13Ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen

Richtlijn voor veilig gebruik van ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen

Versie

Deze PGS 13:2021 versie 1.0 (september 2021) is inhoudelijk gelijk aan de door het Bestuurlijk Omgevingsberaad vastgestelde PGS 13:2020 versie 0.2 (April 2020). Redactioneel zijn er een aantal kleine wjizgingen doorgevoerd.

Een PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn is een document over activiteiten met gevaarlijke stoffen. In de PGS-richtlijn staan de belangrijkste risico's van die activiteiten voor de veiligheid en gezondheid van werknemers, veiligheid van de omgeving en de brandveiligheid. Ook staan in een PGS-richtlijn de mogelijke gevolgen van die risico's voor het bestrijden van een ramp. Om de risico's te beheersen en de negatieve effecten voor mens en milieu te beperken zijn doelen geformuleerd. Aan deze doelen zijn maatregelen gekoppeld. Met deze maatregelen kan aan de doelen worden voldaan. Naast de in deze PGS genoemde maatregelen is het mogelijk om gelijkwaardige maatregelen te treffen voor zover de wetgeving dit toelaat.

Meer informatie over de PGS-organisatie is te vinden op: publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl . Daar staan ook de actuele publicaties.

PGS Nieuwe Stijl – risicobenadering als basis

In 2015 is gestart met een nieuwe opzet van de PGS-richtlijnen, de PGS Nieuwe Stijl. Een PGS Nieuwe Stijl betekent dat de maatregelen tot stand zijn gekomen met een risicobenadering. Dit houdt in dat is geanalyseerd welke risico's er zijn bij activiteiten met de gevaarlijke stof. De situaties waarbij het mis kan gaan en die leiden tot ongewenste, gevaarlijke gevolgen, zijn beschreven in scenario´s. Voor deze scenario's zijn doelen geformuleerd gericht op het beheersen van de risico's. Met maatregelen kan een bedrijf aan een doel voldoen.

De PGS Nieuwe Stijl kent de volgende hoofdelementen:

  • de wettelijke kaders;
  • de risicobenadering met de scenario's;
  • de doelen;
  • maatregelen om aan de doelen te voldoen
Onderwerpen en doelstellingen PGS-richtlijn

Een PGS-richtlijn geeft invulling aan:

  • Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid of brandbestrijding omgevingsveiligheid Brandpreventie;
  • Arbeidsveiligheid Arbeidsveiligheid;
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding Brandpreventie;

Voor deze onderwerpen zijn de doelstellingen:

Omgevingsveiligheid:

Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.

Arbeidsveiligheid:

Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.

Brand- en rampenbestrijding:

Het beperken van de gevolgen van een brand of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

Organisatie bij het tot stand komen van deze PGS-richtlijn

Deze PGS-richtlijn is opgesteld door een team van vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en de overheid. Vertegenwoordigd zijn: IPO, VNG, Inspectie SZW, Brandweer Nederland, VNO-NCW en MKB-Nederland. In Bijlage I staan de gegevens van de leden van het team dat deze PGS-richtlijn heeft opgesteld.

Het PGS-team is onderdeel van de PGS Beheerorganisatie. Daaronder vallen alle PGS-teams, het Projectbureau en de Adviesraad. De Programmaraad stuurt de PGS Beheerorganisatie aan.

Het Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH (BOb) heeft deze richtlijn vastgesteld. Het BOb is de opdrachtgever van de PGS-Beheerorganisatie. De governance van de PGS Beheerorganisatie is door het BOb vastgelegd.

Status van PGS-richtlijnen

De partijen van het BOb hebben afgesproken om op de volgende manier om te gaan met de PGS-richtlijnen.

  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bepaalt in overleg met het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in het Besluit activiteiten leefomgeving dat moet worden voldaan aan een PGS-richtlijn, voor zover gericht op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving. Dit zijn direct werkende regels.
  • Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat wijst deze PGS-richtlijnen in het Besluit kwaliteit leefomgeving aan als informatiedocumenten over de beste beschikbare technieken (BBT). Dit betekent dat het bevoegd gezag verplicht is om bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit rekening te houden met PGS-richtlijnen bij het bepalen van BBT.
  • Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid neemt de onderdelen van de PGS-richtlijnen die als stand van de wetenschap en professionele dienstverlening worden gezien, op in de beleidsregel PGS-richtlijnen om aan doelen te voldoen voor arbeidsveiligheid.
  • De veiligheidsregio's gebruiken de PGS-richtlijnen als richtlijn bij het adviseren over brandveiligheid in omgevingsvergunningen en bij het voorbereiden van de brand- en rampenbestrijding.
  • De toezichthouders van het bevoegd gezag, de Inspectie SZW en de veiligheidsregio's beschouwen de PGS-richtlijnen als een belangrijk referentiekader bij het toezicht op de naleving van wettelijke verplichtingen zoals de Seveso-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn is door de Programmaraad goedgekeurd voor vaststelling door het BOb op: 24 maart 2020. Waarna het BOb deze PGS-richtlijn heeft vastgesteld op: 17 september 2020.

De voorzitter van de Programmaraad,

Koos van der Steenhoven

Leeswijzer

Indeling PGS-richtlijn

De PGS-richtlijn heeft een deel A, B en C en een aantal bijlagen. Bij elk hoofdstuk en bij elke bijlage staat of de inhoud informatief of normatief is. Alleen de normatieve delen zijn bindend en gelden als eis of voorschrift. Met het voldoen aan de maatregelen in deze PGS wordt voldaan aan de in deze PGS opgenomen doelen.

Deel A: Inleidende onderwerpen

Deel A is voor het grootste deel informatief en bevat informatie over de (activiteiten met) gevaarlijke stof, het toepassingsbereik en de risicobenadering met de scenario's. Alleen Paragraaf 1.2 met het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn is normatief.

  • Hoofdstuk 1 bevat een algemene inleiding op deze PGS-richtlijn.
  • Paragraaf 1.2 beschrijft de reikwijdte en het toepassingsbereik. Dit is normatief.
  • Hoofdstuk 2 bevat algemene informatie over ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen.
  • Hoofdstuk 3 beschrijft het basisveiligheidsniveau en geeft algemene informatie over de risicobenadering.
  • Hoofdstuk 4 bevat een beschrijving van de scenario's.
Deel B: Doelen en maatregelen

Deel B is normatief. In deel B staat het wettelijk kader, de doelen en maatregelen om hoog en middelhoog risico-scenario’s te voorkomen en beperken.

  • Hoofdstuk 5 bevat een richtingaanwijzer wet- en regelgeving. Deze richtingaanwijzer maakt duidelijk op grond van welke wetgeving aan welke maatregelen in deze PGS-richtlijn moet worden voldaan.
  • Hoofdstuk 6 beschrijft de doelen en geeft aan welke maatregelen invulling geven aan het doel.
  • Hoofdstuk 7 bevat maatregelen. Daarnaast staat bij elke maatregel voor welk scenario de maatregel relevant is en aan welke doelen de maatregel invulling geeft.
Deel C: Informatie bij implementatie

Deel C van de richtlijn is informatief. Deel C is bedoeld voor extra informatie over het onderwerp van deze PGS-richtlijn. Het gaat om informatie die niet in deel B past, maar die wel helpt bij het omgaan met deze PGS-richtlijn. Voorbeelden van onderwerpen in deel C zijn uitleg over geaccepteerde praktijken of een toelichting op onderwerpen die in andere wetten en regels vastliggen.

Deel C van deze richtlijn bevat informatie over:

Bijlagen

Deze PGS bevat bijlagen. De teksten in deel A, B en C kunnen naar die bijlagen verwijzen. Een bijlage is informatief of normatief. Dit staat bij elke bijlage aangegeven.

De volgende bijlagen zijn normatief:

  • Bijlage A: Afkortingen en begrippen;
  • Bijlage B.1: Normatieve documenten en normen. Deze bijlage bevat documenten en normen waar de maatregelen in deze PGS naar verwijzen. Daar staat ook de versie van de norm bij;
  • Bijlage F: Implementatietermijnen in bestaande situaties.
Informatiebronnen

In deze PGS zijn wetten en andere informatiebronnen genoemd. Een overzicht hiervan staat in Bijlage B.2. Daar staat ook waar deze wetten en informatiebronnen te vinden of verkrijgen zijn.

1Inleiding

1.1Doel van de richtlijn

Het doel van deze PGS-richtlijn is om vast te leggen met welke maatregelen de risico's van ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen te beheersen zijn. Deze maatregelen zijn gebaseerd op een risicobenadering die uitgaat van scenario's die zich voor kunnen doen. Op basis van de scenario's zijn doelen geformuleerd waarmee wordt beoogd een aanvaardbaar veiligheidsniveau te creëren. Uit de doelen zijn vervolgens de maatregelen afgeleid. Deze maatregelen verkleinen de kans op een incident, of voorkomen of beperken de nadelige gevolgen van een incident. Informatie over de risicobenadering staat in Hoofdstuk 3 van deze richtlijn.

1.2Toepassingsbereik van de richtlijn Normatief

Deze PGS-richtlijn is van toepassing op koelinstallaties en warmtepompen en moet worden gevolgd bij de bouw van nieuwe installaties. De PGS heeft betrekking op de gehele levenscyclus van de installatie. Daar waar in deze PGS wordt gesproken van koelinstallaties, worden daarmee tevens warmtepompen bedoeld, tenzij expliciet anders aangegeven. Binnen het toepassingsgebied van deze PGS vallen mechanische dampcompressie koelinstallaties met ammoniak als koudemiddel. De volgende onderwerpen vallen niet binnen de reikwijdte van deze PGS:

  • secundaire circuits (water, glycol, brijn, kooldioxide, enz.) die worden gebruikt voor de afgifte of opname van warmte van of naar het primaire (ammoniakhoudende) koelcircuit;
  • thermisch gedreven koelinstallaties op basis van het ab- of adsorptieprincipe, met ammoniak als een van de componenten in een koudemiddelmengsel (in de meeste gevallen in combinatie met water als absorbent);
  • koelinstallaties met zeotrope of azeotrope koudemiddelmengsels met ammoniak als een van de componenten in het mengsel.

Indien ammoniak wordt toegepast als een van de koudemiddelen in een cascade-koelinstallatie (meestal in combinatie met kooldioxide als koudemiddel in het andere gedeelte van de cascade-koelinstallatie), dan is deze PGS primair van toepassing op het koelinstallatiegedeelte met ammoniak als koudemiddel, waarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijke gevaren en risico’s die kunnen optreden wanneer ammoniak onverhoopt in het andere gedeelte van de koelinstallatie terechtkomt, of wanneer het koudemiddel in het andere installatiegedeelte onverhoopt in het ammoniakgedeelte terechtkomt.

Deze richtlijn gaat niet in op de emissies naar bodem, water en lucht. Eisen over emissies naar bodem, water en lucht staan in de regels op grond van de Omgevingswet. Wel zijn bodem-, water- en luchtaspecten genoemd als dit consequenties heeft voor de veiligheid en gezondheid van werknemers en voor de veiligheid van de omgeving. Een voorbeeld is een plas met gevaarlijke stoffen. Dit heeft niet alleen risico’s voor de bodem. De gevaarlijke stof kan namelijk ook uitdampen of in brand raken en schadelijke effecten hebben op de veiligheid en gezondheid van werknemers of de omgeving. De maatregel van een lekbak heeft dan meerdere doelen.

1.3Relatie met wet- en regelgeving

Wettelijke basis PGS

Deze PGS-richtlijn geeft een nadere uitwerking van wettelijke voorschriften op grond van de Omgevingswet, de Arbeidsomstandighedenwet en de Wet veiligheidsregio's.

In Hoofdstuk 5 staat een toelichting op de relatie met deze wetgeving. Ook staat in Hoofdstuk 5 een richtingaanwijzer waarmee duidelijk wordt welke maatregelen een bedrijf moet treffen op grond van deze wettelijke kaders.

Direct werkende wetten en regels

Naast de eisen in deze PGS-richtlijn zijn er ook andere wetten en regels waaraan een activiteit moet voldoen. Een voorbeeld daarvan is de Warenwet met bijbehorende Warenwetbesluiten. Bijlage C bij deze PGS-richtlijn bevat meer informatie over de wet- en regelgeving die van toepassing kan zijn op de activiteit uit deze PGS-richtlijn.

Deze PGS-richtlijn bevat naast de PGS-eisen (in blauwe kaders) ook een aantal maatregelen waaraan een bedrijf op grond van andere wetten en regels al moet voldoen. Dit is om de PGS-richtlijn beter leesbaar en toepasbaar te maken. Dit geeft voor een bepaald onderwerp een vollediger beeld van maatregelen die invulling geven aan de doelen.

De maatregelen die al zijn verankerd in direct werkende wetten en regels, hebben een aparte status binnen deze PGS-richtlijn. Een bedrijf moet op grond van deze andere wetten en regels al aan deze maatregelen voldoen. Deze maatregelen zijn in de PGS-richtlijn te herkennen aan een oranje kader.

1.4Implementatietermijnen

In Hoofdstuk 7 staan maatregelen. Deze maatregelen geven een invulling aan de stand van de techniek en de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening.

Nieuwe activiteiten moeten direct voldoen. Bijlage E geeft een overzicht van maatregelen die nieuw zijn of gewijzigd in vergelijking met de vorige versie van deze PGS-richtlijn. In Bijlage F staat voor bestaande activiteiten binnen welke termijn de activiteiten moeten voldoen aan de gewijzigde of nieuwe maatregelen.

1.5Gebruik van normen

Als deze PGS-richtlijn verwijst naar een norm (zoals NEN, EN, of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie, gaat het om de uitgegeven publicatie, inclusief wijzigings- of correctiebladen, zoals die op het moment van de publicatie van deze PGS-richtlijn luidde. Dit staat in Bijlage B van deze PGS-richtlijn.

Normen, zoals NEN, EN of ISO of andere normdocumenten of specificaties, worden periodiek opnieuw beoordeeld en zo nodig herzien. De veranderingen zijn vaak beperkt. Wanneer alle bestaande bedrijven toch direct aan de nieuwste versie moeten voldoen, kan dat grote (financiële) gevolgen hebben. Voldoen aan de nieuwste versie hoeft niet per definitie te leiden tot een verbetering van het veiligheidsniveau.

In Bijlage B staat daarom bij de normen waar deze PGS-richtlijn naar verwijst, ook een jaartal. Het gaat om de versie van de norm met dat jaartal, inclusief wijzigings- of correctiebladen. Dat betekent dat deze versie blijft gelden zolang de PGS-richtlijn op dit punt niet is gewijzigd.

Uitzondering voor normen via andere wetten en regels

Soms zijn normen rechtstreeks van toepassing. Bijvoorbeeld omdat andere wetten en regels naar die norm verwijzen. Dat geldt bijvoorbeeld voor normen die horen bij bindende Europese regels. Voor die normen geldt dat de versie die in die wetten en regels staat, bepalend is.

2Beschrijving koelinstallatie

2.1Over ammoniak

2.1.1Algemene informatie

Ammoniak is een kleurloos, giftig gas met een sterk prikkelende geur. Het gas is lichter dan lucht; de dampdichtheid ten opzichte van lucht is 0,6. Door samenpersen en afkoelen kan het gas tot vloeistof worden verdicht. Vrijkomen van tot vloeistof verdicht gas of grote hoeveelheden ammoniakgas lijdt tot vorming van een koude nevel. Die gedraagt zich als een zwaar gas en kan zich over de grond uitbreiden.

Ammoniak is oplosbaar in water, hierbij komt warmte vrij. De aldus gevormde basische vloeistof wordt ammoniakwater of ammonia genoemd. Vochtig ammoniak geeft geen corrosie op ijzer of staal, maar reageert wel met koper, zilver, zink en veel legeringen, vooral die koper bevatten.

Bijlage H bevat een samenvatting van de gevaaraspecten van ammoniak, afkomstig uit het chemiekaartenboek.

2.1.2Gevaren van ammoniak

Toxiciteit algemeen

De gevolgen voor de gezondheid van ammoniakdampen zijn afhankelijk van de mate van blootstelling. In hoge concentratie werkt het sterk bijtend op de ogen en de slijmvliezen en sterk prikkelend op de huid. Tot vloeistof verdichte ammoniak kan bij contact met de huid bijtende irritatie en ernstige brandwonden veroorzaken.

Tabel 1 geeft een kort overzicht van de gebruikelijke waarden ter karakterisering van de schadelijke gezondheidseffecten van ammoniak. Tabel 1 wordt in de volgende paragrafen toegelicht.

Tabel 1Concentratiewaarden schadelijke gezondheidseffecten en drempels voor waarneming, zie ook de interventiewaarden van het RIVM :

Begrip

Waarde [ppm]

Waarde (mg/m3)

Drempels voor waarneming

Reukdrempel, gemiddeld persoon

1 – 50,7 – 3,5

Reukdrempel, vrijwel iedereen

25

17,5

Concentratiewaarden schadelijke gezondheidseffecten

VRW (voorlichtingswaarde)

30

21

Grenswaarde (TGG-8 h)

20

14 (wettelijk)

Grenswaarde (TGG-15 min)

51

36 (wettelijk)

AGW (alarmeringsgrenswaarde) (1 uur)

198

140

ATEL (Acute Toxicity Exposure Limit)

350

LBW (levensbedreigende waarde) (1 uur)

1 100

780

IDLH (Immediately Dangerous to Life and Health limit)

297

210

Blaren en chemische brandwonden

20 000

14 000

DNEL (Derived No-Effect Level) huid

6,8 mg/kg lichaamsgewicht per dag

6,8 mg/kg lichaamsgewicht per dag

Effecten ademhalingsorganen

De werking op de ademhalingsorganen blijft meestal beperkt tot de bovenste luchtwegen, omdat het gas goed in water oplost en bovendien sterke reflexen opwekt waardoor men onmiddellijk de adem inhoudt. Bij zeer hoge concentraties kan de ammoniak in diepere luchtwegen komen. De gevolgen zijn dan zeer ernstig, zoals aantasting van de longen (longoedeem). Ter beoordeling van de schadelijkheid van een stof worden onder meer de volgende begrippen gehanteerd:

Reukdrempel

De reukdrempel van ammoniak ligt laag: 1 ppm tot 5 ppm. Hierbij is echter geen rekening gehouden met individuele verschillen, gewenning en niet ideale reukomstandigheden. Bij circa 25 ppm is de ammoniakreuk door vrijwel alle personen waarneembaar.

Grenswaarde (voorheen MAC-waarde)

De grenswaarde TGG-8 h geeft die concentratie aan waarbij een doorsnee arbeidsgeschikt persoon 8 h/dag werk (gedurende lange tijd) kan verrichten, zonder hinderlijke of schadelijke gevolgen te ondervinden. De TGG-15 min is bedoeld om hoge blootstellingsniveaus gedurende korte tijd te voorkomen.

IDLH-waarde

De IDLH (Immediately Dangerous to Life or Health)-waarde geeft de concentratie aan waarboven onherstelbare schade kan worden veroorzaakt indien iemand onbeschermd aan ammoniak wordt blootgesteld. De IDLH-waarde geeft aan bij welke concentratie een werknemer nog veilig kan vluchten en waarboven alleen onafhankelijke ademlucht mag worden gebruikt.

Interventiewaarden

  • Voorlichtingsrichtwaarde (VRW) – de luchtconcentratie die met grote waarschijnlijkheid door de blootgestelde bevolking als hinderlijk wordt waargenomen of waarboven lichte gezondheidseffecten mogelijk zijn.
  • Alarmeringsgrenswaarde (AGW) – de luchtconcentratie waarboven onherstelbare of andere ernstige gezondheidseffecten kunnen optreden of waarbij door blootstelling aan de stof personen minder goed in staat zijn zichzelf in veiligheid te brengen.
  • Levensbedreigende waarde (LBW) – de luchtconcentratie waarboven mogelijk sterfte of levensbedreigende aandoeningen kunnen ontstaan.
  • De ATEL geeft de zogenoemde ‘praktische limiet’. Deze ligt op 350 mg per m3 inhoud van een verblijfsruimte. Deze praktische limiet representeert het hoogste concentratieniveau waarbij geen toxisch risico of risico voor ontbranding optreedt en wordt soms gebruikt voor de vaststelling van de maximale ammoniakhoeveelheid voor een specifieke toepassing. Let op: Deze praktische limiet is geen ontwerpuitgangspunt voor de maximumhoeveelheid ammoniak. Daarvoor wordt het classificatieschema uit NEN-EN 378-1 toegepast (zie Paragraaf 2.2.5).
Effecten huid en slijmvliezen

Ammoniak werkt sterk prikkelend en bijtend op de huid, slijmvliezen, oksels en dergelijke. Een concentratie van 20 000 ppm (14 000 mg/m3) ammoniak in de lucht veroorzaakt bij contact met de huid onmiddellijk blaren en chemische brandwonden (zie Bijlage H). Vloeibare ammoniak op de huid veroorzaakt zware vrieswonden. Waterige oplossingen van ammoniak zijn sterk alkalisch en zijn daarom voor de slijmvliezen en huid sterk irriterend of etsend. Het is mogelijk dat door inwerking van ammoniak op het trommelvlies een gehoorbeschadiging optreedt.

Grenswaarden huid

De DNEL (Derived No-Effect Level)-waarde geeft het blootstellingsniveau aan waarbij geen gezondheidsschade optreedt. De DNEL voor huid wordt uitgedrukt als dosis per dag, in mg/kg lichaamsgewicht/dag.

Effecten ogen

Gasvormige en vloeibare ammoniak werken sterk etsend op de oogslijmvliezen en het oog en zijn voor dit zintuig buitengewoon gevaarlijk.

Brandbaarheid

Ammoniak is een brandbaar gas, maar moeilijk te ontsteken en niet brandonderhoudend. Een koudgekookte ammoniakpoel brandt niet op een zichzelf onderhoudende manier zoals de meeste koolwaterstoffen. Dit wordt veroorzaakt doordat er onvoldoende warmtestraling vanuit de vlammen in de poel terechtkomt. De vlammen zijn erg doorzichtig. Wanneer er op een andere manier warmte wordt toegevoerd, bijvoorbeeld uit de grond of met water, is er brand mogelijk. Een eventuele ammoniakbrand geeft slechts een beperkt gevaar, omdat slechts weinig warmte-uitstraling van de brand op de omgeving plaatsvindt. De kans op het ontstaan van brand en explosie bestaat vrijwel uitsluitend in slecht geventileerde ruimtes.

De explosiegrenzen in de lucht zijn 15 volume% en 30 volume%. De minimumzelfontbrandingstemperatuur bedraagt 630 °C (in lucht en stalen vat), terwijl de minimum ontstekingsenergie 14 mJ bedraagt.

Indeling op grond van NEN-EN 378-1

In Annex E van NEN-EN 378-1:2016 is de veiligheidsclassificatie van ammoniak vermeld. Ammoniak is ingedeeld in veiligheidsklasse B2L. Klasse B betreft een toxisch koudemiddel; brandbaarheidsklasse 2L houdt in dat het koudemiddel matig ontvlambaar is. Deze klasse 2L is in de 2016-editie van NEN-EN 378-1 geïntroduceerd om recht te doen aan koudemiddelen die gering brandbaar zijn (met een ontbrandingssnelheid beneden 0,1 m/s).

Indeling op grond van CLP-verordening

De van toepassing zijnde gevaarszinnen (H-zinnen) zijn:

  • H400 – op korte termijn gevaarlijk voor in het water levende organismen;
  • H314 – veroorzaakt brandwonden en oogschade;
  • H221 – ontvlambaar gas;
  • H331 – vergiftig bij inademing;
  • H280 – bevat gas onder druk, kan exploderen bij verhitting.
Indeling op grond van WBDA 2016

Voor het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA)/PED 2014/68/EU is ammoniak op grond van de PED-methodiek ingedeeld in stofgroep 1. Voor de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 hoort ammoniak niet tot de categorieën ‘ontplofbaar’ of ‘zeer vergiftig’.

2.2Classificaties

2.2.1Algemeen

Aan de toepassing van ammoniak als koudemiddel zijn gevaren verbonden. In verband hiermee kunnen de toe te passen hoeveelheden ammoniak worden gelimiteerd. Koudemiddellimitering op basis van classificatie is de basis van de NEN EN 378-reeks.

De ontwerper van een ammoniakkoelinstallatie moet de maximaal toegelaten hoeveelheid ammoniak in de koelinstallatie bepalen aan de hand van de in NEN EN 378-1 beschreven classificatiemethodiek. In een aantal gevallen worden daarbij extra eisen betreffende de uitvoeringsvorm gesteld, of wordt het maximaal toegelaten aantal personen per oppervlakte van verblijfsruimtes aangegeven.

Voor de bepaling van de maximumhoeveelheid ammoniak in de koelinstallatie wordt rekening gehouden met:

  • de mate van toegankelijkheid van een verblijfsruimte waarin ammoniak kan vrijkomen;
  • de veiligheidsclassificatie van het koudemiddel ammoniak;
  • de locatie waar de koelinstallatie of installatiedelen staan opgesteld;
  • de uitvoering van het koelsysteem (direct of indirect);
  • de toegepaste veiligheidsvoorzieningen en het maximaal toegelaten aantal personen in verblijfsruimtes.

2.2.2Classificatie van de toegang van verblijfsruimtes

Tabel 2Toegangscategorieën van verblijfsruimtes

Categorieën

Algemene kenmerken

Voorbeelden a

Algemeen toegankelijke verblijfsruimte, toegankelijkheids- categorie a

Ruimtes, delen van gebouwen, gebouwen waarin mensen slapen, mensen in hun bewegingsvrijheid zijn beperkt, een ongecontroleerd aantal mensen aanwezig is of die voor iedereen toegankelijk zijn zonder dat men bekend is met de veiligheidsvoorzieningen

Ziekenhuizen, rechtbanken of gevangenissen, theaters, supermarkten, scholen, congres-/collegezalen, transportterminals, hotels, woningen, restaurants

Verblijfsruimte toegankelijk onder toezicht, toegankelijkheids categorie b

Ruimtes, delen van gebouwen, gebouwen waar slechts een beperkt aantal mensen kan samenkomen van wie een aantal noodzakelijkerwijs bekend is met de algemene veiligheids-voorzorgsmaatregelen van het gebouw

Zakelijke of beroepsmatig ingerichte kantoren, laboratoria, algemene productiefaciliteiten en plaatsen waar mensen werken

Geautoriseerde toegang tot verblijfsruimte, toegankelijkheidscategorie c

Ruimtes, delen van gebouwen, gebouwen die alleen toegankelijk zijn voor bevoegden die bekend zijn met algemene en specifieke veiligheidsvoorzorgsmaatregelen van de vestiging en waar producten of materialen worden vervaardigd, verwerkt of opgeslagen

Productiefaciliteiten, bijvoorbeeld voor chemicaliën, levensmiddelen, dranken, ijs, consumptie-ijs; raffinaderijen, koelhuizen, zuivelbedrijven, slachthuizen, delen van supermarkten die niet voor publiek toegankelijk zijn

a Deze lijst is niet uitputtend.

Indien een gebouw of ruimte tot meer dan één categorie kan worden gerekend, dan zijn de strengste eisen van toepassing. Indien de verblijfsruimtes met verschillende bestemmingen zijn gescheiden, bijvoorbeeld door afgesloten afscheidingen, vloeren en plafonds, gelden voor elke verblijfsruimte de eisen van de afzonderlijke categorieën.

Machinekamers worden niet beschouwd als verblijfsruimte. Indien een machinekamer tevens wordt gebruikt voor doeleinden waarbij personen gedurende een significante tijd in deze ruimte verblijven, dan moet deze machinekamer worden beschouwd als verblijfsruimte met toegankelijkheidscategorie c.

2.2.3Classificatie van de opstellingslocatie

Er zijn vier klassen opstellingslocaties voor koelinstallaties:

  • Klasse IV – Geventileerde omkasting: Indien alle ammoniakvoerende delen in een geventileerde omhulling zijn geplaatst, dan zijn de eisen voor een klasse IV-opstellingslocatie van toepassing. De geventileerde omhulling voldoet aan de eisen van NEN-EN 378-2 en NEN-EN 378-3.
  • Klasse III – Machinekamer of in de open lucht: Indien alle ammoniakvoerende delen in een machinekamer of in de open lucht zijn geplaatst, dan zijn de eisen voor een klasse III-opstellingslocatie van toepassing. De machinekamer moet voldoen aan de eisen van NEN EN 378 3.
  • Klasse II – Compressoren in machinekamer of in de open lucht: Indien alle compressoren en drukvaten in een machinekamer of in de open lucht zijn geplaatst, dan zijn de eisen voor een klasse II-opstellingslocatie van toepassing, tenzij het systeem voldoet aan de eisen van klasse III. Warmtewisselaars, verdampers, leidingen en afsluiters kunnen zich in een verblijfsruimte bevinden.
  • Klasse I – Mechanische apparatuur in een verblijfsruimte: Indien de koelinstallatie of ammoniakvoerende delen zijn geplaatst in een verblijfsruimte, dan wordt de opstellingslocatie beschouwd als klasse I, tenzij de opstellingslocatie voldoet aan de eisen van klasse II.

Waar van toepassing, geldt voor warmtepompen dat behalve de verdamper(s) ook de condensor(s) in de verblijfsruimte kan (kunnen) zijn geplaatst.

2.2.4Classificatie van de koelsystemen

Koelsystemen worden geclassificeerd aan de hand van de methode waarmee warmte wordt onttrokken (koeling) of toegevoerd (verwarming) aan de lucht of te behandelen substantie:

  • Directe systemen waarbij de koudemiddelvoerende verdamper, condensor of warmtewisselaar van het koelsysteem in direct contact staat met de lucht of de te koelen of te verwarmen substantie. Systemen waarin een warmteoverdrachtsmedium in direct contact staat met de lucht of de te koelen of te verwarmen goederen (sproei- of kanaalsystemen), worden gezien als directe systemen.
  • Indirecte systemen waarbij de verdamper of de condensor een warmteoverdrachtsmedium dat door een secundair circuit met warmtewisselaars circuleert, koelt of verwarmt. De secundaire warmtewisselaars zijn daarbij in direct contact met de lucht of te behandelen substantie.

2.2.5Classificatie van koelinstallatie naar aanwezige hoeveelheid koudemiddel

De NEN-EN 378-reeks geeft een aanpak voor het vaststellen van de maximaal toegelaten hoeveelheid ammoniak voor een gegeven installatie. Deze aanpak kan worden gevolgd. In plaats hiervan kan ook een specifieke risicoanalyse voor de installatie worden gevolgd.

De aanpak die NEN-EN 378-1:2016 geeft, is in de norm uitgewerkt in tabel C.1 en tabel C.2. Deze aanpak is van toepassing voor meerdere typen koudemiddelen en kijkt daarbij naar giftigheid en brandbaarheid van het toegepaste koudemiddel.

In een aantal gevallen worden extra eisen betreffende de uitvoeringsvorm gesteld of wordt het maximaal toegelaten aantal personen per oppervlakte van verblijfsruimtes aangegeven.

De gehanteerde classificatiemethodiek en de uitkomsten hiervan moeten door de ontwerper worden vastgelegd in het ontwerpdossier. Een kopie van deze classificatie moet beschikbaar zijn voor de NL-CBI tijdens de Keuring voor Ingebruikneming. Deze kopie moet daarna worden opgenomen in het logboek dat bij de koelinstallatie wordt geleverd.

De aanpak in NEN-EN 378-1 werkt als volgt:

  1. Stel de desbetreffende toegangscategorie a, b of c volgens tabel 4 en opstellingsuitvoering I, II, III of IV volgens Paragraaf 5.3 voor de installatie vast.
  2. Giftigheidsklasse is B: de giftigheidslimiet die moet worden gebruikt is gelijk aan de hoogste waarde van de ATEL/ODL-waarden of de praktische limiet (zie Bijlage E van NEN-EN 378-1:2016).
  3. Stel de maximaal toegelaten hoeveelheid koudemiddel voor de installatie op basis van giftigheid vast aan de hand van de hoogste waarde van:
    1. de maximaal toegelaten hoeveelheid uit tabel C.1 van NEN EN 378 1:2016;
    2. 20 m3 vermenigvuldigd met de giftigheidslimiet voor een hermetisch duurzaam gesloten installatie;
    3. 150 g voor een hermetisch duurzaam gesloten installatie.
  4. Stel de brandbaarheidsklasse vast van het in de installatie gebruikte koudemiddel: 2L, 2 of 3: ammoniak is geclassificeerd met brandbaarheidsklasse 2L.
  5. Stel de bijbehorende onderste ontstekingsgrens (LFL) vast volgens Bijlage E van NEN-EN 378-1:2016.
  6. Stel de maximaal toegelaten hoeveelheid voor de installatie op basis brandbaarheid vast aan de hand van de hoogste waarde van:
    1. de maximaal toegelaten hoeveelheid volgens tabel C.2 van NEN EN 378 1:2016;
    2. m1 x 1,5 voor hermetisch duurzaam gesloten installaties met gebruikmaking van brandbaarheidsklasse 2L;
    3. m1 voor hermetisch duurzaam gesloten installaties bij gebruikmaking van brandbaarheidsklasse 2 of 3 (niet van toepassing);
    4. 150 g voor hermetisch duurzaam gesloten installaties.
  7. Pas de laagste hoeveelheid koudemiddel toe zoals vastgesteld volgens C) en F).

Voor de maximaal toegelaten hoeveelheid in tabel C.2 van NEN-EN 378-1:2016 geldt een bovengrens die gebaseerd is op de LFL van het koudemiddel.

Voor enkele systemen is in NEN-EN 378-1 op basis van een alternatieve risicobenadering voor enkele opstellingsuitvoeringen en toegangscategorieën een maximaal toegelaten hoeveelheid koudemiddel vastgesteld. Zie voor A/C-systemen en warmtepompen voor menselijk comfort Paragraaf C.3 van NEN-EN 378-1:2016.

3Risicobenadering

3.1Basisveiligheidsniveau

Bij het uitvoeren van de activiteiten die vallen onder het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn wordt ervan uitgegaan dat een basisveiligheidsniveau aanwezig is. Dit is op te delen in vier soorten maatregelen:

  • beschermende maatregelen die volgens wet- en regelgeving standaard bij de activiteiten nodig zijn;
  • maatregelen die volgens bewezen en geaccepteerde goede praktijken niet weg te denken zijn. Dit zijn maatregelen voor ontwerp, constructie, in bedrijf nemen, gebruik, onderhoud of modificatie, inspectie en uit bedrijf nemen;
  • good housekeeping. Dit is een begrip dat staat voor de algemene zorg bij, netheid en orde van een activiteit of een bedrijfsonderdeel. Good housekeeping is een belangrijke factor bij het voorkomen van gevaarlijke situaties. Er wordt vanuit gegaan dat een bedrijf deze zaken op orde heeft, zoals ook is beschreven in de zorgplichtartikelen van de Omgevingswet en de Arbeidsomstandighedenwet;
  • maatregelen goed vakmanschap. Dit staat voor vaardigheden van werknemers om kwalitatief goed werk te leveren, en daarbij veilig en gezond te werken.

Uitgangspunt is dus dat een bedrijf met bovenstaande maatregelen in werking is.

Installaties of activiteiten die onder deze PGS-richtlijn vallen kunnen zo complex zijn, dat hiervoor een veiligheidsbeheerssysteem nodig is. Dat is in elk geval nodig als een activiteit plaatsvindt bij een Seveso-inrichting. Vaak gelden dan eisen voor de opzet en inhoud van dat systeem volgens NEN-EN-ISO 14001, ISO 45001, NTA 8620 of het Besluit activiteiten leefomgeving.

3.2Risicobenadering

Risicobenadering als basis

Deze PGS-richtlijn is gebaseerd op een risicobenadering waarbij op een systematische manier doelen en maatregelen zijn geformuleerd. Op basis van kennis en kunde van deskundigen van bedrijfsleven en overheid zijn verschillende scenario's geïdentificeerd. Een scenario is een reeks opeenvolgende gebeurtenissen die leiden tot een ongewenste (gevaarlijke) gebeurtenis.

Het risico is altijd een combinatie van de ernst van de gevolgen (effect) van een (ongewenste) gebeurtenis en de waarschijnlijkheid (kans) dat de gebeurtenis zich voordoet: risico = kans × effect.

De kans is aangeduid met de cijfers 1 voor kleine kans tot en met 5 voor de grootse kans. Het effect is aangeduid met de letters A voor klein effect tot en met E voor het grootste effect. Scenario's met de kleinste kans of met het kleinste effect worden beschouwd als scenario met een laag risico. Deze staan niet in de PGS-richtlijn. De scenario's met een middelhoog tot hoog risico zijn in deze PGS-richtlijn beschreven.

Op basis van een scenario is een doel beschreven om ervoor te zorgen dat:

  • de kans op de ongewenste gebeurtenis zo veel mogelijk wordt beperkt en
  • de nadelige gevolgen van de ongewenste gebeurtenis worden voorkomen of zo veel mogelijk worden beperkt.

Soms zijn er meerdere scenario's die met hetzelfde doel kunnen worden gedekt. Per doel zijn er een of meer maatregelen uitgewerkt die er samen voor moeten zorgen dat aan het doel wordt voldaan. Een maatregel kan van belang zijn voor meerdere doelen. De risicobenadering geeft de gebruiker van de PGS-richtlijn meer inzicht in het 'waarom' van opgenomen maatregelen.

Methode

Voor de risicobenadering zijn verschillende methodes mogelijk. Vaak is de SWIFT-methode gebruikt. SWIFT staat voor Structured What If Technique. Deze methode is gebruikt in combinatie met scenario-identificatie op basis van verschillende bronoorzaken afkomstig uit de HAZOP-methode. HAZOP staat voor Hazard en Operability.

Meer informatie over de gebruikte methodes staat in de Handreiking generieke risicobenadering. Deze is terug te vinden op de PGS website: https://publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl/ .

Scenario's met laag risico

Scenario's met een laag risico worden niet in deze PGS-richtlijn behandeld. Dit betekent niet dat een bedrijf daar geen aandacht aan hoeft te besteden. Maatregelen voor scenario's met een laag risico kunnen ook door andere wetten, regels, richtlijnen of afspraken worden geborgd.

Risicoanalyse verplicht volgens wetgeving

De scenario's in deze PGS-richtlijn horen bij de risicoanalyse die het PGS-team heeft uitgevoerd. Voor sommige activiteiten geldt ook een wettelijke plicht om een risicoanalyse uit te voeren. Bedrijven zijn bijvoorbeeld op grond van het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016 (WBDA 2016) verplicht om voor installaties die hieronder vallen een risicoanalyse uit te voeren. De risicoanalyse van het PGS-team komt niet in de plaats van deze verplichte risicoanalyse.

Toepassing PGS-scenario’s voor hogedrempelinrichtingen en ARIE-bedrijven

Voor de zogenoemde hogedrempelinrichtingen zoals gedefinieerd in het Bal en ARIE-bedrijven zoals gedefinieerd in het Arbeidsomstandighedenbesluit geldt dat de scenario’s die kunnen leiden tot het vrijkomen van een gevaarlijke stof, de installatiescenario’s, al zijn beschreven in een veiligheidsrapport volgens een vast stramien, zoals toegelicht in Bijlage H van PGS 6:2016 of in een aanvullende risico-inventarisatie en -evaluatie (ARIE). Deze bedrijven hebben de scenario’s en de beheersmaatregelen daarmee afdoende beschreven om aan de verplichtingen van het Bal en het Arbeidsomstandighedenbesluit te voldoen. Indien gewenst kunnen zij deze beschrijvingen ten grondslag leggen aan de onderbouwing van gelijkwaardige oplossingen.

Scenario's die niet zijn uitgewerkt

Scenario's gaan uit van ongewenste gebeurtenissen. Bij het identificeren van scenario's zijn niet alle ongewenste gebeurtenissen meegenomen. Terrorisme en neerstortende vliegtuigen zijn daar voorbeelden van. Scenario's die voortkomen uit natuurgeweld zijn als dat relevant is wel benoemd, maar niet verder uitgewerkt in doelen en maatregelen. De enige uitzondering is blikseminslag. Voor natuurgeweld zoals overstromingen en aardbevingen geldt dat de kans hierop afhangt van de locatie van de activiteit. Bedrijven moeten zelf beoordelen of er een verhoogde kans is op aardbevingen of overstromingen en ook wat de gevolgen van zo'n gebeurtenis kunnen zijn voor de veiligheid. Aan de hand daarvan kan een bedrijf in overleg met het bevoegd gezag vaststellen welke maatregelen nodig zijn om de gevolgen te beperken.

Bedrijven die onder de Seveso-richtlijn vallen en worden beschouwd als hogedrempelinrichting moeten in het veiligheidsrapport ingaan op natuurlijke oorzaken van zware ongevallen, zoals aardbevingen of overstromingen.

Aanpak risicobenadering PGS 13

Een toelichting op de PGS-risicobenadering en hoe de PGS-teams deze hebben aangepakt staat in de Handreiking generieke risicobenadering.

De risicobenadering is uitgevoerd in sessies met het PGS 13-team, onder begeleiding van een externe deskundige, en is gebaseerd op een representatieve gangbare koelinstallatie. De risicobenadering is niet uitputtend. Het is altijd mogelijk dat zich scenario’s voordoen die niet zijn beschreven.

De risicoanalyse geeft een kwalitatief inzicht in de kans en gevolgen van een scenario. Het PGS-team heeft de risico’s van de scenario’s geëvalueerd, geclassificeerd en gerangschikt. Daarbij is gebruikgemaakt van de kwalitatieve risicomatrix van de generieke risicobenadering. Hiermee is bepaald of het scenario relevant is voor de PGS. Als het scenario relevant is voor de PGS, identificeert het team maatregelen op van basis van de huidige stand der techniek (bijvoorbeeld uit bestaande PGS’en, gehanteerde normen en andere referentiedocumenten). Als het om nieuwe activiteiten gaat, zal in overleg met betrokken experts worden bekeken welke maatregelen toegepast worden en/of toepasbaar zijn.

De risicomatrix is vervolgens gebruikt om te beoordelen of de maatregel:

  • het risico vermindert,
  • de kans op optreden van de ongewenste gebeurtenis verkleint, of
  • de omvang of ernst van de gevolgen vermindert.

Voor de geïdentificeerde maatregelen is vervolgens getoetst of ze als maatregel in de PGS moeten worden opgenomen. Dit gebeurt op basis van de gezamenlijke kennis en inzichten van deskundigen in het PGS-team.

In dit deskundig oordeel worden dus meerdere aspecten meegewogen. In elk geval zijn dit wettelijke randvoorwaarden zoals de best beschikbare techniek, de stand van de wetenschap en de arbeidshygiënische strategie. De positie van het scenario in de matrix is daarbij een hulpmiddel dat inzicht geeft. De risicomatrix kan niet worden gezien als normatief kader.

4Scenario's

4.1Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de scenario's die realistisch en relevant zijn voor het gebruik van ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen.

Elk scenario heeft een nummer. Het is weergegeven als S1, S2 en verder. Bij elk scenario horen doelen. Die zijn aangegeven met de nummers van de doelen, dus D1, D2 en verder. De beschrijvingen van de doelen staan in Hoofdstuk 6. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 is steeds aangegeven welke scenario's daar een rol bij spelen.

4.2Scenario's voor de hele activiteit

5Richtingaanwijzer wet- en regelgeving Normatief

5.1Inleiding

Deel B van deze PGS beschrijft de doelen en maatregelen die kunnen worden getroffen om aan de doelen te voldoen en daarmee de veiligheid te waarborgen.

Elke maatregel beoogt een risico te verminderen. Dit gaat om hoge en middelhoge risico's voor:

  • Omgevingsveiligheid: Het voorkomen van ongewone voorvallen en het beperken van de gevolgen daarvan voor de omgeving met het oog op het waarborgen van de veiligheid voor de omgeving.
  • Arbeidsveiligheid: Het voorkomen van ongevallen met gevaarlijke stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan en het voorkomen van blootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen.
  • Brandbestrijding en Rampenbestrijding: Het beperken van de gevolgen van een brand, incident met gevaarlijke stoffen of ramp en het borgen van een doelmatige rampenbestrijding.

De meeste maatregelen hebben grondslagen in meerdere wetten. Bij elke maatregel staat deze grondslag vermeld. Daarmee wordt duidelijk dat:

  • maatregelen die zijn gesteld voor de omgevingsveiligheid, moeten worden nageleefd op grond van de Omgevingswet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Omgevingsveiligheid (omgevingsveiligheid) en met Brandpreventie (Brandpreventie en mitigatie Omgevingsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van de arbeidsveiligheid en gezondheid, moeten worden nageleefd op grond van de Arbeidsomstandighedenwet en Warenwet. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Arbeidsveiligheid (arbeidsveiligheid);
  • maatregelen die zijn gesteld in het belang van brand- of rampenbestrijding moeten worden nageleefd op grond van de Wet veiligheidsregio's. In Hoofdstuk 7 zijn deze maatregelen aangeduid met Rampenbestrijding (Brand- of Rampenbestrijding).

In deel B staan eerst de doelen in Hoofdstuk 6 en daarna maatregelen in Hoofdstuk 7. De doelen zijn gekoppeld aan scenario's uit Hoofdstuk 4 en maatregelen zijn gekoppeld aan doelen uit Hoofdstuk 6.

5.2Omgevingsveiligheid

5.2.1Inleiding

De Omgevingswet gaat over de fysieke leefomgeving en activiteiten die daar gevolgen voor hebben of kunnen hebben. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Met het oog op het waarborgen van de veiligheid staan in het Bal regels over activiteiten met gevaarlijke stoffen.

5.2.2Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)

Het Bal bevat regels met het oog op het waarborgen van de veiligheid bij koelinstallaties gevuld met ammoniak in paragraaf 4.33. In deze paragraaf staat dat bij koelinstallaties met ammoniak moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Het waarborgen van de veiligheid is nader ingevuld met de doelen die zijn omschreven in Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn. Om aan de regels van paragraaf 4.33 van het Bal te voldoen, moeten alleen maatregelen worden getroffen die gaan over de veiligheid van de omgeving. Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Omgevingsveiligheid en Brandpreventie.

Toepassingsbereik Bal en deze PGS-richtlijn

Het toepassingsbereik van deze PGS-richtlijn kan breder zijn dan het toepassingsbereik van paragraaf 4.33 van het Bal. De eisen uit deze PGS-richtlijn gelden alleen als direct werkende verplichtingen, als de activiteit valt binnen het toepassingsbereik van paragraaf 4.33 van het Bal.

Gelijkwaardige maatregelen

De Omgevingswet en het Bal maken het mogelijk om een andere maatregel te treffen dan de voorgeschreven maatregel.

Vergunningplichtig

Voor installaties die vergunningplichtig zijn (op grond van art. 3.16 Bal zijn koelinstallaties met meer dan 1 500 kg ammoniak vergunningplichtig) geldt:

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te krijgen voor het treffen van een gelijkwaardige maatregel. Er mag niet met de activiteit worden gestart voordat er toestemming is met een besluit van het bevoegd gezag.

Meldingsplichtig

Voor installaties die meldingsplichtig zijn (op grond van art. 3.17 Bal vallen koelinstallaties met meer dan 10 kg en minder dan 1 500 kg ammoniak onder algemene regels) geldt:

Voor de maatregelen in deze PGS-richtlijn is het bij het treffen van een gelijkwaardige maatregel niet nodig om vooraf toestemming van het bevoegd gezag te hebben. Het is wel verplicht om het toepassen van een gelijkwaardige maatregel vooraf te melden. Voorwaarde is dat met de andere maatregel ten minste hetzelfde resultaat wordt bereikt als met de voorgeschreven maatregel is beoogd. Het moet een gelijkwaardige maatregel zijn. Het bevoegd gezag milieu heeft vier weken de tijd om de gelijkwaardigheid vooraf te toetsen. Als dat niet is gedaan, heeft zij de mogelijkheid om achteraf (tijdens het toezicht) vast te stellen of de andere maatregel daadwerkelijk gelijkwaardig is.

Meer concreet: waar het Bal voorschrijft dat - met het oog op het waarborgen van de veiligheid - moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn, mag dus ook een andere gelijkwaardige maatregel worden getroffen. Het bevoegd gezag toetst de gelijkwaardigheid aan het oogmerk van de voorgeschreven maatregel. Zoals hiervoor al is aangegeven, wordt dit oogmerk ingevuld met de doelen van deze PGS-richtlijn. Het gaat er dan om dat in dezelfde mate wordt bijgedragen aan het realiseren van het gestelde doel. Bij de beoordeling van de gelijkwaardigheid spelen de scenario's en de doelen, die zijn weergegeven in Hoofdstuk 4 en Hoofdstuk 6 van deze PGS-richtlijn, daarom een belangrijke rol.

Naast een beoordeling op gelijkwaardigheid in het kader van omgevingsveiligheid kan voor een bepaalde maatregel ook een beoordeling nodig zijn op gelijkwaardigheid voor arbeidsveiligheid of brand- en rampenbestrijding. Dit is het geval als naast de Omgevingswet (Omgevingsveiligheid of Brandpreventie) ook de Arbeidsomstandighedenwetgeving (Arbeidsveiligheid) of de Wet veiligheidsregio's (Rampenbestrijding) de wettelijke grondslag is voor de maatregel. Paragraaf 5.3 geeft uitleg over gelijkwaardigheid in het kader van de Arbeidsomstandighedenwet.

Maatwerk in Bal

Het Besluit activiteiten leefomgeving biedt ruime mogelijkheden voor maatwerk. Hierdoor is het mogelijk om in specifieke gevallen onnodige belemmeringen voor het uitvoeren van activiteiten weg te nemen. Dit biedt een initiatiefnemer bijvoorbeeld kansen voor innovatieve activiteiten. Maatwerk kan in specifieke gevallen ook nodig zijn voor bescherming van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld als aanvullende maatregelen nodig zijn om significante verontreiniging tegen te gaan of om aan omgevingswaarden te voldoen. Dat mogelijkheid tot maatwerk ruim wordt geboden, betekent niet dat maatwerk breed moet worden toegepast. Uiteraard is maatwerk geen vrijbrief voor het naar eigen inzicht aanpassen van de regels. Zo is maatwerk uitdrukkelijk niet bedoeld om zonder aanleiding af te wijken van de in algemene regels geformuleerde preventieve en technische maatregelen. Maatwerk moet steeds adequaat worden gemotiveerd, en het toepassen van maatwerk is voorzien van rechtsbescherming.

Richtingaanwijzer Bal en PGS-richtlijn

In artikel 3.15 van het Bal wordt de aanwezigheid van een koelinstallatie met een inhoud van meer dan 10 kg ammoniak aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze activiteit is een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig als er per installatie meer dan 1 500 kg ammoniak aanwezig is (Bal, artikel 3.16). Op grond van artikel 3.17 van het Bal moet bij het verrichten van de activiteit worden voldaan aan de regels in paragraaf 4.33 als er meer dan 10 kg en minder dan 1 500 kg ammoniak aanwezig is. In paragraaf 4.33 staat in artikel 4.436 dat bij het verrichten van de activiteit moet worden voldaan aan deze PGS-richtlijn. Voor het deel van de milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning milieubelastende activiteit nodig is en waarop de algemene regels van paragraaf 4.33 niet van toepassing zijn, worden de maatregelen als voorschrift in de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit opgenomen.

Omgevingsveiligheid/Bal

Om aan artikel 4.436 van het Bal te voldoen treft degene die de activiteit verricht de volgende maatregelen:

MW1, M2, M3, M4, MW5, M6, M8, M9, M10, MW11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M26, M27, M28, M29,M30, M32, M33, M34, M36, M37, M40, M42, M47, M48, M49, M50, M51,M52, M57, M65, M66, M67, M68, M69, M70, M71, M73, M74, M75, M80, M81, M82, M83, M87, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95, M96, M97, M98, M99, M100, M115, M116, M117, M118, M119, M120, M123, M124, M125, M126, M127, M128, M129

5.2.3Externe veiligheidsafstanden

Een externe veiligheidsafstand zorgt voor bescherming van gebouwen en locaties waar mensen gedurende een periode verblijven. Het gaat om gebouwen en plekken buiten de begrenzing van de locatie van de activiteit.

Voor koelinstallaties gevuld met ammoniak zijn de veiligheidsafstanden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag neemt deze afstanden in acht bij het verlenen van de omgevingsvergunningen en bij het opstellen van omgevingsplannen.

5.2.4Omgevingsplan

Het omgevingsplan bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

De gemeente kan bijvoorbeeld regels stellen ten aanzien van bluswatervoorzieningen, bereikbaarheid van hulpdiensten en opstelplaatsen voor de brandweer. Activiteiten met gevaarlijke stoffen kunnen van invloed zijn op deze maatregelen en een PGS-richtlijn kan invulling geven aan die maatregelen.

Het gaat dan om maatregelen die in Hoofdstuk 7 zijn opgenomen met het belang van de omgevingsveiligheid als oogmerk. Deze zijn herkenbaar aan de markeringen Brandpreventie.

5.3Arbeidsveiligheid

In de Arbeidsomstandighedenwet staan verplichtingen met het oog op de veiligheid en gezondheid van werknemers. Voor bedrijven waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen, zijn het voorkomen van ongevallen met die stoffen en het beperken van de gevolgen daarvan voor werknemers belangrijke doelen. Een ander belangrijk doel is het voorkomen van blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij werknemers.

In het Arbeidsomstandighedenbesluit, een verdere uitwerking van de doelvoorschriften in de Arbeidsomstandighedenwet, staan nadere regels waaraan zowel werkgever als werknemer zich moet houden om arbeidsrisico's tegen te gaan. De Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit geven in sommige artikelen de minister van SZW de bevoegdheid om nadere regels te stellen. Deze zijn uitgewerkt in de Arbeidsomstandighedenregeling. Deze regeling geeft dus nadere uitleg voor bepaalde onderwerpen uit de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit maar behoort ook tot de reguliere wetgeving. Een bedrijf kan dus te maken hebben met de Arbeidsomstandighedenwet, het Arbeidsomstandighedenbesluit en de Arbeidsomstandighedenregeling.

De overheid geeft via de Arbeidsomstandighedenwet een wettelijk kader met zo min mogelijk regels en administratieve lasten. Werkgevers en werknemers kunnen samen afspraken maken over hoe zij kunnen voldoen aan de voorschriften die de overheid stelt. Deze afspraken kunnen worden vastgelegd in een arbocatalogus. Een arbocatalogus is van kracht voor een bedrijfstak. Deze catalogus beschrijft technieken en manieren, goede praktijken, normen en praktische handleidingen voor veilig en gezond werken.

Daarnaast spelen de PGS-richtlijnen een belangrijke rol bij het bepalen of werkgevers aan hun wettelijke verplichtingen voldoen. De Inspectie SZW betrekt de PGS-richtlijnen bij het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften en de handhaving daarvan. De Inspectie SZW moet de maatregelen die zijn aangewezen in de beleidsregel PGS-richtlijnen gebruiken bij het toezicht op de naleving. Een vanuit arbeidsomstandigheden gezien gelijkaardige maatregel kan eveneens worden toegepast indien deze voldoet aan de criteria uit Hoofdstuk 8. Eventueel kan de Inspectie SZW maatregelen uit een PGS-richtlijn via een eis tot naleving verplicht stellen. Dit staat in artikel 27 van de Arbeidsomstandighedenwet.

De maatregelen met het oog op arbeidsveiligheid zijn te herkennen aan Arbeidsveiligheid.

Gelijkwaardige maatregelen

In Hoofdstuk 8 staat beschreven wat de criteria zijn voor gelijkwaardige maatregelen vanuit arbeidsomstandigheden gezien.

Arbeidsveiligheid

Om aan de Arbeidsomstandighedenwet te voldoen voor een PGS-doel wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

MW1, M2, M3, M4, MW5, M6, M7, M8, M9, M10, MW11, M12, M13, M14, M15, M16, M17, M18, M19, M20, MW21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, M44, M45, M46, M48, M49, M51, M52, M53, M54, M55, M56, M58, M59, M60, M61, M62, M63, M64, M65, M70, M71, M72, M73, M74, M75, M76, MW77,M78, M79, M82, M84, M85, MW86, M87, M88, M89, M90, M91, M92, M93, M94, M95, M96, M98, M99, M100, M101, M102, M103, M104, M105, M106, M107, M108, M109, M110, M111, M112, M113, M114, M115, M116, M117, M118, M119, M120, M123, M124, M125, M126, M127, M128, M129

5.4Brand- en rampenbestrijding

De veiligheidsregio's hebben de taak om gemeenten te adviseren over branden, rampen en crises. Dit staat in artikel 10 van de Wet veiligheidsregio's (Wvr).

De brandweer is een onderdeel van de veiligheidsregio. De taken van de brandweer staan in artikel 25 Wvr. Dit zijn:

  • het voorkomen, beperken en bestrijden van brand;
  • het beperken van brandgevaar;
  • het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen anders dan bij brand.

Daarnaast dragen de veiligheidsregio's zorg voor:

  • de voorbereiding op de bestrijding van branden, rampen en crises;
  • het organiseren van de rampenbestrijding;
  • het adviseren van andere overheden en organisaties op het gebied van brandpreventie, brandbestrijding en het voorkomen, beperken en bestrijden van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Hiertoe hoort ook het adviseren van het bevoegd gezag Omgevingswet over voorschriften voor brandbestrijding en rampenbestrijding in omgevingsvergunningen.

Tot slot hebben de veiligheidsregio's een wettelijke taak tot het uitvoeren van inspecties bij Seveso-inrichtingen (artikel 13.17 van het Omgevingsbesluit en artikel 61 van de Wvr) en het opleggen van een bedrijfsbrandweeraanwijzing (artikel 31 van de Wvr).

Bij het uitvoeren van deze taken gebruiken de veiligheidsregio's PGS-richtlijnen. Brandbestrijding en Rampenbestrijding omvat brandveiligheid, maar ook het ongecontroleerd vrijkomen van gevaarlijke stoffen die een bedreiging vormen voor de omgeving.

Algemene (brand)veiligheidseisen voor bouwwerken zijn geen onderdeel van PGS-richtlijnen, maar volgen uit het Bbl. De maatregelen die zijn gericht op brandpreventie en brandbestrijding op grond van de Omgevingswet zijn aangeduid met Brandpreventie.

De maatregelen die zijn gesteld in het belang van de brandbestrijding en rampenbestrijding op grond van de Wvr zijn aangeduid met Rampenbestrijding.

Wet veiligheidsregio's

Om aan de Wet veiligheidsregio's te voldoen wordt in elk geval voldaan aan de volgende maatregelen:

MW1, M47, M48, M49, M50, M51, M52, M57, M66, M67, M68, M69, M80, M81, M82, M83, M84, M85, M97, M121 en M122

6Doelen Normatief

6.1Inleiding

In dit hoofdstuk zijn de doelen beschreven die relevant zijn voor het veilig gebruik van ammoniak als koudemiddel in koelinstallaties en warmtepompen. Met deze doelen is beoogd het risico zo veel mogelijk te beperken.

Bij elk doel staat met welke maatregelen aan het doel kan worden voldaan. Hierbij is het onderwerp van de maatregel vermeld. De volledige maatregel is beschreven in Hoofdstuk 7.

Elk doel heeft een uniek nummer. Bij de maatregelen in Hoofdstuk 7 staat steeds vermeld aan welke doelen de maatregel invulling geeft.

6.2Doelen

7Maatregelen Normatief

7.1Inleiding bij de maatregelen

Dit hoofdstuk bevat maatregelen. Het bevat de verschillende preventieve en repressieve maatregelen die invulling geven aan de doelen zoals opgenomen in Hoofdstuk 6. Dit kunnen bouwkundige, (installatie)technische en organisatorische maatregelen zijn. Als deze maatregelen zijn getroffen wordt in elk geval aan de gestelde doelen voldaan.

Elke maatregel heeft een nummer en een onderwerp. Dit nummer en onderwerp komen overeen met de aanduiding van de maatregel bij de doelen in Hoofdstuk 6.

Bij elke maatregel is met de letters Omgevingsveiligheid, Brandpreventie, Arbeidsveiligheid en Rampenbestrijding aangegeven wat de wettelijke basis is.

Omgevingsveiligheid Maatregel gericht op omgevingsveiligheid met een grondslag in de Omgevingswet.

Brandpreventie Maatregel gericht op brandpreventie en brandbestrijding met een grondslag in de Omgevingswet (adviesrol Veiligheidsregio/brandweer).

ArbeidsveiligheidMaatregel gericht op arbeidsveiligheid met een grondslag in de Arbeidsomstandighedenwet.

RampenbestrijdingMaatregel gericht op brand- of rampenbestrijding met een grondslag in de Wet veiligheidsregio's.

Maatregelen die vergelijkbaar zijn met direct geldende eisen uit andere wetgeving zijn herkenbaar aan een oranje kader. Deze maatregelen hebben de letters 'MW' voor het nummer. Onder deze maatregelen staat een referentie naar de wettelijke bepaling bij de desbetreffende maatregel.

7.2Drukapparatuur

Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED)

Een koelinstallatie met ammoniak als koudemiddel is drukapparatuur. Met de term drukapparatuur wordt apparatuur bedoeld met een inwendige druk die hoger is dan de omgevingsdruk. De exacte definitie van drukapparatuur volgt uit de Europese Richtlijn drukapparatuur (PED) en luidt als volgt:

“ ‘drukapparatuur’ of ‘drukapparaten’: drukvaten, installatieleidingen, veiligheidsappendages en onder druk staande appendages, inclusief, voor zover van toepassing, de elementen die bevestigd zijn aan onder druk staande delen, zoals flenzen, tubulures, koppelingen, steunconstructies, hijsogen.”

Drukapparatuur wordt onderverdeeld in:

  • drukvaten;
  • installatieleidingen;
  • veiligheidsappendages;
  • onder druk staande appendages.

Een enkelvoudig drukapparaat staat nooit op zichzelf, het wordt altijd geïntegreerd in een functioneel geheel. Dit wordt een samenstel genoemd. Een koelinstallatie bestaat uit verschillende componenten en is daarom ook een samenstel. De wet- en regelgeving voor het ontwerp van drukapparatuur geldt ook voor samenstellen.

Ontwerp

Drukapparatuur is een arbeidsmiddel met risico’s. De risico’s hebben niet alleen betrekking op de werknemers die ermee werken maar ook op de omgeving en het milieu. Daarom stelt de wetgever eisen aan het op de markt aanbieden en in bedrijf stellen, het gebruiken en nadien wijzigen van drukapparatuur. Dit is in Nederland vastgelegd in het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016. Op het in de handel brengen van drukapparatuur zijn Europese productrichtlijnen van toepassing. Dat betekent dat een fabrikant alleen producten in de handel mag brengen (voor het eerst op de markt mag aanbieden) die voldoen aan deze richtlijnen.

Bij de bouw van een koelinstallatie is het van groot belang om vooraf vast te stellen wie de fabrikant is:

  • Wordt een koelinstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van een derde partij (een leverancier, een installateur, enz.) die de koelinstallatie in zijn geheel verhandelt aan de latere gebruiker, dan treedt deze derde partij in de rol van fabrikant. De derde partij is daarmee verantwoordelijk voor de naleving van de eisen die van toepassing zijn op dit samenstel.
  • Wordt de koelinstallatie gebouwd of gewijzigd onder verantwoordelijkheid van de gebruiker, dan wordt déze de fabrikant. De onderdelen worden geleverd door verschillende fabrikanten maar de gebruiker is degene die de diverse onderdelen tot één functioneel geheel maakt. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat het samenstel voldoet aan de Europese richtlijnen.

De ontwerpeisen voor een koelinstallatie liggen vast in de Europese Richtlijn Drukapparatuur (PED). Deze richtlijn kent, zoals elke Europese productrichtlijn, essentiële veiligheidseisen die van toepassing zijn op alle drukapparatuur en samenstellen die in de handel worden gebracht. De fabrikant heeft de plicht om bij het ontwerp van drukapparatuur en samenstellen een analyse te maken van de risico’s en gevaren die bestaan ten gevolge van de druk. Bij het ontwerp en de bouw van drukapparatuur of het samenstel moet hij vervolgens rekening houden met deze risicoanalyse. De fabrikant kiest de meest passende maatregelen waarbij hij zich moet houden aan onderstaande beginselen:

  • Gevaren worden zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, geëlimineerd of verkleind in het ontwerp.
  • Er worden passende beschermingsmaatregelen getroffen tegen gevaren die niet kunnen worden geëlimineerd.
  • De gebruikers worden, indien van toepassing, geïnformeerd over nog bestaande gevaren en vermeld wordt of het nodig is dat er passende gevaar verminderende maatregelen worden genomen voor de installatie en/of het gebruik ervan. Deze maatregelen worden opgenomen in de gebruikershandleiding.

De risicoanalyse van de fabrikant is gebaseerd op scenario’s die in grote lijnen overeenkomen met de scenario’s die zijn beschreven in Hoofdstuk 4 van deze PGS.

De essentiële eisen die worden gesteld aan het ontwerp van het drukapparaat (de koelinstallatie) zijn vastgelegd in bijlage I van de Richtlijn Drukapparatuur. De fabrikant moet voldoen aan deze eisen en dat betekent onder andere dat:

  • de koelinstallatie voldoende sterk is om de belastingen die kunnen worden verwacht (kracht, brand, hogedruk etc.) te weerstaan;
  • maatregelen zijn genomen om de koelinstallatie veilig te bedienen;
  • de koelinstallatie zodanig is ontworpen dat deze veilig kan worden geïnspecteerd;
  • de koelinstallatie veilig kan worden gevuld en geleegd;
  • passende beveiligingen (zoals drukontlastkleppen of veerveiligheden) zijn aangebracht om in te grijpen als de druk ontoelaatbaar stijgt. Als een beveiliging wordt aangesproken, moet deze afblazen op een zodanige plaats dat daarbij geen gevaar voor personen kan optreden.

Om te voldoen aan de essentiële eisen kan de fabrikant een geharmoniseerde norm toepassen. Dit is echter niet verplicht. NEN-EN 378-2 is de geharmoniseerde norm voor koelinstallaties. Als de fabrikant geen geharmoniseerde norm toepast, zal hij moeten aantonen dat de koelinstallatie wel voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de praktijk blijkt het overgrote deel van de koelinstallaties volgens de geharmoniseerde normen te worden gebouwd.

Door middel van het doorlopen van een conformiteitsbeoordelingsprocedure laat de fabrikant zien dat hij voldoet aan de essentiële eisen van de PED. In de Europese productwetgeving is bepaald dat een EU-conformiteitsbeoordelingsinstantie (EU-CBI) toezicht moet houden op deze procedure. Een EU-CBI is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie. De mate van toezicht is afhankelijk van het risico; een koelinstallatie is een samenstel dat wordt ingedeeld in tabel 1 van de PED en valt in categorie IV. Dit is de categorie met de grootste risico’s.

Met het aanbrengen van CE-markering (‘Conformité Européenne’) verklaart de fabrikant dat het apparaat voldoet aan de daarvoor geldende Europese eisen. Als de fabrikant een derde partij is (dus niet de gebruiker), moet het déze CE-markering aanbrengen op de koelinstallatie. Op de koelinstallatie (het samenstel) hoeft slechts één CE-markering te worden aangebracht, dus niet één op elk afzonderlijk drukapparaat. Aan de andere kant behouden drukapparaten die met een eigen CE-markering in het samenstel zijn opgenomen, wél de eigen markering. Samen met de CE-markering moet algemene informatie (zoals naam en adres van de fabrikant, bouwjaar en essentiële maximaal toelaatbare grenswaarden) en specifieke gegevens die voor een veilige installatie, werking en gebruik van belang kunnen zijn (zoals afmetingen, toegepaste persdruk, insteldruk drukbeveiliging, vermogen, enz.), op de kenplaat worden aangebracht.

Nadat de conformiteitsbeoordelingsprocedure met succes is doorlopen stelt de fabrikant een verklaring van overeenstemming op. Dit is een verklaring dat de koelinstallatie voldoet aan de essentiële eisen van de van toepassing zijnde productrichtlijnen. Verder stelt hij een technisch dossier samen. Dit dossier omvat ten minste:

  • een algemene beschrijving van de koelinstallatie;
  • ontwerp- en fabricagetekeningen en schematische voorstellingen van componenten;
  • beschrijvingen en toelichtingen bij de tekeningen en schematische voorstellingen;
  • een lijst van toegepaste (geharmoniseerde) normen;
  • berekeningen van ontwerpen, uitgevoerde controles; en
  • testverslagen.

De fabrikant is niet verplicht het technisch constructiedossier te overhandigen aan de gebruiker, maar het is raadzaam om met de aanschaf van de koelinstallatie te bedingen dat het technisch dossier wordt meegeleverd.

Ten slotte is de fabrikant verplicht een gebruikershandleiding mee te leveren met de koelinstallatie. Hierin staan de restrisico’s beschreven en worden instructies gegeven hoe de installatie veilig kan worden bedreven.

Gebruik

De wet (het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016) stelt niet alleen eisen aan het in de handel brengen van drukapparatuur maar ook aan de ingebruikneming en het gebruik van drukapparatuur. Het is de verantwoordelijkheid van de gebruiker van de koelinstallatie om hieraan te voldoen. De gebruiker moet de koelinstallatie laten keuren voordat deze in gebruik wordt genomen, bij wijzigingen of reparaties en verder zo vaak als nodig is.

De indeling van drukapparatuur bepaalt wie deze keuringen moet uitvoeren en wanneer de keuringen moeten plaatsvinden. Dit is geregeld in de Warenwetregeling drukapparatuur 2016. Verplichtingen die zijn opgenomen in een besluit worden vaak uitgewerkt in een regeling. In de Warenwetregeling drukapparatuur 2016 is drukapparatuur ‘aangewezen’ die in de risicocategorie valt die moet worden gekeurd door een NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie (NL-CBI). Ook een NL-CBI is door de Raad voor Accreditatie geaccrediteerd.

Drukapparatuur die niet is aangewezen, moet op grond van het Arbobesluit worden gekeurd door een deskundige.

Bij een koelinstallatie zijn de vaten ‘aangewezen’ drukapparatuur als de druk P · volume V boven een bepaalde waarde is. Een leiding is ‘aangewezen’ boven een bepaalde druk en/of diameter. Een gebruiker kan op verschillende manieren vaststellen welke drukapparatuur in een koelinstallatie ‘aangewezen’ drukapparatuur is:

  • aan de hand van artikel 2 van de Warenwetregeling drukapparatuur 2016;
  • door de fabrikant te benaderen; wellicht staat het in de handleiding van de installatie;
  • door een NL-CBI te benaderen.

De ‘aangewezen’ drukapparatuur in de koelinstallatie moet worden gekeurd voordat deze de eerste keer in gebruik wordt genomen. Het doel van de Keuring voor Ingebruikneming is vast te stellen of de koelinstallatie voldoet aan de Europese richtlijnen en veilig kan worden gebruikt. Daarbij wordt onder andere beoordeeld of de installatie is opgesteld zoals is opgenomen in de handleiding. De keuring wordt uitgevoerd door een NL-CBI; deze geeft een verklaring van ingebruikneming af.

Het doel van de periodieke herkeuring is vast te stellen of de installatie nog veilig kan worden gebruikt. ‘Aangewezen’ drukapparatuur wordt elke vier jaar gekeurd door een NL-CBI. Hiervoor wordt een verklaring van herkeuring afgegeven. Voor ammoniakkoelinstallaties kan de NL-CBI besluiten een termijn van zes jaar af te geven. Voor ammoniakkoelinstallaties kan de NL-CBI besluiten een termijn van zes jaar af te geven, aan de andere kant kan de NL-CBI in bepaalde gevallen besluiten een herkeuringstermijn van minder dan vier jaar vast te stellen. De keuring van niet aangewezen drukapparatuur moet worden uitgevoerd door een deskundige en ook deze stelt hiervan een rapportage op. Dit is verplicht op basis van het Arbobesluit. De gebruiker is ervoor verantwoordelijk dat er afstemming plaatsvindt met de NL-CBI en de deskundige over hoe de koelinstallatie in zijn geheel weer veilig kan worden gebruikt.

Ook het uitvoeren van reparaties en wijzigingen aan de koelinstallatie is de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Daarbij is veelal toezicht vereist door een NL CBI. Voordat een reparatie of wijziging wordt uitgevoerd, wordt aangeraden om contact te zoeken met een NL-CBI. Bepaalde ingrijpende wijzigingen kunnen tot gevolg hebben dat de gegevens op de kenplaat niet meer kloppen. In dat geval moet een EU-CBI hierbij worden betrokken. Regulier onderhoud aan de koelinstallatie moet worden uitgevoerd zoals is voorgeschreven in de handleiding van de fabrikant.

Zolang de koelinstallatie in werking is of in werking kan worden gesteld, bewaart de gebruiker de volgende documenten:

  • de EG-verklaring van overeenstemming (volgens de ‘oude’ PED 97/23/EG) of de EU-conformiteitsverklaring (volgens de ‘nieuwe’ PED 2014/68/EU);
  • de gebruiksaanwijzing;
  • de verklaring van ingebruikneming;
  • de verklaring van herkeuring;
  • het aantekenblad;
  • de bij de beoordelingen en keuringen behorende rapporten.

Het aantekenblad wordt meegeleverd met de verklaring van ingebruikneming. Uitsluitend de betrokken NL-CBI is bevoegd op het aantekenblad aantekeningen te maken.

De Inspectie-SZW is toezichthouder op de naleving van de Arbowet (en het Arbobesluit) en de Warenwet (en het Warenwetbesluit drukapparatuur 2016). De verplichtingen uit deze wetten worden niet als maatregel opgenomen in deze PGS. In deze informatieve tekst worden de verplichtingen van de gebruiker samengevat. De verplichtingen in de Arbowet en de Warenwet en de onderliggende besluiten kunnen evenmin worden opgenomen in een omgevingsvergunning.

7.3Explosieve atmosferen

Wanneer de kans bestaat dat er mogelijk een explosieve atmosfeer ontstaat, zijn er twee vormen van direct werkende wetgeving van toepassing. Enerzijds zijn er de verplichtingen voor de werkgever die voorvloeien uit het Arbeidsomstandighedenbesluit. Anderzijds zijn er de verplichtingen voor de fabrikant van explosieveilige apparatuur die voortvloeien uit het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Hieronder wordt een nadere toelichting gegeven op deze besluiten. De verplichtingen vanuit deze besluiten zijn niet in deze PGS opgenomen.

De Inspectie SZW is toezichthouder op de naleving van beide besluiten.

Meer informatie is te vinden in de volgende documenten:

  • ATEX 2014/34/EU guidelines, 2nd edition – December 2017;
  • Niet-bindende praktijkgids met het oog op de tenuitvoerlegging van Richtlijn 1999/92/EG – april 2005;
  • Richtlijn voor uitvoering van productvoorschriften van de EU (de Blauwe Gids) – 2016.
Verplichtingen werkgever

Wanneer er binnen een bedrijf brandbare stoffen (gassen, vloeistoffen en vaste stoffen) aanwezig zijn, dan bestaat het gevaar op explosie. Werknemers moeten worden beschermd tegen dit gevaar.

Het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft daartoe verplichtingen opgenomen waar de werkgever invulling aan moet geven. Deze verplichtingen hebben tot doel:

  • het ontstaan van explosieve atmosferen zo veel mogelijk voorkomen;
  • de ontsteking van explosieve atmosferen vermijden;
  • de schadelijke gevolgen van een explosie beperken.

De verplichtingen waar de werkgever invulling aan moet geven, staan beschreven in hoofdstuk 3 Inrichting arbeidsplaatsen, paragraaf 2a; artikel 3.5a t/m 3.5f van het Arbeidsomstandighedenbesluit. Samengevat betreft dit de volgende verplichtingen:

  • het beoordelen van explosierisico's (risico-inventarisatie en -evaluatie);
  • het indelen van gebieden waar explosieve atmosferen kunnen voorkomen in gevarenzones;
  • het nemen van zowel technische als organisatorische maatregelen in gevarenzones;
  • het informeren van medewerkers;
  • het vastleggen van bovenstaande in een explosieveiligheidsdocument.

Met het opnemen van deze verplichtingen in het Arbeidsomstandighedenbesluit is de Europese Richtlijn 1999/92/EG in de Nederlandse wetgeving opgenomen.

Informatieve aanwijzingen voor het opstellen van een gevarenzone-indeling staan beschreven in NPR 7910-1 voor gasexplosiegevaar en NPR 7910-2 voor stofexplosiegevaar.

Aanvullende informatie over het opstellen van een explosieveiligheidsdocument en hoe een werkgever moet omgaan met explosieveiligheid zijn te vinden via www.arboportaal.nl/onderwerpen/explosieveiligheid-atex.

Explosieveilige apparatuur

De in de voorgaande paragraaf genoemde gevarenzone-indeling kent een indeling naar zones volgens tabel 3.

Tabel 3Gevarenzone-indeling

Aanwezigheid van explosieve atmosfeer

Voortdurend of gedurende lange periode

Af en toe

Zelden en gedurende korte periode

Gas (als brandbaar medium)

Zone 0

Zone 1Zone 2

Stof (als brandbaar medium)

Zone 20

Zone 21

Zone 22

Wanneer er sprake is van een gevarenzone, dan moet de apparatuur die wordt geplaatst binnen deze zone, geschikt zijn overeenkomstig het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016 volgens het volgende principe:

  • Zone 0/ 20 – categorie 1-apparatuur;
  • Zone 1/ 21 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur;
  • Zone 2/ 22 – categorie 1-apparatuur of categorie 2-apparatuur of categorie 3 apparatuur.

Het is de fabrikant van de apparatuur die in zijn EU-conformiteitsverklaring aangeeft welke categorie de desbetreffende apparatuur heeft en wat het beoogde gebruik ervan is. Deze EU-conformiteitsverklaring is een verplichting voor fabrikanten en komt voort uit de Europese productrichtlijn 2014/34/EU. Deze richtlijn heeft betrekking op de technische integriteit en bevat doelvoorschriften voor apparatuur en beveiligingssystemen die worden gebruikt op plaatsen met explosiegevaar.

In Nederland is de productrichtlijn 2014/34/EU geïmplementeerd in het Warenwetbesluit explosieveilig materieel 2016.

Aandachtspunten bij installaties met ammoniak als koudemiddel

Als gevolg van het vrijkomen van ammoniak uit de installatie kan er zich een explosieve atmosfeer vormen. De installatie zal zich hierdoor geheel of gedeeltelijk in zijn eigen gevarenzone bevinden. De gevarenzone zal zich waarschijnlijk uitstrekken tot buiten de installatie.

Het is voor de werkgever van belang dat hij informatie heeft over de omvang en de klasse van gevarenzone die door de installatie (of onderdelen daarvan) wordt (worden) gecreëerd. Hij moet conform het Arbeidsomstandighedenbesluit passende maatregelen nemen ter bescherming van de werknemers. Deze informatie zal moeten worden geleverd door de leverancier van de installatie. De leverancier beschikt over informatie omtrent temperaturen, drukken en technische specificaties van onderdelen die van belang zijn bij het bepalen van de gevarenzones. De vorm waarin de informatie wordt geleverd (bijvoorbeeld een complete zoneringstekening), moet worden afgestemd tussen eindgebruiker/werkgever en leverancier.

Apparaten die onderdeel zijn van de installatie, moeten door de leverancier van de installatie worden geselecteerd op geschiktheid voor toepassing in een gevarenzone.

Wanneer het samenstel op locatie wordt samengebouwd (installatie), dan valt het geheel buiten het toepassingsbereik van de Europese productrichtlijn 2014/34/EU.

Wordt het samenstel geleverd als een kant-en-klaar-product, dan valt dit product wel onder de Europese productrichtlijn 2014/34/EU en moet de fabrikant overeenstemming met deze richtlijn aantonen. De fabrikant moet instructies verstrekken voor het installeren, gebruik, onderhoud, enz. van het samenstel.

Wijzigingen aan bestaande installatie

Indien aan een bestaande installatie wijzigingen worden doorgevoerd, dan zal opnieuw moeten worden vastgesteld in hoeverre de wijzigingen van invloed zijn op het ontstaan van een explosieve atmosfeer. Indien dit het geval is, zullen maatregelen ter voorkoming van ontsteking en bescherming vanwerknemers opnieuw moeten worden overwogen.

Bij substantiële wijzigingen aan explosieve atmosfeer-gecertificeerde apparatuur zal opnieuw overeenstemming met de 2014/34/EU-richtlijn, volgens de daarvoor geldende procedures, moeten worden vastgesteld. Dit geldt ook wanneer de eindgebruiker wijzigingen aanbrengt. De eindgebruiker wordt in dat geval beschouwd als fabrikant.

Wijzigingen aan een bestaande installatie kunnen bestaan uit het vervangen van onderdelen (als gevolg van slijtage), reparatie of modificaties.

Interne veiligheidsafstanden

In deze PGS kunnen minimumafstanden zijn opgenomen die zijn bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS-voorziening naar een ander installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze minimumafstanden zijn niet dezelfde als de afstanden die betrekking hebben op de gezondheid en veiligheid van werkenden in het kader van brand- en explosieveiligheid als bepaald in onder meer paragraaf 2a van het Arbeidsomstandighedenbesluit (ATEX). Die afstanden zijn onderdeel van het explosieveiligheidsdocument en zijn bijvoorbeeld afhankelijk van de zonering en mogelijke andere aanwezige stoffen. De arbeidsomstandighedenwetgeving gaat bij de berekening van de afstanden uit van worstcase-scenarios en -situaties waarbij de interne veiligheidsafstanden groter kunnen zijn dan die in deze PGS-richtlijn.

7.4Basisveiligheid

7.5Ontwerp en plaats van de opstelling

7.5.1Classificatie van de verblijfsruimtes

7.5.2Koudemiddelsysteem classificatie

7.5.3Minimaal vereiste veiligheidsvoorzieningen in relatie tot de hoeveelheid ammoniak

Inleiding

De maatregelen in deze paragraaf geven aan welke maatregelen worden genomen bij een bepaalde hoeveelheid ammoniak in de koelinstallatie. De maatregelen gelden cumulatief: bij een installatie met een grotere hoeveelheid gelden ook de maatregelen voor een kleinere installatie.

Algemeen
Ten hoogste 2,5 kg per koelinstallatie

Er zijn voor deze categorie geen aanvullende veiligheidseisen.

Meer dan 2,5 kg per koelinstallatie
Meer dan 10 kg per koelinstallatie tot 50 kg
Meer dan 50 kg per koelinstallatie
Meer dan 500 kg per koelinstallatie
Meer dan 3000 kg per koelinstallatie

MW11, M12 en M13 gelden voor koelinstallaties met een inhoud van meer dan 3 000 kg ammoniak. In aanvulling daarop geeft M47 (Bluswatervoorziening) voor deze installaties specifieke eisen voor bluswatervoorzieningen.

7.5.4Ontwerp van de koelinstallatie

Inleiding

Voor nieuwbouw en wijzigingen moet het ontwerp en de vervaardiging van de installatie voldoen aan het WBDA 2016 (bijlage C-A5). Het vermoeden van overeenstemming met de essentiële eisen van de PED kan worden verkregen door te voldoen aan NEN-EN 378-2. Het volledig ontwerp moet ter beoordeling worden aangeboden aan een EU-CBI.

Opvangsysteem
Elektrische installatie
Explosieveiligheid

Een toelichting over explosieveiligheid is terug te vinden in Paragraaf 7.3

Vloeistofslag

Vloeistofslag is de oorzaak van een aantal ernstige ongelukken met ammoniakkoelinstallaties, waarbij wereldwijd meerdere ernstige slachtoffers zijn gevallen.

Vloeistofslag (‘hydraulic shock’) is een term die wordt gebruikt om een plotselinge drukverhoging te beschrijven die wordt veroorzaakt wanneer een koudemiddelvloeistofstroming plotseling wordt afgeremd, versneld of van richting wordt veranderd waardoor een drukgolf zich voortplant in de leiding. Plaatselijke overdrukken tot 250 bar kunnen daarbij optreden. Expliciet geldt dit bij sterk onderkoeld koudemiddel.

Maatregelen moeten worden genomen om de kans op vloeistofslag, zoals omschreven in S7 en D23 te minimaliseren, met inachtneming van de volgende drie mechanismen die kunnen optreden:

  1. plotselinge vertraging van de ammoniakvloeistofstroom;
  2. plotselinge versnelling van de ammoniakvloeistofstroom;
  3. door condensatie van damp veroorzaakte plotselinge volumeverkleining.

Verdere achtergrond op deze drie mechanismen is beschreven in Bijlage G.3.

Secundaire circuits

Secundaire circuits (water, glycol, brijn, kooldioxide, enz.) die worden gebruikt voor de afgifte of opname van warmte van of naar het primaire (ammoniakbevattende) circuit, vallen niet binnen het toepassingsbereik van deze PGS. Daar waar secundaire circuits een veiligheidsrisico vormen voor het primaire (ammoniak)circuit of voor de omgeving, moeten afdoende maatregelen worden getroffen om deze risico’s te elimineren of te beperken tot een aanvaardbaar niveau.

Nadere informatie over secundaire circuits en mogelijke veiligheidsrisico’s is te vinden in Bijlage G.4.

Bij een ammoniakinhoud boven 500 kg vereist M10 (Detectie ammoniak in secundair circuit) de toepassing van een detector in secundaire circuits om ammoniaklekkage in een vroeg stadium te kunnen waarnemen en corrigerende maatregelen te treffen.

7.5.5Veiligheidsvoorzieningen

Inleiding

Tabel 4 geeft een overzicht van de benodigde acties en vervolgacties bij incidenten. De daarbij behorende veiligheidsvoorzieningen zijn in M20, MW21, M22, M23, M24, M25, M26, M27, M28, M29, M30, M31, M32, M33, M34, M35, M36, M37, M38, M39, M40, M41, M42, M43, M44, M45, M46, M47 uitgewerkt. Tabel 4 is niet volledig in het beschrijven van de eisen die aan de veiligheidsvoorzieningen, zoals detectieapparatuur, noodstopsysteem en alarmeringssysteem, worden gesteld. Daarvoor zijn de maatregelen leidend.

Tabel 4Overzicht van benodigde acties bij incidenten

Initiatie

Actie

Vervolgacties

Secundaire vervolgacties

Indrukken noodstop:

  • activering noodstopsysteem.
  • uitschakeling koelsysteem;
  • Inschakeling noodventilatie (indien aanwezig);
  • sluiting op afstand bedienbare inblokvoorzieningen (indien aanwezig);
  • inschakeling alarmeringssysteem (volledig).
  • alarmering in ruimtes waar competent personeel aanwezig is, eventueel doormelding externe hulpdienst;
  • alarmering op mogelijk bedreigde plaatsen waar personen aanwezig kunnen zijn.

Acties betreffende machinekamer

Ammoniakdetectie, 20 ppm-niveau in machinekamer:

  • (mobiele) detectie-apparatuur geeft signaal.
  • automatisch lokaal signaal of mondelinge melding aan personen in en buiten de machinekamer.
  • melden aan geautoriseerd personeel.

Ammoniakdetectie, 50 ppm-niveau in machinekamer:

  • inschakeling signaleringssysteem.
  • hoorbaar en zichtbaar signaal in en buiten machinekamer;
  • evacuatie personeel binnen 15 min uit machinekamer;
  • noodventilatie machinekamer handmatig of automatisch starten.
  • melden aan geautoriseerd personeel.

Ammoniakdetectie, 200 ppm-niveau in machinekamer:

  • inschakeling alarmeringssysteem (beperkt);
  • inschakeling noodventilatie.
  • evacuatie personeel uit machinekamer;
  • alarmering in ruimtes waar competent personeel aanwezig is.

Ammoniakdetectie, 800 ppm-niveau in machinekamer:

  • activering noodstopsysteem.
  • evacuatie personeel uit machinekamer;
  • uitschakeling koelsysteem;
  • sluiting op afstand bedienbare inblokvoorzieningen (indien aanwezig);
  • inschakeling alarmeringssysteem (volledig).
  • alarmering in ruimtes waar competent personeel aanwezig is, eventueel doormelding externe hulpdienst;
  • alarmering op mogelijk bedreigde plaatsen waar personen aanwezig kunnen zijn.

Acties betreffende overige ruimtes

Ammoniakdetectie, 20 ppm-niveau in overige ruimtes:

  • (mobiele) detectieapparatuur geeft signaal.
  • lokaal signaal naar personen binnen de overige ruimtes.
  • melden aan geautoriseerd personeel.

Ammoniakdetectie, 50 ppm-niveau in overige ruimtes:

  • stationair detectiea-pparatuur geeft signaal;
  • inschakeling signaleringssysteem.
  • lokaal voordat een overige ruimte wordt betreden signaleren of een concentratie van 50 ppm ammoniak of hoger aanwezig is voor het betreden van de ruimte;
  • lokaal signaal naar personen binnen de overige ruimtes;
  • evacuatie personeel binnen 15 min.
  • Melden aan geautoriseerd personeel.

Ammoniakdetectie, 200 ppm-niveau in overige ruimtes:

  • inschakeling alarmeringssysteem (beperkt);
  • sluiting ammoniak-toevoer naar in desbetreffende ruimte opgestelde koelsysteemdelen;
  • bij aanwezigheid competent personeel handmatig sluiten toegelaten, anders automatisch.
  • evacuatie personeel uit betreffende overige ruimtes;
  • alarmering in ruimtes waar competent personeel aanwezig is;
  • alarmering in desbetreffende ruimte.
Ammoniakdetectie, 800 ppm-niveau in verige ruimtes:
  • inschakeling alarmeringssysteem (volledig);
  • sluiting ammoniaktoevoer naar in desbetreffende ruimte opgestelde koelsysteemdelen, voor zover dit niet al bij 200 ppm-niveau is gebeurd.
  • evacuatie personeel uit overige ruimtes;
  • alarmering in ruimtes waar competent personeel aanwezig is, eventueel doormelding externe hulpdienst;
  • alarmering op mogelijk bedreigde plaatsen waar personen aanwezig kunnen zijn.
Werking van het noodstop- en alarmeringssysteem
Automatische ammoniakdetectie

Uitvoeringseisen

Plaatsing van detectieapparatuur

Handbediende inblokvoorzieningen
Automatische inblokvoorzieningen
Veiligheids- en gezondheidssignalering

Alle verplichte veiligheids- en gezondheidssignalering voor reservoirs en leidingen met gevaarlijke stoffen is geregeld binnen de Arbowetgeving. In Paragraaf 5.3 van deze PGS wordt een beknopt overzicht gegeven van relevante artikelen. Uitgewerkt voor een koelinstallatie met ammoniak leidt dit tot M43, M44, M45 en M46.

Bluswatervoorzieningen

M47 geldt voor installaties met meer dan 3 000 kg per systeem (volgens de classificatie inParagraaf 7.5.3 ).

7.5.6Opstellingslocatie

Algemeen

Bij de classificatie van de opstellingslocatie volgens Paragraaf 2.2.3 van deze PGS zal in de meeste gevallen de koelinstallatie geheel of gedeeltelijk in een machinekamer of in de open lucht worden geplaatst (opstellingsklasse II of III). Opstelling in een ruimte waar ten minste één van de lange zijden door middel van jaloezieën, met een 75 %-open oppervlak, open is naar de buitenlucht en die ten minste 80 % van het muuroppervlak dekt (of het equivalent als meer dan één muur verbinding heeft met de buitenlucht), wordt beschouwd als opstelling in de open lucht (zie NEN-EN 378-1). Bepaalde installatiedelen moeten om koeltechnische redenen in de open lucht worden geplaatst (luchtgekoelde en verdampingscondensors, bepaalde leidingen en appendages, grote ammoniakdrukvaten). Voor andere installatiedelen geldt dat die in (verblijfs)ruimtes anders dan machinekamers moeten worden geplaatst (luchtkoelers/verdampers, bepaalde leidingen en appendages).

Opstelling in een machinekamer

Inleiding

Indien een koelinstallatie geheel of gedeeltelijk wordt geplaatst in een machinekamer, moeten de maatregelen in deze paragraaf worden genomen.

Algemeen

Constructie

Algemeen

Alle verplichtingen ten aanzien van deuren in vluchtroutes zijn geregeld binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving. Aanvullend hierop zijn in deze PGS M61 (Nooddeuren – Aanwezigheid) en M62 (Nooddeuren – Aantal) opgenomen.

Brandgevaar

Alle verplichte voorschriften ten aanzien van weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO) zijn geregeld binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving. Uitgewerkt voor een koelinstallatie met ammoniak leidt dit tot maatregel M66 (WBDBO gebouw en machinekamer).

Ventilatie – Machinekamer

Algemeen

Noodventilatie

Brandpreventie

Draagbare brandblustoestellen

Generieke verplichtingen voor blustoestellen zijn geregeld binnen het Besluit bouwwerken leefomgeving. In Bijlage C.2 van deze PGS wordt een beknopt overzicht gegeven van relevante artikelen. Aanvullend hierop zijn in deze PGS M82 t/m M85 opgenomen.

7.6Bedrijfsvoering

Algemeen

Op de nieuwbouw, de ingebruikneming en het gebruik van koelinstallaties is het WBDA 2016 van toepassing. Zie Paragraaf 7.2.

Beheer
Onderhoud, controle, inspectie en keuring

Paragraaf 7.2 van deze PGS geeft aan hoe wordt omgegaan met wetsgebonden inspecties en keuringen met betrekking tot het WBDA 2016. De maatregelen in deze paragraaf betreffen aanvullende eisen.

Gevaar bij reparaties, wijzigingen en onderhoud
Calamiteiten
Dagelijks toezicht op de bedrijfsvoering
Logboek
Persoonlijke beschermingsmiddelen en EHBO-voorzieningen

Beschikbaarheid en gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen zijn geregeld binnen de Arbowetgeving. In Paragraaf 5.3 van deze PGS wordt hier nader op ingegaan. Aanvullend hierop zijn in deze PGS de maatregelen in deze paragraaf opgenomen.

7.7Noodplan of Instructie ammoniakcalamiteit

Opvang van en informatieoverdracht naar de hulpverleningsdiensten
Uitzonderlijke handelingen

7.8Competentie en certificering

Algemeen

In deze paragraaf zijn de maatregelen opgenomen die zijn gericht op competentie en certificering van personeel en bedrijven.

Daar waar in deze maatregelen wordt gesproken over een certificeringsregeling, is deze regeling gebaseerd op zelfregulering van en door de sector. Hiermee kan invulling worden gegeven aan de borging van deze maatregelen, voor zowel personeel dat werkzaamheden uitvoert, als het bedrijf dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van die werkzaamheden. De sector bestaat uit representatieve vertegenwoordigers van alle relevante marktpartijen (ontwerp-/ingenieursbureaus, adviseurs, koeltechnisch installateurs, leveranciers/fabrikanten, eigenaren/beheerders/gebruikers, certificerende bedrijven, schemabeheerders, opleidingsbedrijven, exameninstellingen en kennisinstellingen).

Daar waar sprake is van certificeringschema’s of vaststellen van toets- en eindtermen, wordt gebruikgemaakt van NEN-EN 13313.

Competentie van ontwerpers en installateurs
Competentie van monteurs
Competentie van operators (bedienend personeel)
Competentie van overig personeel

8Gelijkwaardige maatregelen

Criteria voor het toepassen van gelijkwaardige maatregelen

Een gelijkwaardige maatregel is een alternatief voor een in een PGS-richtlijn beschreven maatregel. Als een bedrijf voor een in deel B genoemde maatregel een alternatief wil toepassen, dan is het van belang vooraf de volgende aspecten na te gaan:

  • Is een alternatief toegestaan?
  • Voldoet het alternatief aan de criteria waaraan het wordt getoetst?
  • Welke formele stappen zijn nodig om een alternatief toe te kunnen passen?

Ook is het van belang alle gegevens goed te documenteren, omdat het bevoegd gezag of de toezichthouder moet kunnen beoordelen of de alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Deze aspecten zijn hieronder nader toegelicht.

Mag een alternatieve maatregel worden toegepast?

Dat hangt af van de wettelijke grondslag van de maatregel. Dit is per maatregel aangeduid met:

  • Omgevingsveiligheid (Omgevingsveiligheid);
  • Brandpreventie (Brandpreventie omgevingsveiligheid);
  • Arbeidsveiligheid (Arbeidsveiligheid);
  • Rampenbestrijding (Brand- of rampenbestrijding).
De wettelijke grondslag is Arbeidsveiligheid

Deze maatregel heeft betrekking op de veiligheid van werknemers. Een andere dan de beschreven maatregel is mogelijk zolang de wetgeving dit toelaat. De mogelijkheid tot het treffen van (alternatieve) gelijkwaardige maatregelen geldt alleen voor de maatregelen die een nadere uitwerking vormen van de doelvoorschriften in de arbeidsomstandighedenwetgeving. Die mogelijkheid is er in elk geval niet voor middelvoorschriften uit de arbeidsomstandighedenwetgeving en verplichtingen uit verordeningen, warenwetbesluiten en productrichtlijnen, zoals bijvoorbeeld:

  • het verbod op het werken met bepaalde stoffen;
  • maatregelen in paragraaf 2a ‘Explosieve atmosferen’ van het Arbobesluit;
  • maatregelen/verplichtingen uit de Verordening persoonlijke beschermingsmiddelen, de Warenwetbesluiten drukapparatuur 2016, explosieveilig materieel 2016, Warenwetbesluit machines, enz.

In de PGS-reeks/deze PGS worden de Arbeidsveiligheid-maatregelen waarvan niet kan worden afgeweken, geplaatst in een oranje blok met oranje tekst (DWW-maatregel).

Gelijkwaardigheid wil zeggen dat de alternatieve maatregel de gezondheid en veiligheid van de werknemers op minimaal hetzelfde niveau beschermt. Zie hiervoor ook onderstaand kader met criteria voor toetsing van de gelijkwaardigheid. De verantwoordelijkheid voor het onderbouwd aantonen van de gelijkwaardigheid van alternatieve maatregelen ligt bij het bedrijf. Dat vereist een zorgvuldige documentatie.

Voorafgaande toestemming is niet nodig. Pas bij toezicht of ongevalsonderzoek wordt er door de Inspectie SZW getoetst.

Criteria arbeidsveiligheid voor toepassen gelijkwaardige maatregelen

Bij de toetsing hanteert de Inspectie SZW een aantal criteria:

  • Vanuit arbeidsomstandigheden gezien is een alternatieve maatregel gelijkwaardig aan de PGS-maatregel als deze voldoet aan:
    • de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening, ook wel de stand der techniek genoemd;
    • een onveranderde trede in de arbeidshygiënische strategie;
    • het uitgangspunt dat organisatorische maatregelen geen alternatief zijn voor technische maatregelen.
  • Een alternatieve maatregel is gelijkwaardig als de gezondheid en veiligheid van de werknemers minimaal op hetzelfde niveau beschermd zijn. Het is aan de werkgever om te bepalen welke maatregelen die moet treffen om de werknemers te beschermen.
  • Gelijkwaardige maatregelen zijn een nadere uitwerking van de doelvoorschriften in de wetgeving. Voor middelvoorschriften en productrichtlijnen is het gelijkwaardigheidsprincipe niet van kracht. De beoordeling van gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers is een taak en verantwoordelijkheid die alleen bij de Inspectie SZW ligt.
  • De Inspectie SZW beoordeelt de gelijkwaardigheid van maatregelen ten behoeve van de gezondheid en veiligheid van werknemers bij inspecties en ongevalsonderzoek in het kader van de naleving van de Arbeidsomstandighedenwet.
De wettelijke grondslag is Omgevingsveiligheid of Brandpreventie omgevingsveiligheid

Deze maatregel is beschreven vanuit de doelen van de Omgevingswet. Een andere dan de beschreven maatregel is altijd mogelijk, mits deze alternatieve maatregel gelijkwaardig is. Bij de beoordeling geldt als criterium of er met het alternatief hetzelfde resultaat wordt bereikt. Dat resultaat is gekoppeld aan het doel uit deze PGS-richtlijn waarvoor de maatregel is beschreven. Het bedrijf moet de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen. Het bevoegd gezag heeft bij de toetsing een zekere beoordelingsvrijheid.

Wel moet door het bedrijf de juiste procedure worden gevolgd. Dat betekent dat bij een vergunningplichtige activiteit de gelijkwaardigheid bij het bevoegd gezag vooraf moet worden aangetoond. Het resultaat van de beoordeling wordt vastgelegd in een beschikking. Bij een niet-vergunningplichtige activiteit moet het gebruiken van een gelijkwaardig alternatief vier weken vooraf worden gemeld bij het bevoegd gezag. Er volgt geen beoordeling vooraf, die komt pas bij het toezicht aan de orde. Het bedrijf moet op elk moment de gelijkwaardigheid goed onderbouwd kunnen aantonen met documentatie.

Wettelijke grondslag is zowel Arbeidsveiligheid als Omgevingsveiligheid / Brandpreventie omgevingsveiligheid

Als de wettelijke grondslag voor een maatregel zowel Arbeidsveiligheid als Omgevingsveiligheid / Brandpreventie is, dan gelden alle genoemde criteria en formele eisen. Elk bevoegd gezag beoordeelt alleen op grond van de doelen die voor haar wetgevingsgebied gelden.

Het documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel

Het goed onderbouwen en documenteren van de gelijkwaardigheid van een alternatieve maatregel is van belang. De wijze waarop een bedrijf dat kan doen, is afhankelijk van de specifieke omstandigheden en de aard van de maatregel. Aandachtspunten zijn in elk geval de volgende vragen:

  • Voor welke maatregel uit de PGS is de voorgestelde maatregel een alternatief?
  • Op welke scenario’s en doelen heeft de alternatieve maatregel betrekking?
  • Kan worden aangetoond dat de alternatieve maatregel in dezelfde mate de doelen uit deze PGS- richtlijn bereikt en het optreden van scenario’s voorkomt of beperkt?
  • Wat is de mogelijke samenhang en het effect daarvan tussen de alternatieve maatregel en andere maatregelen uit deze PGS-richtlijn?
  • Is er een zorgvuldige onderbouwing dat aan de criteria voor de arbeidsveiligheid (zie kader) is voldaan?
  • Zijn alle onderzoeksrapporten, bevindingen, installatiegegevens, enz. die betrekking hebben op de gelijkwaardige alternatieve maatregel, goed gedocumenteerd?

9Voorbeeld Instructie ammoniakcalamiteit

M117, M118 en M119 hebben betrekking op een instructie ammoniakcalamiteit. In Afbeelding 1 is een voorbeeld weergegeven van een dergelijke instructie.

Afbeelding 1Voorbeeld Instructie ammoniakcalamiteit

Bijlage AAfkortingen en begrippen Normatief

Deze bijlage bevat een lijst met afkortingen en begrippen die in deze PGS voorkomen. Deze PGS sluit zo veel mogelijk aan bij de begrippen uit het Besluit activiteiten leefomgeving en andere relevante wetten en regels. In de praktijk kunnen ook andere termen voorkomen. Daarom is in deze bijlage bij een aantal begrippen ook een alternatieve omschrijving gegeven, zodat duidelijk is wat met een bepaald begrip is bedoeld.

Tabel 5Afkoringen en begrippen

Bekijk deze tabel in een popup venster

Begrip of afkorting

Betekenis

Alternatieve omschrijving

Arbeidsveiligheid

Doel of maatregel van belang voor arbeidsveiligheid.

Absorptie of adsorptiesysteem

Koelinstallatie waarbij de koeling plaatsvindt door verdamping van een koudemiddel, waarbij de damp wordt geabsorbeerd of geadsorbeerd respectievelijk door een absorberend of adsorberend medium, waaruit het vervolgens wordt verwijderd bij een hogere partiële dampdruk door verhitting en vervolgens gecondenseerd door afkoeling.

Afsluitvoorziening

Voorziening waarmee de stroom van het medium, bijvoorbeeld koudemiddel of pekel, kan worden afgesloten.

AGW

Alarmeringsgrenswaarde

Arbeidshygiënische strategie

Zie artikel 3 van de Arbeidsomstandighedenwet en artikel 4.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

ARIE

Aanvullende Risico-Inventarisatie en –Evaluatie

ATEL

Acute Toxicity Exposure Limit

ATEX

ATmosphères EXplosibles Het begrip ATEX wordt gebruikt als korte naam voor twee Europese richtlijnen die gaan over explosiegevaar.

Bal

Besluit activiteiten leefomgeving

Bbl

Besluit bouwwerken leefomgeving

BBT

Beste beschikbare technieken Dit zijn de meest doeltreffende methoden die technisch en economisch haalbaar zijn om emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu van een bedrijf te voorkomen of te beperken.

Bedienen van de koelinstallatie (bedieningswerkzaam-heden)

Het op routinematige wijze bedienen van een koelinstallatie onder bedrijfsomstandigheden als omschreven in de installatiehandleiding, alsmede het verrichten van algemeen onderhoud aan de koelinstallatie (zonder in te breken op het koudemiddelcircuit), overeenkomstig paragrafen 3.13 en 3.16 van NEN-EN 13313:2010 Het verrichten van routinematige onderhoudswerkzaamheden waarbij wordt ingebroken in het koudemiddelcircuit (met name ontluchten, olie aftappen, olie bijvullen en schoonmaken/vervangen van filters) is toegelaten indien deze werkzaamheden aantoonbaar onderdeel hebben uitgemaakt van de competentie-eindtermen van de persoon die deze werkzaamheden uitvoert.

Bedrijfsterrein

Terrein waarop de activiteiten van het bedrijf plaatsvinden, begrensd door de erfgrens.

Inrichting, Perceel, Terrein

Begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving Dit is in de meeste gevallen de erfgrens van het terrein van het bedrijf. Maar kan ook beperkt zijn tot de grens van de plaats op het bedrijfsterrein waar de gevaarlijke stoffen aanwezig zijn.

Erfgrens, Erfafscheiding, Erfscheiding, Perceelgrens, Kavelgrens, Terreingrens

Beperkt alarmeringssysteem

Systeem waarbij alarmering beperkt is tot de ruimte waarin de detectie plaatsvond, en een eventueel aanwezige portiersloge, controlekamer of een andere ruimte waarin zich competent bedieningspersoneel kan ophouden.

Bevoegd gezag

Bestuursorgaan dat bevoegd is om toezicht te houden, een vergunning te verlenen of een ander besluit te nemen Meestal is dit de gemeente of provincie.

BHV

Bedrijfshulpverlening

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BO

Doel of maatregel van belang voor brand- en rampenbestrijding.

BOb

Bestuurlijk Omgevingsberaad VTH

BR

Doel of maatregel van belang voor brand- en rampenbestrijding.

BRL

BeoordelingsRichtlijn

Buitenlucht

Plaats in de open lucht met natuurlijke ventilatie Zonder mechanische hulpmiddelen is de luchtsnelheid op die plaats meestal hoger dan 2 m/s en vrijwel nooit lager dan 0,5 m/s. Op die plaats zijn geen hinderende obstakels aanwezig.

Een situatie met één wand en een dak geldt als buitenlucht.

Buitenluchtsituatie
CBI

Conformiteitsbeoordelingsinstantie CBI's zijn instellingen die zijn aangewezen om conformiteitsbeoordelingen uit te voeren. Conformiteitsbeoordeling is een instrument om ervoor te zorgen dat arbeidsmiddelen bij naleving van de instructies veilig en gezond kunnen worden gebruikt. De meest actuele lijst met CBI’s staat op de website van de Inspectie SZW.

CLP

Classification, Labelling and Packaging CLP wordt vaak gebruikt als afkorting van de CLP-verordening. Dat is de Europese verordening over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels.

Competentie

Vermogen om een gegeven taak veilig en naar tevredenheid uit te voeren.

Component

Individueel functioneel onderdeel of subsamenstelling van een koelinstallatie (Niet inclusief delen van subsamenstellingen zoals afdichtingen, bevestigingsartikelen en dergelijke.)

Compressor

Voorziening waarmee op mechanische wijze de druk van een koudemiddel in dampvorm wordt verhoogd.

Condensor

Warmtewisselaar waarin het verdampte koudemiddel wordt gecondenseerd door middel van warmteafvoer.

Conformiteitsverklaring

Verklaring van een fabrikant waarin staat dat het apparaat of de installatie is gemaakt volgens code uit het ontwerp Een onafhankelijke partij (NOBO) heeft toezicht uitgevoerd op de productie.

Degene die de activiteit verricht

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving

Beheerder, Exploitant, Operator

DNEL

Derived No-Effect Level huid

Drukontlastklep

Door druk geactiveerde klep die gesloten wordt gehouden door een springveer of andere voorziening, en die is ontworpen om overmatige druk automatisch af te voeren door te openen bij een ingestelde druk en weer te sluiten nadat de druk tot beneden de ingestelde druk is gedaald

(Hermetisch) duurzaam gesloten systeem

Koelinstallatie waarbij alle koudemiddelhoudende delen (lek)dicht zijn gemaakt door middel van lassen, hardsolderen of een vergelijkbare permanente verbinding

EN

Europese Norm Een Europese norm is geldig voor alle Europese lidstaten. Voor de Nederlandse markt dragen Europese normen de codering NEN-EN. In Duitsland is dat DIN-EN. Er zijn drie organisaties die Europese normen vaststellen:

– Het Europees Comité voor Normalisatie (CEN) gaat over alle sectoren behalve elektrotechnologie en telecommunicatie.

– Het Europees Comité voor Elektrotechnische Normalisatie (CENELEC) gaat over elektrotechniek.

– Het Europees Normalisatie-instituut voor de Telecommunicatie (ETSI) gaat over telecommunicatie.

EVD

Explosieveiligheidsdocument

Explosieve atmosfeer

Mengsel van lucht en brandbare stoffen in de vorm van gassen, dampen, nevels of stof, onder atmosferische omstandigheden waarin de verbranding zich na ontsteking uitbreidt tot het gehele niet verbrande mengsel.

Fabrikant

Natuurlijke persoon of rechtspersoon die een drukapparaat of een samenstel (zoals een koelinstallatie) vervaardigt of laat ontwerpen of vervaardigen, en dat drukapparaat of samenstel verhandelt of het gebruikt voor eigen doeleinden.

‘Fail safe’

Systeem dat bij storing of gebrek altijd in een veilige toestand terug valt. Nederlands: ‘faalveilig’.

Gebruiker volgens WBDA 2016

Degene die de installatie gebruikt. Dit kan ook de exploitant of de beheerder zijn.

Gevarenzone-indeling

Indeling van gevaarlijke gebieden in zones, afhankelijk van de waarschijnlijkheid van het aanwezig zijn van een explosieve atmosfeer, volgens het Arbobesluit.

Giftigheid

De mate waarin een medium schadelijk of dodelijk is als gevolg van acute of chronische blootstelling door contact, inademing of inname van het middel.

Opmerking:

Tijdelijk ongemak dat de gezondheid niet aantast, wordt niet als schadelijk beschouwd.

Grenswaarde

Maximaal toegestane concentratie

MAC-waarde

Hogedrempelinrichting

Seveso-inrichting waar een gevaarlijke stof in een grotere of gelijke hoeveelheid aanwezig is dan/als de genoemde waardes in de Seveso-richtlijn 2012/18/EU, zie Bal

Hulpverleningsdiensten

Politie, ambulance, brandweer en andere organisaties van de overheid die hulp verlenen.

Hulpdiensten

IDLH

Immediately Dangerous to Life and Health limit

IEC

International Electrotechnical Commission

Internationale commissie voor het ontwikkelen en publiceren van normen voor elektrische componenten en apparatuur.

Inblokafsluiters

Afsluiters die, indien gesloten, stroming in beide richtingen verhinderen.

Installateur

Onderneming die zich bezighoudt met één of meer van de volgende werkzaamheden: ontwerp, installatie, onderhoud of service, reparatie en buitenbedrijfstelling en ontmanteling van koelinstallaties en warmtepompen die ammoniak als koudemiddel bevatten.

Intern noodplan

Noodplan dat maatregelen beschrijft om bij incidenten en calamiteiten passend te reageren met als doel ongewenste gebeurtenissen en schadelijke gevolgen daarvan te voorkomen of te beperken Het gaat om organisatorische en technische maatregelen binnen het bedrijf.

Noodplan, Calamiteitenplan

Interne veiligheidsafstand

Een interne veiligheidsafstand is een minimumafstand bedoeld om escalatie van een voorzienbaar incident in of nabij een PGS voorziening naar een installatieonderdeel, bouwwerken, opslagen en mensen niet zijnde werkenden (domino-effect) te voorkomen of te beperken. Deze interne veiligheidsafstand heeft geen relatie met afstanden in verband met explosieveiligheid als bedoeld in het Arbeidsomstandighedenbesluit en is niet bedoeld om gebouwen en plekken te beschermen waar mensen werkzaam zijn.
ISOInternational Organization for Standardization Internationale Organisatie voor Standaardisatie ISO stelt normen vast. Het is een samenwerkingsverband van nationale standaardisatieorganisaties in een groot aantal landen.

Koelinstallatie/ warmtepomp

Combinatie van onderling verbonden onderdelen die ammoniak als koudemiddel bevatten en die tezamen een gesloten koelcircuit vormen waarin het koudemiddel wordt gecirculeerd met het doel warmte op te nemen en af te voeren.

Koudemiddel

Medium dat wordt gebruikt voor warmteoverdracht in een koelinstallatie, en dat warmte bij lage temperatuur en lage druk opneemt en bij hoge temperatuur en hoge druk afgeeft, hetgeen doorgaans gepaard gaat met een faseverandering van het koudemiddel.
KvI

Keuring voor Ingebruikneming

LBW

Levensbedreigende waarde

LEL

Onderste explosiegrens Concentratie van brandbaar gas of brandbare damp in de lucht beneden welke de atmosfeer niet explosief is LEL is de afkorting van de Engelse term Lower Explosive Limit.

Logboek

Boekwerk/register (digitaal) waarin alle installatiegerelateerde handelingen worden bijgehouden.

Machinekamer (locatie)

Afgesloten of afgeschermde ruimte die is bedoeld voor de installatie van componenten van het koelsysteem of van het gehele koelsysteem en alleen toegankelijk is voor geautoriseerd personeel.

Maximaal toelaatbare druk (PS)

Maximumdruk waarop de apparatuur is ontworpen, volgens de opgave van de fabrikant.

Opmerking 1:

Begrenzing van de werkdruk die niet mag worden overschreden, of het systeem in bedrijf is of niet.

Opmerking 2:

De Richtlijn Drukapparatuur 2014/68/EU geeft de maximaal toelaatbare druk weer met het symbool PS.

Opmerking 3:

Het subscript ‘max’ is toegevoegd aan het symbool voor maximale waarden.

Milieubelastende activiteit

In de Omgevingswet omschreven als een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben Het Besluit activiteiten leefomgeving wijst milieubelastende activiteiten aan. De activiteiten met gevaarlijke stoffen uit deze PGS zijn aangewezen als milieubelastende activiteit.

Mobiel systeem

Koelinstallatie die gewoonlijk wordt verplaatst terwijl het in bedrijf is

Opmerking:

Onder mobiele koelsystemen worden de volgende systemen verstaan: koelsystemen in schepen, bijvoorbeeld systemen om de lading van een schip te koelen, koelsystemen in vissersschepen, airconditioning aan boord, koelsystemen voor proviand; koelsystemen voor transport, bijvoorbeeld transport van gekoelde lading via (spoor)wegtransport of containervervoer; koelsystemen voor airconditioning in voertuigen, bijvoorbeeld auto's, vrachtwagens, bussen, graafwerktuigen en kranen.

Monteren (montagewerkzaamheden)

Het pre-assembleren (vervaardigen van onderdelen en onderdelen van een koelinstallatie in een werkplaats of op locatie, niet inhoudende het vullen met koudemiddel), het installeren (samenvoegen van twee of meer koudemiddelvoerende onderdelen van een koelinstallatie op locatie, niet inhoudende het in bedrijf stellen van een volledig voorgemonteerde koelinstallatie), het in werking stellen (na een integriteitscheck vullen met koudemiddel en in bedrijf stellen), het onderhouden van het koelcircuit (in stand houden of herstellen van een koelinstallatie waarbij inbreken in het koudemiddelcircuit noodzakelijk is), het buiten bedrijf stellen (de koelinstallatie buiten bedrijf stellen en in een veilige en milieuverantwoorde staat brengen) en het verwijderen van het koudemiddel uit de koelinstallatie, overeenkomstig NEN-EN 13313.

Monteur

Competent persoon die de montagewerkzaamheden uitvoert, dan wel de competente persoon onder wiens eindverantwoordelijkheid een montageteam de montagewerkzaamheden uitvoert Competenties zijn beschreven in NEN-EN 13313.

NEN

NEN staat voor NEderlandse Norm. NEN staat ook voor het Stichting Koninklijk NEderlands Normalisatie-instituut. Dat instituut geeft NEN-normen uit.

NEN-EN

Europese norm (EN) die door het Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) is aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-IEC

Door IEC vastgestelde internationale norm De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door het Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-EN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm De norm is als Europese Norm aanvaard. De norm is ook door het Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NEN-ISO

Door ISO vastgestelde internationale norm De norm is door het Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) aanvaard en uitgegeven.

NH3

Ammoniak

NL-CBI

Nederlandse Conformiteits-beoordelingsinstantie

NOBO

NOtified Body

Een keuringsinstituut of testinstituut dat door de overheid is aangewezen. Het instituut test producten en kijkt of deze aan de daarvoor geldende richtlijnen voldoen.

Noodstopknop

Knop die een apparaat, voertuig of installatie uitschakelt of stilzet of in een veilige toestand brengt Deze is bedoeld om bij een incident of calamiteit verdere escalatie te voorkomen.

Noodstop

NPR

Nederlandse Praktijkrichtlijn Stichting Koninklijk Nederlands Normalisatie-instituut (NEN) geeft NPR-publicaties uit. Een NPR is een informatieve praktische uitwerking van de bepalingen in een norm. Bijvoorbeeld toelichtingen op normen, constructieve mogelijkheden, werkmethoden en fabricagegegevens.

NTA

Nederlandse Technische Afspraak Dit is een openbare afspraak tussen twee of meer belanghebbende partijen. Er is geen openbare commentaarronde en het is niet nodig dat er tussen partijen overeenstemming bestaat. Een NTA kan snel tot stand komen.

Omgevingsveiligheid

Doel of maatregel van belang voor omgevingsveiligheid

Onafhankelijke adembescherming

Apparatuur met een draagbare persluchtvoorraad, onafhankelijk van de omgevingslucht, waarbij de verbruikte lucht zonder recirculatie naar de omgevingslucht wordt afgevoerd.

Onbrandbaar

Onbrandbaar bouwmateriaal of onbrandbare stoffen, materialen of producten Het gaat bij onbrandbare bouwmaterialen om onbrandbaarheid volgens NEN 6064.

Onderste ontstekingsgrens (LFL)

Minimale concentratie van koudemiddel die een vlam in stand kan houden in een homogeen mengsel van koudemiddel en lucht.

Ontwerpen (ontwerpwerkzaam-heden)

Het verzamelen van alle gegevens die nodig zijn voor het realiseren van een goed en veilig werkende koelinstallatie, en/of het maken van het conceptueel en gedetailleerd plan (ontwerp) van de koelinstallatie (waaronder dimensionering, berekeningen, component selectie, leiding-layout en dimensionering.

Ontwerper

Competent persoon die de ontwerpwerkzaamheden uitvoert, dan wel de competente persoon onder wiens eindverantwoordelijkheid een ontwerpteam ontwerpwerkzaamheden uitvoert Competenties zijn beschreven in NEN-EN 13313.

Open lucht

Elke niet omsloten ruimte, eventueel met een dak.

Operator (bedienend personeel)

Competent persoon die de bedieningswerkzaamheden uitvoert, dan wel de competente persoon onder wiens eindverantwoordelijkheid een operatorteam de bedieningswerkzaamheden uitvoert Competenties zijn beschreven in NEN-EN 13313.

Overdruk

Druk waarvan de waarde gelijk is aan het verschil tussen de absolute druk en de atmosferische druk

Opmerking:

Alle drukken zijn overdrukken, tenzij anders is aangegeven.

PED

Pressure Equipment Directive Richtlijn Drukapparatuur

Richtlijn 2014/68/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van drukapparatuur.

De PED-richtlijn beschrijft 'essentiële veiligheidseisen' voor drukapparatuur. Het gaat om algemene veiligheid en bescherming tegen zowel persoonlijk letsel als materiële schade. Onder de PED-richtlijn vallen alle producten en installaties met een druk die hoger is dan 50 kPa. De richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in het WBDA 2016.

Personeel

Personen die werkzaamheden uitvoeren als omschreven in deze PGS.

Het is in deze context niet van belang of deze personen werkzaamheden in een dienstbetrekking bij een werkgever uitvoeren of een andere (arbeids)relatie hebben tot het bedrijf dat of organisatie die eindverantwoordelijk is voor de uitvoering van deze werkzaamheden.

Secundair koel- of verwarmingssysteem

Systeem dat gebruikmaakt van een medium dat warmte overbrengt van de te koelen of verwarmen producten of ruimtes of van een ander koel- of verwarmingssysteem naar de koelinstallatie zonder compressie en expansie van het medium.

Seveso-inrichting

Een of meer Seveso-installaties op een locatie die volledig wordt beheerd door diegene die de Seveso-inrichting exploiteert, met inbegrip van de gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten, zie Bal.

Seveso-installatie

Technische eenheid waarin een gevaarlijke stof als bedoeld in artikel 3, lid 10, van de Seveso-richtlijn wordt gemaakt, gebruikt, verwerkt of opgeslagen, met inbegrip van de uitrusting, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laadkades, aanlegsteigers, pieren, depots en andere constructies die nodig zijn voor de werking daarvan, zie Bal.

SWIFT

Structured What If Technique Methode voor het uitvoeren van een risicoanalyse

SZW

Sociale Zaken en Werkgelegenheid Er zijn het ministerie van SZW en de Inspectie SZW.

Ten hoogste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Maximaal

Ten minste

Uit het Besluit activiteiten leefomgeving.

Minstens, Minimaal

TGG-8 h

Tijdgewogen gemiddelde grenswaarde over 8 h.

Verblijfsruimte

Geheel omsloten ruimte waarin gedurende een significante periode mensen verblijven Waar de aangrenzende ruimtes van de verblijfsruimte door constructie of ontwerp onvoldoende dicht gescheiden zijn van deze verblijfsruimte, worden deze beschouwd als deel van de verblijfsruimte. Dit kunnen bijvoorbeeld een ruimte in een verlaagd plafond, kruipgangen, kabelgoten en beweegbare afscheidingen zijn.

De gebruikte ruimte mag toegankelijk zijn voor het publiek (bijvoorbeeld supermarkt) of alleen voor getrainde personen (bijvoorbeeld snijders van vlees). In een verblijfsruimte mogen zowel delen van een koelinstallatie als de gehele koelinstallatie worden geplaatst/geïnstalleerd.

Verdamper

Warmtewisselaar waarin koudemiddel wordt verdampt door opname van warmte uit de te koelen stof.

Vloeistofvat

Vat dat permanent op een systeem is aangesloten door middel van toevoer- en afvoerleidingen ten behoeve van het verzamelen van vloeibaar koudemiddel warmteoverdrachtsmedium (koude-/warmtedrager).

Voldoet aan / Volgens / Zoals dat staat in

overeenkomstig

VRW

Voorlichtingsrichtwaarde

Warmteoverdrachts-medium (koude-/warmtedrager)

Medium voor de overdracht van warmte, meestal zonder faseovergang (bijvoorbeeld pekel, water, lucht) of met een faseovergang op dezelfde druk (bijvoorbeeld R744).

WBDA 2016

Warenwetbesluit drukapparatuur 2016

WBDBOWeerstand tegen Branddoorslag en Brandoverslag WBDBO gaat over een gebouw of scheidingsconstructie. WBDBO is een eis voor de tijd die het gebouw of de scheidingsconstructie weerstand kan bieden tegen het doorslaan of overslaan van een brand. Dit kan gaan om van binnen naar buiten, en om van buiten naar binnen. De brandwerendheid van scheidingsconstructies bepaalt de weerstand tegen branddoorslag. WBDBO kan worden bereikt met brandwerende constructies of met afstanden, of met een combinatie daarvan. Bij brandoverslag moet een berekening volgens NEN 6068 worden uitgevoerd.
Wvr

Wet veiligheidsregio's

Bijlage BNormen en bronnen

B.1Normatieve documenten en normen Normatief

Deze bijlage bevat normen en andere documenten die zijn genoemd in de maatregelen, normatieve hoofdstukken en bijlagen. Voor zover een norm (zoals NEN of ISO) of een ander normdocument of een andere specificatie waarnaar in een voorschrift in deze richtlijn wordt verwezen, betrekking heeft op de uitvoering van constructies, toestellen en apparaten, wordt bedoeld de uitgegeven publicatie inclusief wijzigings- of correctiebladen zoals die op het moment van de publicatie van deze richtlijn luidde.

Tabel 6Normen

Norm met versie

Titel

NEN 2535

Brandveiligheid van gebouwen – Brandmeldinstallaties – Systeem- en kwaliteitseisen en projectierichtlijnen

NEN 4001:2008

Brandbeveiliging – Projectering van draagbare en verrijdbare blustoestellen

NEN 6068:2016

Bepaling van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag tussen ruimten in gebouwen

NEN 6069:2019

Beproeving en klassering van de brandwerendheid van bouwdelen en bouwproducten

NEN-EN 378-1:2016

Koelinstallaties en warmtepompen – Veiligheid en milieueisen – Deel 1: Basiseisen, definities, classificatie en selectiecriteria

NEN-EN 378-2:2016

Koelinstallaties en warmtepompen – Veiligheid en milieueisen – Deel 2: Ontwerp, constructie, beproeven, merken en documentatie

NEN-EN 378-3:2016

Koelinstallaties en warmtepompen – Veiligheid en milieueisen – Deel 3: Installatie-omgeving en persoonlijke bescherming

NEN-EN 378-4:2016

Koelinstallaties en warmtepompen – Veiligheid en milieueisen – Deel 4: Operatie, onderhoud, reparatie en terugwinning

NEN-EN 13313:2010

Koelsystemen en warmtepompen – Bekwaamheid van personeel

NEN-EN-IEC 60079-14: 2014

Explosieve atmosferen – Deel 14: Ontwerp, keuze en opstelling van elektrische installaties

NEN-EN-IEC 60204-1:2018

Veiligheid van machines – Elektrische uitrusting van machines – Deel 1: Algemene eisen

NEN-EN-ISO 13850:2015

Veiligheid van machines – Noodstopfunctie – Ontwerpbeginselen

NEN-ISO 2559:2011

Onderhoud van draagbare blustoestellen

NPR 7910-1:2010

Gevarenzone-indeling met betrekking tot ontploffingsgevaar – Deel 1: Gasontploffingsgevaar, gebaseerd op NEN-EN-IEC 60079-10

B.2Informatieve documenten en bronnen

Tabel 7Informatieve documenten en bronnen

Bekijk deze tabel in een popup venster

Nummer

Titel

Vindplaats

[ 1 ]

ADR 2019

rijksoverheid.nl

[ 2 ]

Arbeidsomstandighedenwet

wetten.overheid.nl

[ 3 ]

Arbeidsomstandighedenbesluit

wetten.overheid.nl