de risicoanalyses voor PGS 19 en deze PGS gelijktijdig zijn uitgevoerd met een enigszins afwijkende aanpak. Om te voorkomen dat er hierdoor blinde vlekken zouden ontstaan, bestaat er enige overlap in enkele scenario’s van PGS 19 en PGS 16.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor het veilig opslaan en afleveren van LPG en het veilig vullen van gasflessen en ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs of wisselreservoirs in vulinstallaties.

De scenario's zijn onderverdeeld in de verschillende toepassingsgebieden: LPG afleverinstallaties, vulstations en skid-installaties.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in de Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

4.2Scenario's voor LPG-afleverinstallaties

4.2.1Dompelpomp

4.2.2Bovengrondse pomp

4.2.3Heavy Duty (HD)-pomp

4.2.4Ondergronds reservoir

4.2.5Bovengronds reservoir

4.2.6Leidingwerk met toebehoren en afleverinstallatie

4.2.7LPG-gasgestuurde afsluiter

4.2.8Afleveren aan wegverkeer onder direct toezicht

4.2.9Afleveren aan wegverkeer met toezicht op afstand

4.3Vulstations

4.3.1Gasfles vullen op gewicht, type I-vulstation

4.3.2Ballonvaarttank, ingebouwd reservoir of wisselreservoir vullen op volume, type II-vulstation

4.4Skid-installatie

5Richtingaanwijzer wet- en regelgevingNormatief

5.1Inleiding

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en de maatregelen die kunnen worden getroffen om aan het doel te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving;
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 zijn deze maatregelen aangeduid met omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid) en met brandpreventie (Brandpreventie en mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 zijn deze maatregelen aangeduid met arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid)
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brand- of de rampenbestrijding, moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 , Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 zijn deze maatregelen aangeduid met rampenbestrijding (Brand- of Rampenbestrijding).

In deel B staan eerst de doelen in Hoofdstuk 6 en daarna maatregelen in Hoofdstuk 7 , Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6 .

5.2Omgevingsveiligheid

5.2.1Algemeen

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen in paragraaf 4.35 en het vullen van gasflessen met propaan of butaan in paragraaf 4.101. In paragraaf 4.35 van het Bal staat dat bij het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. In paragraaf 4.101 van het Bal staat dat bij het vullen van gasflessen met propaan of butaan moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van 4.35 en 4.101 van het Bal te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om de maatregelen die in Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen omgevingsveiligheid en brandpreventie.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van paragraaf 4.35 en paragraaf 4.101 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van paragraaf 4.35 en paragraaf 4.101 van het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te krijgen voor het toepassen van een gelijkwaardige maatregel. Er mag niet met de activiteit worden gestart voordat er toestemming is met een besluit van het bevoegd gezag.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat – met het oog op het waarborgen van de veiligheid – moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (omgevingsveiligheid of brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. Hoofdstuk 10 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

In artikel 3.296 van het Bal is het bieden van gelegenheid voor het tanken van voertuigen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Het tanken van LPG is niet vergunningplichtig op basis van het Bal. Voor LPG-tankstations is de besluitvorming met betrekking tot vergunningplicht erg afhankelijk van de lokale situatie en kan daardoor het beste decentraal worden afgewogen. Het bevoegd gezag kan ten aanzien van wel of geen vergunningplicht regels stellen in een omgevingsplan. Om bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet te voorkomen dat er een lacune ontstaat en de vergunningplicht komt te vervallen, is via de zogeheten bruidsschat de landelijke vergunningplicht (gebaseerd op het Bor) in het omgevingsplan opgenomen. Het bevoegd gezag heeft vervolgens de mogelijkheid om deze vergunningplicht in een omgevingsplan te schrappen en daar andere regels aan te verbinden. Op grond van artikel 3.298 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.35 als het gaat om het tanken van voertuigen met LPG. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn.

In de artikelen 3.109, 3.116, 3.138, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.270, 3.278, 3.283, 3.290, 3.294, 3.309, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal is het vullen van gasflessen met propaan of butaan aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze activiteit is een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig als propaan of propeen in de vloeistoffase wordt afgetapt. Op grond van de artikelen 3.109, 3.116, 3.138, 3.146, 3.150, 3.154, 3.157, 3.161, 3.165, 3.168, 3.198, 3.203, 3.206, 3.209, 3.213, 3.216, 3.219, 3.230, 3.251, 3.254, 3.270, 3.278, 3.283, 3.290, 3.294, 3.309, 3.325, 3.328 en 3.330 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.101 als het gaat om het vullen van gasflessen met propaan of butaan. In deze paragraaf staat dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Voor het deel van de milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig is en waarop de algemene regels van paragraaf 4.101 niet van toepassing zijn, worden de maatregelen als voorschrift in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit opgenomen.

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.473 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

M1, M2, M4, M5, M6, M7, M8, M10, M11, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, M21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M40, M41, M42, M43, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M53, M54, M55, M56,M57, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M73, M74, M75, M76, M77, M78, M79, M80, M81, M82, M83, M84, M86, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95,M96, M97, M98, M99, M101, M102, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M111, M112, M113, M114, M115, M116, M117, M118, M119, M120, M121, M122, M123, M124, M125,M126 , M127, M128, M129, M130, M131, M132, M133, M134, M135, M136, M206, M207

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.1028 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

M137, M138, M139, M140, M141, M142, M143,M144 , M145, M146, M147, M148, M149, M150, M151, M152, M153, M154, M155, M156, M157, M158, M159, M160, M161, M162, M163, M164, M165,M166, M167, M168, M169, M170, M171, M172, M173, M175, M179, M181, M182, M183, M184, M185, M186,M187, M188,M189, M190, M191, M192, M193, M194,M195, M196, M197, M198, M199, M200, M201, M202,M203, M204, M205, M206, M207

5.2.3Externe veiligheidsafstanden

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor het tanken van voertuigen met LPG zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

5.2.4Omgevingsplan

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in de Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen, gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkwaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit hoofdstuk 10. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan de arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 10 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

M1, M2, M3, M5, M7, M8,M9, M10, M13, M14, M15, M16, M18, M19, M20, M21, M22,M23, M24, M29, M31, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M42, M43, M44, M45, M46, M47, M48, M71, M72, M75, M76, M77, M79, M80, M81, M82, M84, M85, M86, M87, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95, M96, M97, M98, M99, M100, M101, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, M110, M113, M114, M115, M116, M117, M118, M121, M122, M123, M124, M125, M126, M127, M132,M133, M134, M135, M137, M138, M143, M144, M145, M146,M147, M148, M149, M151, M152, M153, M154, M156,M157, M158, M159, M160, M161,M162, M163, M164, M165, M166, M167, M168, M169, M170, M171, M172, M174, M175, M176, M177, M179, M180,M181, M182, M183, M184, M185, M187, M188, M189, M190,M191, M192, M196,M197,M198, M199, M200, M201, , M203, M204, M205, M206

5.4Brand- en rampenbestrijding

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet, zijn aangeduid met brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr, zijn aangeduid met rampenbestrijding.

6DoelenNormatief

6.1Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig opslaan en afleveren van LPG en het veilig vullen van gasflessen en ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs of wisselreservoirs in vulinstallaties. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in de Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in de Hoofdstuk 7, Hoofdstuk 8 en Hoofdstuk 9 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen voor LPG-afleverinstallaties, vulstations en skid-installaties

M2 , M137 en M206 gelden voor alle doelen die in deze paragraaf worden genoemd.

7Maatregelen LPG-tankstationsNormatief

7.1Inleiding bij de maatregelen

Hoofdstuk 7, 8 en 9 bevatten maatregelen. Ze bevatten de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen wordt in ieder geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komt overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de markeringen omgevingsveiligheid, brandpreventie, arbeidsveiligheid en rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

omgevingsveiligheid: Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet

brandpreventie: Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer)

arbeidsveiligheid: Maatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet

rampenbestrijding: Maatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving, zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

Deze PGS is onderverdeeld in verschillende toepassingsgebieden, waarop verschillende maatregelen van toepassing zijn.

Hoofdstuk 7 gaat over publiek toegankelijke LPG-tankstations en niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen. Bij publiek toegankelijke LPG-tankstations zijn de volgende subcategorieën opgenomen: publieke tankstations met toezicht, publieke tankstations met toezicht op afstand en situaties waarvoor vóór 1 juli 1984 een milieuvergunning is verleend. Voor niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen is alleen de subcategorie afleverautomaten op niet publiek toegankelijk terrein opgenomen.

Hoofdstuk 8 gaat over LPG-vulstations. De subcategorieën in hoofdstuk 8 zijn: vullen op gewicht en vullen op volume.

Hoofdstuk 9 gaat over skids. Voor de genoemde situaties zijn gezamenlijke maatregelen van toepassing, maar ook maatregelen die alleen voor een specifieke situatie gelden.

De maatregelen, die zijn opgedeeld in de verschillende hoofdstukken, gelden alleen voor het toepassingsgebied genoemd in dat desbetreffende hoofdstuk. Daarnaast is in de maatregel zelf aangegeven voor welke situatie deze van toepassing is.

Tabel 1 geeft een overzicht van de maatregelen die gelden voor de verschillende toepassingsgebieden in deze PGS:

Tabel 1Toepassingsgebieden en bijbehorende maatregelen

Hoofdcategorieën

Subcategorieën

Maatregelen

Aanvullende maatregelen

Publiek toegankelijke LPG-tankstations

Paragraaf 7.4, Paragraaf 7.5.1, Paragraaf 7.5.2, Paragraaf 7.6, Paragraaf 7.7.2, Paragraaf 7.7.3, Paragraaf 7.7.6, Paragraaf 7.7.7, Paragraaf 7.7.8, Paragraaf 7.7.9, Paragraaf 7.7.10, Paragraaf 7.7.11, Paragraaf 7.7.12, Paragraaf 7.8.1

Publieke tankstations met toezicht

Paragraaf 7.8.2

Publieke tankstations met toezicht op afstand

Paragraaf 7.5.3, Paragraaf 7.8.3

Situaties waarvoor vóór 1 juli 1984 een milieuvergunning is verleend

Paragraaf 7.7.5

niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

Paragraaf 7.4, Paragraaf 7.5.1, Paragraaf 7.6, Paragraaf 7.7.2, Paragraaf 7.7.6, Paragraaf 7.7.7, Paragraaf 7.7.8,Paragraaf 7.7.9, Paragraaf 7.7.10, Paragraaf 7.7.12, Paragraaf 7.8.1

Afleverautomaten op niet publiek toegankelijk terrein

Paragraaf 7.5.4, Paragraaf 7.7.4, Paragraaf 7.8.4

Vulstations

Vullen op gewicht van gasflessen

Hoofdstuk 8 met uitzondering van M150 en M151

Vullen op niveau van ballonvaarttanks, ingebouwde reservoirs en wisselreservoirs

Hoofdstuk 8 met uitzondering van M188, M189, M190, M192

Skids

Hoofdstuk 9

7.2Drukapparatuur

Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED)

LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties zijn drukapparatuur. Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een inwendige druk die hoger is dan de omgevingsdruk. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED) en luidt als volgt:

“ ‘drukapparatuur’ of ‘drukapparaten’: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, inclusief, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, steunconstructies, hijsogen.”

Drukapparatuur wordt onderverdeeld in:

  • drukvaten;
  • installatieleidingen;
  • veiligheidsappendages;
  • onder druk staande appendages.

Een enkelvoudig drukapparaat staat nooit op zichzelf, het wordt altijd geïntegreerd in een functioneel geheel. Dit wordt een samenstel genoemd. LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties bestaan uit verschillende componenten en zijn daarom ook een samenstel. De wet- en regelgeving voor het ontwerp van drukapparatuur geldt ook voor samenstellen.

Ontwerp

Drukapparatuur zijn arbeidsmiddelen met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken, maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden en in bedrijf stellen, het gebruiken en nadien wijzigen van drukapparatuur. Dit is in Nederland vastgelegd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen.

Bij de bouw van LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:

  • Worden LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van een derde partij (een leverancier, een installateur, enz.) die LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
  • Worden LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker, dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten, maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.

De ontwerpeisen voor LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties liggen vast in de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED). Deze richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of het samenstel moet hij vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse. De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:

  • Gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, geëlimineerd of verkleind in het ontwerp.
  • Er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd.
  • De gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en vermeld wordt of het nodig is dat er passende gevaarverminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik. Deze maatregelen worden opgenomen in de gebruikershandleiding.

De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeenkomen met de scenario’s die zijn beschreven in Hoofdstuk 4 van deze PGS.

De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat (LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties), zijn vastgelegd in Bijlage I van de Richtlijn Drukapparatuur. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen en dat betekent onder andere dat:

  • LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties voldoende sterk zijn om de belastingen die kunnen worden verwacht (kracht, brand, hogedruk, enz.) te weerstaan;
  • maatregelen zijn genomen om LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties veilig te bedienen;
  • LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties zodanig zijn ontworpen dat deze veilig kunnen worden geïnspecteerd;
  • LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties veilig kunnen worden gevuld en geleegd;
  • passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) zijn aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, moet deze afblazen op een zodanige plaats dat daarbij geen gevaar voor personen kan optreden.

Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Dit is echter niet verplicht. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, zal hij moeten aantonen dat LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties wel voldoen aan de essentiële eisen van de PED. In de praktijk blijkt het overgrote deel van LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties volgens de geharmoniseerde normen te worden gebouwd.

Door middel van het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat hij voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De mate van toezicht is afhankelijk van het risico; LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties zijn samenstellen die worden ingedeeld in tabel 1 van de PED en valt in categorie IV.

Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), moet déze CE-markering aanbrengen op LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties. Op LPG-afleverinstallaties of vulinstallaties (het samenstel), hoeft slechts één CE-markering aangebracht te worden, dus niet één op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE-markering in het samenstel zijn opgenomen, wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) en specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen, enz.), op de kenplaat worden aangebracht.

Nadat de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen, stelt de fabrikant een verklaring van overeenstemming op. Dit is een verklaring dat de LPG-afleverinstallatie of vulinstallatie voldoet aan de essentiële eisen van de van toepassing zijnde productrichtlijnen. Verder stelt hij een technisch dossier samen. Dit dossier omvat ten minste:

  • een algemene beschrijving van de LPG-afleverinstallatie of vulinstallatie;
  • ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
  • beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen;
  • een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
  • berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles;
  • testverslagen.

De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het is raadzaam om met de aanschaf van LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.

Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties. Hierin staan de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven hoe de installatie veilig kan worden bedreven.

Gebruik

De wet (het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur, maar ook aan de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker van LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties om hieraan te voldoen. De gebruiker moet LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties laten keuren voordat deze in gebruik worden genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.

De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden,. Dit is geregeld in de Warenwetregeling drukapparatuur 2016. Verplichtingen die zijn opgenomen in een besluit, worden vaak uitgewerkt in een regeling. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur ‘aangewezen’ die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Ook een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.

Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een deskundige.

Bij LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties zijn de vaten ‘aangewezen’ drukapparatuur als de druk P · volume V boven een bepaalde waarde is. Een leiding is ‘aangewezen’ boven een bepaalde druk en/of diameter. Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties ‘aangewezen’ drukapparatuur is:

  • aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
  • door de fabrikant te benaderen; wellicht staat het in de handleiding van de installatie;
  • door een NL-CBI te benaderen.

De ‘aangewezen’ drukapparatuur in LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de keuring voor ingebruikneming is vast te stellen of LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties voldoen aan de Europese richtlijnen en veilig kunnen worden gebruikt. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI; deze geeft een Verklaring van Ingebruikneming af.

Het doel van de periodieke herkeuring is vast te stellen of de installatie nog veilig kan worden gebruikt. ‘Aangewezen’ drukapparatuur wordt elke vier jaar gekeurd door een NL-CBI. Hiervoor wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. De keuring van niet aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een deskundige en ook deze stelt hiervan een rapportage op. Dit is verplicht op basis van het Arbobesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaatsvindt met de NL-CBI en de deskundige hoe LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties in hun geheel weer veilig kunnen worden gebruikt.

Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties is de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Daarbij is veelal toezicht vereist door een NL-CBI. Voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, wordt aangeraden om contact te zoeken met een NL-CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de gegevens op de kenplaat niet meer kloppen. In dat geval moet een EU-CBI hierbij worden betrokken. Regulier onderhoud aan LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de handleiding van de fabrikant.

Zolang LPG-afleverinstallaties en vulinstallaties in werking zijn of in werking kunnen worden gesteld, bewaart de gebruiker de volgende documenten:

  • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens de ‘oude’ PED 97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens de ‘nieuwe’ PED 2014/68/EU);
  • de gebruiksaanwijzing;
  • de Verklaring van Ingebruikneming;
  • de verklaring van herkeuring;
  • het aantekenblad;
  • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.

Het aantekenblad wordt meegeleverd met de Verklaring van Ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

De Inspectie-SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbowet (en het Arbobesluit) en de Warenwet (en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016). De verplichtingen uit deze wetten worden niet als maatregel opgenomen in deze PGS. In deze informatieve tekst worden de verplichtingen van de gebruiker samengevat. De verplichtingen in de Arbowet en de Warenwet en de onderliggende besluiten kunnen evenmin worden opgenomen in een omgevingsvergunning.

7.3Explosieve atmosferen

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen uit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten;

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten beschermd worden tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid, zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex.

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones overeenkomstig Tabel 2.

Tabel 2Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1

Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij LPG-afleverinstallaties

Als gevolg van het vrijkomen van LPG kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming van werknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Interne afstanden en ATEX

In de PGS kunnen minimumafstanden opgenomen zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet hetzelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcasescenario en -situatie waardoor de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan diegene in de PGS-richtlijn.

7.4Maatregelen LPG-installatie voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

Voor LPG-installaties geldt dat deze moeten voldoen aan maatregelen uit PGS 19:2021 versie 1.0 (september 2021) (zie nadere precisering in M1) betreffende ontwerp, installatie, onderhoud en keuring van het reservoir, bijbehorende leidingen en toebehoren. In Hoofdstuk 7 van deze PGS 16 staan met name veiligheidsmaatregelen, zoals interne afstanden en maatregelen voor het afleveren van LPG. Er staan echter ook maatregelen in die betrekking hebben op ontwerp, installatie, onderhoud en keuring. Deze maatregelen zijn aanvullend op de maatregelen beschreven in PGS 19:2021 versie 1.0 (september 2021) en zijn opgenomen vanwege specifieke risico’s bij LPG-tankstations of bij LPG-afleverinstallaties op niet publiek toegankelijke bedrijfsterreinen.

Daarnaast geldt dat LPG-installaties moeten voldoen aan het basisveiligheidsniveau dat is vastgelegd in de volgende maatregel:

7.5Constructie en uitvoering van een LPG-reservoir

7.5.1Algemene eisen constructie en uitvoeringseisen voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

7.5.2Uitvoerings- en constructie-eisen die alleen gelden voor publiek toegankelijke tankstations

7.5.3Uitvoerings- en constructie-eisen die alleen gelden voor publiek toegankelijke tankstations waarbij toezicht op afstand plaatsvindt

7.5.4Uitvoerings- en constructie-eisen die alleen gelden voor niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen zonder direct toezicht – Afleverautomaten

7.6Inspectie, onderhoud, registratie en documentatie voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

7.7Veiligheidsmaatregelen

7.7.1Algemeen

De in Paragraaf 7.7 genoemde scenario’s bij de maatregelen met betrekking tot de interne afstanden in Paragraaf 7.7.2, Paragraaf 7.7.3, Paragraaf 7.7.4 en Paragraaf 7.7.5 zijn niet uitputtend. Het gaat er steeds om dat in het geval van een ontstane brand geen domino-effect kan plaatsvinden.

7.7.2Interne afstanden voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

7.7.3Interne afstanden voor publiek toegankelijke LPG-tankstations

7.7.4Interne afstanden voor niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen moeten voldoen aan de afstanden genoemd in Paragraaf 8.4.7.

7.7.5Interne afstanden voor situaties waarvoor vóór 1 juli 1984 een milieuvergunning is verleend

7.7.6Explosieveiligheid voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

7.7.7Elektrische installatie voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

7.7.8Beveiliging tegen mechanische invloeden voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen

7.7.9Afsluiters en noodstopvoorzieningen voor zowel publiek toegankelijke LPG-tankstations als niet publiek toegankelijke LPG-tankstations op bedrijfsterreinen